The Project Gutenberg eBook of Menschenwee

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Menschenwee

Roman van het land

Author: Is. Querido

Release date: September 30, 2023 [eBook #71767]

Language: Dutch

Original publication: Haarlem: De Erven F. Bohn, 1903

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MENSCHENWEE ***
[Inhoud]

Nieuw ontworpen voorkant.

[Inhoud]

MENSCHENWEE

MENSCHENWEE

ROMAN VAN HET LAND

HAARLEM
DE ERVEN F. BOHN

Eerste Boek

WINTER.

[1]

[Inhoud]

EERSTE HOOFDSTUK.

[Inhoud]

I.

Diep, in zandkuil van uitgespitte hei, weggeslobberd met zijn beenen, in blauw-zwarte glimmige klei, schoot ie rhytmisch-breed over, zwaar-ademend, grauwe zandbonken van z’n stompkorte graaf opwerpend in kracht-zwaai, àl meer roestige brokken en plakken naar den omgespitten grond, die dichtgegooid lag boven hem. Grauw-grijze december-donkering dreigde; gier-felle wind, met er doorheen dwars gerafel van regen, bolde en loeide wijd-wild over het verre middag-land, dat vaal-bruin, en groezelig-geel, aan de kim vernevelde in toonloos grauw van winter-droef-doodsche akkers, grimmig verdoffend tegen verschimd-bleeke bosschages en hagen van ver-affe tuinderijen en bollenland. En zwaar-eindloos, laag, stond boven het akkerbrons gestolpt de wild-dreigende lucht-donkering, aanhollend wolkengrauw met al duisterder tintvegen. Hier en daar brokkelde gloedloos pluimgroen van boerenkool en prei, groen-vaal gerijd tusschen bollenakkers, die in vuil-geel dekriet schimmelden of bemorst lagen met boomstronken en zwaren takkenrommel. Flauwe silhouetten van grondwerkers en spitters kontoerden in wrongig-gebuk, schonkig-somber, in den woest-kalen omtrek van het grondbrok dat Dirk bewerkte. Zwaar-melancholisch loomden van ver hun lijfbewegingen en starre armenheffing in het stugge druillicht, dat àl droeviger door-donkerde over de velden. Schonkig-gespierd, met zweet-vet op roodbruin gezicht, schoot Dirk over, al hooger boven ’m, al dieper [2]wegzakkend in hei, uitspittend onder z’n voeten in breeëre sneden, òpwerpend de zandvrachten, vlijmend met scherpen kant van mes-blinkige spa in den grond, plots harder en inspannender soms, met bloed-rood hoofd van aanzwellende kracht-dreiging inhakkend en kervend, waar kleibonken, ommodderend z’n beenen, kleef-zwaarder naar den grond terugzogen.

Z’n vuile slijk-klompen klodderden in het sappige kleiblauw, en àl zwaarder, werkkoortsig-heftig, in onberusten maatgang kerfde en hakte z’n graaf door modder en zandgrond, in wilder opwerping van àl zwarter gestikte brokken en roest, omwoelde en groef ie uit de spitkuil, al breeër en dieper, tot het zwart-vette water uit den grond borrel-schuimde rond z’n beenen en broek. Dan ging er ’n wellust-tinteling door z’n werklijf, door z’n blaasbalgende borst, want dàt moest ie zien van zijn land, doorwatering, vettig en modderig.

De ouë Gerrit Hassel, bijgenaamd de Blommepot, Dirks vader, was achter z’n erf uit, de akkers opgeloopen, stond nou bibberend-verkleumd voor de spithei op Dirk neer te kijken. Z’n lang, lichtelijk bij schouders gekromd lijf, stramde ingebogen tegen den stoei-wind en z’n rond gezicht vertrok, blauwig-koud, in wreveltrekken, voor zoover ’t kon wrevelen op z’n boersch-poppig gezicht, bol-rond, omzilverd van grijs-prachtige lokken, flap-krullend en wind-stoeiend nu onder z’n vuil-groen petje uit, met z’n zware sprookjes-mooie zilveren baard, eerwaardig-bisschoppelijk vreemd omhuivend z’n kindergezicht. Op z’n bruin-kalig verschoten jekker, spatte de regen korrelig en z’n blauwe kiel wapperde ’n endje er onder uit, flapperig lawaaiend. Toch had ie schik, de ouë Gerrit, want telkens berekende ie met ’n stil-trotsch genot de zandvracht van elken schep, dien Dirk in kracht-zwaai, breed-gebarend òp-wierp uit de kuil, boven ’m uit; voelde ie zich overmoedig op dat vijfsteek-diep-spitten van z’n jongen, den eenigen van wien ie ’n beetje hield, om z’n sullerige spraaklooze werkbeulerij, zonder klacht of krimp. En nou had ie schik in zichzelf, dat ie daar weer stond, zijn Dirk, in gierende windguurte, die door de kleeren heenrilde [3]op ’t naakte lijf, zonder klacht. ’n Halven akker van Dirk stond Piet te spitten, gemakkelijker grondbrok bewerkend, omdat ie niet had stille, wriklooze stierekracht van Dirk. Vreemd zang-stemde, ver, heel ver, licht-bevend, dàn opgejaagd door windrukken, zijn in deun-maat uitgezeurd lied, dichtbij raar-vroolijk vergalmend bij elken zandworp, onder grauwe luchtzwaarte. Vlak bij ouën Gerrit klankte nu door het winterveld, zwak zanggestem in de bewogene lucht:— —Toe … en .… sprèk sai van betooàle.… moar ’k hàt gain sint.…

Sai vloekte en skolde.… main f’r lailikke fint.… en wèg woei weer, beverig-zwak Piet’s zeurig geluid in den wind over de akkersombering vergàlmend.

—Hoho.… ho!.….. ho!.… die hep puur skik, grinnikte de Ouë, afwerend met grimmige gezichtskreukels, aangutsend regengespat, dat uit zware wolkdreiging over het land rafel-grauw heenvaalde weer. Dirk hoorde niet in z’n spithei, spraakloos baggerde ie door in z’n zandkuil, opwerpend rhytmisch, kleurige kluiten, blauwige zwarte kleibonken, forsch-geweldig, in breede plakken, wegsnijend onder z’n voeten.—

Met zware dubbele hypotheek belast, was het bunder land van den ouën Gerrit, waarop z’n zoons nu werkten. Maar voor hem gelukkig, lag ’t in het hartje van ’t tuinderstedeke Wiereland.—Z’n anderen grond had ie gepacht, lag meer aan den kant van gemeente Duinkijk, die komvormig om Wiereland liep en in één weg zich uitstrekte recht-door naar zee, vormend daar één gemeente met Zeekijk, armelijk zeegehucht, dat alleen zomers, door kleurige vreugde van badgasten wat opleefde. Zijn bunder werd nou ’t laatst bewerkt. Achter z’n huisje en erf liep ’t uit, omsloten rechts, door groezelige armelijke huisachterbuurtjes uit de arbeiders- en tuinderswijk, links openliggend, met aanschakeling van tuinders- en bollenakkers, ver, heel ver.—Dooie tijd was ’t alom voor de tuinders in ’t stedeke; luiertijd en tijd van ellende voor de meesten, pijnigende zorg-armoe en grauw gebrek voor de Wierelandsche getrouwde daggelders, los volk, dat met ’t sterven van den [4]zomer, werkeloos rondscharrelde; hier ’n trap, daar ’n snauw, ’n paar dagen zwaar spittend, dan weer niks, geradbraakt en omhongerend elken winterdag, in gierig licht en zonnestraalte. De ouë Gerrit had z’n twee pootige zoons, die hem te eten gaven, nou hij ’t jaren hun had gedaan. Want nou, op z’n ouën dag, voelde ie zich na z’n zware ziekte van verleden jaar te stram en te beroerd om in guurte en regen te spitten. Als ie z’n kinderen niet had, zou ie nou nog op z’n achtenzestigste jaar moèten, want loon kon ie niet betalen.

Lekker warmde ’t nou in ’m, dat hij maar met z’n handen in de zakken daar te staan had, alleen maar kijken naar hun werk en ie z’n eigen niet druk hoefde te maken. Wat ’n kerel was z’n Dirk toch!.… hoho!.… wat ’n skoften.… wat ’n makelei.… wat ’n poote en arreme!.… Jesis!.… wa stong ie daar stoer in z’n kiel.… huhu!.… hu.… da skept moar, .… skiet moar òver. En s’n Piet gunters.… ook ’n pootige knoest.… kaik.… da song ie weer.… wat ’n hassebas.… da se’m toch soo gemeen konne f’rbluffe.… kaik die Dirk.… da segt t’met g’n woord.… stil.… da gong ie puur.… bònk!.… poef.… bònk!.. poef!! wat ’n vracht.… daa’s werk.… ieder keer t’ met vaiftig pond.… boofe se macht.. main kristis.… Dâ ken puur nie eene van de ploas!.…..

Ouë Gerrit huiver-kleumde van kou. De wind rumoer-baste en kermloeide bolderig-wild over de vlakte, pal in zijn pimpelpaarse gezichtskleum.… Jesis.… da natte gespikkel.… soo effe sommetaids.… hai mos maor instappe.…

Dirk, in z’n spithei had ’n laatste kleiworp met hevige kracht-zwelling en inkerving van z’n graaf, bevracht met heel z’n lijf-zwaarte, en wierp uit, zwarter vastgestikte brokken, die blauw-gloederig nog terugzogen in kwebbelenden moddergrond. Nou stond ie even uit te hijgen, heet zweet van z’n brons gezwollen hoofd te luwen met vaal-rooie zakdoek. En suffig, als timide waanzinnige, stomp, staarde ie op het omwoelde grondbrok boven ’m, dat nu weer brons-kleurig lag in het zwaar-grauwe druillicht, met z’n al ingedroogde kleur-plekken aan de kanten, die geheimvol grijs, en teertonig tint-wasemden of boetseer-bonkig en [5]en pulverig van rauwe rulheid woelden tusschen roestige stapels, midden in zanderige uitgravingen. Met de dikke vuilgroenige moddervingers van z’n geweldige, melaatsche hand, gutste ie telkens ’t zweet van bronzen kop in spitkuil, en telkens weer woei er nattig-splinterend, regen tegenaan. Nog even uithijgen bleef-ie, weinig voelend van de bolderende windgieringen. Dàt was werken, beestig zwaar, maar wat gaf ’t te donderjagen, ’t mos toch dààn. Nou voelde ie z’n ruggestreng steken en pieken en stram stroefde, lammig, ’n heete pijn in z’n polsen. Maar hij moest ook nog wennen aan dien spit-buk-stand, uitputtend in zoo’n diepte. Zoo dikwijls spitte ie ook niet vijf-steek. Als ie nou maar niet begon te beven in z’n dondrement, want dan was ’t zaniken.… dan kon ie niet meer voort. Net als verleden jaar, toen ie doorgong.… heere.… wat beroerd was ie toen niet weest. Donders nou voelde ie de regen weer, nattig geplak op z’n heet-dampend zweetlijf.… vastplakkerig.… Dan maar weer aan den skep.

—Paás op Dirk! je hoalt natte beene.… pàas op, waarschuwde de Ouë, die modderige opborreling van doorzuigend water zag opschuimen uit den grond, rond Dirk’s klompen. Het schuimde onder z’n beenen aan broek-onderend, nauw dichtgesnoerd met ontrafelde brokken grauwen zak, als slobkousen slobberend. Op het geschreeuw van den Ouë schrik-vlug, lichtte Dirk één vet-bekleid been, met het andere even dieper vastzuigend in poelig zwart. Toen veerkrachtig toch, versprong hij in andere hei-kuilholte op droog-plek. Z’n klomp-voeten stonden vergrauwd plat-breed als olifantsklauwen, rondig vereeld uit het kledderende kleizand. Nog bleef ie uitstaren. Z’n stroo-gelig haar, grof-ongekamd, rossig vervlekt, sluikte langs groote krom-ingekrulde ooren, en spriette onder z’n pet, bij voorkop uit. Wit-blond vlasten z’n brauwen en kort, als afgeknipt, zeerden wimpers om bloed-randige oogen, wat gaf z’n beenigen chineezig ingekaakten kop iets versufts en wreeds. Z’n dof-groene glazige oogen lobbesten maar stommig glansloos in z’n grooten, wreeden kop. En aldoor keek ie voor-zich-uit, met iets van koe-beestige loomheid in z’n doffe lenzen. [6]Spraakloos nog bleef ie z’n gezicht bevegen, kalm door de krommige beenen van z’n vader heenziend over de akkers. Zachter blaasbalgde z’n borst in lichten kreun van ademhaling nà; zwaarste inspanning moest nog komen.

—Huhu!.… hu.… je laik puur warm, wà jou Dirk.… huhu!.… huhu!.…, lachte de Ouë zuur, verlegen ’n beetje met eigen nietsdoen en luierstand. Niets zei Dirk terug.… alleen in zachte uithijging kermde gesmoord z’n borst en verstoomde adem. Even zou ie omdraaien tegen wind in.…

Lager stond ie nu in z’n hei-kuil, en vóór ’m winterden en dorden de uitgestorven akkers, bronzige wijdheid àlom, vergrauwd in knagende droefnis. Van de verschrompelde erfjes en rottige tuinbrokjes achter de huisjes uit Rozen- en Bikkerstraat die rechts Hassels land begrensde, klapperde heftig geflapper van uitgespannen waschgoed, boven-uit smerige schuttinkjes. Triestig en kniezerig brokkeldakten de huisjes in de winter-sombering, met de oneffen geveltjes die in lijnschokken hotsten tegen de laag-zware luchtgrauwing. Vreemd-vaal kleurden òp, mos-groenig verweerd, en omstoven met wintersmart de laag-gezonken droef-rooie bedakingen. Heel de arbeiderswijk lag daar, met d’r gruizelig donker klein gekrot als ingestort muurwerk te kijk; groenige zolderluikjes, bruinige deurtjes, venster-knussige ruitjes, grijze gevel-stompjes, peuterig-dorpsch, rommelig vergoord in de dagdonkering. De erf- en tuintjes-schuttingen, uitrottend hout, kreunden in den gierwind. Van Dirk’s hei af was te hooren het zeeruischend wild geslier en geloei, van kaal-gewaaide iepen uit de achterafstraatjes, die takkennaakt met forsch-donkre stamheffing, loei-zwiepend in hoog overdonderend geweld, als reuzige wezens, boven de laag knielende huisjes, hun winter-worsteling bevochten. De somberste hoek lag te huiveren, vlak bij greppelrand en afwaterend slootje, waar de achtergevel van ’n katholieke kerk, grijs-vaal, smartelijk verkleurd in bruin-zwartig muurvocht hoog uitstak, met z’n weenende stigma’s en kringen van verweerd kleurleed, rimpels van angst, gekrast in gevelsteen; somberste hoek in de duistere druiling [7]en kruiping van beangstigend wintergrauw. Daar, ver tegenover, afgezien van erfjes-engte lag ’t uitgestorven land, waartusschen nog niet omgespitte tuinderij, brokjes late andijvie, spruitjes en koolhoekjes, wat armelijk geel-groen gevlek duwde. Maar overal, wijd-om verschimmende bosschages, winterdroeve en kil-verre hagen, afgeknaagd en vervreten, omprangd in één lucht-grauw, laag, laag, met angstig zware voortschuiving van al donkerder wolktinten, stug-droef nevelend en toch geheimvol vervalend over de ontzettende, van-god-verlaten leege velden.

Juist wou Dirk z’n graaf weer in den grond steken, toen ie ouen Bolk van het Wierelandsche achtereind, ’t droefste, afgekniesdste ellendehoekje van de streek, naar hen toe zag dobberen.

—F’rjenne, dà hep je Jan Platneus, wà stapt dìe hier staif op an,.… zei ie zacht, glurend tusschen vaders beenen door, die zich nog niet had omgekeerd om te kijken.

’n Klein gedrongen mannetje strompelde waggelend-moeilijk op z’n groote klompen tusschen de enge greppels van bollenakkers. Van ver riep ie al, met doffe neusklankstem … gedaa’g, naar de Hassels. Blaas-hijgend, in de handen slaand, kwam ie, klein-krom naast ouen Gerrit staan. Z’n afgeknaagd, smerig vest stak boven z’n pilow clownig-gelapte, zakkerige broek uit, met drie knoopen-open-naar-voren, en z’n groenige rots-kale jekker bobbelde losjes over z’n lange blauwe kiel. Z’n smoezelig vuil-geel gezichtsvel, stond over den heelen vergrijsden kop tot diep in de halskuil gebarsten van scherpe groefjes en zwartige rimpels. En z’n groezelige stoppelbaard haardotte verwaarloosd over ’t heele gelaat als was ie ingewreven met turfmolm. Als ’n gekerfde lijnden nijdig de barsten en ruitrimpels over ’t vel-geel van kaken en knevel-zware brauwen gromden donker-dreigend boven kleine flauw-grijze oogjes.

—Gemiddag.… lekker hee?.… de rege hep dààn hee? sputterde Bolk.

Zwaar dofklankte z’n stem, als baste ’t geluid uit z’n neusgaten òp met ’n brom-nasalen nadreun. [8]

—Langedaik.… de Mosterdbroek hé ’k net vàt, hai sait.… gong hier hain.—Hai je wa veur me?.… spitte of overschiete?.…

Hassel uit z’n hoog rug-krommige lengte keek bar neer op den sjofelen daglooner, die zoo plots zich kwam opdringen. Zonder antwoord van Hassel af te wachten nasaalde z’n stem dreunend weer uit z’n platten polypen-neus:

—F’r duuf’ld aas’k wà anskiete ken.… f’r duufl’d.… ’t is hard.… nou loop ’k puur de haile waik af.… en de polder af.… moar vast niks.… vast niks!.…

Te bibber-blauwen van de kou stond ie, kabouterig-verkrompen, en onder ’t spreken stampte ie z’n klomp-voeten tegen den hei-rand. De ouë Bolk was een van de stumperige daggelders uit Wiereland, verschrompelde grijsaard van zeventig jaar die niet weten wou, dat ie zoo grijs al was, z’n hoofdhaar van voren altijd kaal liet knippen uit angst dat ze ’m te oud zouen vinden om te werken, en nu, beef-oud, nog heviger te beulen en te jakkeren had voor brood, dan in z’n jeugd. Stram, krom was ie van ’t staan in alle weer, rhumatiekerig van beestigen arbeid, onmenschelijk lang en wreed-rauw, krom van ’t rooien, spitten, wieden, plukken en kruipen, in guurste herfstweer en vlijmend windgesnij, in slagregen of zonnebranding op ’t vlakke veld, dat ie verdroogde van martelende hitte en ie wel ’t zweet van z’n lijf wou inzuigen uit drang naar keelverkoeling, naar iets nattigs.—’s Winters was ’t meeste werk gedaan; hadden bijna alle baas-tuinders voor eigen arbeid hun zoons, kon hij den bedel op naar arbeid, tegen November al, als in Wiereland markt en verdien-werk finaal stil-stonden. Zoo, tot Maart of April bleef ie lanterfanten, leeg, grimmig, wel voelend, dat ie met z’n stramme karkas en afgebeuld lijf toch nooit in den omtrek van Wiereland en Duinkijk, waar ook tuinderij en bollenland lag, werk kon vinden. En nooit zag ie tegen zwaarste ploetering op. Bij elke nieuwe kans, wreef ie zich over z’n stramme korpus, zei ie, met ’n schijn-luchtig lachie an z’n vrouw, dat ’t nog wel gong; spoog ie z’n kees in de verklauwde geteisterde handen, de geweldige [9]vermartelde handen, die altijd, in werkstuip, in krampige vingerbuiging haakten; wroette ie in den grond, sjouwde of deed boodschappen, met karren, vervoer naar de haven, ploeterde ie in ruige leefdrift, dol-bang,—maar diep verbergend dien angst in zich-zelf,—dat ze ’m te oud zouen vinden, woedend en smartelijker geslagen als elk jaar, jongere krachten ’m gingen verdringen. Ja, ze hadden zoo op ’t oog wel meelij met ’m, de menschen, maar dat gaf ’m niemendal in z’n zak, gaf ’m geen eten, heel dien honger-dorren winter door. Hij woonde al zoo goedkoop moog’lijk voor negentig cent op ’t weekie in ’n krot, één kamerachter met erf op ’t Wierelandsche achterend, in ’t mors-deel van de armoe-wijk, krot waar net even geademd kan worden, met plaats voor twee stoelen, ’n kastje, ’n tafeltje, meer niet. Daar woonde ie al vijfentwintig jaar, tevreê als ie kon werken, ploeteren; was ie opgedroogd met z’n vrouw van acht-en-zestig, al jaren samen geklonterd met ’t vuilste schorem, afval van de streek, dat zich daar ophoopte, klierde in onreinheid van stoofhuisjes, hondenhokkig laag, onder wijde hemelstolp. Daar schurkerde ie met zijn vrouw, kinderloos. Van de diakenie had ie dit jaar krieltjes gehad, maar ze waren voor de varkens te slecht, rottig, kuilerig, en ’t brandhout van de armenbedeeling nog schunniger beetje. Zoo was ’t alle dag blauwige krieltjes met olie.… wat gebedelde groenten soms, of droog brood.… zoo alle dag, alle dag.… tot ’t liep tegen April, als het stedeke uit z’n winterslaap begon te ontkillen. Als er beweeg, leven en rijrumoer kwam in lente-opbloeiing; als zacht lentelicht droef akker-brons en dooie hagenboschjes ging beflonkeren en beketsen met zonnevuur, de tuinders al druk zaaiden en drentelden in hun groentebedden; als ie zelf, midden in de geuren en gloei-kleuren van zwaar-wasemende bollenakkers, duizelig nog van werkblijdschap, al vroeg de lenteluwing inzoog, koesterend z’n ouë gebroken karkas, en heel z’n stramme binnenste van fijne zoet-warme grondlucht doorwaaien liet. Tegen dien tijd voelde ie dat ie nog noodig was, ook zijn afgebeuld lijf, omdat ie beter dan de jonkies wist, wat ie te doen had. Dan voelde [10]ie weer stoere kracht in z’n rug en joeg naijver ’m op, zoodat ie met de anderen al om drie uur in den klaren ochtend op het groote land stond, tot ’s avonds negen, soms tot tien uur, in drukst van aarbei- en pluktijd, mee naar ’t haventje tot elf—dan, eindelijk hijg-op in de bedstee naast z’n vrouw, geschroeid en verzuurd van zweet, neergesmakt lag als ’n beest, doorsnurkend, ’n haastige paar uurtjes, tot den volgenden ochtend. Dan weer aan ’t plukken, laaien, lossen, karrevracht verduwen zonder end.

Op het eind van zoo’n zomersche week, voelde ie zich gekraakt en trillend ging ie gloeibevend in handen en polsen, snakte ie naar den Zondag, één lang niksdoen, één juich-stil rusten, ingeklompt zitten en slobberen koffie, en smakkeren pruimpies. Dan nieuwe week, toch maar met ’n soort inschikkelijkheid begonnen, want zóó, in zomerschen werkroes haalde ie nog wel negen pop, lei er zuinigjes wat van over, as ie ’t eerbiediglijk in de knokige spierhand van z’n vrouw zag opgeborgen, oversparend voor de eerste zwaarste wintermaand, om niet heelemaal in-één daar naakt te staan. Zoo ploeterde ie mee, tot ’t leefrumoer van zomer en brandende zonnezoenen het stedeke met z’n tuinen en bollen, z’n groenten en vruchten, tot wondre, schoone bloeistreek had gekleurd; als overal in het naarstige stedeke, werkroes droesemde, en ’t havent je knel-vol, en rumoer-donderend in enge ruimte was opgepropt van tuinders, boeren, paarden, honden en karren, met gaan en komen van booten en vrachten; het leven er gloeiend opging in stage wemeling van drukte en werkhaast. Zoo ging ie mee, zorgzaam, zag ie weer afnemen zomergloed en werkkoorts. Langzamerhand hóórde ie niet meer het geratel van groentekarren en vruchtwagens; zàg ie niet meer de frisch-kleurige groentebakken, klonk niet meer naar z’n akker dóór, ’t vroolijke belgeklingel van zeetram, volgepropt met badgasten, kinderen en jolende vakantiebenden, die anders, luidruchtig in hun ongebondenheid, het stedeke bespatten en beschuimden met joedeling en leefdrift; doolden er weemoediger, drukkender wolkenbonken in de luchte-hallen en kwamen droeviger regenvlagen door het àl [11]stillere herfstloover heentikkeren, beglimmerend ’t groen, ’t overal uitpralende, woeste prachtgroen van Wiereland. Dan hóórde ie, onbewust op z’n akker, in de stillere grondgeluiden zàg-ie in den lageren zonnelichtdag, het woel-gloeiende zomersche, ’t roesleven van ’t stedeke vergaan, verruischen in den herfst; drong er vaalte op het veld, vreemde vaalte en late schijnsels op de paadjes, tusschen hagen en tuinderijen; kleuren die ’m vervreemdden van ’t leven, die ie aanvoelde niet meer fel, als zomermooi. Dan doordrong ’m, dat alles weer aan ’t zinken was, de groote zomerkoorts van werk en ploetering, maar toch omgeurd van aardbei-zoete aroma’s en versche-groentereuk. Dan voelde ie angstig, om-zich-heen en in zichzelf aansluipen barren doodslaap van den winter, die honger, nare kregelkermende kilheid en luiering bracht. Stiller kwam ie al thuis, schoof ie z’n kopje leut langzamer naar zich toe, lachte ie met z’n vermummied wijfje niet meer gemoedelijk, pruttelde en gromde ie, strak voor zich uit, z’n mijmer-zorgen. De blompotjes stonden dan uitgegrauwd, verdord, voor z’n klein krotraampje, en geen geurtje, geen kleurtje was achter noch in z’n armoegrimmig donker straatje te zien. Nou was alles dood; de tuinderij dood, de bollen dood, de boomen dood, hij ook dood en triestig, naar en vervelend. Nou tergde er saaiheid, werd alles ramp om ’m heen. Nou was ie af gekaald en uitgeput als z’n blommepotjes op ’t vensterplankje voor z’n raam. Zwaar begon te dreigen de dood-triestige donkere herfst-lucht in z’n krotje, de late grijze duizeling en druiling, hij al bijna werkeloos. Dan de winter, de sarrende zwarte winter, zwart voor hèm, al blinkte ’r ijs en zon; de winter, dien ie vervloekte, de gierende dolle waai-winter, die z’n streek lam sloeg en vereenzaamde tot woestenij. Nergens, nergens wat voor ’m te verdienen: dood z’n krotje, dood z’n raampje, suf z’n wijf, z’n kat in huis, in de stoof; dood z’n blommetjes, dood hijzelf en z’n pijpie.—Dan moest z’n vrouw gaan bedelen bij den rijkdom van ’t stedeke, huis aan huis. Dat bedelen huis aan huis van z’n wijf deed ’m krimpen van schaamte en van drift soms, omdat ie was een mannetje van eergevoel, een van ouën [12]stempel, omdat ie wou werken en ie niet kon verdragen, dat de menschen dachten, dat ie niet wou. Maar toch, één ding was er voor hem gebleven in al z’n ellende,.… vertrouwen op God, stomp-zalig vertrouwen op het Opperwezen. Toch, in die naarheid, dien armen tijd, Zondags naar kerk, luisterend en gierig-gretig indrinkend in z’n doezel-zwaar hoofd wat ie maar brokjes-dwaas voelde van die zoete woordjes, van het leven hiernamaals, hopend, altijd maar hopend, tot de barre grauwte weer gauw om was, geduldig maar.… tot God te zijner tijd kwam.… En dan, in den hemel ergens voor hem ’n plaasie,.… lekker rustig op z’n gemak, zonder huurskuld, zonder zorg, altijd pruimpies en lekker werk.… Voelde ie soms, dat er nog wel werk was, maar dat ze hem nie meer konne gebruike om z’n stramheid; ging er dan ’n week voorbij van erbarmelijke kou en narigheid, dat z’n wijf ’t stookie op straat mos snorre, dan kreeg ie wel zenuwproppen in z’n keel, maar dan keek ie weer naar z’n droog stil wijf, dat ook niet morde, rustig bleef. Kwam weer hoop, hopen op Zondag in de kerk, en lekker stil soezelen.… dat ie nou later zou ankomme.… ergens in den hemel.… lekker-rustig en op z’n gemak.… pruimpies en g’n sorg.….….….….…..————————

Nou ook bij ouë Gerrit.… niks!.… alleen kon ie nog vragen of ie iemand wist, die ’m wat aardbei-mandjes wou laten vlechten. Maar lieve heer.… wà’ kon hij uitvoere mi’ s’n bevende hande.… Vroeger sestig, sevetig op ’n dag, nou geen tien.… wa’ kon ie hale.… vaif sent.… En boompies make.… nee dat gong heelegoàr nie.… da bukke.… da bukke.… ure achter malkaer.… de tieme rondvlechte.… en stoan mi s’n poote op de boompies, gebukt.… nee, dan was ie zoo roar in z’n ouë dop.… of d’r al moar bloed noar z’n hangende kop droaide.… Verlede jaar hattie ’t prebeerd.. Maar bòns, was ie tege den muur gesmakt, duizelig en tollerig en z’n stuut voelde ie gebroke.… Wa hadde se’n pret had, ’t jonge goed.… nee, nee da gong nie.… sou ie maor nie eens mee ankomme.… da gong nie.… En dan.… se [13]woue ’m nie eens hewwe.… da jonge goed was ’m de baas, da speelsche tuig.

Wà nou, wà’ nou, joeg ’t, jammer-knaagde ’t in ’m. Was ’t moar t’ met somer.… moar lieve Heer!.… December.… begin December.… goeie God.… wà’ mos da na-toe!—van wà’ nou vrete.…

De ouë Bolk had eerst nog voor zich heengekeken, stug, met oogengraagte, de kalme zekere spithouwen van Dirk in z’n hei bestarend,.… met jaloersche lust den kerel daar te verdringen.… want dà kon ie, as de beste.… Maar toen inéén had ouë Gerrit ’m aan ’t verstand gebracht dat ie gosommooglik ies veur ’m hat, dat ie alleen die paar roe hat diep te spitte—miskien in ’t veurjaor, tegen Moart, as de grond nie nog te hard was.…

—Hoho!.… Bolkie, schraapte de Ouë eruit, je skiet of’r, je bin nie f’rtuunelik.… ’t spait me duuf’ls daa’k segge mot.… tug is ’t puur woar.… je skiet of’r.… d’r is op heede van alderlei volk te veul.… j’ bin te veul.… d’r is nies.. puur nies omhande.… ’t wort allegoar dàan, allegoar deur hullie.… verjenne.… ’t spait me.… huu!.. huu.…

En bij elk woord van afwijzing nog, wreed-onbewust van Hassel ’n knauw op z’n bangelijk-grauw gezicht dat de barsten er dieper op vergroefden in jammerlijnen; knauwen, neergemokerd op z’n gebukten kop, die lager zonk onder ’t dorre afwijsgepraat. Nooit had ie ’t zoo strak-zeker gevoeld. Niks meer was ie,.… niks meer.… ja.… In zomer.… dan was s’n kromme bast nog goed genog.… Maar nou!.… verslagen en verdroefd stond Bolk dieper de spithei in te kijken, naar het wringlichaam van Dirk, dat overal kronkelde om dieper door panderige ijzer-harde aardbonken in den grond te dringen, in hevige stooten van z’n blinkige graaf doorvlijmend, stootwaggelend met z’n modderklomp op schep-nek, al woester hak-trappend dat ’t zweetvet bij dikke druppels van z’n brons-warmen kop parelde, en z’n lijf zwol en wasemde van hette-damp. Guurder woei wind aan en kleum-paars-bevlekt, [14]kregelde Bolk’s gezicht. Aan z’n zware neergedrukte leeuweneus, breed, waaruit haar borstelde, grauw-pluizig, pinkelde, klaar als ijspegeltje, ’n droppel. In mijmerende droefnis morrelde ie zacht-trampelend tegen spitheirand, dat der brokjes zand klonterig in terugbrokkelden.…

—Verjenne, daa’s hongerlije, nasaalde ie dof-klankloos voor-zich uit,—daa’s hongerlije.… vast niks.… vast niks.…

Droef daalde z’n stem, beveriger smart huilde er doorheen, stil, versmoord.

—Paa’s op Dirk, paa’s op! schreeuwde ouë Gerrit weer naar beneden.… bom! d’r hai je ’n klodder!.. op s’n natte beene.. huhu.… huhu!.…

Onbewust sterker trampelend had Bolk de spithei-rand afgebrokkeld en kledderend was één zandkant ingestort. Dirk vloekte en keek giftig naar ouë Bolk op, dien ie wel had kunnen doodtrappen.

—Wa skeel je.… oud k’nijn! giftte ie met halve stem woedend.…

Vloek-brommend, schoot ie met zware hakken den ingestorten zandboel weer boven ’m uit en onder z’n klompen bleef de grond zuigen en schuimen in zwart-blauwige modderborreling.

—Aa’s je nou d’rs de vaifde steek ommekeert Dirk, je zie nou water hee?.… teemde goeig ouë Gerrit.

—Daa’s net, bromde Dirk, de kuil uitstarend schuin langs de beenen van z’n vader, uithijgend, met neerhangende graaf, aan loom-moeën arm. Piet was ook even van z’n hei naar hen toegestapt, nieuwsgierig wat Bolk wou.… was nôu in den middag toch geen haast bij ’t werk.

—’n Pruimpie vader?.… soo?.… niks van doen Platneus.… gain spitwerk?

In z’n hooge modderlaarzen, met touw onder z’n knieen, om broek gesnoerd, stond ie, reus-lenig, hoog, naast gekromde Bolk, uitdagend-jolig in z’n jeugd-kracht en schonkige stoerheid van polderkerel, z’n breed-jong lijf in los lawaai, onkenbaar [15]verspat en beklodderd in z’n slijkpilow plunje en bronzige kiel. Dirk stapte ’n end achteruit, nieuwe hei afstekend met z’n graaf, ’n lijn trekkend in den grond, gooide weer dicht voorkuil die ònder ’m lag. Leniger werkte hij bij elken heitop, tot alles weer werk boven z’n macht werd, en z’n uitgegraven hol hem langzaam deed inzinken. Als neergestorte rots, zwart blauwe blokken met zwavel-gele, en warm-roestige tinten lag de akker nu wijer voor ’m omwoeld en Dirk daarin, op hei-top staand, stoer-geweldig, midden in het kleur-bonkig gekluit, gebrokkel en zwaar omwoeld aarde-innerlijk.

Krachtvoller, rythmisch-breeër, met z’n arm-gebaar de lucht inhouwend, zwaarder, plonsden z’n schep-steken òp, en neerbrokkelden ze in ’t woel-gedruisch van de al gespitte grondbonken. Achteruitgaand, met langzamen stap, in al meer uitgapende nieuwe kuil, onder z’n vettige klauwen, langs de afgestoken hei-lijn, bekerfde ie zwaar ’t gansche aardbrok, beheerschend met z’n knoest-armen ’t grondgewoel in reuzig-gebaar, dat deinde in wiegeling van schep, naar-’m toe, vàn-’m-af. En de zandklei, licht-luchtig zulde wèg van het ploeg-blinkende graaf-staal, met krachtworp afgestooten, rondgestrooid, en verpulverend om ’m heen als uiteengruizelend marmer. En nu, vaker stond Dirk even uit te hijgen, denkloos, verstompt en uitgemergeld van arbeid, vooruitstarend ’t verre middagveld over, met lichaam, rauw-bemorst en massaal-donker gezakt tegen de laag-grauwe lucht, roerloos kijkend, als geboetseerd uit smartelijke kleurklei waarin ie werkte, stinkend in z’n fladderende rotplunje, melaatsig uitgeworpen door zwaren grond en aarde-drift, in dampend lijf-gezwoeg.

Piet stond nog te lol-lachen naast den stroef-verslagen Bolk, niets meevoelend voor z’n angst en smart-ontzetting en angstige hongerbenauwing. Wreed rauwde en plaagde ie door.

—Heé Jaan, seg es, hoe goa’t je kooters, na opstendigheit wel?.…

Nooit had ouë Bolk kinderen gehad; geen jongen, geen meid; z’n grootste, stille smart.… En zóó maar grienbalke [16]kon ie as se d’r van begonne.… nou weer die lamme kerel, had ie ze moar.…

—Koot’rs.… koot’rs, gromde ie vlak naar de spitkuil, ha’k ze moar.… ha’k ze moar.… donderejeune!.. ha’k se moar.. ééne poar hannekemoaiers.… lee ’k t’met g’n honger.… Bevend kneep z’n traanstem door de ingedrukte neusgaten.

—Debies!.. de fent is dáás, sarde Piet.… hai hongerlaie.. hep ie de smoor in.. hai hongerlaie!.… ken ie begraipe.… drie beeste op stàl.… fier beere mest!.… main lieffie.… w’mo-je-nog-meer, zong Piet sar-hoog in deklameertoon met ’n hoonbuiging naar Bolk.

—Bars jai, gromde Bolk, met tranen van windkou in z’n oogen,.… godskristes.… koebeeste,.… ha’k moar koot’rs..

Weer kwam er schrei-droefnis in z’n stem, die stil, voor hem alleen uit weende z’n smart.

—Dubbel debies! hoe he’k nou?.… schamperde Piet, gain kooters?.… enn.. enne al die je.. die je ampart speult hep bai Jans.… in ’t pertiekie.… seg?.… ’n ouë bok lust vast nog ’n groen bloatje.… wa jou oue?.…

Bolk draaide zich nijdig om, met z’n rug naar Piet. Dirk zwoegde door, spraakloos.—Rondom was grauwer, late middag-somberte over de velden aan ’t verdroeven.… Op akkerverten, hier en daar, was drukker beweeg van spitters dan in ochtend, silhouettig, zwart-vagelijk toch, in het wazig winterdroeve grijs-grauw. De lucht dromde zwaarder van regenwolken, en windstooten loeiden op, bulderend rondgierend in dollendans, op de leege wijdte van ’t bronzen land. Schimmiger uit alle hemelhoeken woei áán, scheemrige wolkenjacht. aansliertend, wijd-alom, in reuze-donkering naar horizon, grauwiger opgeblaas van vale wolkenkoppen, monsterlijk verwrongen met àl droeviger schemerschijn op angst-looien wolk-gezichten. En stiller nu, in roerlooze effenheid stonden de donkere erfjes en achteruitjes van Bikkerstraat, vertriestend vaal, in barren grijns.

—Hep je bai Neelis de Borstel niks.… niks te hakke?.…, informeerde schuintjes, nog eens de Ouë, onverschillig toch [17]voor ’t antwoord, kijkend met gretigheid naar Dirk, die weer zwaar-zwellend in kracht, door panderige aardplaten heen moest bonken.

—Wâ hakke?.… die raize, da’s louw, die hakke se omm’rs selfers

—Hoho!.… hoho! veur ’n skeet en acht knikkers wille sullie wel.…

—Goe je.… mùrrege.… goe je.… mùrrege, neusklankte hooger Bolk onthutst.… se hewwe main neudig, al wi’k veur ’n sint p’r uur, puur nog nie.… dà mo je gloowe hoor!.…

En weer opgehitst door angst en hongerbesef, klaag-vroeg ie voort met zangerige, Wierelandsche stemstijgingen:

—Nou gain gaintjes Piet.… moar.… wee jai nou niks?

—Wie mo je hebbe.… màin,.… of m’jaosie, lolde Piet terug.

—Wa jonge kop.… de heule tait m’r gaintjes.… neegtien jaor t’met.…

—Da lieg gie.… neegtien en drie maondjes.

—In de eeuwighaid gaintjes.… goff’rdeeë!

—Nou, mag nie?.… wa ken main jou mikmak skeele.… mo’k nou al griene, wa jou Dirk?

—Daa’s net, daa’s net, bibberde de ouë Bolk, zwakkelijk neus-brommend voor zich uit, strak de spithei inkijkend, met oogen vol tranen van guur windgescherp. Z’n kop was paarsig-bestriemd van kou, en nattig klefte z’n wild verwaarloosd achterhoofdhaar, grijs-kroezend z’n nekdoek in.

—Hee Jaa’n, d’r is puur ’n herberg in anbouw.

—Wa nou?

—’n Herberg, rejaal in anbouw, lolde Piet met ’n slag van pret op z’n been,—d’r hang ’n droppel an je kokkert!.…

—Bars jai, snauwde Bolk verlegen ’n beetje, haastig met vlakke hand z’n stompe neuspunt vegend. Nou was alles dààn, dood.

Droomerig-droef zei ie goe-dag en sukkelde, ingekrompener dan ie aangesjokt was, weer weg, strompelend door de [18]natte moddergreppels ’t land over, bij ’n buurman van Hassel, die met wat mannetjes verderop te spitten stond.

—Nou gaat-ie bai Ronk, f’rek, die stong, van morge t’met an seve uur op ’t land.… f’rek, hai hep g’n hand veur ooge sien-en kenne, hep sain noodig.…..

Piet lachte nijdig, draaide zich om en loerde op den waggelrug van Bolk, die kleiner nog wegzakte in de lage greppels en dwergelijk donker, moeilijk-bang door de nauwe padjes heenmodderde, om te zien of ’r wat voor ’m was bij Ronk.

—Half seeve? vroeg ouë Gerrit ’n beetje ongeloovig.… wie hep saìn sien?

—Ikke, rumoerde Piet, ikke.… ik stong juust op de dors.. mos net voerbiete hoale … enne.. vlak veur ’t raampie he’ksa in sien.. ’t was donker buite aa’s de pest.… wà’ stinkende stuit.…

—Wa sel ’t dan hier bloase hewwe, bibberde ouë Gerrit in elkaar schokkerend van kou, dieper handen z’n broekzakken indringend, opsjortend z’n kleeren, in nauwe kreukels om z’n lijf. En plots voelde ie wat lekker ’t voor hem was, zoo vroeg, in winterkilte dat Piet de koebeesten voerde. Donderemente wa’ koud kreeg ie ’t nou.…

Piet was weer zingend naar z’n hei gestapt.

.… Die zai t’met niks van de kou.… jong bloed.…—Gerrit bibberde en blauwde.… Heere.… as nou s’n waif moar nie so suf was as lest; was t’met ’n merakel.… Wà’ s’al niet vergeten kon.…—Wa’ keek ouë Bolk zuur, oud k’nijn.… hu.… hu!.… wa stong ie jammerlik te sukkele en te klietere.… brr!.… nou sou ie moar s’n tukkie doene.. lekker.… kachel.… buik nog vol.…

Langzaam sjokte ie, schouer-krommig ’n greppel door, dobberde over braak brok grond, naar z’n huisje. Om drie uur stapten Dirk en Piet op, lebberend hun kopje leut. Maar daarna, voort, voort, met ’t warme spoelsel nog in hun maag, stil in de leeggegrauwde oneindigheid, tot vier. Rondom de stille werkers kwam avondland aandonk’ren. Heel de lage lucht hing vol paarsig-grauw geschemer, lag vaal te nevelen, droef-duisterend [19]op wijden akker, donker-brons. Stilte-suizel woei aan uit alle schemerhoeken. De erfjes en achteruitkrotjes schimden als uit lucht àfgebonsde wolkgedrochten, zweef-los neergeduisterd op vreemd-droef aardeland. En duisterder nog tegen de lucht, en verder, soberden silhouetten van eenzame, gebogen zwoegkerels, àl sterker overgrauwd van doorstilden avondval. In laatste werkkoorts worstelden ze daar, met het gezonkene late licht, dat króóp over de velden, slóóp over de donkere gestalten, die bangelijk ver-reuzigden, tegen aandreigend hemelduister in. En wijd-rondomme, eind’looze avond-weedom van ’t land zonk uit, verdempend wegstervende geruchten, in de donkerende verstilling van leven. [20]

[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK.

Er was drukke doenigheid in ’t stedeke Wiereland, Sinterklaas was op handen. Dienstmeisjes liepen door de in vroegte al rumoerende straatjes, met pakjes, kistjes en doozen. Kerels met hondekarren holden in hortende ratelvaart langs den weg, en twee dronken tuinders, met ’n metselaar, zwaaiden zigzag door het nauwe hoofdwijkje, waggel-zwaar over de tramrails, be-lawaaiend ’t straatje van de fatsoenlijke burgerij en notabelen van het plaatsje. Voor elk tuinhekje der éénverdiepingshuisjes, bleven de rauw-zingende dwarse kerels zeurderig chicaneeren, in ronkend geschreeuw, zich vasthakend aan ’t krulwerk, hun logge lijven uitslingerend naar rechts en links.—Komiekerig-hard sloegen ze elkaar op schouders en pofpetten, en brulden hun rauwe stemme-ronk door het deftige buurtje, dat de meiden aan de ramen kwamen kijken. Overal, uit zijstraatjes, klonk door het dorps-stadje het vreemd-klossend geklakker, op dit uur, van beklompte schoolkinderen die vrijaf hadden, en glunderig loerden voor de winkeltjes, duffe koomenijtjes, opgedirkt met grof suikerwerk, in fletse kleur, melancholiek-gedwongen pronkend achter de ruitjes, boerig gebluf van schreeuwleelijk kleurgerammel. In de zijstraatjes, en op de groote Baanstraat bij ’t station, dè winkelwijk, was meer gedruisch dan anders ooit verklonk op dit morgenuur van uitgestorven winterstedeke. De lucht was blauw-licht en overal gouïge zonneglansjes, bleek winterstrak, maar vroolijk toch, en het naakte arm’lijke boomgetak in de zijstraatjes en tuintjes, stond nu, lichtelijk te duizelen in blijig Sinterklaasweer. Al kwam telkens, gelig-grauw gewolk van zeekant aanwaaien, [21]beduisteren ’t stedeke, en woest-vaal windgezwier opgieren door de wijkjes, telkens weer worstelde zon er onder uit, glanste en strak-lichtte ’t weer vroolijk nà op grond en geveltjes, op wit geschort van slagers, dienstmeisjes en opgedirkte speelkindertjes-kleertooi.

Ouë Gerrit rammelde op z’n klompen ’t deftige buurtje door naar de achterwijk. Hij had vijfmaal uitgestelde belasting betaald, en de ontvanger was heel vriendelijk geweest. Nou liep ie naar z’n huis, tusschen kronkelwegjes van Wiereland, inkrommend, plots nauw-pijpig uitloopend, poel-modderig onbestraat, op duffe gangetjes en blinde steegjes, naar geestigste armoehoek van ’t stedeke. Overal brokkelden honden-hokkige, laag-knellende huisjes met triestig-groen bemoste daakjes, zacht-rood verweerd, bedakpand en uitgezweet in vale kleuren op smadelijk droeve, heimwee bergende geveltjes. De dakjes dreigden vlak op deuringang, boven één raam, nog verstugd in kleine ruitjes, donkere krotjes van menschbeesten. Overal rumoerde in koker-diepe straatjes-engte, aan weerskanten vóór krotjes, zware olmen, neergeplant als wakende reuzen, droef stam-zwaar, gekerfd en vreemd-kleurig bemost, hevig lawaaiend in windgeloei en takgegeesel, vullend de armoe-wijkjes met hoonend windgeschrei en orkaan-gedreun. En dààr, achter den wind, de verre zeestem, in bulderzang er boven uit. Tusschen halve bestrating, morsig en rommelig, kronkelden wegjes en erfjes, kaal, in-één uitloopend op verwaarloosde padjes, waar overal ruigte lag en vuil, slijk-bonken en rotte graszooien; waar, met ’n draai, plots open-groenden, groote kale tuinderijen en wei-brokken, uitgedord en woest-vereenzaamd tusschen krotjes-gebrokkel, winterig dorps-stil en sidderend melancholiek. Voort klomperde ouë Gerrit op ’t Beukenwegje, krom-gegroeid straatje, ’t eenige dat vroolijker uitkleurde in ’t licht, met z’n grijslila en wit gekalkte geveltjes en blauwige teer-randen; waar de boomen ook ’n minder droeven loeizang, hoog boven bemoste krot-daakjes ver-klaagden.

Bij ’t Bikkerspleintje, dat wijd-donker en nacht-zwaar beboomd wegschool, met een rij laag-grimmige huisjes, aan elkaar, in geheime schaduwstilte, druilig-geel licht uit ruitjeskleine ramen [22]verkaatsend,—liep Gerrit raak op z’n woning aan, ’t Hielandsche pad, dat uitkeek op weiland en tuinderij. Daar was ’t deftiger, met krenterige nette huisjes, nieuw. Stil, op ’t grof-bekijde weggetje, stond, in zonnehoek ’n omroeper te schreeuwen met dreun-zangrige slagen op koperen bekken. Na iedere roffeling, rochelde ie uit z’n lesje.… dat t’r venàfint gesmakt sou worde krek ses uur in de Groote Hoorn, om paling. Dan sloeg ie àf, dat z’n koperen bekken vlam-sidderde en vonk-ketste in zon, begon ie weer eentonig voor ’n konkurent te ratelen,.… die smakke sou veur Sinterklaas op bloedbeuling, kenijne.… varkesboutjes èn -soo foort.

In de woonkamer, aan den weg, zat vrouw Hassel, met ’r rug naar de kachel, dof omgonsd in ’r ooren, vol van dreunslagen van bekken, versuft toch, als sliep ze met oogen open. Achter haar stoeltje rookte ’t benauwd, lichtelijk in brandlucht. Bij ’t kamer-instappen zag ouë Gerrit dadelijk dat haar schort aan ’t branden was, over de kachel te drogen gehangen.

—Ho!.… hoho!.… waif’.… wa sije nou te suffe.… je skort.… kaik toch minsmeroakel!.… stoan te smeule.… reuk je dan nies.…

Met schrik-gezicht, draaide vrouw Hassel om, wild grijpend naar d’r schort. Ze had ook even wel iets vreemds geroken, iets smeulerigs, maar ’t was ’r weer door d’r hoofd gegaan, omdat ze niet begreep wàt ’t kon zijn, heelemaal niet meer wetend dat ze d’r schort voor de kachel had gehangen.

—Wa vergat ze leste taid tug alles en alles.… Hoe was ’t gods-in-d’r leve mogelik. Nou had se d’r eige nog so gesait …. Nou dènk je d’r an.… en nou, na ’n paar menuute allegoar rejaal vergete.… vergete.… Tranen kreeg ze in ’r oogen. ’t Maakte ’r zoo bang, zoo huilerig en zenuwachtig. Ze voelde wel onrustig dat er al ’n poos lang wat mals met ’r gebeurde, in ’r kop vooral, maar ze kon niet vatten wàt, wàt.

Ouë Gerrit was op z’n kousen door den stal heengesjokt, had even naar z’n beesten gekeken, en was moe-huiverig op [23]z’n biezen kaal-korten gemakstoel bij den kachel geschoven. Z’n jekker had ie aangehouen en met ingezakt bovenlijf zat-ie zich behaag-zwaar te schurken, zoekend naar meer broeiing en warmte. Toch voelde ie zich brommerig op zijn wijf dat al ’n jaar lang temet alles vergat. En dàn, dat huilen van ’r, dat nare drenzerige grienen, met halve smart-zinnetjes er tusschen gekermd, waarvan ie niks begreep, dàt, dàt maakte ’m helsch. F’r wa griende da waif tug?.… Wier se soo fèl geslage?.… godskristus, wa g’luk da Guurtje d’r was, s’ maid van twintig, sain eenige maid goddank. Versakrementeele, aa’s die d’r nie was, krege temet de jonges nie eens d’r buik vol. Dan vergat se te koke.… snôverjenne.… wa’ malle f’rduufeling tug.…

Nijdiger gromde ’t in ’m, vreemd, kwaadaardig vreemd staand tegen het vergeten van z’n wijf. Want altijd maar dacht-ie, net aa’s nou, dat se d’r eige van huiswerk af wou make op d’r ouë dag.…

Wa wou dat mormel tug, die laileke trien?.… Wà sat se nou weer? van de skrik te griene.… ja verdomd!.… op ’t achterend weer.…

Stram opstaand, gooide ie z’n vies-groen petje van ’t hoofd in ’n kamerhoek en pookte, omdat de kachel niet genoeg trok naar z’n zin. Rumoerig bonkte ie met den pook onder ’t rooster, dat de vonken er uitspatten op z’n rood-bebaand karpetje. Met z’n nog blauwige, doorkerfde handen grabbelde ie de vonken op, bang voor vuur-in-z’n-boel, vlug in pijnhaast ze afwerpend in den aschbak. Wrevelig smakte ie weer terug in z’n dunbiezigen gemakstoel, beklemd tusschen de afgeknaagde arm-leun-stompjes, schurkte weer verlangend naar hitte, zooals daarnet toen ’r zoo’n lekkere slaperige loomheid over z’n oogen was geduizeld. Maar nou kwam ’t niet gauw. Van morgen had ie weer es wat gestolen. ’n Wilde stille jubel was ’t in ’m gebleven, tòt ie z’n vrouw weer zoo mal had aangetroffen en ie ’r nijdig van was geworden. Rare vent was ie toch. Nou ’n heele poos weer winter, nies doen, en al maar weer in ’m, die rare, bange lust om dinge te ganneffe, die van sain nie ware [24]Heere-verjenne!.… Hij was d’r self ook wel es dood van, maar ’t sterkst kwam ’t toch in ’m op aa’s d’r heelemaal niks omhanden was. Nee, dat zware tuinen,.… was ie ’s winters niet meer tegen opgewasschen.—Maar s’n liefebrij had ie angehoue uit eige senieeghaid, dochtte se allegoar.… Villa Duinzicht, van de familie Bekkema, dat most ie opknappen ’s zomers, en dan had ie ’r self wat mee omhanden. Tuinieren dat was eigenlijk z’n vak. Als de familie Bekkema, die soms tot October hokte op d’r buiten, weer naar de stad heen ging, bleef de heele tuinboel voor zijn zorg. Dit jaar had ie ’r juist nieuwe menschen ingekregen, omdat de weduwe Bekkema ’t vorige jaar gestorven was. Wa lief waif dâ wezen kon. Ze had ’m zóó vertrouwd dat hij de heele boel voor d’r afsloot, alle kamers en kasten, en alles het voor- en najaar, onder zijn toezicht liet schoonmaken.—Van diè dame had ie den sleutel gekregen en was ie baas in den tuin. De nieuwe lui, erfgenamen, wouên ’m wel houen, ouë brave kerel als ie was, met z’n vrindelijk-grijze kop, altijd klaar met z’n onderdanig lachie.… Ze hadden ’m wel leuk gevonden.—Maar van hen kreeg ie alleen sleutel van het tuinhek, en van de winterkasten.—In ’t stedeke konkelden de menschen dat ouë Gerrit ’t eigenlijk niet noodig had te doen voor z’n brood; wisten ze niet dat ie tot z’n strot in de schulden zat; dachten ze dat ie, van ’n zware ziekte weer opgescharreld, op ’t land toch niets meer bijna kon uitvoeren, en nou maar wat an de hand wou hebben. Zoo zeien ze allemaal en zichzelf had ie ’t ook ingepraat dat ie zich het prettigst nog bezighield met wat blommen verzorgen, potjes opknappen, perkjes beknutselen, snoeien en knippen, en dan op z’n eigen akkers bijhouend heel licht werkje voor ’t voorjaar, zaaien, bedjes maken. Zoo wou ie, al was ie zwakkelijk in z’n rug en al had dokter geseid, dat ie geen zeventig zou halen, een en al doenigheid, doenigheid. Anders voelde ie zich benauwd, doodgaan, raar in z’n kop, klopperig en beverig, zenuwachtig van stilzitten, nies-doen. Nou had ie toch werk in den tuin van de Bekkema’s, z’n knutselen hieran, daaran; was ie geruster. Maar iets, van z’n vroeger leven al, liet ’m nooit los. ’n Diepe, [25]diepe drift, ’n hartstocht, martelend had ’m vastgeklauwd. Wat van hem niet was, moest ie somwijlen in één hebben;—wat los stond en waar ie van af moest blijven. Juist ’n paar maanden geleden, had ie ’t „plaatsje” opgeruimd, den tuin van de Bekkema’s, had ie de groote bakplanten weggekruid, de bladmest omgeharkt, langzaam, elken dag wàt, op z’n dooie gemak. Toen had ie stiekum ’n paar kruiwagens bladmest meegepiept, zoo maar, alleen om te hebben, om er niets mee te doen, dan hèbben, hèbben.—Eerst nog zoo heelemaal nièt van hem, daarna, toen ie ze had, zoo heelemaal wèl van hem. Met z’n handen in z’n zakken had ie eerst zoo’n beetje ouëmannetjesachtig achter de villa omgekuierd, woedend toch, dat dit jaar, in àl die veertig jaren, voor ’t eerst de boel voor hem gesloten was, dat ie nergens in kon, alles dichtgemetseld stond met nare blauw-vale luiken.

Alles had er kaal-vreemd gestaan; kaal-vreemd, ’t pàs nog van zomergroen gloeiende loover, waarachter de villa diep verdoken in wingerd- en klimoplommering, was gaan uitkijken, toen, àchter tooverroes van herfstkleurbrand. Maar hij had niks anders gevoeld dan wrok, onrustig en nijdig, in zich zelf al maar heen en weer loopend, scheldend op den nieuwen „rijkdom” die ’m nou zoo buiten had gesloten, hèm die ’t grootste genot had as tie mocht snuffelen en skarrelen in ’n anderman’s boel. Zoo was ie, wrokkig, blijven turen in de prachtige achterhoeken van den tuin, die toen lag te wonderen in z’n kleur-legenden van herfst, tusschen wingerdbloedglanzen en goud-groene boomentooi. En de voorbijgangers van ’t stedeke hadden ’m benijd, in z’n lui werkie, maar hij had wel kunnen razen en vloeken van kwaardaadigheid. Dien ochtend juist had z’n vrouw voor ’t eerst zoo gegriend omdat ze vergeten had voor de jongens eten klaar te maken. De kerels hadden gescholden en op tafel gebonkt met d’r zwarte, gebarsten knuisten.… dat se vrete mosse.… dat se dáás leek.… En er was thuis ’n lawaai wéést van wa-ben-je-me. Toen had hij d’r, in z’n grimmigheid ’n opstopper pal tegen d’r snoet gemept, dat ze te duuzelen stond; en niks zei ze, bleef ’m alleen maar [26]aanzien, met oogen die besefloos wijd vraagstaarden, staarden naar wat ie nòu dààn had. Plots was ze heviger in grienen uitgebarsten en had ze krampzwaarder snikken uit d’r borst gescheurd. Daar kon ie dien ochtend met z’n gedachte maar niet van af. Hij was ’n ongeluksvogel. Nou dattie wel dacht ’n beetje rust te krijgen, werd z’n wijf mal, stapel. En al maar had ie aan dat grienende mormel gedacht, met telkens stijgende woedevlagen, bij elkaar harkend nijdig de blaren, tot gouïge lichtduintjes, rond groen-brons en roodgegloeid boomgeglans. Midden in z’n harken, hoorde ie weer d’r snikken. Zoo mal, woestgillend en heesch had ze gegriend, ’m al maar ankijkend. Toen, in-één, was dolangstig door ’m heengeschokt ’n gedachte, die ie zichzelf bijna niet voorhouen durfde.… aa’s z’n wijf, z’n bloedeigen wijf nou d’r maar zoo deed om sain te snappen, om achter de waarheid te komme van z’n rommelen in de donkere kelderhoekjes, als d’r niemand was dan zij. Angst-zweet was er op z’n lijf gewazemd, en zwel-benauwing had ie in z’n gorgel gevoeld. Nou, là die dokter moar klietere, had ie gebromd, die hep gekoop seure.… hài sat t’r mee.….. in huis.….. hai.… hai alleen! da’ verrekte waif!.… da lamme waif!.… f’ r’ wâ sei dokter nie wa’ d’r skol.… dan wist ie t’met’.… waa’s ’t puur uit!—

’n Jongen die ’m zag staan, stil met z’n hark, had toen, midden in z’n woedend gemopper geschreeuwd.…

—Haei! Hassel.… Blommepot!.… mo je niet strak-en-an na huis.… je waif stong op wacht.… t’met al ’n uur!.…

En teruggeschreeuwd had ie—„vast nie, la moar stoan”.… lacherig gemaakt, valsch, want de buurlui, en ’t heele stedeke wisten al, dat z’n vrouw zoo raar deed. Telkens dien ochtend weer, was de angst in ’m teruggedraaid, dat ze zich zoo maar hield, die feeks, die lintwurm, dà sluwe kreng. Want in den laatsten tijd had ie voor hààr veel minder z’n steeldrift verborgen, had ie al ’n beetje gerekend op ’r vergeetkop. Zichzelf inpratend, dat ze zich toch vergiste, dat ze werkelijk zwak van kop was, had ie gauw afgeharkt om te kunnen snuffelen in de winterkasten of daar t’met nog wat lag, dat ie hebben wou. Bij z’n rondgaan, langs den tuin-achterkant, had ie ’n [27]trap tegen de deurluiken gegeven, omdat alles zoo stom-gesloten en potdicht-sarrend ’m beloerde.… Vroeger elke plek besnuffeld!.… Wat had ie al niet mee gepikt, toen de weduwe nog leefde.… Damesskoentjes met gespeltjes.… brokkies van dat faine goed mit kanten skulpies.… En linte!.… en grafbloarkranse.… en zilveren suikerlepeltjes.… En plate en kemieke poppetjes.… Elk jaar wat.… En armbande.. gevonde in den tuin na ’t krikkete.… En damespetoffels.… van sai.… so glad as ’n mol om d’r over te straike.… En meiderokkies.… onderrokkies.… gekleurd.… En damesrokkies, allemaal geel mit sai.… prêchtig! En twee peresols.… rooie.… he!.… hè!.… da was mooie woar.… En wa lai da nou allemoal kloar voor sain!… precies hoe en wanneer ie die dingies gekaapt had.… Dàt nou allemaal had ie gevoeld dien ochtend in dien tuin.… En de heeleboel zoo maar verstopt, nauwelijks verstopt àchterof, in ’n vuile hoek, bij ’t vat gepekeld vleesch, achter àn, in de donkerste kuil, daar, in ’n groot zwart hok, waar niemand kwam, dan hij zelf, zachies an met stukkies en beetjes afgeschut. Daar lei ’t verknaagd en beskimmeld ’n beetje. Maar daar lei ’t. ’t Was toch wel lollig weest dà’ s’n waif soo’n vuilpoes hiete, soo klieterde en stonk t’met van ’t smeer.… Da se nooit-nie keek na d’r kelder, en da hai, alleenig, bai skoonmoak ’t eerst rondrommelde.… En.… da Guurt d’r de koning te raik mee was da sai d’r niks mee van doen had.… ook soo’n skoone!.. Wel lollig toch dà’ hai nou joar an joar, veur skoonmoak sorgde doar.… en al die hoeke … dà’ t’r leê, z’n spulle.… rustig.… bestig.… Soms kreeg ie zoo’n vreeselijk verlangen er naar te kijken dat ie ’t niet uithouen kòn. Dan moest ie zien, ’s nàchts, als allen snurkten en ronkten. Want na z’n zware ziekte sliep ie weinig, lag ie soms halve nachten wakker, en dan was ’t maar prakkeseere.… met open ooge, tegen ’t donker beskot van de bedstee.… Ja dat had ie daar nou allemaal staan.… Nou kon ’t verrotte voor zijn part, as ie maar wist, dat ie ’t had, dat ’t van hem was.… Zoo voor zijn eige òòge en hànde.. dat ie ’t kon grijpen en zien wanneer ie wou.—Maar ’t zalige ook was, dat geen [28]sterveling wist dàt ie gapte,.… hij de fesoenlijkste tuinder van de plaats. En als ie nagong,—al liep ie in Amsterdam,—da s’n spulle dààr leie.… in zijn kelderhoek.… God-kristus! dat ontroerde zoo hevig, gaf ’m zooveel geluk, dat ie d’r bevingen van kreeg, in z’n armen en beenen, en handen, en dat z’n hart ging hameren.… En helsch-lekker was ’t, dat niet één uit de plaats, niet één bij ’m thuis wist waar ’t lag.… zelfs z’n vrouw niet. Elke dag effetjes zag ie z’r bij dwalen, dàn Dirk, dàn Piet, dan z’n meid Guurtje.… maar vast niks.… Nooit niks merken.… En spannend, zag ie ze, nou jaren en jaren achtereen, wegduiken in de rotte kelder, en weer opduiken en nooit niks, nooit nooit niks!.… Dat gaf ’m nog weer ereis gloeiende vreugd, maar stil, stil.… in zichzelf gesmoord.…

Met z’n stoel strompelde ouë Gerrit nog dichter bij de kachel, onbewust, ’t zelf niet merkend, in brandende opwinding, blij iets te bewegen. Z’n vrouw zag ie sjokkeren van den stal naar de keuken, met ’n peinzerig gezicht, en rooie huil-oogen, ’n paar kopjes wegdragend van ’t koffieblad. Vandaag had ie puur trek om er is te kaike na z’n spulle.… Maar hij dorst nie.… Guurt, s’n dochter mos sóó komme.… aa’s tie ’t moar weer es sag.…

Wà’ kon ie lolle, lolle, soo in ’t donkere hok, tusschen z’n gestolen rommel in.… Wa genot! om te stikke! Wà’ had ie ’t netjes an rijtjes legd lest.… Die vervloekte muize.… allegoar goatjes d’r in.… Hij kon se de kop afbijten.—Nee, vandaag zou die ’r geen poot anzette, als ie ’t moar sàg, soo moar sag, kon ie al sterven van heetige lol.—Wâ spulle! Wà’ kon die ’r mee doen.… Nee, toch niks doen d’r mee.… Alleen moar hebbe, wéte, al moar wéte en beseffe, dat ’t van sain was.…, dat ie ’t kaapt had van andere.… andere.… Kristis, wà’ lol, wà’ salig.… So moar had ie ’t gegannift van ’n aêre en nou was ’t van sain, van hèm, van hem, van sain. Wat zoet, wat zalig zoet dat toch was, dat nemen! Hoho!.. ho.. ho.… Van g’n waif, van g’n waive hield ie zooveul.… Da [29]gappe.… puf!.… naar je toe.… En zoo verborgen weg duufele in je eige kelder.… En dan, aas de menschen je vrage en segge.… Hai je al hoort?.… dà’s stole of dit is stole, dan verbaasd meekijke en lache, en dan zoo zeker, zoo zeker wete dà’s se hem, hèm, mit z’n grijze kop, z’n faine noam net soo min verdenke, aa’s den bestolene self.… En dan lol, brandend lollig van binnen, daà’ niemand je sien hep.… niemand, nooit niks!.… En dan àl maar meer lachen om ’n grappie ertusschen en schudden met de zilveren haren, en dan, daardoor heen, maar genieten, bij ’t spreke d’r over … En wrijven door de baard, en zalig, zoet van binnen weten: jonge, kerel, dà’ hep jài nou,.… dà’ lait nou stikempies op z’n rug, bai jou.… Niemand hep sien.… En dan ’t genieten er van, de eerste week.… nachten, als ie niet slapen kon, in het kelderhok, met ’t lampie.… en soms, als ie ’t niet kon houen, als ie van binne opbrandde van zien-dorst, dan op den dag ook nog effe.. Aa’s ’t most, en ’t kwam, dol-heet-begeerend, dan omkeerend van ’n boodschap en dan loeren op ’n vrij gelegenheidje. En dan de tweede nacht, aa’s ’t verlange om te zien zoo hevig was, dat ie lag te beven.. om z’n spulle te pakken.—Als ’t door ’m heengierde, onrustig gehijg van kijkdrift en voeldrift. Als ie zich dan al lekkerangstig eindelijk voelde, òver z’n wijf, heenstapte.… bang-vol en blij dat ze ’m wouen snappen, en eindelijk met wild lichtgejuich in z’n oogen, in en uit z’n kelder kwam, zonder dat ie gesnapt was. Dan in bed weer zien, rustiger en verzadigd, hoe alles gelegen had, kijkend met oogen dicht. Herinnerend hel-schittering van knoppies, blinking van lepeltjes, en na-tastend in z’n verbeelden de kleuren en ’t zachte goedje.—Dan den volgenden nacht weer, kijken en tasten, slaaploos met zweet-hoofd van angstig-zwaar genot.—Na ’n week begon lust te luwen, bleef ie ’r maanden zonder, dacht ie er nog alleen maar aan, in z’n bedstee, stil-starend tegen beschot-donkerte, dat ’t daar lei, effe onder ’m.. dat ie ’t kon zien, kon hebbe aa’s ie wou.. dingen al van veertig jaar, nooit niks van verkocht.… nooit niks.… gegapt voor sain … zalig zoodje.. Nou vàn sain, vàn sain alleen. En geen [30]sterveling die wat wist van z’n zalig genot, geen die iets wist van z’n sluipen ’s nachts, z’n waken, z’n woest-geheime passie, z’n heethevig begeeren.

Van heel klein al had ie ’n diep jubel-genot gekend voor stil stelen, juist op de gevaarlijkste plekken. Nou nam ie alleen wat ’m beviel, maar toen, nog jong, nam ie elk onbeheerd ding mee. Telkens werd ’t ’m toen afgenomen, kreeg ie ransel en straf, omdat ie ’t nog niet goed wist te verbergen, of handig genoeg weg te kapen. Op later leeftijd was ie zich gluip’riger gaan toeleggen op stil-stelen, op dat loerend geheim-zoete stelen, met uren-geduld van ’n poes, onbeweeglijk, rumoerloos dan toespringend als de kansen schoon stonden, en dan alles vergeten, om te hèbben, te hèbben. Eerst had ie, als eenmaal de dingen van hem waren, er niks meer voor gevoeld. Later tikte ie de zaakjes op hun kop, maar bewaarde ze meteen; werd zoo nieuwe prikkelhartstocht, dien ie eerst niet gekend had. En nooit nog had ie goed beseft hoe ie eigenlijk aan dien steeldrift kwam. Zóó zag ie iets, zóó gréép ie, zonder dat z’n hartstocht ’m kleinste nàdenkruimte liet. ’n Vrouw pàkken en stelen, maar stelen nog liever.—Verder was z’n heel leven niks voor ’m geweest. Z’n land ging al jaren bar slecht; z’n zoons bestalen ’m, z’n pacht en schulden al hooger, de opbrengst al minder.… Maar ’t gong z’n triest gangetje nog.… Toch was ’r niks geen pienterigheid meer in z’n werk; z’n steellust was alles, ging nog ver boven lijfbegeeren uit.… ontzettend, van genot, van stil genot.

Eens had ie, zoo in ’n angst-bui, die ’m in z’n jonge jaren maar heel zelden bekroop, aan dominee in ’t geheim verteld dat ie zoo graag dingen wegnam, die van hem niet waren, zoo alleen maar om ze te hebben, en om te doen, te doèn vooral. Maar die man had ’m uitgescholden, had ’m de deur gewezen in woede.… zeggend dat ie niet verkoos voor den gek gehouen te worden. En hij in z’n boerige stommiteit en blooheid had niks verder kunnen zeggen. Toen had ie dominee in de kerk nog es hooren dreigen met de hel, dat dieven monsters waren.. [31]En hij had dol-angstig gegriend, bang, bang, de hel, de hel.… En de ouë vrome, streng-bijbelsche dominee had hèm onder de preek aangekeken. ’n Tijdje was ’t stil in ’m gebleven. Maar z’n begeerte vrat dieper in. Geen rust had ie waar ie was. ’t Verlangen, heet schroeiend, kwam in ’m opblakeren, als ie iets zag, van verre al, hartkloppingen beukten z’n slapen en z’n binnenste stond in brand. Dan de gréép.… En als ’t gedaan was, voelde ie zich opgelucht, lollig, lekker.… tot ie later weer moest, en de hitte-greep weer kwam. Door dominee’s gedreig had ie nooit iemand meer iets durven zeggen, wat ie toen wel gewild had. Want ’t werd ’m soms, zoo zwaar, zoo bang,—maar dan weer vond ie ’t zoo zalig, zoo zoet.… Zoo was ’t geweldiger in ’m doorgevreten, met de jaren erger, kon ie ’r niet meer zonder. En om zich heen zag ie niemand die wist wat in hem omging, hoe wreed-rauwelijk ie genoot, en hoe ie leed, als ie wroeging, angst voelde. Want elke week precies toch ging ie naar de kerk, soms als ’n zelf-marteling om te hooren wat ’m te wachten stond. En elk woord paste ie dan toe op zich-zelf, elken zin, elken uitleg. En soms midden door z’n donkeren, hoog-donkeren angst, schoot dan berouw, klagelijk deemoedig voornemen, dat ie nooit meer iets van ’n ander zou wegnemen. Twee dagen daarna als de woorden van dominee afgekoeld waren, zat ’t alweer in hem te hijgen, als ie maar iets zag, dat alleen stond, dat ie hebben moèst. Dan bleef ie in zoete streel-stemming van z’n eigen begeerte, tot ze onstuimiger, brandender oplaaide, niet meer te houen, en duizelde ie van nieuw genot, dat te wachten stond. Dan kwam er al dagen vooruit, licht of doezelig geduizel in z’n hoofd, vreemde ontroeringen en gevoelige toeschietelijkheid thuis, in alles.… zelfs z’n stem begon te vleien, lichtelijk.

En dan had je ’t, volop ’n groote blij ontroerende angst voor wat ie doen ging en voor wat nou weer in ’m woelen en snoeren kwam. Zoo wàchtte ie op zich zelf, dook er grillige benauwing ônder z’n hartstocht uit.—Soms klaar-fel in één, heel kort, zag ie zich-zelf, begreep ie, hoe ie Onze Lieveheer bedroog, den dominee, de menschen, de wereld.. Dat kwam dan meestal ’s nachts, als ie wakker lag, niet slapen kon, en er klare kijklust [32]juist in z’n oogen kittelde; in die lange, donker-dreigende nachten, als ie verschuil-angst voelde, angst dat ie slecht was, dat ie toch eens gesnapt zou worden, dat z’m in de kelder zouen pakken en opsluiten, of dat ze ’m eerst midden op den weg zouen sleuren, zóó, midden op straat jagen, en dat iedereen ’m dan kon zien met z’n grijzen kop, z’n lange haren.… dat ze’m zouen uitjouwen, uitgieren en met steenen gooien. Dan werd ie week, voelde ie, hoe hardvochtig ie was voor z’n wijf en kinderen.… In die angstnachten voelde ie zich aan alle kanten bedreigd, zàg ie klaarder dan op den dag, hóórde ie beter, de vreemdste tikjes, kraak-lichte geluidjes, strak-zuiver in de nachtstilte.. En hij, hij die nooit niks gevoeld had,—wel duizend keer in ’t holst van winternachten dwars door ’t Duinkijker bosch, van ’t zeedorp Zeekijk, naar Wiereland was geloopen,—híj huiverde dàn, en kippevelde van angst, hij lag daar te stumperen, te beven en benauwend te zweeten, naast z’n wijf, beschutting zoekend àchter haar dooie, snorkende lijf, toch blij dat zij er tenminste was, ’n mensch net als hij, die ie hoorde ronken.… die hij kende.… die hem kende.… En als ie dan, loerend stil, in ’t pikdonkre vunzige ruimtetje van het hollig bed-steetje, uit groenig vuur op ’m zag aangrijpen, handen met kromme, scherpe worg-nagels, vreeslijke, knokige, graaiende handen, beenderige geraamte-handen, vaal en grauw en hij lag te steunen, zoetjes in zweetangst te kermen, zich verkrimpend en kleinmakend àchter ’t half-wezenlooze lijf van z’n vrouw—dan begon ie stil tegen haar lichaam te praten, òp te biechten, luid, met beverige stem, tegen haar rug.… Dan angstigde ie uit, dat ie ’t haàr wel zeggen wou, z’n slechtighede.… aa’s se’t maar nie verklikte … da’ se ’m steenige souê … En dat alles, alles in de kelder lei.…

In den stillen nacht hoorend z’n eigen holle beefstem, weenend van wanhoop, keek ie even òp achter het ronkend lijf van z’n vrouw of ’t groenige vuur nog liktongde—van ’t donker beschot naar ’m toe. Maar als ie dan geen beenige grauwige geraamte-hand meer zag, zweeg ie gauw met biechten, verroerde ie zich niet meer, ’n kwartier, ’n half uur, al spijtig, gejaagd dat ie te veel had [33]gezegd, dat ie zich had laten bangmaken. Bleef ’t weg, ’t groenige vuur, dan begon z’n zweet-benauwing wat te luwen, gingen er knellingen los van z’n kop, z’n beenen, begon ie weer ’n beetje ruimer te ademen .… in zichzelf gerustgesteld, dat ie toch iemand opgebiecht had wat ie deed—En aa’s ze wakker was zou ie ’t weer zeggen. Stilletjes wel, dacht ie ’rbij, dat ze toch alles weer vergat,.… maar dat kon hem niet schelen, had hij niks mee van noode. Hààr zou ie ’t zeggen, dan wist ie ’t ten minste niet meer alleen. Als ie dan eindelijk achter ’t deurtje van ’t donkere bed-holletje durfde kijken, in de scheemrige schijnseltjes, naar de stille schaduw-schimmen van de roerlooze kamer en hij zag op ’t ruit, aan den straatweg, ’t nachtlichtje, blompotjes-schaduw en tak-vormpjes, grillig-dwars en puntig op ’t vaal-geel gordijntje lijnen, kreeg ie weer moed, zei ie zichzelf, dat ie ’n lintworm was, drong ie zich op, dat ie nog nooit-ofte nimmer kwaad had gedaan.….

.… Dief? .… dief.…? nee, dâ was tie nie, heelegoar nie.… En snappe?.… nooit!.… nooit!.… Wou ie stele om geld?.… bah! kon ’m geen zier skele.… ’t Was lekker, ’t was puur zalig.… Hij mos gappe.… hij mòs of ie wou of nie.… Soms wou ie zelf nie.…, en toch most ie.… En dan had ie al branding en wilde jeuking in z’n handen.… Nee pakke dée ze’m nooit van d’r leve.… want sluw, sluw was ie, aa’s de beste.… En wie had d’r ooit erg in sain? Hij mit z’n grijze kop, hij diake weest?.… Hij die nooit dronk, hij die met jare beule en ploetere, eindelijk ’n stukkie grond had gekocht, met veul hypetheek?.… ze zeie allemoal wat van z’n zachtzinnigheid, en hoe goeiig ie omging met z’n ongelukkig suf waif.…

Maar aa’s tie alleen was met haar, kon ie z’n geduld niet houên. Dan griende ze, had ze vergeten waar ze woonden, wist ze niet meer den naam van haar kinderen; dan griende ze maar, grienen. En hij er tegen in, haar meppend met wat ie maar in handen kon krijgen. Dan griende ze erger, mepte hij harder, uit drift, uit dolle drift, dàt ze blerde.… En toch vergat ze waàrom ze griende, wist ze na ’n paar minuten niet meer, [34]dat haar man ’r geranseld had, sjokte ze weer stil-droevig voort, alleen brandende pijn-plekken voelend op ’r lijf en handen..

Eergisteren nog had ie ’n paar mooie ronde bollemanden gekaapt, ’n stel witgeschuurde klompen en ’n nieuwe overschieter.… Donders, vaa’n arme kerel, dat had ’m even heel erg gespeten, maar ’t stond ’r zoo zalig voor.… Niet lang was de bedenking. Door z’n bars boeren-verstand, wrokkig, eigenzinnig en steenhard-achterlijk was de gedachte gegaan dat ’t maar ’n zuiplap was, hij er toch nies an had. Listig en bijgeloovig, dat was ie, bang en brutaal. En gisteren had ie alles aangedurfd.… Zoo, in de zon had ie staan blinken, de overschieter, en de mandjes ’n eind verder, en bij ’n ander de witte klompies. ’t Was plots in ’m gaan kriebelen, hij had zich voelen bleek worden, gejaagd, kloppingen op z’n borst, in z’n strot, hooger op naar z’n kop.… En opgejaagd in zichzelf gromde ’t: da mo je hewwe Ouë, da mo je hewwe.… Er was licht in z’n oogen geloensd, raar valsch licht, als uit de oogappelspleet van ’n kat die ’n vogeltje met stil lijf en zachte kopwending alleen beloert.—Z’n handen waren gaan woelen in z’n broekzakken en voor ie zelf wist of ’t kon, of niemand ’m zàg, had ie ’t beet, beet, beet, schuurde ie met z’n stille juichstem langs brandende hebzucht, die nou te blakeren lag, wild in z’n strot, had ie ’t ding in knelkramp vast, schroefvast en daverde z’n hart in geweldsbonzen, dat z’n ooren dicht suisden van woest genot. Zoo was ie weggehold, keek ie strak voor zich uit, zwaar, lang genietend, om te voelen hoe ’t afloopen zou.… met ’t heete steel-gevoel in ’m, zoo zàlig zoet-spreidend over z’n harsens, dierlijk genietend van eigen benauwing.… En dwars door vage-angst-van-pakken, lol dat niemand ’m in den weg was getreden, dat ie dadelijk kwam, waar ie wezen wou, dat ’t dadelijk kon geduwd in z’n kelder en daar begulzigd met z’n oogen. Toen, alleen z’n wijf thuis, kon ie ’t raak-zeker wegstoppen waar ie wou. Eén huilgenot was uit ’m gevloeid. En gisterennacht had ie ’t weer gezien. Tranen van ontroering had ie zitten schreien in z’n kelder. [35]

Over z’n spullen gebogen, beaaiend met z’n kijk, had ie ’rbij gezeten in z’n rooie wollen onderbroek en z’n wilden zilveren haarkop, te schreien in z’n kelderhok, met z’n klein lampje, rossig-geel, bewalmd in vunshoek, genoot ie van z’n doorgestane spanning, duizendmaal, zacht-snikkend in stembeving zich zelf zeggend, in huil, dat ’t nou van hem was, van hem.… Dat ’m dat geen sterveling kon afnemen, Dirk niet, Piet niet, Guurtje niet.… En stil als ’n faustig spooksel, kromde z’n verdonkerd rood lijf zich in z’n lage kelder, veegde ie z’n tranen van de handen, snikte ie zachter, luchtte ie op, lag ie om en om z’n gestolen waar, zoet-innig streelend, en bleekte z’n zilveren haardos en kindergezicht, in het wazige kelderschimmige lampschijnsel òp, met gelukslach en zalige verrukkings-koorts.

Nee, niks kon ’m meer skele.… z’n kinders, z’n waif, z’n pacht, z’n schulden, z’n hypetheek.… Alleen die lamme notaris, die ’m ’r in had met vijfhonderd gulde losgeld en al de rente, ses pissint, zat ’m dwars.… En de dokter.… die z’n rekening hewwe wou.. en veurskot van grondbelasting.… Snotverjenne, dat was nou ruim dertig joar puur, dat notaris ’m losse duiten leent had.… En nou, nou Dirk en Piet bij andere wat wouen knoeien mit grond, nou eischte ie op, in één s’n geld, met dertig jaar rente.… godskristis.….. Da was puur ’n slag.… miskien ’n kleine twee duuzend gulden mit de rente van àl ’t deze! En nou weer ’n paar termaine hypetheek achter en pacht en nog drie joare raize achter.… Nou dan moest s’n brokkie moar an de poal.… Hai verrekke.… sullie ook verrekke.… Hai had toch se genot.… Moar dwars, dwars zat ’t ’m; nòg twee koebeeste voorschot waa’s tie ook achter! Nee, dwars zat ’t sàin!.… ’n suinige boel!.… Aa’s s’n heule rommel achtduuzend beskoûde, was tie d’r.… Maar da had ie t’met an volle skuld!.… Tug, ’t brok stong nog onder sain klompe!.… [36]

[Inhoud]

II

Guurt, de mooie blonde dochter van Gerrit Hassel, kwam op ’r fameuze dij, met ’n groote witte schaal grauwe erten aansjokken, en ’n pan uien met aardappelenbrei, die vettig smeulden en geurden in wasem voor d’r uit. Guurt was de mooiste blonde van Wiereland, met zwaar-korpulent, hoog boerinnelijf, rompig-rond en heupmollig, dat droeg, droomerig fijn klein hoofdje, wonder-blauw starende oogen, fijn poppig gezichtje, potsierlijk-lievig, teer en damesachtig in ’t zware zonneblond van haardos, kontrasteerend-pronkend op ’r vetten schommelenden vleesch-groei van flank en boezem.

Vrouw Hassel zat stil-ontdaan, met ’r huilerig gezicht vlak voor ’t raampje op den weg te kijken naar de kale tuinderijen, en de goor-gele hooi-klampen. Haar versmoezelde trekmuts zat scheef-achterover, en de eindkrullen ervan hingen slapvuil langs d’r slapen. Even blies ’n geraas door ’t vertrekje, en hoog-plechtig sopraande de staartklok ’t twaalfuurtje uit, na elken slag meetrillend ’n zangerig geluid als van tooneelklok, die vreemd-bekorend-sonoor, ’n nachtelijk spanningsuur aanluidt, in melodrama.

Achter in den stal, rumoerden de jongens binnen, zich in haast ruw neerschuifelend met stoelen aan tafel, beslijkt van grondwerk, overal langs schurend met hun modderplunje, gulzig laag bukkend in dierlijken vreetstand voor d’r borden.

Ouë Gerrit zat in gemakstoel, tegenover z’n vrouw. Plots zakte stom z’n kop op de borst; kruisten zich z’n handen in krampigen bid-buig. De jongens en vrouw Hassel brabbelden wat meê, gejaagd.

Gulzig-spraakloos begon er geëet, klikklakking van lepels op borden en schaal, die naar alle richtingen getrokken werd. Piet had zich zwaar-vol opgeschept, ruw-weg bij-lepelend, dat het donker klonterde op z’n borst, erwten met vet en kleine ertusschen gesnipperde vleeschbonkjes. Dirk kauwde, kauwde langzaam, zwaarder, met bij-zijduwing van kaken, en schoof na iederen hap z’n vuile lepel in de schaal, langzaam, langzaam, [37]zoekend naar plekjes met vleeschbonkjes. En Piet er haastiger tegen in, opstapelend nieuwe lepelingen, telkens met z’n slijk-bruine vingers, reuzige grauwe klauw, erwteklusjes, druipend bedoopend met vet, wegzuigend, van mondgulzige toppenduw, z’n spreekholte in. Want telkens had ie wàt te zeggen, met barst-vollen, spuug-spattenden mond. Ouë Gerrit smakte zuinigjes z’n bord erwten op. Alleen vrouw Hassel at niets, bleef suffig-beteuterd kijken naar éen plek buiten ’t raam, met oogen flauw-versluierd van tranen.

Jammerlijk druilde stilte op haar grauw-verflenst gezicht dat sufte onder ’t vuil-grijze haar, bijzij steekmutsfloddering los uitkrullend. Om haar heen bleef zuigen stil gesmak van uitgehongerde kerels, die met zweet en vuil nog op rood-grauwe gezichten, stil maar hapten en kauwden, in grimmig kaakbeweeg, rauw en vraatvol, zich vergulzigend als beesten.—Guurt kwam pas zitten, met geschuifel van ’n stoel en wegduwing van Piet’s arm, vluggelijk biddend.

—Mo’k nie sitte?.… jai la nou nooit niks veur ’n ander.…, mokte ze bits.

—Jonges, zei Hassel plots bezorgd, morge is ’t houtvailing bai jonker van Ouenaar.… wie goat t’r hain.…? Sel ik ’t moar sain, hoho!

—Nou, gromde Dirk, z’n lepel uit z’n mond zuigend en gravend in de weer vol geplompte schaal,.… daa’s net, wà’ hai je meer?.…

De Ouë wist wel dat ie moest, al vond ie ’t lam werk. Maar als Dirk en Piet zeien dat ’t gebeuren zou, durfde hij niet nee zeggen, bang dat ze ’r de heele boel op ’n goeien dag bij neersmeten.

—Aa’s t’r t’met wat is.… vier en vaif.… enne nie genog!..

—Mit staive stàp d’r moar op an Ouë .… sal wel wa sàin.… seurderij.…, bromde Dirk, met vollen mond, in z’n altijd klanklooze kortsnauwende bitse zinnetjes.

De ouë zei al niets meer, keek sip voor zich, verschuchterd, zat star op z’n met zware duimvegen uitgelikt bord te kijken.

—Godverjenne moeder, barste Piet los, zwaar-boerend voor [38]zich uit, in zangrige stijging van Wierelands spreekgeluid, godverjenne, waa’t is t’r t’met mi je veur.… ik sien je kwalik ’s murregens.…

—Wa?.. wa?.. wa sait tie?.… wa sait tie?.… schrikte vrouw Hassel òp uit ’r sufkijk over het kale land.

Piet brokkelde weer onverstaanbaar iets verder, met uitgebuilden mond, stamp-vol van uien en aardappelenbrei, die z’n lippen overdrongen. Telkens greep ie met z’n grauwe vuile modderhanden in de pan, rondwroetend tusschen breiklodders, om direkt weer in te stoppen als ie met beklemming van zacht-roggelende ademhaling, ingeslikt had. Zoo aldoor met vollen mond blijvend, wou ie spreken, iets driftigs uitstooten, dat brabbelend wegsmoorde in z’n uienkauwsel.

Vrouw Hassel zat te wachten, maar hoorde niets meer.… Eindelijk na zware ademhaling, kraste er stemgeluid op, had ie alles doorgeslikt. Guurt, naast ’m, zat te giegelen om z’n gulzig geslobber, lachend, lijf-schuddend achter haar dikke handen.

—Nou moeder, wa’ kaik je aa’s ’n skoap.… f’rjenne!.… je sou main broek làpt hebbe.… d’r sit ’n gat in.… daa’ k’r t’met deurvalle sel.… hai je dà nou weer f’rgete?.… bin je dan t’met fe’gete daa’k ’n broek droag?.… geep.… dwarrel!.… wa skeel je.…?

—Sai vergeet puur d’r kop van d’r romp, woedde de Ouë.

—En.… ne.… de bloedworst, hai je ’m kloar moeder, vroeg Dirk er loom midden in.

Vrouw Hassel zat met inspanning naar ’t stemgekruis te luisteren, vol angst-trekken om d’r ingevallen mageren neus en mond, vooruit al voelend, dat ze wat leelijks te hooren kreeg. Maar herinneren van bloedworst en broek deed ze zich. niets meer. Al wat zij haar voorhielden was nieuwtje, hoorde ze nou pas voor ’t eerst, meende ze.

—Ja, ja, stamelde ze in verwarring terug.… ik wee nie wâ main skeelt.… ik bin d’r puur f’rskote van kinders!.… En zwaar te huilen begon ze.

—Seg waif, bler nie.… valt rege sat.… snauwde hard [39]de Ouë en allen nu snauwden mee, van lamme kemedie, gesanik van dit-en-van-dat, scholden eruit voor luiwammes, die gluipertjes wou maken. En stil snikte ze door, zonder dat ze zich met ’n woord meer verdedigen kon. Uitgesuft zat ze weer. Niemand die voelde wat ze had, wat ze leed. O! leed?.. leed?.. Nee, pijn had ze niet. Alleen zoo raar, zoo doovig, zoo rare banden kruislings over d’r hoofd, gespannen! en zoo knellend, zoo stevig.… En niks, niks meer kon ze onthoue.. Ze huilde weer harder.… Guurt keek ’r àn, met d’r glimlacherige blauwe oogen, of ze zeggen wou: hou je je aige moar stiekem van de domme, je bin immers zoo sterk aas ’n paard.…

Dirk grabbelde ’n pijp vol, met kop in de tabaksdoos geduwd, en Piet diepte mee in. ’n Paar minuten bleef er stilte-gepaf van alle lijven. Alleen Gerrit en de vrouwen vouwden de handen, prevelden plechtig-mechanisch dankgebed.

—Seg Ouë.… kristus! wa he’k ’n pain in main polse.… kristus!.… main klauwe!.… saa’k verbrande aa’s ’k weet hoe ’k sitte mot.… jesis wa pain.… main stuit.…

Afbrekend eigen zin bleef Dirk op z’n doorbarste spithanden staren.…

—Nou Ouë, murge goant beertje d’r an—Met ’n schonkigen draai van z’n zwaar lijf keerde ie zich naar Gerrit, ’m drie maal zwaar boerend vlak in ’t gezicht. Vader Hassel keek bedrukt.

—Tjonge, daa’s te vroeg, f’rdomd, daa’s te vroe-eg, zàng-zeurde z’n stem.

—Nou maor, hai goant, daa’s main werk.… ikke hep ’r lol in.… Ikke hou van da werkie.… Aas ’t poar weke verduufle gong he’k g’n fait meer.… nee.… nou mot tie.… jesis! me sai laikt of ’k spersie-bedjes maok hep.… da verrekte diepspitte..

Dirk was rood van stille woede dat de ouë tegensprak, woede die aan kwam stuiven in bloedvlekken op z’n woest-kakigen wreeden kop. Z’n vlassige brauwen gramden in dreiging naar elkaar, en z’n kaken beefden. Dàt was z’n grootste hartstocht, slàchten; zelf ’t mes in ’t plooiige nek-vette van ’t varken te vlijmen, ’m bij z’n strot te smakken, dat ie spartelde, dan ’m te zien rochelen en hooren gillen, met bloed op z’n handen, [40]warm-lauw, stankig en rood. Dan genoot ie met ’n bedaarde lol, niemand mocht er an komme thuis. As ie ’t niet zelf kon doen, vrat ie ’t niet; most ’t vleesch verkocht. Al de kippen, die niet meer legden, draaide ie even gemoedereerd den kop om. Guurt joeg ze op, greep ze, en hij alleen wrong ze den hals af. En Guurt zàg ’t ook dol-graag, al griende ze ’r soms bij van rillerigheid. Zij, zij met ’r meidehanden dee ’t altemet eerder dan Kees, de erge strooper, waar ieder in de plaats bang voor was; Kees de Strooper, oudste zoon van Hassel.

Piet had zich languit met z’n modderlaarzen en slijkgoed op den grond neergesmakt, vlak bij de rookige kachel, om wat te tukken. Dirk zat te smoken, slaperig weggedoezeld in blauwe rookkrullen, stomp, naar den straatweg kijkend. Ouë Gerrit voelde slaaploomte en rilling.

’n Paar uur maar had ie vannacht geslapen. Alleen Guurt lachte luid en brutaal, joligde tegen Dirk, die stom aanluisterde zonder zich te verroeren, wat ze snapte van Annie en Geert Slooter, dochters van ’n tuinder, bij hen in de buurt.

—Nou Dirk.… enne.… nou mo je wete.… nou sait se Annie.… se binne veur sain in ’n f’rseeekering … aas sain … sie je.… d’r vader.… aas sain nou wa beurt.… dan.… danne kraige sai ’n prais.… ’n prais sa’k moar segge.… van ’t Nuuwsblad.… En nou sait Geert.… hohà!.… nou sait Geert.… gom.… ikke wou moar da die ouë suiplap soo dood bleef aa’s ’n pier.… in se werk.… he?.… dan heppe wai vaifhonderd poppies.… Is da nou woar Dirk.…? kraige sullie dan soveul?.… puur vaifhonderd.… tog jokkes hee?

—Nou seker, bromde Dirk, wrevelig dat ie spreken moest, aa’s t’r stoat, sal wel ’t uitkomme t’met.…

—Nou, en nou sait Annie, sait se main.… f’r wa’ sai nooit niks meer van je sien, s’avens.…

—La se stikke.… mestvarke.… hep màin noodig.… dwarrel! kabbeloebelaap!.…

—Nou hait s’nie g’laik.… sa’k stikke aa’s se ’n sint los kraigt van den ouë.… nou is tie weewnoar.… en hokke [41]mi Jan en alleman dat ie doe.… ’n wijd skandoal.… Nou lest, mi Sint Jan mosse Annie en Geert.… mosse ze ’n poar nuwe laarse.… hai gaift g’n sint.… strak-en-an komp ie thuis.… stroal!.… En hài an ’t danse.… de guldes rolde sain broek uit.… sóó, langs se paipe op de vloer.… Dà’ ware sullie bai aa’s kippe hee?.… Se heppe grabbeld en vochte.… Hai was smoor.. en niks het ie sien.… ha! ha!.… ha! ha! ha!.…

Wat ’n beeste, wat ’n maide.… nou binne sullie skoene goan koope.… Ho-je-wi! wa ’n pinkebul!—

Gieren deed Guurt, met ’n bord in ’r hand, wild op ’r dijen patsend, dat ze schommelde.

—Hep jai Kees nie sien maid, vroeg dwars-vreemd en stroef Dirk er tegen in.

—Kees? Kees? sien ik t’met nooit.

—Wâ? en Grint dan, sain buurman? Kom je’r nie meer? Skarrel je doar nie?.… en se seun?.… is da doàn? verdomme.… Die jonge was puur mal op je.…

—Wa? die staive hark? die .. kikker.. àn main blouze seg!.… gierde Guurtje, wild naar achter stormend, met vingergetrommel op borden.

—Houw doar smoele.… kaa’n g’n tuk pakke.… schorde Piet slaperig-stemlui van den grond, zich wild in protest, met lijf-lawaai, omdraaiend.

—V’rek, kom bai je, goedigde Dirk, zich aan den anderen kant van den kachel neersmakkend.

—Guurt, denk ’r an, één uur!

—Ja, stem-gilde ze uit ’t achterend, ja sel d’r sain!

Om één uur moesten ze weer op, spitten, spitten tot oneindige troosteloosheid van winterdonkering over avondvelden kwam droeven.

En Guurt bleef met ingehouen, geluid-dempende bewegingen vaatwerk-rommel beploeteren. Haar princessekopje roezemoesde. Zij was de mooiste meid van Wiereland. Iedereen had ’t gezeid.… en ze wist ’t zelf ook wel. Ze had wel nooit wat geleerd, maar de jongens keken d’r an, of ze ’r t’met allegaar teg’lijk wouen. Maar mooie Guurt wist wat ze waard was. ’n [42]Meneer wou ze hebben, ’n meneer mit mooie mesjette, in nette kleere, en ringe om se hande.… ’n faine hoed.… en faine jas. En dan niks g’n konkelefoesies om den meneer, maar blij om den stand, om ’t hooger-opkomme. Dat was brandendste eerzucht in ’r. En aa’s tie, onfesoenlijk wou, voor d’r trouwe, sou se’m meppe.… O! se hield ’r wel van soms, maar so als die meide van Wiereland, soo dol.… nee, dà’ had se nooit niks soo erg naar verlangd. Die gooie zich te grabbel. Die moste wel, die hadde niks anders. Maar zij, de mooiste meid van Wiereland! De apetheker haalde d’r stiekem àn.… dacht moar.… stom boerinnetje.… En de dokter wou er soene.. t’met de heule ploats.… Lest mit d’r seere vinger wou die vent d’r nie helpe.… of eerst ’n lekkere soen.… so’n vuilpoes!.… dà’ hep ’n waif.… acht kooters.…! En dà kreeg se, en dî kreeg se; allegoar van meneere.… En mee ging se.… met kennissies en skarrelaars, die wà’ graag de meneere van de plaots ànhaakte.… Nou, da had ze t’met puur sien.. maar bai haar, niks g’n kansies.… Zij wou nooit, nooit gemeen sain.… Alleen moar lolle en lache.… en pronke.… en t’met alle kemedies sien. En dan moar al die manne opwinde, en net doen of se wou.… of se soo moar te neme was.… En aa’s se dan woue toehappe.… pats, dan d’r van langs, mit d’r stevige knuiste, dan seie se niks meer.… dan was ’t glad f’rbai.

Zoo was mooie twintigjarige Guurtje, met haar dames-hoofdje, haar prachtig goudhaar, haar lichten lach, haar fijne trekjes en blauwe oogen-vreugd, met ’r hoog-zwaar, frisch boerinne-lijf, haar schommelend-onderstel, de begeerlijkste meid van ’t dorps-stadje, waarvan geen tuinder, geen meneer zich op beroemen kon dat ie ’r gepakt had. Maar allen had ze dol gemaakt en opgejaagd, van hartstocht. Midden in ’t paringsgedrang van beest-menschjes, koketteerde zij grof en stoeide met allen zoo goed en zoo kwaad als haar sluwe meisjesnatuur met berekening dat klaar kon spelen. Zij, vrij koud voor lijfgenot, zocht naar zwakkelingen met geld, die op ’r verkikkerd werden, [43]ambtenaartjes eerste klas.—Op één had ze al lang ’t oog, ’n heel piek-fijn heertje, ’n rijk, wellustig slap-blond mannetje, maar chiek, ruikend naar odeur, met lokkende snor en streelend baardje, en zooveel geld as tie maar wou.… Die most se anhake, hebbe, al kwam de onderste steen boven, hem met z’n duiten, z’n chiek, z’n geurtjes en odeurtjes. En hij wou haar ook, maar d’r lijf alleen. Alles sloeg ze àf, en toch maakte ze ’m vuriger door ’r verleidelijke gekunstelde boerinne-onschuld. Hij, ouderloos mannetje, zwak dobberend, afgezwabberd, wou iets om handen, was ambtenaartje geworden.… later burgemester.… misschien! .… zoekend naar rijke heere-boerdochter, die z’n afgezwabberd lijf wel hebbe wou.… Toen, in één verkikkerd op ’t frisch-wellustige lijf van Guurt, ’r blonde haaraureool, ’r fijn snoetje.… Maar veel gegeven, weinig meegenomen, nooit iets kon ie bij ’r gedaan krijgen; niet eens mocht ie d’r met ’n zoen besmakkeren. Ze had ’m gezeid dat als ie ’r hebben wou, ie maar met ’r trouwen most. Hij stond wel op zich-zelf, en dertig jaar, kon ie doen wat ie wou.… Maar van die platte familie gruwde ie, die ruwe broers, die vuile moeder.… Daarom draalde ie.… En zij voelde z’n dralen. Sluw, hitste z’m met ’r lijf-mooi erger op, zich nog minder gevend dan eerst. Zoo was ze ’m gaan beheerschen.… En nou most ze zich bekennen, dat ze hem toch ook wel aardig vond, met z’n manchette, en z’n blondkrullend snorretje vooral, met dat gleufie in ’t midden, en z’n zachte kijkers, z’n goeie netuur.… o ja alles vond ze mooi an ’m. Maar ’t meest was ’t ’r te doen om z’n duiten, z’n lekkere duiten.…

Dat ze zich prachtig kon maken, dat ze baas over ’t ventje was.… zij met ’r dijen, waarachter ie zich verschuilen kon, zonder dat z’n neuspunt te zien kwam. Maar hij wou, durfde maar niet. En zij, doorkoketteerend, met andere jongens van de plaats en van Duinkijk en van de sekretarie, dat ie dol werd van heetige jaloersigheid. En de anderen gebruikte zij om ’m op te winden, metéén te laten zien, dat ze maling aan hem had, en dat kerels als boomen om ’r heendrongen, naar ’n [44]gunstje bedelden. Zoo, als ’n plompe, maar stomp-sluwe dorps-Carmen had ze Jan Grint den tuinderszoon, dien ze al van ’r schooljaren kende, mal gemaakt, maar toen ie met liefde en vuiligheid kwam had ze ’m de deur uitgesmeten. Ze kreeg smeekbrieven van ’m; dat hij d’r vroegste minnaar was en dat ie zich z’n handen van de romp zou afsnijen, aa’s sai ’t puur hebbe wou.… Maar ze dàcht niet aan ’m. Ze wou met ’m lachen en uitgaan of dubbelzinnig kijken, als hij, de rijke, in de buurt was, maar Grint most van d’r afblijve met z’n lompe pooten. En niet, omdat ze Grint geen heel-knappe jonge vond, pik-zwart haar, met ooge!.… glimmend, puur roet.… maar omdat ze nou eenmaal in ’r boerenhoofd de idee had vastgespijkerd, dat z’n dame most worde.… En dan raik! raik! Main Kristis! Nou zou ze met ruwe hebzucht wegduwen, wat ’r in den weg stond.… Om ’r familie gaf ze geen zier. Gehechtheid had ’r nooit ingezeten, bij niet één. Dirk was ’n stille zuiper en Piet ook.

Verdierlijkt en geteisterd in zwoeg, werkbeestig-stomp, zagen ze alleen in elkaar, wat hun rauwe begeerten wilden. Guurt zag ze alleen als zuiplappen, meidenlollers en spelers, en hun zwoeg-naturen begreep ze niet. Voor den Ouë voelde ze niks. Die had ’r in d’r leven nooit ’n zacht woord gezegd. Wat die docht dat wist se nie. D’r moeder vond ze raar, kniezerig en grieniger, niet-wetend wàt ze eigenlijk wou. Alleen Kees de Strooper, waar ze allemaal ’t land an hadde, die mocht ze wel lijen, omdat ie ’r vroeger, in huis, nooit geranseld had als Piet en Dirk.—Nee, aa’s se wat van d’r eige make wou, mos se hem, ’t heertje, hebbe.… En aa’s ze getrouwd was, dan naar g’n sterveling omzien.… dan was se ’n dame.—Dan naar ’n stad.… en hem onder d’r duim. En dan Guurt.… maide in je dienst.… zei ze zich ieder keer weer.… Paa’s op.… nie aa’s de andere vraisters.… nie in de donkere loantjes aa’stie wil, en nie op de grond, en nie achter de struikies.…

Want aa’s je je aige geef, bi je’m puur kwait.… Sai wàs f’soenlik, se most ’t blaiwe. [45]

[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

Om tien uur ’s morgens stond ouë Gerrit voor het hek van jonkheer van Ouwenaar’s buitenplaats. Op het jachtterrein en bosch was houtveiling voor tuinders van Wiereland en omstreken. Door de lanen van het bosch, even voorbij het groote kasteelig-leelijk woongebouw der adellijke familie, liepen, alleen of bij troepjes, de sjofele tuinders, leuk-ironisch elkaar belollend, dat ze zóó maar, vrijelijk op de binnenplaats, den tuin van het groote buiten, mochten kuieren, heen en weer, waar ze wilden, als vrienden van den hooghartigen jonkheer. ’n Paar bejammerden ’t, in luid naar-elkaar-toegeschreeuw, dat de jonker, ze op zoo’n guren winterdag „genooid” had. Ironie van kerels, die even hun ellende voelden,.… dat ze nu als kóópers, de slijkige winterpaden nog vuiler mochten bemorsen, met hun beklodderde klompen, maar zomer’s, als in dàtzelfde bosch, in die lanen, alles wasemde van gouddamp, drééf in zonnegloed, zij te eerbiedigen hadden, stugge bordjes met strafwetsartikel zóóveel, dàn die zondampende heerlijkheid verboden toegang bleef. Ze krieuwden en klomp-klepperden tusschen het kreupelhout, de donkere tuindersstoetjes, als hongerdieren, zoekend naar aas. Eén donkere stoet, bij groepjes, lijven op klompen, in grauwen winterdag, één droeve, troosteloos dolende massa, met nu en dan galgen-humor-uitroepen van kerels, die elkaar voorbijschoten in scheemrig kreupel- en hakhout, elkaar wat dollend toeriepen. Met handen in de zakken liepen ze te huiveren, pijpsmakkend of pruimend. ’t Gewas stond bij groepen genummerd te koop, met ’n rij ontvelde streepschors, aangevend hoever elk nommer ging. [46]Telkens doolden van elkaar en donkerden weer bij één de kruipende, bukkende tuinders achter hoog kreupel door, op geul’rigen bultgrond, nauw-wringend hun lijven door eng gestrengel van takkronkels, die verwilderd zwaar uitschoten tusschen jong geboomte. Soms, achter elkaar gekromd, zich door het kreupel wringend, suisden er, in giftig weggespan van gestrengeld gewas, terugzwiepingen van knoest-takken, onder pijnschreeuw van nà-duikende kerels, die ’t zwiephout tegen hun kleum-paarse gezichten aangestriemd kregen. Voor dat de veiling begon wilden ze de nummers zien, kijken wat hun het beste geschikt leek.

Hassel liep met Taffer, armen tuinder, die niet koopen mocht, omdat ie éénmaal op grondgebied van den jachtheer gesnapt was als strooper; nooit meer hout voor z’n bedrijf krijgen kon. Maar toch was ie eens gaan kijken. Naast hem strompelde manke Karner, vroeger speciaal-teelder van erwten en boonen, maar die nog veertig gulden houtschuld had van twee jaar, en niets meer bijkrijgen kon. Hij had wel gejammerd en gehuilebalkt, bij den notaris, over z’n gemeen jaar, z’n vernielden oogst, door wild, konijnen, ongedierte, muizen, winden en plasregens, z’n beroerd brok grond met derrie verpest, en dat ze allemaal wisten, dat ie niet zoop,—’t hielp niets. De notaris kon geen krediet meer geven, want bij den jonkheer moest hij er voor instaan nee, de notaris kòn, mocht niet langer. Als de jonkheer van hem geld opeischte moest hij klaarstaan, al had ie van géén tuinder ’n cent binnen. Dat had Karner moeten weten, en dat ze’m zelf zoo vaak beet namen, ’m lieten zitten met ’t hout, of met ànderen scharrelden als hij ze pas gekrediteerd had. Ja, als ie ’n paar borgen had kunnen meebrengen dan ging ’t. En nou strompelde en morde Karner rond, hopend iemand te ontmoeten, die borg voor ’m zijn wou. Eerst dacht ie aan Hassel, maar die had ’m kort en nijdig geweigerd. Bij ’n hoek van ’n laan, op ’n duinbult zag ie den notaris en z’n bode al.… Jonge, jonge benauwde ’t in ’m, nou wordt ’t puur tait.… hij mos d’r een vinde!

Met zwaren mank-tred stapte ie plots áán op Wipper, grooten [47]tuinder-pachter, roomsch, met vrome handen, den kleinen ’t brood uit den mond pikkend. Maar ’t most t’r nou maar uit, vond Karner. Ademloos-òp van ’t harde hinken, smeekte ie ’m voor ’n paar gulden hout borg te staan, dit jaar alleen. Maar Wipper hield zich verontwaardigd, juichend innerlijk, dat zoo’n krenterige ketter bij hem kwam bedelen.

—Wa, f’rsalderemende.… mô je main?.… zong z’n Wierelands geluid in haastige stemstijging,.… wa’ bin ik van je?.… wà’ hep ikke.… Waai borg f’r karnemelk!.… sel mooie klus sain.… f’r wa vrag je sain nie, an Geldorp.… die hep de loodpot.—

Onrustig door ’t kreupelhout keek Karner naar den notaris, of ie al begon, maar nergens zag ie ’m meer. Hij hoorde wel aan den toon van Wipper, dat ie ’r niet om dacht ’m te helpen.… die uitzuiger,.… die dief.… die had nou z’n brood veur vier.…

Weer loerde ie naar voorbij drentelende tuinders, of ’r éen tusschen zat. Daar zag ie Kees Hassel, den Strooper.… verdomme, dat was ’n vent, as die maar had.… maar die was zelf luis-arm van beroep.—

Te vroeg waren ze, de tuinders. Nog wat gescharrel was er òm den eersten koop. Barend Swart had met z’n beklompten voet ’n stekelvarken uit kuilerig bladnestje gerold.

—Kaik lui.… daa’s krek ’n prikkebaas.… riep ie naar ’n troepje dat zijn richting uitdrentelde. Staan bleef ’t bij Barend.

Een ouë tuinder, Koo Bergert, hinderde ’t dat ze ’t beesje kwaad wouen doen.

—F’rek là’ sitte da beesie.… la sitte.… binne tuikige muisesnoepers.… toeë!.… la sitte da beesie.… se heppe ’t t’r wàrm.…

—Verroest,.… hai.… wil puur nie loope.… jai luiwammes, lachte Barend.… ik sel f’rbrande aas ’k s’n snuit sien.… wacht!.… kaik!.… ’n duwetje op z’n test.… kaik, net de poap uit de Pieterstraat.… wà ’t ’n smoel.…

Dat was berekende zet van Barend tegen Koo, hevig katholiekenhater [48]als ie was, en belust om, waar ook, ze ’n trap te geven.—En nou kon ie ’t t’met niet zetten, dat die rooie Koo ’m zoo lijmerig had gezegd: la sitte da beesie.… hij, die geen kwaad in zin nam, en puur sien had, dat tie s’n eige trekhonde, aa’s-tie woedend was, so maar d’r poote knelde, tusschen de deur, van puur f’nijn.…

Overal, van kreupelhout en zijpaden uit, klonk stemgerucht van tuinderslui in de gure dag-donkering. Van uit ’n duister dichtgegroeid opkronkelend, hobbelig dwars-pad, kwam ouë Gerrit op ’t kringetje aan met den radeloozen Karner, die nog geen borg had, overal was opgebonkt tegen lollende of tartende kwaadwilligheid, en help-jezelf-maar-egoïsme.

Nog stonden de koppen met pofpetten en kleurige platte dekkertjes, gebukt kijkend naar ’t stekelvarkentje, dat Barend, uit lust tot verzet niet met rust liet. Met z’n hand, bevilt in ’n stapeltje rotte bladeren, stond ie tegen ’t prik-bollige varkentje te schudden, om ’m aan ’t loopen te krijgen. Maar ’t diertje, dat langzaam z’n zwart kopje, door de ruggeduwetjes van Barend, uit z’n prikkel-lijf liet wiebelen, deed alsof ie loopen wou, maar niet kon.

—Kaik! daa’s Barend, stern-zong verbaasd ’n tuinder, achter het kreupel uitloerend.… wa hebbe wai nou an de hand?.… ’n bunsem?.…

—Nee frind, spotte Barend, ’t poapie van ’t Pieterstroatje.. kaik.… f’rsalderemente.… kaik se snuut.… twee druppele woater ’t poapie uit ’t Pietertje.… kaik van angst moakt ie ’n kruissie.… op s’n aige.…

—Is ’t weràchtig? gierde de tuinder in ’t kreupelhout, en metéen stapte ie den gulzigen kijkkring in.… Ik wou d’r al puur segge.… stonk ie van dat soon uur in de wind.—

—’t Is hier niks op hede, zuchtte ie naar Karner en Hassel toe, die opgedrongen stonden achter ruggen van kijkers, en knorrige kerels, die zwaar stampten van kou, en duivelsch nijdig elkaar vroegen of meneer de notaris nog niet inzetten, liet.…

—’t Is hier niks op hede, hoestte Reldering weer uit.… [49]koal.… koal.… aa’s de pest.… t’met allegoar elst.… elst.… wa hai je d’r an?.… g’n saitak d’ran.… alle ste dik.. of alles te dun.… koal … f’rvloekt koal.…

—Hoho.… ho.… ho.… kuchte Hassel, fijntjes lachend, se kenne je ’t nog wel an huus brenge heé?.…

—’t Wort tog voor je gehakt, spotte Barend.

—Dank se de duufel.…, gromde Reldering, vaif pesent.. kost ons duite, en wai.… arme donders.… wai betoàle de netaris, nog tien pesent d’rboofediene!

—Was ommirs altait soo.…, zei plechtig-onderdanig een klein tuindertje uit den kring,.… en aa’s jonk’r d’r is betoalt.… biej jullie ommirs hóóger op.… en hai, meneer de netaris.… hai mo’ ommirs s’n tweehalf pesent an ’t Raik puur kwait.… da heppie nie in ééne.…

—Hoor de gluipert, de stiekemert veur haorlie preeke.… Wat ’n bunsum.… aa’s jonker je sien, smait ie je krek ’t hek uit.… dan si-je in je stinker.… hee?.…

—Da sit nog.… da sit nog.… dolde nijdig-rood de kleine terug.… main sinte heppe-eenderlai makelai.… aasjouwe.. vierkànt woar.…

—Ho!.… pfoe!.… ho-pfoe! wat ’n krakende woar.… minachte met lipgeblaas Barend den roomschen tuinder toe.

—Wa geklieter, barstte éen lachend midden uit.… ’t sit t’im nie in de breete, ’t sit t’im nie in de lengte.… moar ’t sit t’im in de ronte.… doar!.…

—Hard-stikke midde in, lolde Barend terug, in lach-gekuch, voelend dat ’t gehak ze begon te vervelen.

—Nou, d’r wort moar heul wà’ beskoue’.… mit sukke vailinge.… daa’s main weust!.… bracht deftig ouë Gerrit ertusschen, zoo maar om ook wat kwijt te wezen.

—F’r saldrefinke, vloekte Barend gemaakt, si je in de knaip? wou jài beure veur jonker?.… Hai jullie sien Lieshout van Bunkeweg f’rsaldrefinke.… stong t’met te spitte, gain voet mest op se land.… Die is sóó luisig nakent.… da tie t’met g’n vreete hep.… Je mag main an rieme snaie.… aas ie ’n poar klodders mest dokke ken.… Op de reutel is niks meer [50]veur sain.… g’n halve sint.… sa’k verbrandde!.… Nou spit tie se aige dood, mi-sonder mest.… Op s’n bakkis kraigt tie niks.… vaiftien aggels mi-sonder ’n voet mest.…

—Da sel main groentetje worde, ironiseerde Kwaker, wi je hem’s oogst ankommend joar buurmaàn?.… veur ’n kwartje de roe?.… ikke, veur g’n sint.… duure mest.… ge’koope groente.… wà’ jou!.…

—Eige skult, zei gelaten Koo Bergert met ’n pruimspog op den grond, en oogen neer.… Eige skult.… de half van sain ontvangs verzuupt ie puur.…

—Wâ roomsche ras! barstte nijdig Barend uit, aige skult?.. gekruist tuig! hep de netaris sain nie in hande, mi losse veurskietertjes? Hep dokter Troost sain nie t’met drie joar mi ’n rekening achter se gat sete?.… en hep ie kenne dokke?.… Hep ie nie ’n hiepeteek op sain stukkie grond gànnift.… dat-tie nou.… nòu nog sit te bloeje.…? daa’s ’n skoft die dokter.… ’n fampier.… suigt se hier allegoar ’t bloed de nagels uit!.… die hep se allegoar onder ’t duimpie!.… hai.… en de netaris.—.… Aige skult?.… nou suipt ie van beloorighait.…

Barend was in schreeuw-woede uitgebarsten. ’t Wrokte ’m al zoo lang, en niks, niks durfde ie zeggen, maar nou tegen dien roomschen glupert, most ’t eruit.

—Aige skult, drensde sarrend, de rooie Koo door, aige skult.. versuipt s’n messtuit.…

—F’rsalderemoote, driftte met vuurrood opwindings-gezicht, Barend weer terug,—doch jài da se bai jullie nie soope.… De meeste onder ons saine tog van jullie ras.… hiet da liege!.. hiet da liege!.… nou daa’t ’n noakende grifirmeerde is.… nou is ’t aige skult.… d’r binne d’r genog bai jullie die d’r land niet beskaite kenne.… en suipe aa’s ’n spons.… wa jou.… Reldering, wà’ jou?.…

—La’ die dwarrel klietere.… die geep.… sullie magge suipe.… aa’s se moar hullie petje veur de kerk wippe.… vàn de kerk, in de kroeg.…

Barend, wat kalmer, lawaaiend in stugge gebaren met z’n [51]dikke armen de lucht in, in z’n handen nog bladvuil, bukte weer over ’t stekelvarkentje, en gaf het, ’n gedachteloos-woedenden duw, dat z’n aapig zwart-gevlekt tronietje even hevig uit z’n priemlijf wiebelde. Met z’n voet morrelde ie ’t toen weer terug in bladernest, zachtjes, met ingehouen trapjes; streek ie nog meer bladrommel over ’t diertje, ’t warmer inbakerend boven z’n stekels. Achter het grauwe kreupel kwam plots gerucht van zware, aristokratisch-accentueerende notarisstem. Z’n zilver hoofdhaar schemerde al achter de boschjes uit.…

—Huhu.… huhu!.… jaagde Hassel, uit den kring springend, t’met begint ie, kaik, jonker van Ouwenaar hep ie bai sain.…

—F’rjenne wà’ koud, kermde er een, z’n armen koetsierig om z’n borst slaand.

—Bar, bin soo koud aa’s m’n paip, mokte ’n ander.…

—Kruip in ’n stuk hout.… wà’ klieterkouse jullie benne. Een troepje kerels, bibberend van guurte, strompelde voorbij, op struikloos padje, armen over elkaar slaand, in woedende doffe patsen.…

—Set bloed àn.… hai je de skrik van jonker opsoge Tellepan?

—Guur aa’s de pest.… nattig.… ging éen voorbij, aanstampend met zwaren loop op den bulterigen grond.

Hoesterig en stem-zwaar was de grijze notaris met jonker van Ouwenaar de stoeten achterop geloopen. De bode met ’n klerk je achter ’m, stem-luidde áán. Notaris achterop, bleef zwaar-deftig praten, met jonkheer. Als ’n stoet dringende, waggelende, donkere ganzen, strompelden en bonsden over den oneffen grond, vol stronken en stompen, de tuinders op bode-geluid bijeen. Notaris had wat te zeggen. Te luisteren stonden ze in ’n kring om ’m heen. Notaris, in ’t zwart,—tusschen sjofele plunje-kerels,—met gebaren, deftig, van begemsleerde handschoen-handen, z’n grijzen levenslustigen kop, z’n diepe rijkelui’s-stemklank, vertrouwelijk-hooghartig boeren en tuinders toesprekend, glimlachte met ironisch gebaar van [52]wij-verstaan-elkaar, naar den jonkheer. Roerloos-aristokratisch stond deze naast ’m, eerbiediglijk toch af van de tuinders, broodmager als ’n menschelijk rijshout, schraal, om te knakken, uitgesproten, bloedloos-huid-gelig, ongenaakbaar, in kring van begroefde bruine zwoegerstronies, met hun breed-geweldige zwoegborsten, en geteisterde werklijven. Notaris las even enkele bepalingen voor. Als troepje dichter wat aandrong van achter, en opschoof van voorste rij, dan deftig, met lichte trekjes aan z’n klein rossig snorretje, stapte de jonkheer àchteruit, buiten vunzige lucht van hun modderige kleeren, met voelbare allure van edelman in gebaar, waaraan geen tuinder te na mocht komen. Notaris had door gesproken:

—Jonges, stemklankte ie voornaam-intiem,—nou weet jullie ’t.… Augustus volgend jaar betàle.… vijf procent voor den hakker.… tien procent voor ons.

—Betale ook, lachte éen uit den kring,—daa’s weer nuufe f’rreglemeteering.… was vroeger niks van sait.…

Notaris lachte goeiïg, den bode ’n wenk gevende, die begreep. Met z’n wreed-stuggen kop, listig-gluiperige oogen, licht als schichtjes, wachtte die af, kruiperig, den blik van z’n patroon. Als geranselde hond zat er gehoorzaamheid in z’n gezicht en kwispelend-onderdanig vreugde-beweeg in z’n nerveuze handen. Met zwarte teerletters op plankje, was koop I aangeduid. Ze wisten allemaal wat voor waar ’t was. Met ’n handdraai van bode, hobbelden stoeten in beweging, in waggel-gang op bultgrond, elkaar verdringend en bestriemend achter boschjes en kreupel, om ’t eerst bij koop I, dicht naast den omroeper-bode, te staan. Plots stond stil, de donk’re stoet, bij ’t plankje-van-koop, wachtend tot bode zou inzetten, tusschen ’n opdringing van sjofele kerels, achter-elkaar, kring van kou-koppen, en hevige gezichts-kontrasten. Van achterste rijen, waren alleen maar koppen te zien met verdringing van lijven op elkaar ingestoet, in spannende luistering. Kòppen, geteisterd van kou, met vervreemde en vergrommende uitdrukking van leven. Opgestoet in jagenden, haat-woelenden kooplust. Kòppen, paars-blauwig, wrevel-dierlijk, bleeke, rooie en rossige gezichten. [53]Snuiten, rauw-doorgroefd en verkerfd, doorpokt en bebaard. Spitse, naast vet-ronde, sluike, naast wreedhoekige, en spottende, tusschen vroom-strakke, primitieve boerentronies.

Pruik-haar naast woest-verwaarloosd groeisel, bruine en grijze stoppels op woestige, grimmige en leuke koppen. Tronies, fanatiek-gestard en valsch, van sluwe boertjes, met ingepriemde smuiger-oogjes, licht en ondoorgrondelijk-speelsch loerend naar elke beweging van jonker, notaris en bode. Eén kring van koppen en koppen, de eerste rij lijven voorop, alleen in rot-plunje te zien; wellust-koppen met hangende, smullende lippen en vuilbepruimde mondhoeken, naast strak-geschoren gladhuiden, komedianterig droog van trekken. Gezichten van àl-vreemde expressies, met halve Shakespearefronts, hoog als muren, Mirabeau-neuzen en mottig wangvleesch; met Dante-kinnen, vroom en scherp, bovenkaken van hyena’s, buldoggenmonden en bovenlippen met bestoppelde donk’re verbrande velkleuren en trekken van gesarde mandrils. Zóó, in dreigkring, met brokjes èven zichtbaar, van oranje dassen en kielblauw, stonden ze opgepakt, in den grauwen dag, tusschen het sombre bruin-vale kreupel, hunkerend, loerig, elkaar ’t licht in de oogen niet gunnend.

Machinaal-onverschillig met hoog-deunig Wiereland’s stemgeklank, en snelle verslikking van halve zinnen zette de bode in.

—Kom f’rrinde, hoev’l geld!.… twòalf, twoalf geboje.… dertien.… feertien.… feertien geboje.… vaiftien.… sestien.… sestien geboje.… sefentien.… àgtien.… àgtien geboje.… àgtien.… niemand meer?.… éénmoal.… àndermoal.… voor-de-derde-moal.… En uitstijgend, zong z’n stem de cijfers, kijkend naar elken kant glunderig, of ie niet vergat geheime bod-wenkjes op te vangen, van achterste rij koppen, of van bijzij-staanden op ’t pad.

Tuinder van Oever had „geprijsd”, stapte parmantig uit kringgedrang op bode aan, om sluiks-zeker z’n kwartje „plokgeld” naar zich toe te graaien. Maar koop was er nog niet mee gedaan. Uit-zich-zelf wetend, dat de heeren ’t laatste [54]d’r uit moesten hebben, sloeg bode òp, boven prijsmaker nog tien gulden. Weer zong z’n zwaar stemgeluid:

—Nog twintig kwart daar-en-boofe.., en toen langzaam zakkend, de haat-loeringen van tuinders onderling, strak-cynisch negeerend, als suggereerend-aanwijzend, elken keer dat cijfer làger werd, zoekend met z’n dreigstem koop-slachtoffer, tusschen den stoet,—stootte ie uit, afgebeten, rauw van kreet:

Negen-tien, agg-tien.… sefentien.…. sestien.… vaiftien.… viertien.…. dertien.…. twaalf.… ellef!.… dan lager dalend met spannender stilterust in cijferzakking:

—tien!.… nege!.… àggt!.…

Main, klonk heesche kreet van tuinder-venter plots wild achter uit den stoet.

—G’luk d’rmee voor IJzerman, zangklankte de bode, die achter z’n rug, heesch geluid van dien tuinder herkend had.

Notaris, lach-luchtig redeneerend, even noteerend prijs en naam, handen warm-lekker-geborgen in dik gemsleer, sjouwde joviaal-op-’n-afstand, achter den wiemelenden sjofele tuindersstoet, die dwars en krom-wringend door kreupelboschjes, den bode vóór-waggelde naar koop II. Tusschen den droeven stoet liepen kerels, armelijk in voddige plunje, lawaaiende kooplui, met koek, jenever en drink-kruiken geheimzinnig verwikkeld in rood-baaien lap. ’t Mocht niet, jenever-verkoop, maar notaris en jonker knepen ’n oogje dicht, bij rijzenveiling van tuinders.

In armelijk, paars-kaal jasje rommelde een venter, met boeventronie, z’n bak, onder het snel-waggelend vooruitloopen van de tuinders. Achter de koopers aanstrompelend, striemden telkens in zijn gezicht, terugzwiepende takken van gewas. Met vloek en schreeuw, handen en armen weerloos beladen met negotie-vracht, kroop ie door, van pijn, stemscheller krijschend:

—Gooi up, gooi up!.… hondert moal f’r je golde.… gooi up.… ses keere f’r je dubbeltje.… gooi up!.… d’r onder of d’r boove.… gooi op.… onder de nege of boofe de twoalef!..

En sluwig-verborgen, wenkte ie de tuinders met klownige [55]gebaartjes, dat ze dobbelen moesten om koek, wel wetend dat jenever bedoeld werd. Armelijk met z’n uitgerafelde, franje-zware, paarse jas, steen-rood hoedje, kroop ie, kromde ie door kreupelhout om vóór te zijn uit andere boschhoeken schreeuwende konkurrenten. Opdringend z’n waar, de tuinders aanklampend, onder hun zwaar gesjok over krinkels en bultpaden, liet ie ze glunderig-verlokkend jeneverkelk zien. En sluw zeker, dat ze dan komen moesten, ging ie al hurken op z’n knieën op moddergrond, loswikkelend met gretige rukjes z’n blikken jeneverkruik uit baaien lap. Zoo, van den een naar den ander, in wild gejaag en gestrompel, kroop ie voort, tusschen de koopers, vooral krijschend in nabijheid van tuinders die telkens ’n kwartje strijkgeld ingraaiden, rammelend luidruchtig tegen z’n konkurrent in, met bak en dobbelsteenen:

—Lekkere koek.… koek!.… d’ronder of d’r boofe.… gooi up!.…

Uren bleef zoo geloop van koop naar koop in grauwe Decemberguurte, het heele bosch door, bijeendringend in cirkel om bode. Sterk-rauw bleef z’n stem doorklanken. En één hand in zak rammelend en grabbelend, in vooruit afgetelde kwartjes, reikte ie met gratie ’t strijkgeld uit aan den sluiks op ’m aanstappenden prijsmaker. Z’n gekleede jas, af gevreten kaal-zwart stramde ’m op de borst, en telkens gaf ie zich ’n bons tegen z’n strot, scherper afstootend z’n.… éénmaal.… àndermoal.… feur de derde moal.… En overal galmde bij inzet, z’n kraaiige stemschorte door ’t bosch.

—Kùm f’rinde hoev’l geld.…

Kleiner was ringmuur van luisterende tuinderskoppen geworden. Maar overal om en àchter ’m hield áán schreeuwrumoer van jenever-koekverkoopers, waggelden wèg, uit den kring, dorstige kerels op struiken-pad, haastig-dobbelend, over de bak gebogen, met gretig gekijk hun worp uitklakkerend, woest op borrelkansje méér.

En star monotoon bleef December-grauw neerschemeren, met hier en daar, tusschen woelig kreupel, open hoeken plots, waarwije lage wolkenlucht zwaar te droeven dreef, troosteloos, in [56]nattige neveling. Soms druilde ’n groenig mospadje tusschen het grauw-bruin van struiken uit.

Somberder ging de donkre tuinders-stoet als arbeids-processie, slaverig en loom voort, met doffe klompbonzen, en klosserig-dof gemep van hout op hout als loopplankjes overgesjokt werden bij slootjes. Deftig, achter den verguurden stoet, blauw-geteisterd van kou en kleer-dunte, stapten bedaard-áán, jonkheer en notaris, in zacht gesprek.

Plots giftte nijdig éen uit den stoet, tusschen wegkronkelenden loop, onder zwaar kreupel, naar anderen koop.

—Wà’ suinige piàs die jonker hier tug.… niks niemedal te bikke.…

—Of ie, gromde ’n ander.… bij Roomela in ’t bosch, dâ ha-je nog brood mi koffie.… hai denkt.… geef jullie tuinders te freete.… ik-èn dank-kie!.…

—F’r wà’ koop jai je hout dan nie gunter, saa’k moar segge, lolde ’n ander.

—Dà’ he’k ook kocht, moar nie alles was-en skikt.…

—Nou kaik, nètaris kraigt ook niks.… Wai loope.… hai loope.…

—Nou seg gort sak! die kraigt se buikie vol.… petraisies en ’n langoortje.…

—Da kâ je denke.… Die jonker hier is soo’n liefert.… wai.… wai.… wee je nog vroegerts.… kraige wai altoos.. koffie mi brood.… bai sain hier ook.… enn.… dan mog hai happe in brood mi gehak.… bai tuinboas.… watte?.… doch-ie dat ie soo moar bai jonker in huis mog komme?.… an me blouze! Aa’s wai.… aa’s wai in de loods sitte te freete.… mag hai.… mag hai.… bai tuinboas.… En nou di’ joar in eens g’n snars meer.…

Gesprek brokkelde af in den grimmigen haast-drang van bode om af te maken. Nog dertig nummers, fort.… fort.… bromde die, achter waggelstoet.

Ouë Hassel liep op bonkig struik-ruw terrein, vlak achter notaris Breemsma, die ’m nu en dan vriendelijk aansprak en grapjes maakte op z’n doorregend, groenig slap-vilten hoedje, [57]dat met den rand plat afgeslagen, om z’n zilver-harigen kop heenrondde en z’n lokken, in zilveren kluwen tegen z’n nek opdrukte. Plots zag Gerrit ’t fijn-ranke gouden schuif-potloodje van notaris vallen. Uit de onbeholpen handschoen-handen was ’t weggegleeën, onder vraag-beantwoording van jonkheer. Hassel, die al ’n paar uur op ’t prachtige potloodje loerde, geen oog meer voor koop over had, heelemaal vergetend, waarvoor ie gekomen was, zag ’t vallen, precies op zandplek, tusschen het nattige gestruik en blarengrond.—Maar net deed ie of ie mee zocht, intusschen, beverig van hartstocht en verrukking, z’n zwaren klomp-voet op de plek drukkend, waar ie wist dat ’t potloodje liggen moest. In schijn van zoek-ernst, drukte ie het hevig éven in den blader-grond, zonder dat notaris iets merkte, met z’n achterste juist naar hem toegebukt. De smal-hooge jonkheer was doorgeloopen en bleef staan op ’n kruispadje met z’n stok tikkend tegen ’n paar struiken, uit speelsige leegheid. Maar verbaasd-wrevelig keek ie om naar notaris Breemsma, niet begrijpend, wat ie op één plek daar uitdraaide.

Beef-angstig-blij, had ouë Gerrit, nog al doend, alsof ie ingespannen meezocht, plots ’n wilde greep gedaan onder z’n voet in modderig zand, en zoo maar, wild in z’n jekkerzak afgeduwd, gis-voelend met z’n slijk-klauw in de voering, of ie iets stijfs tusschen het grondvuil gegrepen had. En snel-tastend voelde ie dat t’r zat, stijf, glad er tusschen.

—Daa’s daan, daa’s daan juichte ’t woest-dol in ’m van binnen. En strak ingehouen, met hevige beving in z’n stem vroeg ie notaris, liefjes, of ie ’m al had, naarstig bukkend naast Breemsma en wegduwend met z’n smerigen graaienden klauw, struiken en modder voor notaris, die met z’n handen niet grabbelen wou in ’t vuil. Zoo vriendelijk en lief vond ’m notaris, dat ie, onder scherp rondgeloer op grond, overal heen, maar mompelde.… dank je wèl Hassel, dank je wel.…

—Drommels, ik dacht dat ik ’t maar zoo voor ’t oprape had, zei de notaris bedremmeld, nog even den achter zich loerenden bode een sein gevend om iets z’n gang te vertragen.

—Huhu! huhu! da ke je puur so hewwe, perste in zwaren [58]bukstand en harkig gekrabbel onder knoestig gestruik, de Ouë eruit, de zwarte aardkluiten aan brei drukkend voor notaris oogen. Stil, met zwaar ernst-gezicht doorzoekend voelde Gerrit hart-bonkende verrukking, dat ie zoo vlak bij notaris stond, dat ding zóó maar in z’n zak had en dat ie zóó netjes kon liegen, netjes kemedie speule en zóó gejaagd en rustig tegelijk bleef.—Hij zou ’t wel kenne uitgiere van lol, van pret.… moar stil, soek en kaik aa’s ’n dooie soo strak, hou je goed.… jesis wà’ soàlig.…

Niets kwam te zien. Notaris had in wanhoop ook gegrabbeld in ’t zand-nat en z’n vuile vingers streek ie, met viezig gezicht àf langs boomstammetjes. Erger voelde notaris wrevelblik van den jonkheer. Ouwenaar wilde niet langer wachten, en voor ’m hoorde notaris al den bode opjagen, die naar huis wou en schor nu van schreeuwen, doorkrijschte:

—Dertien, dertien mi je dertiene, veertien.… veertien mi je veertiene.… nog twintig kwart daarenboofe.…—

Woedend voelde Breemsma zich, woedend op den grond, de struiken, ’t potloodje, den natten vuilen modder.… Maar vooral voelde ie vernedering in ’t brutale minachtende gekijk van den jonker. Wat ’n branie, wat ’n vent om hem zoo z’n minderheid te laten voelen, nog wel, tegenover die lamme kerels. Ja hij moest wel mee, anders zou ie van Van Ouwenaar wel weer ’n uitbrander krijgen, zooals laatst toen ie op ’n veiling ’n half uurtje te laat was gekomen.—Wat had ie toen niet ruwe beleedigingen over zich heen gesmeten gekregen, en ’n afstraffing, zoo maar, waar al die leelijke kerels bij waren. Ze hadden gegrinnikt.…

Verdraaid, wàt lam nou.… dat potlood.… ’n goud ding.. Kijk ’m nijdig zijn.… ook geen vent om mee te spotten.… Maar kalm houen.… doen alsof ie niks merkte, weer vrindelijk lachen en anekdoten oprakelen; anders was ie verdomd z’n klant kwijt. Wel tien notarissen voor hem, die ’r op loerden.… Maar lànger kon ie niet zoeken.

Hassel zag ’t en zwaar-lekker, met zoete inzuiging van z’n eigen valsche woorden, zei ie langzaam: [59]

—Aa’s je van de plek goat.… heppie ’t puur kwait.…

Notaris grinnikte, sjokte met vuurrood hoofd van bukken, weer voort, achter tuindersstoet òp, vriendelijk-glimlacherig weer naast den stuurschen jonkheer.

[Inhoud]

II.

Toen Hassel zag, dat ’r voor hem toch geen koop meer was, dreef ie met ’n paar andere tuinders af, door ’n zijpad, modderend nog ’n half uur door zand en struiken, moe en hijgend maar met ’n oplaaiend hevig genot in ’m, van z’n diefstal.—Aan ’t Wierelandsche haventje kwam ie uit. Kringetjes-spuwers en leegloopers stonden daar voor kroegen, en aan straatjeshoeken gegroept. Z’n zoon, Kees den Strooper, zag ie ’r óók. Hij zou den vent wel steenigen willen, zoo woest was ie, alleen àl bij ’t zien van dat uitgeslepen bakkes. Nou moest ie sain twee maal in ’t gemoet loopen, op de veiling en hier.… bah.…

Stil, in troostelooze kleurvaalte lag het breeë havenplein, met z’n droef-kaal boomgerij, dat droom-vaag in het vuil-bruine, donk’re water spiegelde. De spoordijk, die dwars ophoogde, voor het ontzaglijk-wije Wierelandsche polderland, lag scherp, in afsnijding van de luchtruimte, alleen te zien, als men hoog op huizen-stoep van ’t haventje stond, duizel-zwaar overstolpt in wintergrauwen wolkenhemel.

Uitgestorven sufte ’t haventje, met enkele schuiten en booten dwarsliggend, aan den walkant, stug-vaal van kleuren, menie-rood en rauw-groen, die waterig-flauw in wal-spiegel afbraken in vloeiende kleur-scherven. Ouë Gerrit was een van de havenkroegjes binnen geloopen, had snel ’n brandewijn met suiker in één slok ingeborreld, met niemand sprekend, hòlde naar huis, vol van hevig genot. Duizelig, met z’n modderhand, tastend in z’n zak naar het potloodje, dat ie nog niet eruit had durven halen, liep ie over den weg, in zoete zalige stille opwinding. [60]

Guurtje had z’n eten in bed gestopt, onder de dekens en toen ie, toch grimmig van ’n leeg-weeïg maaggeprikkel instapte, vroeg ie gauw z’n kliek. Bij het suffe gezicht van z’n vrouw was ie al weer uit z’n humeur. Zij zat maar zonder ’m aan te zien, te suffen voor het raampje, met ’r ellebogen op tafel, te staren op het doodsche keipadje, naar ’n vuil kind dat voorbijkloste, naar ’n berooid-kale kip, die aan ’t drentelen was op ’t leege weggetje, naar ’n venter, en al maar voor d’r, de leeggevreten tuinderij, afgeknaagde singels, met d’r nattige vuil-gele hooi-klampen, stil en dreigend, en d’r omgespitte grondbrokken.—Bijna uit z’n humeur, toen ie d’r lamme snuit zag.… Alleen het gladde zalige wrijven over het potloodje, hield ’m stil-ingespannen. Tot vier uur bleef ie zitten smakken, blijerig denken, alleen in z’n vreugde, stopte ie pijp na pijp.—

Piet en Dirk waren van het avondland huiverkil thuisgerumoerd en bleven op ’t achterend, vlak bij keuken-warmte zitten schemeren, turend door ’n klein raampje, dat uitkeek op smederij van Willemse in de Bikkerstraat. Moeder Hassel en Guurtje zaten daar al van bij vieren. Dat was gewoonte bij Wierelanders in wintervroege donkerte, om licht te sparen, tot ’t broodje van half zes. In het donkere warme achterend-hok, gloeiden alleen, nu en dan, schijnsel-rooie gezichten òp, van vrouw Hassel en Guurt, die vlak tegen ’t raampje opgedrukt tuurden, als smidse, aan overkant van nauw straatje aan het hijgen ging, en van uit de open werkplaats ’n vlammenlicht, bevend over de oud-behuifde geveltjes heenijlen liet, dat de brokkelige lage krotjes te branden stonden in rosse gloeiing, verzwevend en wisselend, soms oplaaiend in dampend rood, dan verflauwend plots, met opdoeming van schaduw-schimmen wonder-wild en fantomig uit schemerstraatje. Telkens als smidsjongen trok, aan blaasbalg, ijlde ’n metaalgloed als brandende oker over de huisjeskrommingen, heet roodgoud neerschroeiend op ’n vuil-kronkelig gangpoortje. En telkens stapten menschen, nu donkere straatfiguren, uit zijweggetjes, in den lichtgloed, als magisch éven beschenen, met opglanzing fèl, van rooie koppen, lachend en satanisch, onbewust [61]van hun rossige kleur-huivering, die wonder-diep en vizioenig gezichten en handen, vergroeien liet in vreemd avond-goud; alles rondom, dan plots donkerend verdween in zijweggetjes buiten brand-kaatsing. Het verweerde poortje stond even dan in gloed, als burcht-ingang, geheimzinnig vergroot, met achter zich, spitsen en tinnen in duisteren glimsels. En van overal kropen in rosse schijnsels de straatkrotjes bijéén, fel in vuurlijn afgestreept tusschen hevige schaduwen op kei en grond, angstig en ontzaglijk van geheim-kleurig duister.… Tot plots de smidse stil uithijgde en voor ’n poosje ’t straatje weer te droef-schemeren lag, stil en nietig, met z’n vuile mosdakige schemerdroeve krotjes.

Guurt kon niet afzien van den rossigen brand, die telkens op den vuur-verwilderden kop van den smid vóórop uitschoot, als de balg aan ’t laaien ging. Ze hoorde àchter ’t hok-raampje, het getemperde geluid van z’n hameringen op de gloei-lichtende wielen en hoepels.—Met pret in ’r, zag ze ’t vonke-sterren, de vuurspatten om de donkere hoofden en rompen van andere werkers dans-kringen en zweven, en alles weer heelemaal wegduisteren als de smidse tot rust kwam. Dan zocht ze in den zwakken zwaveligen nastroom van den gloed, hun hoofden, maar zag niets dan vage vormen van travaille, wiel-bonken en donkere karbrokken, groote hoefbogen, ijzerrommel en walsen, die als vergramd in de halve werkplaats-duistering zwarten uitlijnden.—Vrouw Hassel zag niets, zat met ’r donker hoofd maar te staren in schemerstraatje, tot plots vlammengloed van overkant haar kwam bebloeden, en wilden angst gaf aan ’r suffe hoofd met ’r magere hand aan d’r mond gekneld. Guurtje, tegenover haar, in ros-gouën schijn, begloeid als in tooverballet, het fijne hoofd, met die weeke trekken, als ’n Elsa, omlicht alleen, het gezicht en haardos. En plots weer schimden de vrouwenhoofden weg, met stilte tusschen de lichamen. ’t Was als ’n visioen van monsterachtige leelijkheid en vreemde sage-fijne schoonheid, dat koppenleven der vrouwen, weggezonken in het diepe zwart van kamertjes-donkerte. En zwaar tikte achter het hout beschot, door de stilte, de staartklok, [62]langzaam, als wou ze telkens blijven staan. Tot plots weer, het raam in gloed òpschoot en de lichtkoppen uit de droomrige donkering van ’t kamertje opdoemden, het star-oogende, grauw-rossige bevende kakement, met den vertrokken breeden angst-mond, bevende skelet-hand van vrouw Hassel en de zoekende oogen volgevloeid van rood licht; daartegenover het sage-grillige prachthoofd van Guurt, in magischen haarbrand tegen de rosgouën raampjesruit, enkel hoofd en buste met verdonkering van lijf. Telkens en telkens zoo, verzinking van gezichten in donkre kamertjes-diepte, als de smidsevlam kromp, en vaag de halfduistere smeden weer heel gewoon te zien waren, peuterend onder kleine gasvlammetjes op donkere draaibanken.

Moeder Hassel was vandaag nog stiller dan anders, en toch kon ze helderder iets afdenken.… Nu juist voelde ze haar vreeslijk leed, zwaar alléén-leed, dat niemand van ’r begreep. Ze was altijd een gezonde vrouw geweest en, hoewel nooit heel slim, toch zuinige huismoeder. Tot ze, voor twee jaar inéén zoo’n rare knellende verdoffing in ’t hoofd had gevoeld, alsof er kruisbanden om ’r schedel gingen striemen en telkens gloeiingen er tusschen door, heete opstijgingen van iets naar ’t hoofd. Zoo, inéén, was ze zenuwachtig bang en huilerig geworden. En dan àlles vergeten, vergeten. Soms had ze de grootste moeite om te weten wat er in haar eigen huishouen omging. En niemand geloofde of begreep hoeveel smart ze had, hoeveel pijniging en marteling. Guurt was ’n meid die alleen aan d’r zelf dacht, dat voelde ze nog wel. En de jonges, ruwe kwinkkwanken die ’r afbluften.… Maar haar man was de ergste. Die was opschrikkend woest tegen ’r, duivelig, venijnig. Die porde en mepte ’r veel, altijd in ’t geniep. Dan kneep ie, maar valsch-bang, dat anderen iets merken zouden. En nou, wist ze zelf niet wat ’r met ’r gebeuren ging. Meestal kon ze niets denken, was ’t ’r dik en zwaar in ’r hoofd, watterig en benauwd.… Zoo zat ze nou weer te mijmeren.…

Nou.… wa’ mos ze nou puur van denke?.… da ha je’t,.. kwait!.… kwait.… [63]

Wá’ kwait.…? Nou, kwam ’t er niks opàn.… Ze kon nie.… nie.…? wá’ nie?.… Main kristus.… Skande!.… skande.… wácht.… wá’ had ze ’t nou over?.. Stil,.… da gong ’t weer.… weg.… gut.… ja.… wacht nou há’ s’m.—Dá’ ze t’met niks onthouwe ken.… wacht se mos sich nou moar puur inprate da’t van selvers betert gong.… Zoo te mijmeren zat ze, met heete knelling in ’r doffe hersens, te grienen in het donk’re kamerke, voelde ze weer drukkende neveligheid in ’t hoofd, vergat ze weer wat ze zoo voor ’n paar tellen nog bedacht, kwam er licht gesnik in ’r keel, maar dàt hield ze in, uit angst, instinktief al, voor geschreeuw, wetend dat ze d’r uitscholden en snauwden als ’t gemerkt werd. Toch zat ze altijd in angst. Ze wachtte altijd achter, naast ’r, ’n roep, ’n krijsch, ’n stoot of woede-slag. Die wachtte ze nòu, uit ’t donker op ’r suffe kop, zoo pàl op ’r af, dat ze schrok als ’r heelemaal niets was en ze uit ’r doffe staar tot herinnering kwam, èven heel kort. Maar dan kwam indommeling weer, bewusteloos en toch hoorend, als even vóór den slaap. In die suizelige dommeling bleef ze voelen knaag-smart van iets dat ze niet begreep van’r zelf, vooruit wetend, dat ze toch alles weer vergeten ging, dat alles er door verkeerd zou gaan, maar zij ’t niet verhelpen kon. ’t Bangst was ze voor de snauw-giftige duwen van Guurt, en nog banger voor de driftige venijnige uitbarstingen van den Ouë. Zoo opgejaagd, niet wetend wat te doen, wachtte ze weer op nieuwe snauwen, voelde ze grimmiger aandreiging van vreeslijke rampen, zoo vlak tegen haar lijf. Dàt gevoel vergat ze weer als feit, maar bleef dan nog in nawerkenden vagen weedom, angstig zenuw-spannend, eng ingekerkerd tusschen angst-gevoelens, in ’r grommen. In haar week-watterig-dichtgestopt hoofd, spande en ònrustte ’t, als knaging van ’n woord dat men kent, maar dat niet wil invallen, toch door de ooren klankt, brandend op tongepunt. Al ’n paar jaar leefde ze in zoo’n martelende angst-spanning, zich erger, benauwder voelend, van maand tot maand, duizeliger, en doezeliger achter in ’t hoofd, al sterker vergetend, stommer smart uitsnikkend, van dingen die ze niet wist te [64]zeggen. De dokter was er bij geroepen, had hooge rekeningen gestuurd, drankjes, drankjes uit eigen apotheek, zonder eind, ook de jonge arts werd er bij gehaald en in potjeslatijn hadden ze uitgemaakt dat ze ’r beide niks van snapten. Alleen de jongste mompelde iets van.… dementie.… hersenverweeking.… Toen ouë Gerrit ’m vroeg, wat ’t was, had ie z’n schouders opgehaald en alleen gezegd: „maar geduld hebben.” In dien tijd had zij alle moeite gedaan om er van af te komen, zonder drankjes. Want eerst dacht ze ook dat ’t aan haar zelf lag. Toen wou ze, wou ze onthouen, iets dat ’r eenmaal inzat. Ze groef ’t in ’r hoofd, metselde ’t in ’r geheugen, met drift. Dan begon ze te zweeten, te zwellen in onrust, in benauwing en lag ze in stille worsteling met de dingen die ze hoorde en wist.. Ja.. ja, nou had ze ’t nog.. ’t bleef.. ’t bleef.. nog.. nòg!.. Maar dan, heel zachtjes, kwam er verslapping, was ze vreemd-ver afgedwaald van wat ze moest, wilde weten, ging ’r de heele boel ontglippen.… Dan wist ze plots niet waarvoor ze zich toch zoo inspande. Er begon raar, wezenloos gedoezel in ’r hoofd te broeien, gedruk en iets heet-suizends kwam in ’r opstijgen.. Eindelijk dofte alles uit, ontspande en dommelde tegelijk wèg haar wil; begon weer dat stille smart-geknaag, zonder dat ze wist waarom. Plots dan, in het duister van ’r indommelen hoorde ze ’n schreeuw, zag ’n woedegezicht, rammelde ’n vloek boven ’r hoofd, drong ’n vuist op ’r aan;—nou hoorde ze stemmen van ’r zoons, ’r man, dat ze dat weer en dit weer vergeten had. Niks meer kon ze zich herinneren.—Alles klonk weer nieuw voor haar, en kort, heel kort dan, begreep ze, dat ze weer die dingen vergeten mòest hebben. Dàt pijnigde ’r erger. Sterker drong bij tijen de angst op ’r aan wàt ze beginnen moest, als dat zoo door ging. Onder hun hoon, hun schimp bleef ze radeloos, staar-bleek voor zich uitzien als levenlooze, omdat ze niet zeggen kòn, met geen woord, tegen die woedende gezichten, wàt er in ’r gebeurde. In die oogenblikken, dat ze om ’r heen dreigden in woest gekrijsch met woede-gebaar, voelde ze, onder haar eigen staren of ze stikken ging, dichtsnoering van ’r keel, met net nog ’n heel klein beetje [65]lucht om te ademen. Bij elk nieuw verwijt sidderde ze, voelde ze in zich ’n angst van ’n rat die achter traliewerk wordt opgejaagd, wou ze zich ergens aan vastgrijpen, waaraan ook.

Vanmiddag zat ze in ’r donker hoekje, stil schemeruurtje, rustiger, nou ze geen verwijt-stemmen hoorde, veiliger zich voelend omdat ’r duisternis om ’r heenlag. Vandaag was alles weer beter gegaan. Ze had veel meer onthouden, voelde zich ook vrijer in ’t hoofd, ruimer, en stiekem had ze zich voorgenomen af te zien van ’n nieuw doktersbezoek, omdat van zelf de boel wel zou beteren. Heel even blij zat ze in ’t donker, dat ze nou wat minder gespan om ’r schedel voelde, dat ze weer veel gemaklijker op de namen van de menschen kon komen, beter op ’t eten had gelet, weer veel van ’r huishouding zag.

’n Adem-zware stemmings-stilte suisde door ’t warme achterend, paffig-warm en pik-duister. De smidse stond stil aan overkant. Dirk en Piet ronkten lichtelijk tegen muur-duister aan. Guurt zat roerloos, denkende aan ’n stoeipartij met ’n paar heertjes van de sekretarie, kale ventjes, die in hun heerige poenigheid diepen indruk op haar maakten. In d’r berekend verzet tegen hààr rijke, waarop zij loerde, die doodelijk van ’r was, had ze afspraakjes gemaakt, voor donkere laantjes-wandelingen om de tuinderijen. Maar zij wist wat ze deed, bleef zonder hartstocht. Ze zou zich daar niet te grabbel gooien, zooals zooveel meiden van de plaats, voor en zonder geld. Alles was fijn spel bij ’r, berekend op prikkeling, nou es naar de Wierelandsche Harmonie, dàn naar de kemedie. Daarvoor gebruikte ze àllen, loerend toch op één. Al was heel Wiereland nijdig op ’r, scholden ze ’r uit voor scharrelaarster, ’t liet ’r koud, ze wist wat ze deed.

Ouë Gerrit was uit den dorsch naar den stal gesjokkerd.

—Heé Guurt, ’t lampie!.… schreeuwde ie zwaar-hol uit den grooten stal, ’t achterend in, waar z’n stem geweldig in het duister kamerke stortte, tusschen de schemermenschen, in de pafrust. Gauw had Guurt je ’n lampje op schouwrand boven den stalhaard geschoven, haastig weer in ’t donker terugwijkend. Ze zat zoo lekker, zoo lekker d’r kansen te berekenen. [66]De Ouë sukkelde en bonkte nog wat aan den haard, die vlak bij den stal rookte, op steenmiddenwegje, naar achterend. Met den vuurlepel rammelde ie dof en bonkend tegen den beugel, waar boven, zwart verbrande buik van konkelpot glimmerde.—Knetterend speelde er blauwig gevlam tusschen takkenhout. Duister-ruim schemerde de stal, en ronde ruitjes, hoog, als wilde oogen-sperring, in den bleekvuilen muur, staarden, nog doorlatend schemer-avond van buiten, groenig schemerlicht dat in valen schijn tegen de oograampjes opzweefde. In dàt licht, lijnden nog even donker op, takkronkels, stronken en schors-bulten van boomen op erf, bij brokken te zien door de starre-oogen van raampjesrond, uitkrampend in avondlijk schemergroen.

Ouë Gerrit moest melken, de eenige vaste arbeid ’s avonds aan hem overgelaten. Uit den duisteren hoogen dorsch, waar kouë vocht van de hooge dak-welving afvloeide, donker en griezelig-vreemd, midden in, hooiberg-gevaarte opsteeg, had ie luk-raak uit den hoek een arm vol hooi gegrepen, op den tast, en het in den stal-voorgang onder de donkere koe-koppen gesmeten. Ellendig vond ie ’t in den dorsch. Daar was ie altijd onrustig, in die zwarte ruimtekilte. Dan was ’t lekkerder in den broeiwarmen stal. Zware urinelucht en meststank zoog er doorheen, met bijtenden ammoniakgeur, verzwevend door het donker. Heel achteraan, in ’n hoek, stonden de twee koeien op hoogtetje.—Guurt kwam brommend uit het donkere achterend, waar de jongens nog ronkten, en moeder te suffen lag, het kleine petroleumlampje nadragen.

Voorzichtig zette ze ’t neer op ronde raampjesrichel. Hol klonk gestap van Guurt op steenen groep, en dof-schimmig onhoorbaar sloop Hassel op z’n paars-wollen kousen, door de leegte, dwars tusschen kleur-schimmige rempalen heen. Uitgestorven donkerde de stal, die gebouwd was voor twintig koeien. Zooveel had ie ’r vroeger bezeten. Nou maar, in verarming twee, die ie niet eens houen kon op de wei.—

Dirk kwam loom uit ’t achterend, de stal in, gapen uitstootend die hol vergalmden in de halve duistering. Met z’n handen, [67]diep weggefrommeld in z’n groote zakken, bleef ie, lijzig koeiig kijkend, om den Ouë heen en weer drentelen.

—Hâ je nog wà’ vangst op vailing Ouë, vroeg Dirk.

—Hoho!.… ho.… ho.… niks te meer.… smeer’ge boel.… allegaer els.… saa’k moar segge.… els.… vier en vaif en nie g’nog.… skorumsootje.…

—Zoo, bromde Dirk, zich uitrekkend, onder heviger gaapuitstootingen.—Toen, kijkend naar de beesten, leunde ie tegen den muur, onder het lampje, in geel-schemerig stallicht verdoezeld, bij een van de oog-starende raampjes.

Guurt scharrelde rond bij de pomp, op steenen middenwegje, naast den haard, klompklotsend. Ring.. ring.. ring.. ring.., stompte ’t uit donkeren hoek daar, met knarsingen van overhalenden slinger tusschen geweld-klettering van waterstroom in emmer. Even lichtte rossig òp soms ’n hand, ’n brok gezicht, ’n rokpunt, als ze overbukte dicht bij den haard. In den hoek, vóór de groep, schemerde ’t zwak-geel lampschijnsel op koei-kruisen en schonken, die heuvelig afschaduwden tegen beschot áán en op dwarsmuur, als drommedarisbulten, vaal-zwart. In de stank-uitwasemende groep lag koevuil te dampen, om den kruiwagen, die nog vol mest, beklonterd achter de beesten, op achtergang stond. Plots viel er stilte, toen de pomp uitgeklaterd had, en de dreunende ring-rings stomden. Overal door den groot en hollen stal, ging kruip’rig schaduwspel over steenen vloer en muurhoeken. De Ouë had eindelijk, lijzig, ’t melkblok op de stalstoep gelegd. Zacht op de koebil patsend, schoof ie ’t blok tusschen de warm-wasemende snoffelende dierlijven. In licht vreugdegeloei dat zacht-bazuinig en weemoedig-zangerig verhuilde in den stalschemer, draaide één koe d’r kop naar ’m toe, zich loswringend van ’t touw dat vastgesnoerd zat aan de groen- en blauw beverfde rempalen. Met z’n smoel duwde de andere koe, de loeiende terug. Wolkerig woelde op ’t hooi, dat de beesten uit vóórgang van den een naar den anderen kant trokken en scherp sneed door de stilte, hun grissend grazen en kauwen, [68]hield soms plots even op, druischte dan weer ààn, als vloeide ’t zeis-geruisch van ’n maaier door ’t donker heen.

Lijzig nog bond de Ouë ’t spantouw om de achterpooten van ’t dier, voor ie melken ging, en lijziger ging ie zitten op ’n melkblok, als ’n stratenmaker op éénpootig krukje, met de melkketel tusschen z’n knieën gekneld, èven òpgelicht, van zich af. Z’n handen eerst nat-sabbelend in z’n mond kneep en trok ie tegelijk in maatgang aan de spenen. Zacht-regenend in bleeke straaltjes, spoot sis-scherp ’t melk-zoet den emmer in. Piet was ook ingeloopen, rugde naast Dirk tegen den muur. Hij hield er van zoo na ’t melken ’n paar lauwe glazen in te slaan. Daar loerde ie nu al op, gulzig maar stil. Dichter had hij ’t lampje naar z’n vader geschoven. Het profiel van ouë Gerrit kwam nu zwart-fijn en scherp op het inslinkende onderkruis van de koe schaduwen, fijn boerenprofiel met lokkenhang, puntig, dat lichtelijk mee-trilde met huid-siddering van koebeest. Maar telkens doezelde schaduwprofiel weg, of verwrong in woeste karikatuur op zwarte dijplekken tusschen huidwit in, als de Ouë, stram voorover bukte op melkblok, naar andere uiers, den emmer in schuineren stand knelde om de straaltjes beter te vangen. Dàn donkerde z’n ingebogen lichaam schaduw-bevracht wèg, tusschen de zwak-belichte schoften van het andere warme koebeest, dat tegen ’m aangedrongen stond, zacht loeide, in wellust om ook gemolken te worden.

—Wa bliksems mooie makelai hep ie tug, heé Ouë, stem-zong Piet.

—Oftie.… huhu.… huhu!.… dofte beklemd stem van Gerrit tusschen flanken-inknelling van de beesten uit.—Onrustig bewoog de wachtende koe z’n achterpooten, drong nauwer òp tegen den Ouë, zacht zwiepend met staart, die opgebonden kronkelde, aan ’t bindtouw. Urinelucht zoog zwaarder door den stal, en het koevuil plompte vet en zwaar-dampend in de groep, vlak voor de kou-uitrookende monden der loom-kijkende kerels.

Telkens vielen er bonkende geluiden in de stal-stilte uit het achterend, en als de koeien met hun ringen schoven waarmee [69]ze vastgetouwd snoerden aan rempaal, echo’de het gebonk doffer door de licht-schemering.

Wemelende reuze-gestalten schaduwden door elkaar, toen de Ouë opstond, strammig van z’n melkblok, z’n vette vuile vingers beschuimd afdoopte in de ketels, Dirk en Piet vlak voor het lampje elkaar over groep en achtergang speelsch-woest heentrokken. Scherp-zwarte profielen, dàn klein omgetrokken en zuiver-gelijkend, dan grof-vage, achteruit verbleekende monsterlijke boerentronies onkenbaar, vervluchtigend ijl, op vuil-wittigen kalkmuur. Koppen braken of zwollen, als de kerels in wilden stoei vooruitsprongen, in vlakke, verdeukte schedelbobbels, tegen bruin-morsig beschot. Groote neuzen, flauw, en zware goliath-handen, ijlden schimmig over den wand, boven bultige silhouet-schonken van koe-beesten. Zoo holde, warrelend en wemelend, een donker spel van schimmen op vale muurbleekte, en de kerels zèlf, zwak-geel belicht, met verduisterde tronies, grof-knuisterig, adem-ingeperst, hijgden uit, in de stal-duistering, stoeiend over de dampende groep.

—Jullie làikt kinders, driftte midden in de Ouë,—neem jai mestkep en kuil wat àn.… ’t loopt er ’tmet over.… eenmoal.… andermoal.

In de voorgang stond Piet te gichelen tegen Guurtje die zenuwachtig haastig doende was in keuken en achterend.

—F’rslik je ’r nie an, Dirk.… de Ouë sòanikt.… hep puur tait tut mur’ge.… nou.… mi stróói-oàfend!.…

Vlak op den kruiwagen liep ie aan, z’n adem, als gouën stoom, fel beschenen door lamplichtstraaltje, tegen achterlijven van koeien opblazend. Z’n gladde komieke kop rimpelde wreed en zijn mond, donker open, boorde duistere schaterlachen, snorkend door den stal. Een narocheling van lol, barstte z’n strot uit. Danserig sprong weer z’n grof-komiekige boerentronie in scherp silhouet op vuilen muur. Dirk bleef staan, lijzig, lachloos.

—Hep tait tut murrige, schaterde Piet weer, krullend met z’n lippen als ’n nijdige aap.

—Daa’s net, terug-deunde met luie stem Dirk.

—Daa’s nèt, bauwde Piet na.… je suster.… [70]

Guurt was juist weer met pompstraal ringkinkend, ingedreund. En weer holde Piet speelsch op Dirk aan, vlak bij ’t lampje springend, dat z’n kop scherp-zwart weer troniede op den lichtschemermuur. Plots gaf Dirk onder jolig geschater van Piet en Guurt, z’n broer ’n fellen tik op z’n schoften, dat die woest achteruit sprong, met z’n gezicht naar de stalraampjes, en z’n hoofd-silhouet weg-reusde als angstige goliath-kop. Maar méé trok Dirk, die lui zich sleideren liet met z’n beenen in mestvuil, naar ’t hoekje van Guurt toe, waar ze zingend en lach-schaterend, bek-af, met geweld neerstommelden.

Guurt had aldoor èven gekeken, was met ’r hoofd, voorover bukkend in boen en emmergeploeter, tegen blauw-rood van steenen voorgang, soms net te zien geweest in zwak schijnsel, schimde dan plots weg, klomp-klepperend naar keuken, om met nieuwen boenrommel in ’r handen, weer den stal in te donkeren,—want ’t liefst was ze bij lolligen Piet. Piet, ongedurig, jongen van negentien met botten van rijpen kerel, wou alles aanraken, belollen.

Als ze niet werkten de kerels, zoo in den wintermiddag al, wisten ze met hun leege handen geen raad. Dan stonden ze, uren achtereen, te gapen, te rekken, te smoken, de lange winteravonden verzeurend, tegemoet; avonden, die, als ze niet kaartten of dronken, slakkerig-langzaam over hen heenkropen. Maar stoeilol kwam meestal los in broeiend warmen stal, met dien prikkelenden ammoniak-geur, ’t zoetige hooigeurige onder den heeten diepen stank van uitwasemende dieren.

’t Was onbewust, alsof eigen natuurdrift losgromde, in geilen vechtlust, als voor hen, de opene natuurlijkheid der koeien in vreten en ontladen, zich schaamteloos opgulzigde en weer uitplompte.—

—Seg, skarreloarster, hai je t’met je vraier op sterk woater zet, ’k hep ie sien.… f’rdomd.… met die blaike stadsmuil van ’t staa’thuijs.

—Daa’s jokkes, stem-gilde Guurt uit hoek-donkerte de stal in, onder zwaar geboen, uit ’t duister te hooren, op rinkelige emmers. [71]

—F’rdomd.…

—Daa’s jokkes, ikke daan niks.… niks daan ’k.…

—Nou stuif nie soo.… jai hep-er t’met an ieder vinger ein..

—Tog hep-ie main nie sien.… jài nie—.. en niement nie.. schreeuwde Guurt, die nu met boender in d’r hand en losfladderende haren van ’t bukken, naast Piet in scheem’ring kwam staan, één arm in heup-zwaarte gedrukt. En hijg-zacht naar adem, woedde ze uit.…

—Neenet Pietje, dà’ hai je mis.… glad en al mis.… main sien niement.… je sel Annie sien heppe.… daa’s puur ’n lekkere.… daa’s ’n kreng.… daa’s s’n kwinkkwanker.… mo je hoore.… nou binne se in ’n f’raasderantie.… sel ’k moar segge.… en nou sait sain.… Nou dat de Ouë.… die laileke suipert.…

—Dà’ kenne wai.… onderbrak Piet grimmig.… Maar Guurt vertelde door, afgevend op ’r vriendin Annie. Piet keek telkens schuin naar den Ouë en Dirk stond roerloos, vadsig, tegen den muur geleund.—Guurt lach-praatte, telkens haar adem-stoom even beschenen, van ’t donker hoekje uit naar schemeringslicht waarin Piet stond, opjagend de kerels. Hol brokkelde haar hooge vrouwestem af, in wije, klankende stalruimte, gelende schemerdiepte,waar de woordplonsjes instortten, uit niet-zichtbaren menschenmond. Ze had uitgerateld en Piet begon weer of ze niets gezegd had.

—Nou skarrel jai moar roak, se weite ’t.… je bint t’r ’n dunne!.… jai mi je faine snuut.… Kaik, daa’s nou main weut! moar.… jai jài.… kraigt nooit ’n man.… mit je witte lintjen goan jai de kist in.… beduuf’l jai nog moar soveul.… jai knikkert mit je vraiers.…

—Dà’ lieg je.… heftigde Guurt weer, uit donker hoekje op ’m afspringend van ’r bukkig hijgend geboen.

—Louw.… allegoar louw.… die tochtige maide.… an ieder vinger d’r éin.… en allegoar moak je hullie dààs.… Jesis Dirk.… wa trek jai roar smoel.… aas ’n bunsem op de sprenkel.… gierde Piet’s stem.

—Hait puur lol, bromde Dirk goeiig, onverschillig even [72]met z’n schoften schurkend tegen den muur,.… suinigies an.… suinigies àn.… goan se gangetje.… se gangetje.…

Ouë Gerrit was heelemaal klaar met melken, ’t viel ’m nog mee. Niks meer noodig, voor se aige ’n paar kan, en de rest veur de venter. Nou g’n zorg meer an z’n kop.… ’t potloodje zat er.… stilletjes.—

Twee koebeesten was genog, tege Maart moste ze tug weer weg.…

Met woede-woelingen boorden de koeien hun snoeten in ’t hooi, zoekend naar lijnkoek, die komen moest. Dirk had er al ’n paar uit den dorsch gehaald, waar ze half lagen te broeien naast de voerbieten, op ’n berg. Vóór de drinkgang zat ouë Gerrit op z’n knie, naast ’m ’t lampje, tusschen beschot en voor-loop, nauw opgedrongen. De grillig vlekkerige koekoppen sloegen wilder hun ringen tegen de rempalen dat ’t echo-bonkte. Zwaar-woest en gretig stonden hun oogbollen, donker, vol lust, en van uit hun geketenden neergedrukten stands wrongen de koppen zich òp, in wild geronk besnuffelend de halfduistere handen van den Ouë.—

In brokken duwde ie de lijnkoeken in hun vadsige, lebberende kwijlbekken, of liet ze vallen tusschen het hooi. Woelig omwolkten de beesten dan den dorren stapel, in woest gesnuffel. Toen de koek op was sneed de Ouë de bieten in groote blanke plakken, ze tusschen het voer werpend. Gretiger gulzigden de donkere koppen in rauw-raspend geslik. Lijf-wasem sloeg overal van de beesten af, en hun bekken dampten zwaar. Vocht droppelde langs het beschot, warm-broeiend, tot vèr van de dieren àf. Woest bleven ze omlekken de donkere handen van den Ouë, die in z’n hoek, geknield, suffig ze zat te bekijken, niet meer denkend om z’n beesten, alleen, stil-zalig, en roezerig na-genietend, om wat ie weer zou te zien krijgen vannacht. En nou, in die warmte, oog-soezend in ’t dunne licht-straaltje, viel ’m ineen in, ’t heele tooneel. Hoe hij had gestaan, de notaris, en hoe raak z’n greep was geweest, met al dat zand en die rotte bladeren.

Guurt kwam de melktesten aansjouwen, die in hun lichtig [73]glazuur, steen-bruin glanzerden in het scheemrig lamplichtje. Sieperend zeefde ze melk uit den ketel in de testen. Poesje, was zacht aangeslopen en geestig-fijn, tast-sluipend met z’n kopje in de test, bleef ’t in drinkbuiging, zacht ingehouen, met z’n bedonsde pootjes op testrand staan, schuchter, terugkrimpend in z’n blank poes-dons, bij elk stal-geluid, bàng dat ze ’m snappen zouen in z’n snoep. En fijner nu, herhaalde ’t z’n snoep-beweeg, vlak bij het lampje dat op steenen kleurgrond lichtte. Fijner schaduwde z’n kopjes-rond, snorlijntjes en punt-oortjes tegen beschot, en in schuchteren snoep-stand, boog méé, scherp zwart silhouetje, gratielijk met staart en sluippootjes.

[Inhoud]

III.

Het half-zesje stond klaar in de woonkamer. Vrouw Hassel en Guurt hadden hompen brood met kaas en roggebrood, zoo maar, op kale tafel klaar gesneden. De koffie stond te bakken op petroleumlichtje dat knepperde en stonk. Zwaar stoelgestommel rumoerde voor allen rustig zaten en gebeden hadden. Met handpalmen verkreukten en trokken ze hun brood af. Moeder Hassel schonk koffie.… koffie was haar eenige troost. De dokter had gezegd, dat ze ’t niet moest drinken, maar ze vergat ’t. Vroeger al had haar hevige drinkhartstocht elk bezwaar overrompeld. Ze mòest drinken. Den heelen dag dronk ze, dronk ze, spoelde ze iets weg in ’r, door dien heet-zoetigen smaak. Wel dertig kommetjes sloeg ze in. Dat was ’t eenige dat ’r staande hield, en ’r verdriet verdoofde. Daarom stond ’t wit-steenen koffiepotje, koud en bruin-besopt aan alle kanten, roetig-ingebrand bij den bodem, den heelen dag op ’t stinkende petroleumpitje. Bakken mòest ze. Water bij eerste treksel, water bij tweede treksel, al slapper, valer, viezer sop, klonteriger en grondiger; daarop weer nieuw gedrop. Zoo klieterde heel Wiereland bij de koffie. Overal in de tuinders- en werkmanskrotjes stonden de bemorste petroleumstelletjes, duffig en roetig-vies; stond vaal-bruin blad met grauw-steenen kopjes, [74]uitgeschulpt en bepuist, naast ’n nikkel komfoortje, vuil-verbrand of pracht-blinkend.

—Skenk main nog wa’ leut, snorkte Piet tegen Guurt, met ’n bons z’n kopje op tafel dreunend.

—Nou, lachte Guurt, jai hep t’met ’n dam lait.… se kenne d’r puur ’n spaiker op je moag glaikkloppe.… wat ’n pens!..

—Kaik die, waa’t hekkepunter.… wat ’n bemoeial, sou je d’r nie ’n druil om d’r hoet ketse?.…

Vlug, lacherig nog om Piet’s vraatzucht, schonk Guurt in. Stil gesmak zoog door ’t kamerke, dat sufte in z’n dof-geel lamp-schijnsel, waarin de staartklok alléén, met z’n koperslagwerk, zacht òpglimmerde in lichte, schichtige glans-veegjes. Telkens nog bonkten ringrukken van de koeien uit den stal, of het snikken even van ’n herkauwende, zuchtte tegen de half-opene kamerdeur. Bij nieuwe broodhompen sperden wijer open de kaken, lebberden de monden, lui en vadsig in de broeiige kachel-warmte en loom tiktakte de friesche, met iets van winterigen slaaplust in z’n slingergang.

Vrouw Hassel zat jammerlijk stil en verlaten te kijk-suffen onder het scheefhangende lampje, met z’n geel-rood vuil vlammetje en naargeestig schijnsel. Half afgezakt van haar stoel zat ze, in ’r vettig bruinige huisjapon, die bochelde op ’r rug. Haar afgeleefd rimpelgezicht leek grauw-zwart. D’r grijzig groezel-haar, dat flodderig los uitslonsde onder de smerige, bij de ooren gepunt-kruide steekmuts, die schedel-naakte gleuven door het gaas schemeren liet, overhuifde zwaar en donker ’r klein monsterlijk gezicht. Telkens gulzigde ze ’n slok koffie in, dat ’r magere keelkrop er van natrilde en beet dan weer op de punt van ’r vettig schortje.

Tranen pinkelden plots in ’r brandende oogen die gloeiden, alsof er kalk ingewaaid was. Om ’r breed-dunnen kwijl-mond, waar op afzakte, pappig wangvleesch, dat als los vel zwabberde op kakement, in teistering doorgroefd, doolden trekken van verlammenden angst, spanning om te willen volgen wat om ’r heen gebeurde, vast te houen wat ze dof hoorde. [75]Even na ’t schemeruur hadden ze d’r weer geknauwd, waren, ze ’r weer op ’t lijf gevallen met vergeet-dingen.

En Guurt had ’t hardst meegekrijscht, blind voor d’r smart, zelf zich lekker, sterk, frisch, jong voelend. Nou was vrouw Hassel weer uit haar beetje opgeleefde vreugd gestooten. In één zag, hoorde ze weer alles veel slechter, vatte ze niets, ging ’r ’n lijm’rige verbinding van woorden door ’t hoofd, suizelde en spande ’t overal in ’r, hoorde ze geruisch, verdoffend om ’r héén, van stemmen en àldoor achteréén, fluiterig gegil door de hersens diep in ’r ooren. En telkens slokte ze gulziger ’r koffie-vocht lekker, warm, smakkend en opzuigend de zoetige vuilheid, die ’r niks zei, niks verweet, niet aan ’t schrikken maakte.

Paf-rust loomde ’r weer in ’t kamerke, waarin de dingen, boers-knus aanglinsterden. Klein-stijf stond in ’n dwarshoek, schuintjes, ’n pronkschoorsteentje, zelf-getimmerd plankje, omspannen met vaalrood lapje, koper-bepend. Om de lakzwarte glimkachel lag morsvuil, ingetrapt kolengruis en ’t plaatje dofte blikkig. Glanzerig van politoer-lichtvleksel, in rood-bruine gladheid stond er tegenover mahoniehout linnenkastje, parmantig-stijf, op klein-breed poot werk, aan hoeken versierd met poppetjes-spul, fel-kleurig steen, en tegen het blom-grof, geel behang, hingen los-opgehaarspelde gore haarwerkjes en kleur-stervende chromo’s, koningen met pelzen en Zwitsersch meer-blauwsel. Alles bakte en loomde ’r vergeten in boerenknusheid. De grof-rooie stoelen, met hevig geel bies-streepsel stonden te drenzen in den doffen lampschijn. Alleen de kwikzilverige vaasjes, buikig-rustig, op het mahonie-kastje, vroolijkten met breed-mondige lichtstreepjes. Naast de kachel, achter vuilen kolenbak, pronkte rijk-ongedeerd, koperen standaard, met schep, koperen tang en pook, sierlijk gebogen en zacht-beflonkerd, smetteloos voornaam lachend tegen den vuil-roetigen pook die ernaast op ’n stoel lag. In ’n anderen hoek van laag-balkend kamerke wemelde ’t van portretten, op klein tafeltje met goor-stijf-krullig haakwerk belooperd. En vlak achter vrouw Hassel donkerde ’n korf met tortelduifje, dat uit z’n beduisterd kamerhoekje klagelijk koekeroede. [76]

Tusschen stemgepraat en eetgesmak, bij stilte-poozen, weemoedigde ’t duifje, uit ’t licht geschoven, in z’n korfje, op ’n voetstuk van gebroken bloemstandaardje, dat sidderde als ’t diertje sprong. Zacht klagelijk koekeroede z’n zwel-kropje, als ’n kindje, dat ergens ver, zacht te schreien en te snikken lag. Plots trok Guurt ’t meer in den lichtkring, toen ’t juist, wil-venijnig zich-zelf in z’n veertjes zat te snavelen, hals verdraaiend diep. Bij ’t geschuif, plots vooruit, in ’t licht nu, dat z’n korfje inschemerde, dook z’n kopje onder de veeren weg, begon ie stil te loeren voor zich uit, stil, als luisterend naar wat gezegd werd door Guurt. Dan weer keek ie bijzij àf met z’n donkere karmijn-oogjes, die kniploos stonden, staàr, stil. In één weer kropte dan, uit teeder donsborstje klagelijk kindergekreun, heel zacht en als van ver, koekeroekoe, koekeroekoe, melancholiek in de paffende, scheemrige kamerke-rust. Guurt, met dikken vinger, krauwde z’n nekje, door korf-tralie heen onder staal-blauw glans-kraagje vol violette weerschijntjes en groenige schubbetjes. En geestig, onder ’t krauwen, vonkten donker, z’n rooie gloed-oogjes van lekkerheid, ging dommig-dwars z’n teer kopje als om te luisteren, weemoedden weer z’n koekeroe’s klagelijk kamerke in.

Plots gaf Guurt ’t korfje weer ’n duw achteruit, dat tortelduifje wegdonkerde in ’n hoek, en schrik in z’n wijnrooie oogjes stolde. Ouë Gerrit had Guurt wat gevraagd, die lijmerend onverstaanbaar antwoordde met vollen mond.

—Nou joa.… sel ’k moar segge.… fa’n koniggin Fillemientje.… hai je nog wat lese kenne.… eenmoal.… andermoal.…

Klank van groote onderdanigheid was er in z’n stem gaan beven, en met vreemd-rilligen eerbied sprak ie den naam van Wilhelmina uit. Dirk schoof stil Guurt z’n koppie toe.—Kijkend naar d’r vader, schonk ze gedachteloos in, gansch bevangen door het denken aan de rijke almachtige koningin.…

—Hée doedelsak, lachte Piet, haar tegen den arm stootend, genog, je skinkt t’r snof’rjenne noast.…

—Aa’s se nouw t’met trouwe goat Ouë, schokkerde Guurt, [77]alsof ze niets gehoord had, door,.… aa’s sai nouw trouwe goat de koniggin.… hep sai dan d’r femilje.… en magge die d’r na kaike?.…

Ouë Gerrit schaamde zich altijd ’n beetje voor de groote kerels en z’n meid dat ie d’r niks van wist, en dat tie nie lezen kon. Brutaal, lukraak stootte ie ’r maar uit:

—Wel joa.… sel d’r ommirs puur niks.… skele kenne.. dà moak niks, loa se kaike!.… je hep ’r ven dit.… en ven dàt.… op soo’n dag.… hoho.… ho.… se komme uit de hooge!.… sel ’k moar segge.… en mit hoarlie pakkies àn.… afain.… fiere en vaife en nie genog.… enne.…

—Nou joa, hield Guurt vol, die nog niets wijzer was.

—Toe maid, gromde Dirk, die nauwelijks wist dat ’r ’n koningin bestond, skenk in, je skenkt t’r noast.…

—Nee, jokkes, verdedigde Guurt, maar nog niet loslatend haar vader:

—Moar .… enne.… nou.… aas d’r puur hooge.…

—Kaik tug veur je.… doedelsak, je skenkt op main poote, helhoak.…

—Main kristus, waâ jokkes.…

—Nou grinnikte Piet, skeelt t’met gain koe.… skeelt t’met gain koe.

—Jesses wà’ kerels.… wa hep jai smoor in.… en jullie.. jullie.… wete d’r ook gain snars van.… weet jai ’t moeder?.…

Ze schrok op, vrouw Hassel. Niemand vroeg haar ooit wat over zulk soort dingen.

—Gut.… schokte ze stemhaperend.… da wee’k nie.… al t’met.…

Schuw brak ze af, gejaagd, want nou, waarachtig, nou wist ze niet eens meer waarover ’t ging, wàt Guurt gevraagd had. Haar leerig gezichtsvel fronste samen in monsterlijke rimpeling, en haar grijs-grauwe brauwen dottigden krampend. Vergeten, vergeten, smartte ’t stil in ’r, met ’n snikhuil, maar uiterlijk bleef schrei-loos haar gelaat. Alleen lichtelijk sidderden haar kaken. Plots sprong Dirk woest op, bonkte z’n [78]stoel tegen den muur dat duifkorfje trilde en vrouw Hassel opschokte van ’r zitje.

Met rumoer ging ie den stal in, achteruit op straat. Guurt was gretig in Wierelandsch krantje gaan koekeloeren of ze ook iets van de koningin lezen kon, van wie ze boven haar slaapstoel twintig beeltenissen had hangen, in al andere standen en leeftijden. In ’r egoïstische voorstellingen, waan-zeker en achterhoeksch-bedompt, wemelde ’t van licht, goud en juweel, als ze aan de koningin dacht. En hoog, op ’r verheven stoel zag ze Wilhelmientje zitten. Van de kranten-berichten begreep ze niet veel; uit ’n behoorlijken zin kon ze juist niet wijs worden.… Als t’r zoo stond, in die deftige krantentaal, voelde ze zich kregel, ’t verwarde hààr voorstellingen, want die alleen leefden voor haar. ’n Paar dingen maar, licht, juweelen en goud, overal goud en ’n hooge stoel, ’n troon,—dat alles omgedraaid en omgedraaid in allerlei variaties, bedacht en bekeken met haar achterhoekschen weelde-hartstocht, dat ’t sterde en fonkelde voor d’r oogen. En nou die kranten! Maar half lezen had ze geleerd. Dirk voelde heelemaal niets voor ’t feest; wist niet eens waar Den Haag lag. Toch zou ze doorlezen. Knusserig schonk ze zich nog ’n kopje leut in, en naast ’r, schoof bevend-gulzig, de blauw-doorpeeste grauwige beef-hand van ’r moeder, die ook weer hebben wou. Plots kwam Dirk weer in, plompte zich weer neer bij de kachel. Guurt frommelde ’t krantje op zij. Niks snapte ze ’r van. De Ouë zat met ingezakt lijf in z’n op schoot gedrukt en tabakspot te morrelen, lijmerig z’n pijp vullend, vingerdiep, den tabak met duwetjes bedaard inplettend.—Vroolijk snaterde Guurt weer op.…

—Hep jullie hoort van die raike vent van Duinkaik.… die hep s’n aige veur s’n kop skote.…

—F’rdomd! riep in verbazing ouë Gerrit uit, onder zuigend aantrekken van z’n pijp.

—Of tie!.… de kommenai is d’r vol van.… en de slager sait ’t ook.… en welk gast je d’r spreekt.… de heule ploats weut ’t.… s’n aige doodskote.… [79]

—En ikke hep hoort dat tie valle is, zei Piet, leuk-ontgoochelend ’t nieuwtje van Guurt.

—Main kristus! wa jokkes, sloeg Guurt de handen met ’n klets in mekaar.

—F’rhange, zei plots, kort-stug Dirk, f’rhange, da heppe se main sait.…

—Wie sait dà’ nou.…?

—Kees.…!

—Kees, Kees, bromde de Ouë, da beest.… die hep s’n skoenlappertjesmoandag weer.… sal dronke weest sain.… t’met nooit nuchter hoho!.…

—Da lieg je Ouë.… da lieg je.… driftte Dirk met ’n slag op tafel.

Stil bleef de Ouë doordampen in snelle zenuwtrekjes aan z’n pijp, omwaasd in rook. Maar verjenne, wat keek die Dirk leelijk. Waarom most ie dat ook zegge. Hij wist tug da Dirk geen kwaad op Kees kon hooren. Hij bleef zwijgen, zuigend reutelende haaltjes uit z’n pijp. Guurt wou geen ruzie, ze had er genoeg van. Nog volgepropt zat ze met nieuws.

—Nou die soon van die kwinkkwank in de Bikkerstroat.. die sosiaal?… die hep mit se moeder motte f’rhuise.… hai hep skult bij de slager en skult bij de bakker en skult bij de kruienier.… en se motte d’r of.… en ’t heule spul mot f’rkocht.… murrege.…

—Daa’s puur klets maid, sarde Piet weer leuk.… hai hep skarrelt mit Mie van de metselaar.… en da sit nou mit jonk.. en nou hep ie van d’r broer op s’n ribbekast hat.… en nou durft ie nie meer op stroat komme.…

—Niks van woar.… sloeg Guurt weer ’r handen de lucht in met ’n klets tegen elkander.… Mie sit nie mit jonk.… en s’dient in Amsterdam.…

—Nou, bitste Piet.… seg.… is m’ ook ’n happie!.… wa sou dat? hep se doar g’n dam legge kenne.… kom sussie?.. kaik m’rais in main fieselemie.… seg, kaik nou nie soo onnoosel.…

—Seg Piet, vleide plots stern-zacht Guurt, van-oàvent is d’r [80]in de Son soo’n prèchtige kemedie.… toe, neem màin nou d’r is mee?

—Jai hep main noodig, debies, neenet snurkert, da’ lapje main nie!

—Main kristus, ik hep nooit niks.… nooit, driftte Guurt gemaakt; heé Piet.… toe.… wees d’r nou erais ’n oardige knoap!.… ik hep aêrs soo’n dooie Sinterklòas.… se speule van moorde.… soo vreeselik.… je weut wel daa’k ’r dol op bin.…

—Nee Guurt, daa’s niks veur jou.… dan grien je.…

—Nou ik sel niet-en griene.… toe Piet.… feremp’l.… ikke sel niet-en griene.… ik bin d’r soo dol op.… op die moorde, aa’s sullie vechte en d’r binne allegoar ongelukke.… nou, dan hou ’k jòu vrai.… sullie vechte d’r mit messe.… Geert Grint hept veleje joar self sien.… toe Piet.… sel je nie beroue.… kaik.… soo hiet ’t.… waor is ’t krantje?.. hé moeder! gaif hier!.… kaik.… Lesoare de Veehoeder.… kaik, vaif tefreele.… de moord in de herberg.… en.… wachters van ’t pelais woakt.… Te dansen begon Guurt, te stem-vleien. Ze hield dol van vreeslijke dingen. Bij elk vechtpartijtje in Wiereland was ze te zien, vooraan, en toch vond ze ’t vreeselijk naar en griezelig. Als ze bloed zag vloeien met vechtpartijen, dan krampte ’r iets in er van heerlijke naarheid. Van moorden, spoken en ongelukken wou ze alles haarfijn weten, en hoe bloederiger, hoe naarder, hoe griezeliger ze genoot.

Maar Piet was niet te vermurwen. Van avond, strooiavond, nee, dan most ie de ploats op, lollen met de meiden en zuipers.

—Wa’ geep, nijdigde Guurt, nou, dan goan ’k alleenig!.…

Dirk zat lichtelijk te ronken, met kop tegen kachelpijp.… z’n ingezakt lijf stonk van grondvuil.… z’n stomp-wreed gezicht stond grimmig als van ’n slapenden bloed-dog en z’n vurige zeerende wimpers, streepten pijnlijk-rood onder z’n in gelen lampschemer, duisterende oogen. Hem vroeg ze niet eens. [81]

[Inhoud]

IV.

Tegen acht uur stapten de jongens op.

In Wiereland joolden door de donkere straatjes, strooiavondgangers. St. Nikolaas was in wit gewaad neergedaald in ’t stedeke. Tegen den avond, uit grauw-grijze lucht dwarrelde wemelend, stil-blank geschitter en gevlok, windloos neersuizend, ruischloos blank, héél stil vertooverend daken en boomen. Het stille dorp-stadje was als dichtgeweven met blank schuim in enk’le uren, en overal schimden, wit-hoekige geveltjes, schuin en laag, zwaar besneeuwde dak-vlakken, schuimblank, met schaduwblauw van kousjes-koud licht, in de hoofdstraten. Langzaam aan kwam vertier en rumoer uit de achterwijkjes, sneeuw-scheem’rig verlicht, wègdroomend, in donker rossig-goud schijnsel van ’n paar ouë vlamgaslantaarns.

Naar de groote handelsstraat ging òp, gekrioel van schreeuwende kinderen en luid-pratende menschen. Door elkaar liepen deftige burgerij, lollende, flappende meiden en jongens, in blanken sneeuwval, en geluid-dempend verbleekte de straat in stille verwitting. Het voorplein van stedeke bij ’t station, waar ’n groot weibrok witte, schimmig onder donkeren hemel, lag roerloos; en van verre, op Lemperweg, naar ’t dorp Lemper, bronsden in duisterdiep, ’n paar rossige gaslantaarns op geheimzinnig verwitten boomendrom.

De Baanwijk schitterde in winkellicht, aan weerskanten en overal achter gloedglazen, spatte blinkering en fonkeling van kleur-voorwerpen. Voor iederen winkel stonden troepjes kinders, opgeduwd door grootere jongens en meidenvolk, en ’n stroom stommelende drukte-menschen ging en kwam de straat af en op. Soms, uit de massa, bleven er plots staan, ’n groepje, om te lach-kijken naar gillende dienstmeisjes en tuinders-dochters, die besneeuwbald en wit-gebombardeerd werden, bangelijk vluchtten in winkels en portieken. Telkens joolden kleine en groote stoeten dwars door den wandelstroom, sneeuw-bombardeerend als woeste donkere duivels omraasd van witte projektielen. [82]

Woest, in heete feest-stemming braakten kerels hun lol uit, tierend en stoeiend. Zwaarder joeg rumoer door de anders doodstille winterstraatjes, als allure van groote stads-woeling. Lachend, gedempt, deftig, trokken notabelen van de plaats, voorbij opgedirkte winkeltjes, lachend minachtend om stedekepraal. Staan bleven ze alleen om kindertjes te plezieren; kindertjes juichend bij poppen die te star-oogen lagen tegen ’t koue winkellicht, in kleurige kleertjes en strakke waskopjes; oogengulzigend naar fornuisjes en kookstellen die kopervonkten in etalage-extaze; naar groote paardekoppen, omstrooid met zilveren en gouden snippers. Tegen half negen zuiverde de straat zich van het heerige volk, bleef alleen het woelige, arme, zuipende en stoeiende Wiereland, de tuinders jongens en meiden, armen, schorem, lawaaiend in de witte sneeuwhal, verplompend zijn stil-vonkend rein-blank, met zware donkere voeten, vol gloei-hartstocht en stoei-lust, beestig bijeen gekliekt, onder daverend schorre stemmenlol. Van uit het Kloosterpad, smal kronkelwegje, uitloopend op de groote Baanwijk, kwam opzetten zangkoor van jongens- en meisjesstemmen, donker kinderstoetje, achter elkaar áángerijd. Voorop praalde ’n snuitertje, bemombakkest, met zilveren haardotten aan masker onder de kin, bisschoppelijk beplakt met zilveren papieren mantel en hoog besteekt, omrand van sterretjes-rood, en ritselige goudloovertjes. Naast ’m ging ’n roetig besmeerde kleuter, kannibaalsch wild, in witte oogappelswoestheid, gooiend met sneeuwballen naar ieder die voorbijkwam. Dàn gedragen, dàn gesleurd en geduwd werd Sinterklaas. In z’n hand hield ie ’n schommelende lampion, overgebleven siersel van Drie-Koningen, in kwijnerig rood en groen licht, afschijnend op z’n beschilderd mombakkes, dat schaduw-geelde zwaar en bang. Om lampion, in zwak rood schijnsel, droomerig en diep, draaide ’n wiel van zilveren sterretjes door ’n ander, met ’n touw naast ’m, in gang gewenteld, dat ’t wemelde, glans-zilverig als waterkringen van fontein, om de half-belichte kinderhoofdjes. En zoo, kronkelend achterelkaar, donker-stoetig, grillig-rood bewasemd in lampiondamp en groenige dooreenschommeling [83]van vale lichttintjes, slangde ’t troepje de bleek-besneeuwde Baanwijk over, tusschen de boomrijen door, in schaduwdans achterhaald op sneeuwgrond, de stoeikerels en wijven tegemoet, onder jongensgekrijsch en meisjesgegil. Van ver klonk soms even, stemzwakte van kleuterige achterblijvers, die met stukkende lampionnetjes en afzakbroeken, meezongen en roffelend rommelpot sloegen in ’t verwarde gegalm,.… liedjes van Driekoningen dat komen ging:

Drie koninge drie koninge

Gaif main ’n nuute hoed

Main ouë is f’rslete

Main foàder maa’g’t nie wete

Main moeder hep gain geld

Achter de rooseboom is ’t teld.…

Aan het eind van de Baanwijk stonden de achterwinkels opgepropt met troepen hurriënde meiden en jongens te smakken, vettig-glimmende feestgezichten, beglunderd en opgedirkt in kleeren-schetter, voor ’n geïmproviseerde toonbank, opgeslagen in ’n leeggeruimde kamer.

Blikjes gingen van hand tot hand als ’n smak over was.

—Wie hepp sàin, leste blikkie?.… tien cent, krijschte armelijk schorre kerel achter de toonbank,—’n venter die op den dag met afvalgroenten door de plaats ging, en nu, tot laat in den nacht, met schreeuwen en smak-opgejaag voor de winkeliers, nog ’n extratje verdienen wilde. Achter ’m stond deftig banketbakker-eigenaar met witte baret, blufferig in ’t wit, vettig-grinnekend bij stormgeloop van menschen, lacherig-kontroleerend, met z’n handen frommelend onder z’n blank schort.

—Nou, is nou dààn, la moar beginne, riep ’n ongeduldig bochelig kereltje.

—Nog één blikkie,.… nog één, schorde de venter met armelijken zangdeun in z’n stem, om fut in den dobbel te houen. Achter ’t kereltje, grabbelde ’n hand naar ’t blikje. [84]

Nou kon gesmakt worden. Ratel-dof bonkten de dobbelsteenen in den smallen houten smakbak. Jans Brielle gooide negentien.

—Neeg’tien gooit, neeg’tien,.… schorde pijnlijk heesche venter, en duwde ’n anderen grijparm, die opdrong met z’n blikje, in ruil, dobbelsteenen in de hand.… Dof rolden ze den bak in.…

—Sestien gooit.… neeg’tien blaift winne.…, deunde de venter.… de hoogste hep sain, twee pond paling of ses pond speek’laos.….

—twoalf gooit.… neegtien blaift.… Jans je stoat prechtig mait.…

En telkens bonkte ’n andere worp den smakbak in, onder heet gedrang om te zien, uitbarstende hoera’s, gevloek, geraas en gelol van lage en hooge gooiers. Het stonk vunzig, tusschen jassen en mantelgoed. Onder de hitte wasemde natte sneeuwlucht uit de kleeren op. Pilows, jekkers en duffelen manteltjes zweetten, tusschen ranzige vischlucht van paling, poonen, gebak en brokken. Straaltjes nat sieperden van hoeden in nekken en telkens raasde gevloek òp van kerels en meiden die dachten dat er sneeuwballen gegooid werden.

—Seg Jans.… jai hep sain vast.… hoor.… t’met ses pond vraiers.… wa mo je mit soo’n vracht.… puur ses pond.…

Piet Hassel zang-deunde achter Jansie, komiekerig afwerend onder ’t spelen, aanvallen van stoeiende giechelmeiden, die ’m telkens op z’n neus wilden tikken met kop van Sinterklaasvrijer.

—Nou, lachte Jans terug,—mooie hoog-stevige boerinnemeid met dikken wellustkop en glimmig opgepoetst wangrood—bin je jeloersch?.…

—Waa’n geep.… moar ken ’n mensch nou mi-sonder fesoen.… ses vraiers àn.…

—Sevetien gooit, schorde rauw er doorheen, grauwe venter met zenuwknuisten op oude toonbank trommelend.… sevetien.… neegtien blaif winne.…

Maar Jansie zag ’r geluk niet in woede.

—Geep, geep, daa’s je suster maan.… bi je beduufeld, en [85]in ’n kwaadaardigen duw aan ’r kuifblond, wrong ze overbodig ’n haarspeld dieper in ’r kapsel, met zenuwgebaar.

—Dwarrel, stoppelkat, lolde half gebelgd Piet terug, kabbeloebelaap.… waa’n fiselemie.… waa’n muurvarke.… waa’n binnebeer.—’t Kijlde scheldnamen, met zwaar gelach van omstanders bij elk nieuw grapwoord, dat z’n mond uitflapte. De smak was om.

Jans, die negentien gegooid had, won.

—Neegtien hep wonne.… wa mot sain.… twee pond paling of ses pond speekeloas?

Dolgraag had Jans de vrijers gekozen. Maar nou er Hassel zoo gesmeerd had, durfde ze niet voor de omstanders. In heeten wrevel nam ze de paling, zich zelf in stilte verwenschend dat ze de vrijers liet liggen. Rammelend gingen de blikjes in zakschort van den venter. Z’n schorklankige stem, rauw, roggelde weer.

—Wie mot.. wie blief ’n pond paling of drie pond speek’loas?..

Plots dromde ’n woeste groep van zestien kerels, den winkel in. In gillende, krijschende herrie kaapten ze duwend den groenteman, vóór dat een ander nemen kon, de blikjes uit de schort, dat ie waggelde achter z’n toonbank. Een uit de groep, kerel met rood-behaarden kop, ottergezicht, snee-geulen om z’n mond en korst-rooie haak-krabben dwars over den neus, stak hoog, boven hun hoofden ’n gonjen zak, schreeuwend:

—Hier kailt de mikmak in!.…

In ’n oogenblik waren de blikjes afgekocht, verdrongen ze andere smakkers die gromden en vloekten. Zware rookwolken dampten ze tusschen de menschen, rossig opkronkelend boven gelige koppen-donkerte. Hun pet-kleppen glimmerden onder ’t lamplicht, als mes-flikkeringen, bij hun wilde hoofdbewegingen. Telkens had één uit de groep bij wilden dobbel een smakprijs, die met rauwe hoera’s en stemme-donderingen den grooten zak van den rooie ingekwakt werd, onder gedrang en geduw naar den kerel.

In tien smakhuizen was de groep van zestien al rondgeduiveld.… Dit was de elfde. [86]

—Wie mot blikkies, schorde venter beverig en ontdaan.… drie krentebroode of vier varkeslappies!.…

Tegen de troep drongen nu anderen in die ook blikjes hebben wilden; ’n metselaar nam er acht, voor zich, en vier meiden die naast ’m stonden. Maar zij, één met hun zestienen, gierden en stem-rochelden er tusschen door, en weer had met dobbel-rondgang ’n kerel uit hùn bende den smakprijs.

De rood-behaarde kerel met z’n verwrongen smal ottergezicht, gilde als ’n razende, zwaaide den zak boven de paffende menschenkoppen en rukte de bloederige varkenslapjes, ’n help-juffer, achter toonbankje, uit d’r beenige handen. En telkens weer won er één uit hun midden, rauwden ze hoera’s, onder wilde zwaaiingen van den zak, dat bezadigde smakkers krompen van schrik.—Telkens weer kwakten ze, op en door elkaar in den donkeren gonjen muil, Sinterklaas en druipende bloedbeuling, paling en banket, chokolade en konijnen, onder dolwoest gekankaneer van den stoet, die in z’n kring trok, angstige meiden, dwingend ze mee te gieren. En òpstaarden in wilde extaze allen naar den grauwen zak, hoog in armstrekking van rooien dolleman, boven koppen, slingerzwaaiend door mistig-verlichte rooksfeer. Bleek als z’n bakkersbaret hielp de winkelier, bevend van drift. En z’n vrouw, in de lage kamer, naast ’m, groen-grauw van angst, trok ’m telkens aan z’n mouw, dat ie zich bedwingen zou. Onverschilliger in ’t geraas, ringelde de venter voor-zich-uit, in schorder stemrauwte.…

—Wie mot.… wie blief.… drie kenijne of twee pond beuling.

[Inhoud]

V.

Piet Hassel, sterke oproerige Wierelander, was kroeg in, kroeg uit geloopen op de haven, waar wit-schimmig de spoordijk weg te donkeren lag, achter het breeë watertje en vèr, ver, nevelig-blank van alom polderland, waarin fantomig reservoirs van gasfabriekje opdoemden.—Groote molen rechts, naar ’t [87]station, omkneld van donkere huisjesgroep, vaagde sneeuw-schimmig in duistere lucht, melancholiek over verren polder starend, den versneeuwenden bleeken nacht in.

Piet had z’n vrienden opgevischt in een kroeg bij Schildert. Hendrik Gelder, de Haas bijgenaamd, Jan Sik, Kees Slooter, Kol en nog wat arme ploeter-schooiers, woelige, jolige losse tuinders en bloemistknechten met ’n paar sigarenmakers. Naast hen schuchterde bescheiden, ’n half-heerig klerk je van de fabriek van ingelegde groenten, ’n Wierelandsch burgertje, dat zich ’t liefst bij plebsche arme, schooiende herrieschoppers opdrong. Ieder in Wiereland kende ’t zuipende stelletje, als gevaarlijke vechtersbazen, nakende zwoegers en sjouwers, die in dronk-zwijmel opspogen tegen alles, allereerst tegen elkaar ruzieden omdat Kol en Slooter, katholiek, Sik en Gelder, protestanten, in hun hitte-buien, elkaar moèsten afrossen. Want verborgen ingetoomden, plòts soms uitziedenden schroei-haat sintelde en giftte er altijd tusschen bevolking, katholiek en protestant. Onder alle standen dàt gebruis, al wilde niemand ’t weten, omdat, gelijk verdeeld in aantal, men elkaar te veel noodig had. Maar soms barstten de belhamels los en helleveegden rond, braakten langgesmoorde driften uit van twee kanten. Nuchter, kon ’t Wierelandsche stelletje elkaar wel luchten. Iederen avond, in den naakten wintertijd, broeiden ze vast bijeen, in ’n kroeg. Eerste avondwerk was jacht op meiden, achter, op de stikdonkere kronkel-weggetjes, tusschen tuinderij en wandelpaden. Wellust-jacht van buurtmenschen waar geen simpel landelijke vrijage òp kon leven, of doodgetrapt werd ze, door rauwe spot en krijsch van verdierlijkte massa. Gewissel van meiden en jongens was overal. Leefdrang en passie werd genomen of betaald.

Na meidenjacht, gloeirig en wild, weer terug honkten ze in kroeg, om ronde tafels in kaartspel-gegier. Zoo, elken avond had schooierigste tuindersgroep hier samenkomst, kwam werkvolk van Wiereland, onder heet-ingehijsch van brandvocht bijéén, verzoende zich tijdelijk haat van katholiek, protestant en jood. Dààr, in dompige, donkere kroeg-holen waar geur van jenever zoetig-helsch doorheen schroeide, werd gezopen, uit [88]wellust, uit hartstocht, om ploeterramp van komenden zomer te vergeten, om zorgen te zien vernevelen achter rooiig lichtende blijheid, glanzende dronken-oogen-kijk, om werkpijn te stillen, te dempen, met iets, dat warm-gloeiend inbeet, in hun brandend lijf. Zoo werd gezopen in Wiereland als nergens in andere streken, vloeide er één hittestroom van drank, dampend vocht; dromde er altijd gewriemel van schreeuwende, woedende, melancholiek-geslagene of komisch-beschonkene kerels; kerels, die vrouwen en kinderen lieten krepeeren van honger in winternaakte. Zoo ging laatste duit in hevige zuipkoorts en driftigen gok, naar vettige, joviale, buldoggige kasteleins, die meerookten pijpen, pijpen vol zware tabak, en gemoedelijk rondsloften, op hun gekleurde toffels, tusschen hun spuw-bakjes met zand, volgeklodderd van vuil.

Dien avond ging het vriendenstelletje kroeg in, kroeg uit. Burgervader had permissie gegeven, dat herbergen en danszalen later mochten openblijven. Zoo trokken de kerels heen en weer op ’t schemerend havent je, dat stil lag schichtig, onder sneeuwgeschemer, en zware donkering van masten en booten in watertje, somber-groot opschaduwend tegen spoordijk. Uit de danszalen golfde bij vlagen, onder deur-opengesmak, rumoer, dat zacht verdempte in sneeuwgrond; galmden doffig, in tierend gewar, koperen muziekscheuren en zangstemmen.

In lange smalle loodsen wriemelden opgepakt de dans-brandende Wierelanders. Opgejaagd, in gloeiende schroeiing, kookte ’t licht, ’t avondlicht, uitkoperend fel in brons-hevige vloeiing, van balken en wandbrokken neer. Lang uitgereept leegden zwart-bemorste banken, waarop vermoeide paren zweetig uitdampten, droef-schroeiend omneveld in rook, rossig walmgewolk. Stik-benauwing en heete adems persten zwoel-zwaar, door de lage smalle lolzaal. Wierelandsch zwoeg en plebs, zweetende meiden, rood en grauw van dans-hartstocht, kerels en jochies joegen in stormdwarrel op heesch, opjagend muziekgetoeter door de loods; joegen en tol-dwarrelden, dat kwijl langs hun [89]monden liep, de wijven met opwaaiend rok-gefladder en giftige beensliertingen.

Drie danszalen was Piet Hassel met z’n vriendenstel al ingestormd, maar teruggedrongen werd ie overal, door kleurig-helsche warreling van donker-verlichte paren, die telkens plompiger aandromden van hout-kaal buffet naar ingang-deur. Eindelijk was Piet met de anderen in grootste danszaal meegezogen met afdeinende dansgroep. Achter ’n dikstrakken kop van ’n rossig zwaar bebakkebaard agentje bleef ie staan, ingekneld van lol-lachers, achter z’n rug, klown-dolle grimassen makend. Toen omzag agent, gooide Piet zich wild met de anderen in helschen kleurkolk van dansende paren, meiden die vlammen ketsten van hun blouzes, rokken en befonkelden haarpronk. Plots voelde Piet zich in-gebonsd, omkneld van allen kant. Wegwemelend rok-gezweef en geruisch van meiden joeg in zinlijke vlucht-geur en plooi-ruzie voorbij. Harkig sleurden de kerels mee in stronkige armenknel. Vriendenstelletje was uitelkaar getrokken. Alleen Gelder zag Piet naast zich, midden in ’t dans-gewemel, die niet af kon zien van het witte onderrok-gefladder, dat telkens vèr onder opgeschorte rokken uitzinlijkte. Plots greep Piet, Gelder vast, begonnen ze stijf-komieke stappen rond zich te trappen, telkens opbotsend en wankelend, zich schijn-teeder omarmend als jong paartje. Schatering en hittend gejoel joeg om ze heen, zwaarder bonsden lichamen áán tegen de twee harkige kerels, dat ze waggelden, en dobberden gierlollend.

—Haej.… kanteloepp! je fiel droait.… snof’rjenne.… twee kerels.… krijschte Kol.

—Kaik, die klebakkium kaike.… t’met skiet ie op je af.. hai is puur ’n vuile smakwammes!.… lachte ’n tuindersmeid, die met zweet-rood hoofd naar ’t agentje bukte, kanaljeus, ’m ’n ruk aan z’n baard gaf.

—Nou aa’s j’r senie in hep ka je f’nacht in ’t koarte-huis maffe.… zong Wierelandsch stemgalm er doorheen van ’n meid die bukkend d’r kouseband toehalen wilde maar weer omgebotst werd door ieder paar dat ’r zag staan, kuit-naakt.

Zoo, zangerig doorwarrelde stemme-gons, schel gelach en [90]schoffel-bonkend geraas, schal-scheurden felle trombone-dreun en hoornstooten uit van poepers, die half gekneusd en gebeuld op hoogtetje, achter groen hekje troonden, tusschen buffet en plee in. Op hun vaal-groene buizen, schemerden de rood-vuile epauletten, als bloedvlekken, verkleurd in stofstuifsel, dat opjoeg van zandgrond, lichtende hoozen, zacht weer neerpoeierend over gekromde speelruggen, en vervaagd rooiig, hun blazende walmkoppen bolden als barstend gespannen gas-ballonnetjes in oranjigen nevel-brand.

De zweethoofd-meiden, in hun opgedirkte kleur-helsche japonnen en lijfjes, plomp-hevig en boersch-echt, met schitteroogen, die gilden van genot, zopen langzaam smakkend, opgedrongen tegen buffet aan, bier, groot glas, omkneld in bonkige goud-beringde werk-knuisten. Enkele koketteerden met armbandsiersels, omrammeld, kannibalerig-woest bepronkt, wild in haar en hals, getatoeëer van tulpenvurige doeken en strikken. Vóór ’t drinkstoetje van meiden duivelde heet gegons van wemelparen onder lichthoek, schroeide rossige walm, stinkdamp van zweetlijven en asemen. Dronken tronies van mannen en meisjes lachten al ààn in zuipgrijns; uit de wemel-stoeten dampten op, rooie wilde oogen van verhitte vrouw-koppen. In gestoot en geduw werd gillerig en jagender de pret. De mooiste meiden smakkelden en koketteerden in boerenwaan, stijf en plomp-rauw met wreed gebaar, damesnadoenerig-stijf. Bij hoeken gedrukt stonden paartjes, in knie-knikkenden stand, krachteloos te mondzuigen en zoen-lebberen. Op de banken plonsten groote groepen neer, dood-affe, hijgende, zweet-druipende paren, elkaar zoetig verliefd bewaaierend met zakdoeken, waaruit duf en vergoord goedkoope patjoulie-reukjes en vieze eau-de-kolognerige zeepstank opluwde. Telkens sprongen uit de hijg-moeë groepen uitgeruste meiden op, nog bleek-rood van inspanning en dansdrift, in woest en zang-gier met d’r jongens zich weer stortend, in den wemel-stroom van zwirrelende parenwarreling, en slingerkolk van bruisend rokkenwit. Al nauwer drong òp en stormden ààn, nieuw-ingezogenen bij ingang-deur. Geen plaats meer bleef om te bewegen. Heele troepjes omsloten [91]en ingeperst kleefden als aan elkaar, hobbelden rhytmisch op muziek-stooten, met lijven op één plek, zonder van plaats te kunnen wegbeenen. Soms spuide plots ’n beetje ruimte en dobberde menschenkluit wat van elkaar. Maar telkens weer botsten de lijven òpéén, trapten en stootten de meiden, pijnlijk-gespijkerd tusschen dierlijk-harkige omknelling van d’r dansende kerels.

Maar andere meiden, vuriger, verhit van demonischen dans-wellust en lijfgeschuur, onkenbaar verwrongen d’r koppen onder walm-brand, waarop hartstocht rammeide en ingroefde donkere lusten om oogen en toegeknepen kwijl-monden,—opjagend en lokkend met enkel heesch woord d’r kerels, niet òmziend, als verstard, kijkend pàl in minnaarsoogen, wezenloos en bezwijmeld, warrelden dóór, tot plots ze weer stuitten op paren-kluit, die vast-gezogen deinde, in ordeloos gedrang; opsukkelde naar deur als buffelbende, stoer aangestormd éérst, plots als omkluisterd aan pooten. Dan klonterden weer de zweetkoppen bij-een, ontstrakten de zwijmelgezichten, kwam er geduw, gejouw en lach-schalm onder heetste, gemeenste jongens-meiden. Herrie-gejoel barstte los, om elken tuindersjongen van Duinkijk en Kerkervaart, die danste met meid van Wiereland. Dan ging gegrom rondom en beflodderden ze elkaar met scheldnamen, kwam er hanige haat, vuurrood kamgesidder van nijd en geweldige mondspuwingen van vloeken-donder. Tegen het hekje, waarachter de blazende roodgezwollen muzikant-koppen, sidderend als in goudgaas van opgewoeld stoflicht en oranje rook,omzwierd en verwaasd, op hun hoogtetje dromden, stond nauw opgeplet in damp en stuifsel, ’n troep blonde forsche meiden, bepaaiend, besussend, woede-kerels, met smak-zoenen en wangstrijkingen. Anne Donke en Griet Karsen twee knappe tuindersmeiden van de plaats, praatten fier, ongenaakbaar, met loodgieter Ruig en smid Wenke. Naast hen, in gedrang, hurkten op de banken ’n troep jochies van twaalf en veertien jaar, met bierglazen in de hand, stoeiend en opgejaagd door schorem bollekweekersknechten, en ’t stelletje dat lol had in de kloek-zuipende groot-doenerige kerel-kinders. Telkens propten ze zich den mond vol met pruimpies, spogen in ’t rond, [92]vloekten als grooten; be-gutsten de meiden met woordvuil, sprongen als apen, met glunderige licht-oogjes, loerend, dronken en verhit.

Piet Hassel wou ruzie. Dat had ie met ’t stelletje afgesproken. Wat zou ’t; gevochten most d’r worden. En Piet was in lol maar begonnen met schijnherrie tegen ’n Duinkijker, dien ie heel goed kende. Dadelijk erin, hakten anderen die partij trokken. Lach-barstend drongen Piet en Duinkijker weg, de partijtrekkers tegen elkaar aan den gang ziend. Achterhoeksche haatdragendheid en stupiede kijfbotheid stond op dronken zwijmelkoppen uit te barsten. Loome wrok, die langzaam maar schrikkelijk opboorde uit gesmoorde gloeidriften. Grooter werd broeiing, rossig toortste walm rond, vergroenend de zinne-koppen in grauwig brandlicht. ’n Kerkvaarter en Wierelander waren vlak bijeen gedrongen, eigenlijk niet goed wetend wat ze van elkaar wouen. Een had partij voor Piet getrokken ’n ander voor den Duinkijker. Die twee nou zaten te gieren op bank bij de deur tegen de uithijgende meiden lollend, dat ze voor hùn beidjes op elkaar inhakken gingen. Wierelander krijschte rauw.

—Bai jullie verdomme.… bai jullie op da gat.… da krot.. stong ommirs ’n bord.… en stong d’r’op.… hier hout ’t minsdom op.… da hai je t’met de beeste.…

—Daa’s proat! loddermeroàkel.… nou.… ikke seg uit volle borst.… Duinkaik bóófe.… Wiereland ònder.…

Bang gedreig van alle kanten. Rossige walmkoppen opdringend naar waggelkerel, die bleekig, met scheef vertrokken zenuwmond en drinkers-oogenlicht, doorzingen wou.… Duinkaik bóófe.

—Hou je smoel.… boerekinkel, of ’k sel je ’n lik onder je koàkebeen gaife.…

—Sakrejenne.… wie breng je mee?.… seg.… snof’rjenne! beskimmelde huspot.

Plots hevig bonsden ruzie-stokers tegen elkaar op, door aanwarrelende dans-groep, die langs ze stoof, rondkolkte in stofwolken, gouïg oppoeierend midden in loods, verdween weer, in fantomige, sidderend rooïe walmsfeer, tusschen kankan van [93]meiden, met rokken hoog opgezwaaid in schuimwit. Maar Duinkijker drong achteruit, stompte met z’n armen, roeide op ruggen en schouers terug naar z’n plaats.

—Kaik se stoan.… krek an ’n raitje.… aa’s aarepels in duin.… is da bier van sain?

—Joa!.… van sain.… blaif d’r af mi je poote.… Kaik die varkessnuit.…

Meiden, verhit door danszwijmel lachten en giegelden belust op vechtpartij.

—Nou sel ’t puur uitsain, krijschte ’n Duinkijker midden in, of je hep ’n slag f’r je roap beet!.…

—Bin’k self bai hée? venijnig-bleek giftte Wierelander terug, grauw-groen van drift.

—Wa hê jai mi An van doene!.…

—Sjeis an je An, krijschte ie rauwer, z’n bierglas in woesten kring rondzwaaiend, dat ’t schuim vlokte om ’m heen.. Gesist en opgehitst werd er: kss!.… kss!.…

Bloedschijn lag wild en begeerig in dronken zwijmeloogen van kerels, en de meiden, verlekkerd, wouen beroering, wouen gekerm en gekreun van ondergelegden, gekneusden, gebeukten, melodramatisch opgevlamd en verschroeid van zinnendrift. Midden in, drong Piet met Rink den polderreus, door de stilstaande paren.… Hevig-rauw krijschte geluid van lijf-reus, daa se moste deurgoan.…

—Seg krente-mik, snait de fint an rieme, sloa’m sain beene stuk.… en timmer sain mit de bloedige ende op s’n pet!.…

—Bàrst jai.

—Blaif jai heel!.… en meteen trok Rink z’n jas uit, om in z’n overhemd, meesliertend verkronkeld-oranjige halsdoek, nek-ontbloot, de eerste striemen weg te patsen, ’n Meid, blond in koniginne-statuur, slank en reuzig-forsch, was plots midden ingedrongen en uitrazend met tartende gebaren, duim onder kin woest wègstrijkend, gierde ze tegen Duinkijker kerel.…

—Rooie!.… rooie!.… rooie!.… kaik ie tippele!.…. kaik ie tippele! [94]

—Laileke skarretje.… wa mo jai d’r vàn!

—Kaik ie tippele.… so glad aa’s ’n flesch.…

—Debies jai.… ik stink tog nie suur.… duufelstoejoàger!

—Jai? an main jassie.… sie ie main van veure.… kaik nou doàr’.… En wild draaide furie om, met haar achterste hoog opwippend naar ’m toe, in dwazen hoonenden wellust-sprong.

—Vuile kwieb!.…

—Mô je se maid siene.… puur soo breed aa’s hai.… soo pot!.… soo pan!.… gierde ’n kleine furie.

—Enn jai dan prop.… onder- en boofe-deurtje!.… mit je lange skele rot van ’n vraier.…

—Debies, tartte de forsche meid weer, spitisger met ’r duim langs glimkin strijkend, in duivelend scherp gebaar, rooie tonglap er hoonend uitpuntend.

—Dubbel-debies jai muurvarke!.… stoppelkat!.. gaif jai je kindere te vrete!.…

Plots opgestookt door verstoorde bende die dansen wou, kwam goeiig politie-mannetje, verlegen aan z’n rossige bakkebaard aaiend, tusschen de ruzie-lijven staan.

—Blaif jullie nou je fesoen houe.… toe nou.… kalm an.… kalm an.… jai die weg uit.… en jai die.—Zacht begon ie den polderreus te verduwen, die beenplakte, als ’n rots onwrikbaar, uitdagend, met z’n moker-armen tegen muzikantenhekje bombardeerend, dat de kerels trilden achter walmlicht. Rink’s groen-valsche oogen, lichtten als fosfor, donker-woest diep in z’n ruwen kop verdoken. Ruzie was geslabakt en wilde warrel joeg weer door de loods, die walm-zwaar pafte, in stofpoeier boven het geschetter, dat rood-sferig brandde. De koperen instrumenten van blazers flitsten in licht-glimsels.—Toortsig-helsch en satanisch, dreunden donkere monden van trombones, hun zwaarlijvige tonen den stankwalm in, dat wanden te barsten dreigden; fel boorden de hoorn-stooten als priemend geluid door de broeiing; schommelend gingen de lijven weer in rhytmisch gehobbel, in koorts van draai en tolling, [95]geilde de zwijmeldans weer door de loods, in rossigen rook, die meid-gezichten schroeide en oranjerig-rood begloeide in zwelling van bezweete huid.

Piet zoende in ’n storm, tien meiden te gelijk, achter den arm van hun dansers, waarin ze omschroefd pletten, en met Rink achter ’m aan, wien hij iets in ’t oor schreeuwde, drong ie naar den uitgang.

—Wie main lief hep, volgt main!.…

’n Twintig kerels hadden ’t sein begrepen. Buiten, op de verwittende havenkaai zouen ze ruim-rustig kunnen zuipen. Zacht vlokte sneeuw neer, wemel-schimmig op zwak lichtend haventje. Vlak bij tuindersboot, die donkerde in watertje, met fel-groen ooglichtje half-mast, holden en slinger-lijzigden de kerels aan, donkere stoet in wittigen vlokwarrel, schuw, om lantaarn-paal, die rossig-goud hun tronies beschemerde tegen nacht-duister. Piet en Rink smakten zich in de sneeuw, plat op hun achterste, met beenen vooruit, en schimmig cirkelde heele stoet, neergesmakt op straat, schimmig en schaduw-vreemd, zwakkelijk verrood in den gouïgen vlokkenmist onder lantaarn-paallicht. Achter de zuipers verwitten stil, huizen en boomgestalten, karren en manden. Inééngekromde pakhuizenrij, waarop bàng-wild, rossige schijnselkring van kleine lantaarn, makabren donk’ren bronsgloed kaatste, school droef weg in diepe droomtonen àchter sneeuw-wemeling. En geheim-zacht in ’t rosse licht dáár, zweefden de vlokken voor de droeve vensterblinden en schemerluikjes.

Piet had ’n groote kruik onder z’n jekker uitgehaald. Rink presenteerde ’n diendertje. Gretig ging rond nu in den kring mank glas en kruik, tot ’t onder beestig, koortsig-heet gekrijsch bij Piet weer terugkeerde. Kannibalig donkerde de hurkende zuipstoet, in den licht-schichtigen lantaarnkring en bang-groot slagschaduwden hun handen, koppen en lijven bij slingergebaren dooreen, in paarsdiepe silhouetten op rossigen, trillenden sneeuwgrond. Lallend zangden de heesche beest-stemmen. Even van kerels af, die in ’t vlok-schimmige als bedouïnen-stoet in sneeuw-nacht woelden,—kwam angst-gekijk [96]van Baanwijkbewoners soms, schuw op haventje loerend.

En stil, ruischloos boven donker-rossige, woeste zuiptronies, omkaatst van schimmig straatwit, vlokte om lantaarnpaal heen, zacht sneeuwgeweef, kuisch, smetloos wonder van vlokkenschemer, zachte warreling vergouend in ros-vlam, ontroerende smelting van licht, heilig en stil, dichtwevend duisteren nacht rondom.

Politie was gewaarschuwd. De burgervader, met ’n paar mannetjes kwamen aansjokken, vooruit voelend, dat ’t niet goed afloopen zou.

Jeneverkruik was leeggezogen en de helft van stoet stond weer, waggel-zwaar, en nijdig vloekend op Piet en Rink dat ze niet eerlijk gedeeld hadden. Piet, met bloeddorstige natuur, voelde vechtjeuk, schold terug, aldoor één woord, liederlijk. Rink zag schuw den burgervader aanstappen. Verdoken achter den kring, gooiden ’n paar sneeuwballen, vuil-modderig, van ’n groentenkar uit, naar agenten. Piet lolde, rauw, mikte steenen pal op zwak-geligen blinkhelm van kleinsten agent onder schuw licht. De heele troep was plots van de straat-hurk opgesprongen.

In wilden grabbel graaiden krampige handen over sneeuwgrond. ’t Regende ballen naar burgervader en agenten, zacht aanpaffend tegen hun kleeren. Bleek-streng bij ’t licht,—den stoet verjagend, die achteruitdrongen was,—draaide burgervader zich om, beval barsch agenten te staan. Even stemmen-gefluister tusschen hem en agentje. Sabeltrekkend in ’t schuwe licht, donkerde ’t mannetje met z’n klein gevolg, stijf, in versnelden pas op bende aan, die onder vijandig uitdagend vinger-gefluit en heet-lustig vechtgeschreeuw van Rink, zich achter karren en mandstapels bij ’n schuit verschanst hadden.

Onder hagelstorm van moddersneeuwballen, was agentje den duisteren wallekant genaderd en luk-raak, in sneeuwgewemel, dat ruischloos donkere mondholte inzweefde, schreeuwde hij iets voor zich uit, onverstaanbaar terugslaand op gegier van dronken stoet. Toen kwamen, op fijn fluitsignaal van agent [97]uit z’n staf, onder lantaarn uit, twee nieuwe mannetjes aanzetten, sprongen wild uit den rossigen lichtkring met sabels de lucht invlijmend, maakten schijncharge om te laten voelen, dat ’t ernst kon worden.

Uit de danszaal holden meiden, gillend in lawaai, en nieuwe kerels dromden áán, heet-nijdig op politie, drongen samen met vecht-stoet.

—Hak’ker puur op in, krijschte een agent, die lust had te ranselen, dwars door de dronken bende. Weer volgde van klein troepje dienders, ’n schijncharge. Achter karren, die schuin opstonden, met kruk de lucht in, vluchtte weg, donker gestoet van meidentroep naar wallekant, in angsthaast over glibbervuile loopplank dringend, naar tuindersboot. Achter kisten en manden uit, striemden steenen, hout en groentenvuil zwarte streepen door sneeuw-wemel, die als in stormhoozen weer wegwarrelde in andere richtingen.

Boven alle geweld uit krijschten de stemmen van Rink en Piet, dat sullie de kerels ’t water in mosten douwen. Plots trokken ze allen, met brok-scheppen, hooi- en mestvorken,—die ’n paar kerels uit afslagloods bij ’n pakhuis hadden losgewerkt uit den rommel,—op het viertallig agentenkringetje af, waar burgervader bleek-strak midden-in ordonneerde. De agentjes hadden de sabels ingehouen en de dronken stoet, in brullend gekrijsch en gefluit, drong weer, uit donkering van besneeuwde handkarren en kisten, in rossigen schemer van lantaarnlicht, midden op haventje, zwaaiend met scheppen, steekvorken, rijzenknuppels en boomstronken. Vooraan gilden dronken meidentronies, sommige woest-bleek beschenen, nat van sneeuw, met schuimige vlokken op neuzen, wenkbrauwen en oogranden. De burgervader, voelend dat ie te sterk had ingezet, schuchterde achteruit, wou ’t z’n klein agentje weer zoetjes laten bijleggen. Aarzeling was er, die de stoet voelde, want raker en striemender bonkten steenen, koolstruiken en hand-ingekneusde sneeuwballen in ’t kringetje, waarvan burgervader mikpunt werd. Klein agentje trad even weer uit den kring, vlak voor de donkere woelige bende, kerels die slagschaduwden [98]op lichtschuwen sneeuwgrond, als wemelende gedrochten uit chineesch schimmenspel.

—Jonges, schreeuwde agentje met vredestichtend timbre in z’n stem,.… hou jullie je nou kalm.… wa geeft ’t nou!.. sukke herrie!.… goan jullie nou kalmpies uit mekoar!.…

Woeling gierde er los uit den stoet, die nu weer vooruitstrompelend, in kring om alleene havenlantaarn duivelde, rossig, in wilde schijnsels.

—Barst jai, gilde Rink uit, jullie benne begonne.… laileke dood-van-ganzebord.… jullie sa’k levent f’rbrande.… aa’s we je nie mosse fille.…

—Kalm nou, kalm àn, deemoedigde agentje, z’n sabel weer in de schee neerpuntend.

—Kalm, kalm, m’neer salm-salm, zang-gierde Piet.… komp bai de huur t’regt.… nou kort en goed, duufelstoejoager.… aa’s jai.… mi je k’rnuite.… aa’s jai nie ofer-dwars te woater mòt, ruk dan in.… mars!!

Schatering daverde òp uit den troep, meiden liepen gil-lawaaiend weer terug over loopplank. Donker gegons van áánpaffende sneeuwballen, verschimmend in kruisworpen naar agenten-kringetje, dat stil nu afweerde, bàng voor ergere opwinding.

—Doe jullie je latjes weg, krijschte éen uit den stoet.

—Verdomd aa’s de duufel jullie sette ken, verdomd,.… vloekte moedig klein agentje,—goan jullie nou deur.… mot ’r nou geranseld worde.

—Joà joa! krijschten meiden.… kok-kok-kok!.… kok-kok-kok!.… moeder weer ’n eai!.…

—Op jullie bakkesse!.… die skar van ’n burgerfoader mô te woater.… galmden anderen weer.

—Smait sain onder de kar, breek se de strot, gierde Rink uit den stoet.

Een jolige meid duivelde plots vóór agentje, gaf ’m ’n ruk aan z’n baard, haastig in den donkeren stoet weer wegspringend, die al meer kwam aandreigen met zwarte harken, vorken en zware gereedschapbrokken. [99]

Rink zwaaide met ’n ijzeren moker, maar agent je was ’t minst bang voor hèm. Vlak bij ’m ging ie staan.

—Wees jai nou verstandig Rink, vleide agentje, zeg jai an Hassel nou, da se goan motte.… jai ben tog de boas hier.…

—Nee, huil-woedde Piet, die ’t half gehoord had,—doe jai die spitsboef doàr de boeie àn.… geef sain ’t kettinkie in z’n klauwe.

Rink, dronken-duizelig, half wetend wat ie zei, was gevleid door agentje.

—F’rjakkerjenne, spoog ie uit.… hou jai je bek:.… ikke bin boas hier.… ikke!.…

Zwaar zwaai-suizelde moker boven z’n schemer-rossigen dreigkop; z’n lippen sputterden schuim en voort brulde ie, doffe klanken onder zwaarder geslinger van schamp-lichtenden hamer. Plots greep ie de vork van ’n meid voor ’m, sloeg de punten woest tegen z’n moker in, boven z’n kop, dat stàlen tanden, lichtflitsend, vonkten tegen ijzer.…

—Weg d’r mee!.… de maa’n het glaik.… snurkers!.…

En weer slingerde ie de mestvork woest tegen den stoet in..

—Fort jullie.… ’t skeelt t’met nies.… nies.… of wullie gonge de bak in.…

Allo jonges.… wai saine waiser.… loate wai de vuilike links legge.… links legge.… wai.… wài.… binne vuilike.… wài.… sài binne ’t.… sài.…

—Agentje klopte ’m gemoedelijk tegen z’n rug.

—Flink soo Rink.… soo is ’t.… goan jullie d’r moar van deur.

Maar Piet wou niet, bleef halstarrig, schold Rink uit voor ’n verrajer, ’n kabboebelaap!.…

—Jai transvoalsche seemeeuw, stinkbunsum!.… jai.… Engilsche boef!.…

—Hou jai je bek.… ik seg moar.… ik seg moar, waggelde Rink er uit, stomdronken, donkerhoog boven den stoet uitschouderend,—ik seg moar.… da je.. da je te veul neusiesverf hàt hep.… jài bin dronke.… f’rdomd!.… dronke!..

De vrouwen wouen niet langer staan in kou en nattigheid. [100]Telkens scheurde zich ’n groepje af van den stoet, dat lollend en zingend, onder vermaning van agenten, de haven langsslingerde, onder boomen door; soms afbrokkelde, dàn weer arm-in-arm haakte, als donkere schutters in rijen, opmarcheerend naar hoek van achterhaven, tegen schuwen pakhuizenschemer in, den polderweg op. En achter hen áán, kreupelden al meer schamele hinkstoetjes, scharminkels in duister bewustzijn, verkoortst van karnavalshitte, onmenschelijk en ramp-zwaar geslagen, havenweg áfslingerend; landloopersellende, verspokend in langzamen schaduwtocht tegen oneindig donker-schimmige gat van besneeuwde-wei-poldernacht.

Piet alleen, bleef doorrazen, met nog ’n stoet je waggel-kerels, om lantaarn-paal heen. Rink drensde mee, Piet zeurde tong-zwaar met hoog-piependen stem-overslag.

—Sien je.… sien je.… jai!.… jai!.… jai-bint ’n fârrike.… sel ’k moar segge.… moar ik seg.… ik seg.… fierkant wa je bin.…

—Nou.… en ikke, treurstemde terug Rink, ik seg.… ikke.… ik seg.… da jài ’n boef.… ’n boef.… ’n Sjemperlan bin.… ’n skar.… sien je!.… moar.… i i i i ikke.. ikke.… ikke.… ikke seg-’t.… i-i-i-in je smoel.… sien je.. sien je.… e’e eerlik!.…

—Jeaijsis.… jeaijsis!.… daa’s net.…, lolde Piet vroolijk.… Ikke.… i i i kke.… i i i n.… ’n ploert.… sien je.. é é énne.… enn jai.… jai.… ’n boef.…, nie.… ?.. nie?… daa’s eerlik.… geef màin nou.… nou ’n poot kameroat!.… daa’s net.… jai ’n.… boef!.… é é é.… é é é.. enne.… ikke.… ikke.… ’n Sjamperlan!.…

En roerend innig, verrast en verzoend, tegen elkaar opwaggelend, met kwijl van lach-pret om hun monden, tast-zochten ze naar lantaarnpaal voor houvast, in been-waggelend geduizel; grijnsden hun rossige tronies, lachend onder het licht, probeerden ze elkaars handen te grijpen. Piet met z’n mouw, poogde zwaar gevlok van z’n sneeuwgezicht en brauwen weg te strijken. Laatste troepje, waggel-breed, slingerde den polderkant op, den spoorweg òver. Rink alleen achteraan, waggelde [101]een zijweg van polderpad langs, langzaam, in hevig geslinger, angstig-rakelings langs slootkant.

Stilte was nu geweven.… Van ver klonk telkens áán, melancholiek gegalm van Rink’s zangstem over doodstille wei, oneindig in vlokkendans verschemerd. Droef klonk dóór, zwaar-klagelijk en dronkemansteeder z’n lied:

Ik bin moar.… ’n swainke.… allain stoan ’k hieeeer!

Allain op de weijrelt.… mi-sonder pelsieeer.…

Piet, alleen sprekend bij lantaarnpaal, was ingezakt, wroette op de straat in ’t slijknat, kon zich niet meer op z’n beenen hijschen. Zachte redenaties hield ie tegen de steenen, met z’n gezicht in den sneeuwmodder.

Eindelijk kwam erbarming; werd weggedragen z’n stinkend lijf door twee agenten met kleintje aan ’t hoofd.

Stil nu lag haventje weer, in rossigen schemer, doodstil. Onder allééne lantaarn vlokte gesneeuw, vergouend in gasvlam, en schepen, verwitten hoog tegen spokigen spoordijk op, waarachter schimmig deinde, sneeuw-schemer van polderende wei-zee. [102]

[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

Kees Hassel, of Kees de Strooper, zooals oudste zoon van Gerrit overal genoemd werd, bij Wierelandsch en Duinkijksch volk, klomp-klapperde over deftig-stille Beekstraatje van ’t stedeke. Het nauwe, stille straatje, waar vierkantjes en netjes knussige huisjes van fatsoenlijke burgerij nestelden, lag nog in slaperige ochtend-stilte. Van hoek- en dwarsstraatjes uit, ratelde soms ’n boerenkar áán, met mest of rijzenlading. Twee kerels achter ’n groentenkar bonkerden juist de stille straatkromming in, uitglibberend achter hun wagen op ijzeligen grond. ’n Paar werklooze tuindersjongens, kwamen plots ’n zijwegje uithollen, schreeuwend ’t straatje vol met stemlawaai, staanblijvend voor drogisterij. Ze gierden, bij ’t plan, den Gaper, die suf z’n tong uitstak, mal lachend onder z’n kleurigen tulband, den mond dicht te kwakken met sneeuwballen. Z’n rooie holtemond kwijlde de ballen uit. ’t Was of z’n keel vol borrelde met schuim en z’n oogen, goliath-groot, angstiger sperden van benauwing.

—F’rsjue Jààn, hai hep t’met nog honger.… schaterde één, met twee zwarte, ingekneusde sneeuwballen klaar, om te gooien, springend van lol, alsof ie op gloeiende platen te dansen stond.

Weer bonkte ’t raak tegen rooien kokkert van Gaper, en wezenloos, z’n stommen lachmond, breed, als scheur in rauw vleesch, met schuim op bloed-rooie lippen druipend, bleven staren, z’n angst-oogen; plakten sneeuwbrokken op neuskromming, dwaas en klownig.

Ze gierden, de straatjongens, al doller grimassend vóór den [103]roerloozen lachkop. Kees klapperde voorbij, z’n hoekig-reuzige lijf, in groenig-schimmeligen jekker, loom opkijkend naar jongenslawaai, los-onverschillig van gang, z’n armen afbengelend langs zwaar gelapte broek. Z’n geestige scherpe kop stond strak-onverschillig. Z’n lippen knepen fijn op elkaar gedrukt; lippen als van ’n visch, dunne snoekige mondlijnen, strak, wreed.—Klos.… klos, klapperde ie door ’t fatsoenlijke wijkje, waar elk gezin voor Kees den Strooper bang was. Van de heele plaats tot Kerkervaart toe, ging er roep uit van Kees, Kees durfde alles. Ook ’n moord te doen. Eenigen zeien, dat ie al twee vrouwen vermoord en tien jaar gezeten had. Bange katholieken maakten ’n kruisje als ze ’m zagen aankomen. Weer anderen vertelden, dat ie bij de Ruïne van Braale, ’s nachts, twee koddebeyers, die ’m op de hielen zaten, bij ’t stroopen, den hals afgesneden, en de bloed-koppen in z’n zak meegenomen had.

Politie en oppassers tartte, bespotte ie, omdat ie sterker nog was, dan Rink van den polder. Niet een uit de plaats durfde met ’m vechten, of om prijzen buksschieten. Geen strooper, die tegen hem kon vangen. Bijna altijd stroopte ie alleen, zonder lichtbak, in stikdonker, soms zelfs met helder maanlicht, want alles tartte ie. En als geen sterveling eruit durfde, de dolste wind door de bosschen gierde, en Satan schaterde; als heksen op den misthoorn bliezen in sidderenden loei, dat ’t bijgeloovige Wiereland, in d’r slaapsteën te beven lag in angst-luistering naar het kokend kraak-gebulder, dat zoo-van-zee, òver het stedeke uitraasde, dichter, al dichter bij de plaats,—kwam hij, uit holst van den nacht, met beste vangst, bevend van kou, druipend van regen, maar stil en mor-loos. Ieder hield hem voor ’n gevaarlijken rakker, met den duivel in de ziel. Nooit sprak ie bijna, maar als ie wat zei, was ’t raak, hevig, oproerig.

Zoo was er over Kees’ doen en leven, door dorp-stadje Wiereland, een legende geweven, waaraan iedereen wat bijsierde. In de kleine havenkroegjes dobbelden en vochten ze er om of ie wèl of niet gesnapt was. En als ie soms heel onverwacht [104]daar verscheen, werd ’t stil, zakte rumoer, en praatten ze vriendelijk-bangelijk met ’m. Nooit nog had een ’m dronken gezien. Ze zeien dat ie stil zoop, want geen sterveling kon er ooit meer dan één borrel bij ’m inkrijgen. Wierelandsche notabelen en nette burgerij, braaf en verstandig, lachten goeiigjes, in soos en hoofd-kafé, aan de kletstafel, om dwaas gezwets en gefantazeer van het plebs. Ze vergoorden dáár, de onbewuste poëzie van klein-levend volksmassatje, met hoon, hoog-wijze knikjes en lachjes. Maar ook zij toch hadden respekt voor den reuzigen, eenzelvigen strooper. Als ze ’m zagen, keken ze den vent na. En nooit dronken ontmoetten ze ’m, nooit sprekend, nooit werkend, in één stil voor-zich-uitturen, met z’n grijze, fel-guitige oogen, ernstig en wreed-strak.

Toch, achterhoeksch volkje, bleef ’m omweven in legende-sfeer. Een strooper vertelde, met zwaar-klinkenden ernst, dat ie ’m gezien had, ’s nachts bij de Ruïne, in woest hondeweer, met z’n geweer geschouderd, hand aan den trekker loerend, op den duivel. Armelijke verbeelding van katholieke en protestantsche jochies, maakten zich onder elkaar van den strooper gedrochts-voorstellingen. Vooral in den winter, ’s avonds en ’s nachts. Vast waar was ’t, dat ’t spookte om de hut bij Kees, daar tegen het woeste duin van Duinkijk, ver achter straatweg naar Zeekijk, waar hij al jaren woonde.

Daar, achteruit-geduwd met z’n krot, z’n vrouw en kinderen, in het woeste duinhart, waar geen sterveling in donker den weg wist, gebeurden spokige, beangstigende dingen. Vaders vertelden ’t nà voor hun kinderen en vooral in katholieke kringen, gingen schriklijke verhalen over moord en geesten, van kind tot kind, elke week wat nieuws, dat de zieltjes er van beefden. En als ze ’m, na zoo’n verhaal, in den avond soms ontmoetten, was ’t hun, of z’n lichaam ’n bloedige schaduw vooruitwierp, op de straatjes, te zien nog éven, achter het rossige gaslichtschijnsel.

Kees wist wel, dat er duizend malle praatjes over ’m gingen, dat de katholieken vooral ’m meden, schuw, als ’n ziekte. Maar z’n onverwoestelijke koelheid en strakheid voor ’t geleuter [105]van mènschen, en z’n reus-schonkige natuur, maakten ’m zelfbewust zeker en onverstoorbaar gewoon, onverschillig, stiller tegen ’t gepraat in. Z’n eenzaamheids-lust was ’m ingeboren. Met de stilte was ie opgegroeid. Ook z’n zwijgen was in hèm gewoon; dood-gewoon. Hij kende geen woorden, hij wist ze niet te plaatsen. Woordloos dacht, voelde ie de dingen beter. Er viel ook niks voor ’m te zeggen. Hij keek veel liever. Alles lag stil in z’n binnenste, en van z’n wrokkige verbittering op z’n wijf wou ie geen sterveling spreken.

Niemand had er mee noodig. Ook niet met z’n armoe-lijën.

Haastiger, in woede, klapperde ie besneeuwd-kromme straatje af. In z’n denken nu, dat boers-dwars, ruw-onbeholpen was, maar eerlijk en wreed-oprecht, lag zwaar ’t bewustzijn dat ze ’m nergens bijna wouën hebben, om z’n stroopen, omdat hij ’t was. Hij voelde in hun weigering, angst, bijgeloof. In z’n hevig, dier-driftig karakter, onbewuste opstandnatuur, brandde verzet tegen alles, wat ie kende aan menschen in Wiereland. Nooit had ie wat gelezen van socialisme. Van dat geleuter most ie niks, niemendal hebben. Alles in ’m was van ’n woeste vrijheid, onbelemmerde ademhaling, ruim in de lucht, in ’t duin. Meer wist ie niks van ’t leven. Nou, al vier weken, liep ie hongerig bij den weg, en ’t driftte in ’m rauw-geweldig, dat ie voor z’n nest van negen kinderen niks te vreten had. Dan nog de zieke lummel, die ’m zoo gretig kon bekijken als ie thuis kwam met leege handen, al was er voor hèm altijd iets.

Nou was ie half-lam, z’n eenige jongen, waar ie van hield, ’t eenige dat ’m thuis deed komen. Ingebukt van zorg-gedachten, wààr wat vreten te krijgen, bleef ie staan, voelend z’n lijfkracht als iets dat ’m hinderde, iets te véél, waar ie in ruil voor brood, wel van af wou. En duizelig, van weeïge leegte en knaag-jeuk in z’n maag, vloekte ie in stille hevigheid, dat ie geen geld had voor kogels, dat ie nou samen d’r op uit most om te stroopen, met lui, lui, die ie verwenschte, ’t stroopen dat ie haatte, schrikkelijk diep, waarvan ie ’n walg, ’n afkeer had, gloeiend en onzeggelijk diep, al dachten ze allemaal, dat ’t z’n grootste lol was.

Hij vloekte de uitgelaten stroopers, Wierelanders of Duinkijkers, [106]die stroopten, vooral uit vraatzucht, bluffend en snorkend, zonder haat en worsteling, tegen ergst en honger, en tegen lui, die ’m beletten te vreten.

Huiverig en koud keek ie uit, overal, waar ie het sneeuwstraatje langs ging.—Z’n nest kinderen, z’n vloekwijf.… weer niks.…! niks! wat kon hij ’t helpen.

Voor ’n koek- en brood winkel bleef ie staan, met groote gulzige oogen. Als ie ereis gapte, bom! weg was ’t! Nee, verrèk, dat kon ie niet van z’n eigen verkrijge. Jezes.… alles doen! maar dat niet. Aa’s se sain grepe.… en dwonge dat brood terug te geve,.. en aa’s se sain in z’n nek pakte en meesleurde … Nee, kristus nee, dat kòn ie niet hebbe, hij zou ze vermoorde, d’r strot dichtknijpe.… Dàn was ie d’r bij voor eeuwig en z’n jonge, z’n lamme kerel.… die daar nou thuis lag, alleen, bij z’n vervloekte moeder.… Nee, doorloope!.… doorloope!.… en niet kijke, niet kijke.… allegoar kende z’m hier.… iedereen had ’m nou in de gate.… nergens naar bakkerij kijke.… Je niet vernedere, da se je pakke en uitskelde veur dief.…—Godf’rjenne, dan liever den boel làmrinkele.…

Even staan bleef ie weer, met z’n oogen doelloos de grijze lucht instarend. Grauw drukte laag-zwaar de lucht op de tuintjes en huisjes, droef gewolk. In wittige donzing weggevlokt blankten de dakjes en gevels. Ingewarmd, in sneeuw, lag stil-vochtig, veilig, bourgeoisstraatje nu voor ’m, met de knussige bepoetste huisjes. De tuintjes er voor, wit besproeid; sierdennetjes en heesters, wit-stil, ’t groen verborgen, kromgekronkeld onder blinkend-stekende sneeuwvracht. En overal, in zij-wijkjes en Beekstraat langs, besneeuwd gepui van kleine huisjes, wit gedak, met zwarte en rooiige pannen-uitpunting, droef-mooi winterstraatje, scherp-blank in grauwlucht, vreemd uitblijend in sneeuwpronk van winterigen treurdag.

Uit Leekerweg, kwam Westerling op ’m aan, met stapel hout op ’n slee.

—Zuinig weertje heé, lamenteerde die goeiig, onprettig zich voelend met Kees’ ontmoeting, maar toch even staanblijvend. [107]

—Debies! zei kort-strak Kees met diepe basstem, vol en trillend, die naklonk ’t zijstraatje in.

—Niks om hande? vroeg Westerling, wel wetend, dat Kees niks had. Geen antwoord gaf ie, voelend ’t leutervraagje van den kerel.

—He’k je bai Teunders lest week nie sien?..

—Twee dage spit.… vaif steek.… wàs doàn.… meskien mo ’k morge raize loa’je.…, in ’t bosch.…

—Nou, k’ep ook nies, spuwde Westerling uit, ’n tabakstraal sputterend op z’n slee.…

—Zoo, zei Kees, ’k loop mee.…

Verwit lag arbeidswijk, in blink-licht, paarsig sneeuw-blank.

In rommelige wijkjes volgestord van hondengeblaf, dof en hoog verklinkend uit erf-hokken, stonden verschrompelde kerels en vrouwen aan deuren, hier en daar te praten, hoog-lijvend tegen krotjeslaagte, met dakrand, rakend bijna koppen. Verder op lag recht uit, àl recht uit, Roederspad, nauw boompoortig. En tusschen krot-ingeulingen, steegjes en kronkelige vuile padjes, in een sfeer van teringende ellende, waaruit opwasemden stanken van rotgroenten en karvuil, kwam plots, inkijk op vergoorde erfjes bloot, waar stapels hout rotten, omhuifd en begraven onder blanke sneeuw, stil-onkenbaar, rommelgrauw van erfjesellende. Soms zwartten en slagschaduwden paarsig op schitterwit, bodembrokken van vaatjes, donkere mandpunten, ouë stoelpooten, boomstronken, verbruikte rijzen en treurden ouë lappen en zeilbrokken, triestig en kniezig in ’t blank.—

Kees was ’n zij straatje ingeklost en Westerling liep recht uit, z’n slee slingerend op glibberbaantjes over platgeloopen sneeuw. Op ’t Kloosterpad kreunden krotjes, droeviger, wrakker verweerd, als beschimmelde hondenhokken, wegdonkerend tusschen spleetweggetjes, waar nieuwe krotjes-kronkel weer doorheenschroefde, uitloopend op sombere hoog-donkere schuttingen, om moestuinen der heerenhuizen van Baanwijk. Soms rammelde in de dorre gangetjes-grauwte ’n luikje, bleek-blauw, pastellig kleur-teer, met scharnierpiepjes krijschend; en kledderde [108]vaal ’n kindje, met vuile voetjes in moddersneeuw, gretig uit z’n klomp water opzuigend, telkens vullend weer, in zwak bonzenden slinger aan de pomp,—grauw brok steen, er staand als groenig-bemorst voetstuk van vergruizeld standbeeld.

Dorps-stil lagen de huisjes en weggetjes hier. Kees klotste zwaar-rhytmisch in de stilte, op armelijke bestrating waar ’n enkele puntkei uitstak. In stiltegrauw kroop hier de winter rond van hondenhok naar hondenhok, bleef ’t licht treuzelen vóór raamkozijntjes. Soms klonk òp uit wintere dorps-stilte gedempt haangekraai van erfjes.—Vlak voor Kees’ voeten drentelde berooidnattige kip, kalig-zwart, in den sneeuwmodder pikkend, al pikkend.

Stil stond Kees plots voor krotje, dat, in kromming van spleet grauwde, vlak tegenover nog ingezonkener hokjes,—eenzaam, met smadelijke afknaging van gevel, als stadskrot-ellende, zonder kleur, met niets van landelijk mooi, dat er wazen en teer triesten kàn over ruïne-huisjes, en bouwvallige bosch-hutjes.

Droef en ellende-rauw kermde ’t krotje, z’n verzakt klinkdeurtje en kozijnen, in winterangst. Met z’n hoofd dakgoot rakend, trapte Kees even tegen de deur, die in broos-groenige, uitgevreten kleur, weende van armoe. Zich inkrimpend, keek ie rond, achterend in, of ie Bakkerman zien kon. Vóóruit was geen raam, geen kamer. Alleen achterend donkerde òp met grauw erfbrok als woonkuil. Bakkerman was niet thuis, kwam ’n vuile magere vrouw zeggen aan ’t deurtje. Achter haar áán, in gangetje, sleepte ’n modderigvuil kindertroepje aan ’r rokken vast, met zwarte snuitjes, in voddig goedje, iegelijk onder- en bovenkleertjes.

—Stil lammelinge, schold de vrouw, achteruit trappend tegen stinkende troepje, dat de voorste opzij viel door den schok. In ’t gaterige gangetje, donker en stank-uitwasemend, kon Kees net nog zien, hoe ze onder elkaar te wurmen lagen als vervuilde jonge honden, die zog-hunkeren naar de tepels, in gretig vooruitstrekken van blinde snuitjes. Gehuil kermde òp en weer vloekte de vrouw, Wierelandsch-stem-zangerig, tegen de oudste op ’t erf. [109]

—Hier Mie, neem die helhake effe bai je!.… d’r valle puur klappe aa’s foàder t’met komp.… werm jai flesch effies.… Ko!.… kristus Hassel, se moake main puur daas.… geloof je?.…

Kees wou even blijven staan, droomerig ’t gangetjes-donker inkijkend, zonder iets van de ellende te voelen. Met ’n barsch gedàg liep ie verder. Hij had Bakkerman motte hebbe,.… stroopafspraak.… debies.… fort dan moar!

Van ellende begreep ie niks. Hij voelde zich er stikwoedend bij, maar er in opgegroeid was ie, van jongs af. Z’n vader had ’m om z’n streken uit huis gejaagd. Op zichzelf had ie rondgeschooierd, en om beter leven, rustiger bestaan, dacht ie nooit. Z’n hongerleven joeg ’m op, liet ’m geen tijd te denken. Kwam ie in Wiereland al ’n enkele keer eens ’n rooie tegen, dan luisterde ie wel éven, ziedde ’t wel in ’m, begon er ’n drift in ’m te razen, maar kort, heel kort. Den volgenden dag, was ie de poespas weer vergeten. Om anderen gaf ie geen zier; ze moesten zich maar zelf redden. Hij most vrete hebbe voor z’n kinders, z’n zieke jonge. Wat ie alleen dierlijk-hevig voelde, was alles-neerbeukende verzet-drift tegen lui die ’m wouen pakken, als ie stroopte. Dan kookte in ’m ’n vuur-kraterende drift. In Wierelandsche winterellende, als er geen vuile brood-korst meer thuis lag voor z’n heele nest, zou ie kunnen moorden, uit wanhoop en drift, wanneer ze’m afjakkerden, opjoegen onder ’t stroopen. Want hij zelf had ’r ’n gruwel van, vond het ’n lam, ellendig werk. Zaten ze ’m dan toch achter z’n hielen, dan kwam ’n rooie moorddrift in ’m opschroeien, kwam er bloed-zware wrok, ’n felle, gierende, stil-hevige haat, hamerend z’n hart in, maar dien ie bedwingen wou, temperen, verjagen, onderdrukken. Dat lukte soms, maar dikwijls stond ie niet meer in voor zichzelf, was de drift zoo fel en ontzettend, dat ie niet meer zien kon; stonden z’n oogen in nevel van woede. Dan joeg ’t in ’m, brandde, bonsde ’t.… die lui die alles hadde. Zóóveel land, goed, bosch, weg, en die hem de paar beestjes niet gunde die ie schoot, om niet te verrekke van honger met z’n nest. Dat kon, kòn ie niet [110]snappen. Redeneeren dàn was ’m onmogelijk. Als ie zich dan door koddebeiers zag opgejaagd ging er ’n siddering van moordhitte door z’n handen, voelde ie zich zwellen, hoorde ie, zag ie zichzelf niet meer. En toch vermeed ie ontmoeting, uit angst voor hùn leven; bleef ie soms ’n paar uur geluidloos in ’n sloot of greppel verborgen, kromgebukt, soms tot de borst in ’t water dat ze ’m niet zàgen. Maar loerden ze in ’t donker op ’t padje, naderden ze, zoo dat hij uit bosch wel hen op den weg maar zij, van paadje uit, in ’t bosch, hem niet zien konden; hoorde ie hun stille ademhaling, dàn brandde de hitte door z’n handen om de lakeiige bloedhonden neer te schieten, kwam er stemlooze dondering in z’n strot om uit te gillen dat ie haarlie en d’r boas d’r strot zou afsnijen als ze ’m niet met rust lieten. Dan kwam er bloed in z’n oogen, ’n rooie nevel en mikte ie.… Maar hoorde ie ze dan weer afdwalen, verder van z’n plek, zag ie ze even sluipen van den weg,—gingen er naardere rillingen door z’n lijf in z’n natte sloot. Dan voelde ie in ééns klààr dat ie ’n moord, ’n moord zou kunnen doen, kalm en vast; dat ie gauw z’n drift intoomen moest of zeker zou ie ’n moord doen.… doén!.… En z’n lamme jonge dan? z’n zieke kerel, z’n eenige zoon.… aa’s tie hèm niet had? Wat most ie zonder hem? Dan zei ie maar niks meer, kwam ie thuis met nog ziedende drift-oplaaiing, lag ie, doorzogen van water, in bed ’n paar uur te klappertanden en te beenbeven voor ie sliep, dat z’n vrouw ’m snauwde: of ie soms de koorts had in z’n pens. Na dagen eindelijk was die dolle drift gesmoord, afgebroken op ellende en verweekt door angstig oogestaren van z’n lamme jongen uit z’n bedje. Dan kraterde ’n andere op, even hevig en bloedrood, die taaier leven bleef.… de woede tegen kerkgangers en geloofshandelaars. Daar kon ie wel eens tegen uitluchten als ze ’m hinderden. Uitbarstende toorn, dat z’n oogen weer in bloednevelen driftten, z’n gezicht grauw-bleek stond van woede en z’n reuze-handen in zenuw-beweeg krampten. Dan sidderden ze voor ’m, als ie zoo op iemand afkwam.

Nou weer, in z’n loop naar huis, langs al die winkeltjes met heiligen-beeldjes.… Nee hij kon er niet om lachen zooals [111]anderen deeën, hoonspottend, en gluiperig toch tegen katholieken. Eén woedestroom kwam er door z’n reuzeknuisten gloeien, in brandenden lust om den boel rinkelend tot gruizel te hameren, met z’n marmeren haat-vuist, om al dat laffe spul tot pulver te hakken en te blazen als stuivende kalk in de oogen van paapsche bedotters.

Wat ie was voor zichzelf wist ie niet, kon ’m geen zier schelen. Niks braaf, niks goed was d’r an ’m.… Maar huichelen en liegen dee ie nooit. Hij leefde om te ploeteren en te vreten. Met z’n merakelswijf was ie nou eenmaal getrouwd. Daar zat ie nou met z’n nest van negen. Nou, nòu eerst begreep ie, in woeste helderheid, waarom z’n vrouw, die eerst toch, als meisje van ’m gehouen had, ’m nou verafschuwde en altijd toch maar lief gebleven was. Nou zag ie ’t; de pastoors, de biechtvader, die werkten er achter; die hadden ’r opgestookt! Kinderen! kinderen! Alle vrouwe moste d’r hebbe, zooveul aa’s maar kon, dàn weer meer zieltjes voor de kerk! Zoo was ie met z’n stommen kop erin geloopen! Maar nou, nou was ’t vàst uit. Geen poot wou die d’r in d’r leve meer anrake! Geen poot! Daar zat ie met nege kooters en ’n vervloekt behekst wijf.… geen cent, geen werk. Wat ’n stommeling ie was! Daar had ze’m in goeie luim, nog gesmeekt, d’r vader en moeder in huis te nemen; dat ouë wijf Rams dat altijd schold op den Ouën Gerrit en zijn suffe moeder.… Wat ’n stomme kop, dat ie zoo iets had goed gevonden. D’r uit most ie ze trappe!.… hààr ’t eerst, dat ouë kreng.… die heulde en stookte met den pastoor, en venijnde tegen hem, met den biechtvader van Wimpie. Waarom niet ging ze bij d’r andere dochter hokke in den polder?.… die had toch te vrete?.… Maar die wou dien ouë boerehommel van d’r man niet.… hee?.… Nou zag ie, met z’n stomme beroerde kop, dat ie zich had late neme! Dat monster, dat oud k’nijn.… dat in d’r kippige ellende, ieder in z’n gebeente vervloekte, die niet van d’r g’loof gediend was. Dàt was heelegaar ’n helhaak, ’n heks, die hij om ’r afgrijselijke streken d’r schedel met lol kon splijten, in één mep. Wat ’n boeven in huis, die half lamme, zieke beroerling van ’n dooie [112]vent Rams met z’n roggelhoest en dàt half-blinde wijf.… En zoo moest hij, hij toelaten, dat z’n kinderen knielden voor malle beeldjes, dat ze gebeden blerden, dat alles daar inroestte, katholiek-gemeen, haatdragend en venijn-barstend tegen ander geloof, tegen zijn geloof, waar ie toch ook geen duit voor gaf. Dat had ze ’m bij d’r trouwen nog wel gezeid. Wat had ze dan toch in d’r snoet gehad, dat ze ’m zoo had weten te beheksen? Ja, ’n knap wijf was ze geweest.… Dondersjuw, wat ’n heete!.… Wat had ze ’m angehaald.… Maar bij ’t trouwen mosten àl de kindertjes katteliek. Wat ’n botterik ie toch geweest was. Zoo had ie maar toegestemd, blij dat ie ’r hebben mocht. En nou ’n heele keet vol, met hatelijkst gezeur, dat ’r voor ’m te hooren was, voelde ie z’n kinderzootje als ’n vreemde bent, ’n troepje wezentjes, van ’m vergroeien vervreemden, volgepropt met „onze-vaders” en „wees-gegroets”..

Soms, in z’n rauwe borst, waar alleen zware en hevige instinkten brandden, en ruwe jaag-gedachten door z’n hersens bonkerden, hotsend achter elkaar; waar dierdriften,—in gramschap, als krankzinnige, onkenbaar makende vlagen naar z’n hoofd stegen, die in zwaar rood van hartstocht verbloedden—soms snikte er iets in ’m, dat smart leek, gevoel dat ie niet wist thuis te brengen.

Eén zoontje had ie, naast acht meiden, die ’m weinig konden schelen. Maar van ’t jongetje hield ie ràzend. Daar kon ie niet af. Daar dacht ie altijd an. Dat was iets in ’m van warm geluk, van brandend verlangen, zonder dat ie ’t zelf goed wist. Eén wild-hevig begeeren voor dat kindje, om het te zien, te verzorgen, te koesteren. Toch, in z’n rauw stil hongerleven, weggegroeid van àlle teederheid, wist ie ’t bestaan van die woorden niet, had ie geen naam om die drang-gevoelens te zeggen, gingen ze dóór ’m, als ’n stroom van snikkende pijnsmart, soms méé in de bloed-rauwe hitte, ’t geweld en leef-stompheid van al z’n andere driften, van al z’n andere instinkten, die zijn bestaan wegvraten. Hij wist niet wàt koesteren, verlangen, liefhebben was. Nooit had ie die woorden gehoord en als ie ze gehoord had, waren ze’m voorbijgeklankt onbegrepen, [113]als zoo véél gepraat. Maar wààr ie was, dàt gevoel voor z’n ziek kereltje, kwam in ’m droeven en knagen, als iets heel smartelijks, zóó dat hij, de zwijgende arme schooier, onverschillig en beroerd, voor geen duivel of dood wijkend, dat hij huilen kon van binnen, om de ellende van ’t kereltje, mannetje dat ie wel kon zoenen, pakken. En overal, als ie alleen zwierf ’s winters, onder de grijze, leeggegrauwde oneindigheid van ’t duinland, dood-alleen, z’n sprenkels schuw uitzette, droefde ’t in ’m, om dàt kind.… zag ie ’t, àldoor.—Dáár juist, in die droeve winteruren, in donkere eenzaamheid, als er honger en nood dreigde, scheurde die snik er uit, rauw en zwaar; ging er ’n huilkreet door z’n stomp bestaan, scherp en angst-hevig, vlijmend, als ’n bijl door ’n strot. Dan voelde ie, wat daar broeide thuis, hoe die jongen van bijna tien, met z’n zware heupziekte te stumperen lag, al drie jaar in bed. Begreep ie, dat ie den boel niet wegjoeg, of neerhamerde om hèm; dat kind dat ’m zacht maakte, week als ’n lam soms, als ie ’m ankeek uit z’n bedhoekje, met z’n vroolijke oogen. Voor hèm smoorde ie alles thuis, zwoegde ie, want zeker voelde ie, zeker, dat zijn jonge ’t eenige wezentje op de wereld was dat ècht van hem hield. Buiten z’n Wimpie was er niemand al wist ie dat Guurt en Dirk ’m wel konden lijen. Z’n vader ouë Gerrit was bang voor ’m. Ieder vermeed ’m als ’n schurftige, om z’n stille, sombere natuur, z’n woede, z’n uitbarstenden toorn, z’n kracht, dat de boel te dreunen stond rondom, en grauwe drift op z’n gezicht kwam, die ze deed hollen van angst. Z’n grootste smart was ’t nog, dat die jongen ook van z’n wijf hield. Dat zag ie, voelde ie, vlijm-scherp, an z’n kijken, z’n geduldig liggen, z’n zingen. Dat zag ie an allegaar kleinigheden, die ie niet zeggen kon. En dan nog, dat ie katteliek was, ’n heel ander bonk leven dan hij; dat ie daar ziek lag, omdrongen door z’n wijf, z’n schoonmoer, z’n biechtvader, verwend door buurvrouwen, die ’m vertroetelen en beklagen kwamen, ’t Martelde ’m dat ie dien jongen niet meer naar zich kon trekken, uit dien femelrommel en dat vervloekte bidden.… Maar te ver was ’t al, te diep zat ’t ’r in.… Hij kon ’m doodmaken [114]van verdriet.… zou dàt nie beter zijn voor ’t wurm?.… Dood?.… dood?.… nee, nee, dat gaf ’m toch gruwbare angst.… Nee, dan zoo maar.…

Gejaagd liep ie achterweg af, tusschen dorre hagen en kale tuinderij. Valsche zonneschijn was doorgeschuimd achter roet-blauwe wolkbouwselen. Warme blankheid kwam er kaatsen uit sneeuwgrond.

Wrong-kaal harpten takkronkels van ingekromde lage vruchtboompjes op akkers, sneeuw-bevracht bij plekken, warm-blank in oksels en holletjes. Als grimmige spotters, symbolen van wroegende ellende, stonden knotwilgen afgehakt met knuisterige knoesten te dreigen langs de Kloosterlaan, in het valsch-lichtende schittergrijs van roetwolken onder laag zonlichtstuifsel. Ingekerfd in schors en bultschonken, dreigden ze in korte, ingekrompen naaktheid tegen grauwe hemelzwaarte, als vuisten met armen, woest opgegroeid uit de aarde. En andere weer als schreeuwbekken van krokodillen, dwars vertrokken, als vergramde cyklopen, als spotreuzen tot dwergen vervloekt, in de angst-kronkels van hun afgeknotte stompen en polyp-armen, met een gebaar van helsche wilde woede en helle schater uit hun gekerfde donderende strotten. Weer andere, kromden als koppen, rompbrokken, handen, beenen, grimmige donkere spot-herkulen, verwrongen in stuipgroei, niet afkunnend van hun plaats als verdoemden, vastgeworteld aan den grond, ’t stille grauwe kloosterpad, waaromheen sneeuw-tuinderij blinkte; de woedende boomgedrochten schreeuwend om verlossing, in ontzetbren vloek, in hevige gramschap, als voorbij ging menschleven, zonder hulpe. Dan dreigden hun knuisten, hun stille afgebroken knotsarmen, hun bekken, die sperden en razernij spuwden in de winter-stilte. En verderop, rondom de vruchtboompjes, kleiner, in liervormige groeiselen van takkenleed, dùldend in verstommend stil gebaar, verdroevend in ’t rondomme sneeuw-blank van kale akkers.

Kees klepperde, grimmiger in stillen hongerwrok voort, dood voor barren winterweemoed rondom. ’t Rammelde leeger [115]weer in ’m. Er zou toch nog wel wat te vrete zijn, thuis, d’r was nog wat op den reutel te bikke.… dat most.… dat most.…

Verderop lagen tuindershuisjes, meer uit-een, dwars en recht naar straatweg gekeerd, als hadden ze in boozen luim elkaar den rug toegedraaid. Winterig-frisch en wit wasemde de sneeuwnevel blanke warmte op, tegen laag-valsche licht-lucht, in wilde doorschieting van zon, die paarshevig slagschaduwde in ’t blanke akkerschuim. De volkswijk dampte daar achteruit òp in blanke neveling, droefde niet zoo eenzaam meer, en winterknaging lag èven weg te wazen in sneeuwig zon-blauw. Door ’n zijpad, dwars over duin, liep Kees nu op Duinkijk, over zanderig weggetje, langs besneeuwde wei, licht-wijd en blankvochtig van paarse glooiïngen.

—Kaik da hai je dokter Troost, heel luid in gesprek met B’ron Tuil van Roozeboom. Wat ’n kwab, natte kip.… nie groete wou ie; pest van de streek.… had ze allegoar de grond ingeboord.…

Nog ’n paar duinige wegkrommingen en zwarte, besintelde paden, waar moddersneeuw rulde, vuil ingereën, en thuis was ie.

Vóór ’m lag al, de hooge woeste bultige grond van Duinkijk, waarlangs ’s zomers de tram reed naar zee. Zwaar-somber groenden nog besneeuwde sparrenboschjes aan voorkant van den weg waar z’n huisje stond. En aan den overkant, ’t landgoed van jonkheer van Ouwenaar, wilde duingrond, in pracht-glooiingen opbultend, zwitsersch-hoog, met woesten abeelengroei en denneboschjes, diep-groen en somberend-chaotische brokken, wègduinend tegen lààg-grauwe luchten.

Weggeduwd, op ’n vuil rullig ingereën pad, klei-modder en glimmerende kluitaarde, alsof wielslag van ploegen er doorheen gevorend had,—achter woeste pijnboschjes, tegen voet van geweldigen duinbult, stond z’n geel hutje, éénramig, met klein pastel-teergroen zolderluikje erboven. De heimwee-bergende gevel van z’n krot en overal rondom, de muren, waren uitgevocht in toover-fijne beschimmeling van vergane kleuren. [116]Doorbrand geel en doorweekte verfkalk van wanden, ompoeierde met zacht waas, dauwig ’t hutje, in groenig goud en paarsigen weerschijn. Het zwaar bemoste pannendak, droef geteisterd en verweerd, drukte laag breed, ver òver de muren heen, als ’n fijn-kleurige-kap van donzig groen, waar violette hiëroglyfen kronkelden tusschen wemeling van schuchtere mosglanzen. Vóór, op okerigen gevel, hadden de winden en vochten kleurkrinkels gemerkt, rond den kalkverkleurden gouïgen muur. Langs het breeë hooge cel-raam, tintte nieuw kleurenspel rond bronzen kozijnen, verweerd in d’r voegen, oud en teeder, broos-schoon van ingeroesten gloed. En van de voorste dakpunt slingerde in fijne golving ’n wilde wingerd, schuin-langs ’t breed-hooge raam, in dorre naaktheid verhaard.

Ant, Kees’ vrouw, stond voor deuringang van achterend, fel lichtende gestalte, tegen donkere krotholte, wat vodde-kleeren de lucht in uitkloppend, dat ’t stof ’r den mond inwoei. Toen zij Kees achterdoor ’t erf zag opkomen, was ze de woonkamer ingeloopen, vloekend en morrend in zichzelf.—Twee-meter-hoekig achterend, en ’t laagdonker woonhok, was alles wat ze hadden. ’t Was nooit zoo bar geweest. Vunzige benauwing van stank en zoetige valeriaanlucht zoog door het duistere hok. Kleine kinders kropen met half-naakte lijfjes door en over elkaar als wriemelkluit, met vuil-snotterige gezichtjes, bebakken in smeer. Blond-krullig meisje zat te drens-grienen in ’n hoekje, inwrijvend met vuil, haar armoegoor, leelijk gezichtje. In den duistersten hoek, ’t verst van ’t kale, cel-hoog ingemetseld raam, tegen den steenvochtigen muur lag in ’n hout ledekantje, bruin beschilderd, Wimpie, al drie jaar. Even boven z’n hoofd duisterde ’n plank, waarop oud verschrompeld, breukvol speelgoed neergebrokkeld uitstalde, tusschen heiligenprentjes en beeldjes. Wimpie lag te vroolijken in z’n bed, fijn-luidruchtig en tingelde met z’n beenig-magere vingertjes tegen ’n doosje op, met kleurpapier beplakt. Even nog, grauwde in verzwakten lichtschemer van raamhoek, z’n bleek kaakbeenig doodskopje op, met vale lichtveegjes op smalle ingeslonken koonen. En lachen maar deed z’n breë mond als [117]donkere spleet, en neuriën z’n stemmetje, en z’n groote groenblauwe oogen staarden rond, kàlm, overal heen, terwijl beenig hoofdje strak-machteloos liggen bleef. Dat was Kees’ Wimpie, tot ruim zes jaar, als ’n mol, zoo dik geweest, in ’n korten tijd door z’n hevige heupziekte ram-mager uitgeteerd. Wat hadden ze ’n schik in ’m gehad vroeger.… Net ’n bonk spek, zoo lollig vet als ie was.

Toen flap! in één ’n heupziekte, die ’m uitmergelde, z’n voeten en armpjes tot stokjes vrat, z’n heele rechter-dijtje wegschrompelde, vergroeien liet. Als ’n vingertop er maar tegen raakte, gilde ie. Zoo, al drie jaar lag ie in z’n donkeren vunzen krothoek te groeien, maar te vergaan meteen, werd ’t manke bedje te klein voor z’n lijf, duizelde om ’m kinderlawaai en gekrijsch. En eens had de kapelaan gezeid tot z’n moeder, zóó waar ie bij was: ’t ware te wensche, dat de Heere ’m tot zich nam, in mededooge.…

Dat had ie gehoord, bevende ervan eerst, in z’n bedje. Toen was ’t in z’n brein vastgehaakt en telkens begon ie ’r om te zingen, dat ie gauw bij den lieven-Heer zou zijn. Alleen ’snachts niet; als ie dàn wakker lag was ie ’r bang voor, wou ie niet weg van zijn vader en moeder.…

Als ze ’m niet raakten, aan z’n rechterdij, bij ’t helpen zitten, dan lag ie den heelen dag door te zingen, wist ie van geen ellende, geen jammer, geen ziekte, zag je niet schimmen z’n lijkenkopje, daarin z’n vreemd-onnatuurlijk groote oogenfonkeling uit ’t donkere bedhoekje, wist ie niet, dat z’n lichaampje lag te verteren, tegen groei in. Alleen zweette ie van bangheid, als ie de àl heviger ruzie tusschen z’n moeder, vader en grootmoeder hoorde. Dan kwam er doods-nood op z’n lijkenkopje, sjokkerde ie met de ellebogen in ’t kussen om alleen overend te komen, snikte en gilde z’n angst z’n keel uit, z’n borst. En als vrouw Rams z’n moeder aan ’t opstoken was, liederlijkheden vertelde, die Kees zou gedaan hebben, verbitterend vrouw Hassel, dan snikte ie eerst stil, wurmde zich dan op uit z’n bedje, onderdrukkend dijpijn, en gilde ie amechtig rauw naar ’t achterend: [118]

—Da lieg-gie Omoe.… da lieg-gie.… da doen foader nie.. lieg-gie.… da lieg-gie!

Snikkend, van ophou-inspanning verbleekt, schokte ie dan weer terug in bed, met ’n bons op z’n vunzig vuil peluw, bleef ie, uren er nà, staar-oogen op den muur in ’t donker, vlak voor z’n gezichtje. Dan, na ’n middag zwijgen begon ie gebedjes te prevelen, prentjes te bekijken, één voor één de kleurtjes te tellen—die opzichtelijk gloeiden in z’n duister bedhoekje—met z’n bevende afgevreten vingertjes, kwam er weer zachte neuriing in z’n keeltje, zong ie al luider, alles dooréén, met z’n mooi week kinderstemmetje, straatdeuntjes en geestelijke liedjes en heel aan ’t end, als ie zich moe voelde worden, greep ie z’n rozenkrans, zong ie iets heel innigs en vrooms, wat litanies, aan de heilige Maagd, de heilige Jozef, wees-gegroets en onze-vaders, ’t oogenblik waarop ’m inviel altijd, dat ie gauw bij onze-lieve Heer zou zijn.

Kees had op ’t erf rondgedrenteld, lang, heel lang, eer ie binnen durfde gaan. Eindelijk had ie zich in z’n reuzige schonkigheid zwaar over ’t bedje gebogen, ’n zoen op Wims’ kopje gedrukt, was toen stil in ontroering, zonder zelf goed te weten wat ’m scheelde, aan ’t raam gaan zitten. Wat mager vond ie ’m, ’n spierinkie.… maar toch, wat lachte ie.… Er was nog hoop.—

Leeg-lam en neerslachtig, bleef Kees zitten, lang, voor den naakten raamhoek, zonder hongergevoel meer, al maar neerziend in triestigheid, op sparren en barre wilgen en verren somberen modderweg, die aanliep naar Zeekijk.

De steen-rooie vloer damde in gebarsten ruitvlakken, kil onder z’n voeten, bemorst met kindervuil, nat geplas, glibberige plekken en zoeter zoog valeriaanstank door vertrek.

’n Rimpel-dor mannetje, de ouë Rams, vader van vrouw Hassel, zat vlak aan de lage, roetig-beslagen schouw, als geschoven tusschen de door-rookt betegelde muurtjes, in donkering, met bloote zwarte voeten op beugel, waaraan stomp bengelende, roetige ouë konkelpot. Uit de tuit sisten fluiterige zang-geluidjes van stoomwater, woelige gammaatjes van hoog [119]naar laag. In ’t verkort zat ie, bovenlijf ingekrompen, z’n beenen uitgestrekt, starend wezenloos naar crucifix op schoorsteenrandje, in koe-achtig kinbeweeg kauwend, als ie telkens z’n pruim van mondhoek tot mondhoek lei. ’n Vaal vuilgroen, kleploos petje, schurftte scheef op z’n voorhoofd in rafels, en zwaar ’n rooiige stropdas bobbelde om z’n hals, boven vet pilow-vest. ’n Lompige jekker, met twee vuil-koperen knoopen, uniformachtig dichtgehaakt van boven, slobberde om z’n kort lijf. Telkens roggelde ’n zware hoest, scheur-slijmerig uit z’n borst òp, kromp onder- en bovenlijf overend, vouwde ’t lichaam, zoo dat éven z’n grauw gezicht uit den duisterenden schouwhoek, in ’t schemerlicht viel; gele tronie waarop benauwing teisterde van hoest, die ’m schokte door ’t heele korpus. Dan lag Wimpie stil te loeren uit den anderen hoek, hield òp z’n neurieliedje, tot grootva weer uitgekermd had; zocht ie bangelijk naar profiel van gerimpelde oud-mannetjes-tronie in ’t diep-lage kamer-donker, perkamentig goor-geel en verwrongen,—naar ’t lijf, dat nog nakreunde, tot ’t weer in ’t verkort zat, ingedrongen, met vuile voeten tegen warmen beugel van schouw, stom-starend op donkerend crucifix.

’n Grauw-morsig geitje stond, met ’n touw aan ’n tafelpootje gebonden, blerrig-week te blaten. Kinders met aschblondige en vuur-lokkige krulkopjes, in vod-kleeren, kropen blootvoets rond ’t beestje over steenen vloer. Kindje van zes maanden, zat nog te huilen, scheef-gezakt, àl grien-heviger, met traan-snotterig gezicht, angstig voor ’t gestoei en gekruip van zusjes rondom, die vochten met ’t geitje. De schamele, laag-balkende, donkere kamer, sloeg z’n stank rondom en telkens bevuilden ’n paar kleinen den gebroken vloer, in dommelige dierlijkheid, er zelf in wroetend en plassend met hun half-naakt e lijfjes en handjes.

Tusschen ’n paar krukjes en matlooze stoelen, waarop wat ruwe planken gespijkerd, schoot plots ’n bemodderd mager kipje uit erf-achterend, onder waschtobbe rond-drentelend, ’t vertrek in, komiekte er weer fier-pedant uit. Soms stapten statig alle drie kippen van ’t erf, de breeë kamer in, pikkend in vuilen rommel van kinders en geit, als ’t klein achterdeurtje [120]openstond, en achter den erf-rommel, door ’t lichte deurgat, sneeuw-bevrachte duinbrokken, in verstarden golfslag opzwelden, reuzig, wijd alom, rond het lage, eenkamerig krot. Soms schoot vrouw Hassel in ’n vaart ’t vertrek binnen, uit achterend, als ze de kinders zag vuil doen; mepte ze nijdig op d’r vuile billetjes, rammelde ze dooreen, krijschend, waarom ze niet riepen, duwde ze op ’n tinnen pot bij de bedstee, tegenover Wimpie.

De Ouë kramphoestte weer; in doodsbenauwing bleekte z’n gezicht, even bezij beschemerd, in ’t schuwe raamlicht òp. Rochelend en scheurend schokte de hoest-kramp door zijn lijf, dat ie als stikte in slijm.—’n Paar minuten hield áán ’t rochelgeweld, zakte dan weer, kreunde ’t lijf na.… mummelde de mond, slikte de strot.…

—Spuug tog uit foader.… slik de vuilighait tog nie in.… naost je he’k ’n spuugbak.… je kraigt soo t’met nooit-nie lucht.…

Maar de ouë Rams verdomde ’t. Hij wou z’n longen niet d’r uit braken.… Want dat was allegoar long.… Inslikken deê ie ’t alles weer; dat most ie, anders ging ie dood. Z’n dochter gaf ie geen antwoord. Schuw bleef z’n mond mummelen, z’n strot slikken, donkerde z’n hoofd weer weg in den schouwhoek achter ’t raam, strekten z’n beenen zich, zat ie weer in ’t verkort gekrompen, na elke hoestbui nieuwe pruim van mondhoek naar mondhoek zuigend. Tusschen rumoer van kinderen en ouë Rams lag Wimpie, machteloos stil te spelen, droevig dat z’n vader zoo stil bij ’t raamhoek zat, zonder ’n woord te zeggen, tegen hem.

Ant mokte al een paar dagen. Ze had drie meiden op de zusterschool gestopt, falikant tegen den zin van Kees, die gevloekt en gedonderd had, dat ze naar die nesten niet heen mochten. Dan liever op de groote skool aa’s se tog skool moste.

Maar zij had treiterig, na z’n uitbarsten telkens er kalm-gerekt tusschen gesard:

—Sullie benne katteliek.… van màin g’loof, jai hep d’r niks in te brenge.… [121]

Woest-nijdig was ie in stembuldering op straat gehold, voelend zwaar z’n onmacht, zich-zelf vervloekend, dat ie zich éens door d’r mooie tronie had laten beetnemen. Had ie ’t maar nooit toegegeven. Dat verdomde wijf was sàin nou de baas.

De eenige waar ie wel es ’n woordje mee sprak,—die zich ook niet te schuw voelde om zich éven te laten aanhouen door ’n schooier als hij, was de dorpssekretaris van Duinkijk. Die had ’m ook gezeid, dat ’r niks an te doen viel; nou ie eenmaal zoo met ’r getrouwd was, moest ie maar toegeven.

Maar nooit was z’n haat tegen ’t katholiek geloof zoo hevig in ’m opgestaan, als juist van het eerste oogenblik, dat ie z’n kinders in dàt gebed en geloof zag opgroeien. Hij had eerst gedacht er geen zier om te geven, en nou, nou ie ze heel anders zag worden in hun doen, als hij, nou gloeide ie van afschuw en wrevel. Hun helste ruzie barstte los om d’r geloof.

Lusteloos in z’n hoek, gaapte ie tegen de grauwe lucht, die zwaar hing in gewelds-wolken. Van ’t hooge gordijnlooze, van boven alleen met ’n vuilen lap bespijkerd raam, zag ie neer op de kniezende wilgen, naakt en triestig in hun wintergebaar. ’t Begon weer in z’n maag te hongerweeën.

—Seg, gromde plots dof de stem, van z’n vrouw uit achterend;—seg, weê je dâ d’r t’met gein sint in huis is. Hailige Moagd! wa.… wa.… mo’k van freete?.… aa’s jai ’t moar sait.… aa’s jai ’t moar sait.… Ikke wee niks meer.… niks meer.… Hai je nou weer niks kenne finde.… Main kristis! hoe sel dà rooie.… dà rooie.…

Met ingezonken loom lijf bleef Kees ’t raam uitkijken, steunend op z’n elleboog, z’n groote hand in den mond, nagels knabbelend van stille drift, zonder woord.

—F’rek! bin ’k gein asem woart? hai je gein senie in spreke.. Nou, màin ook ’n sorg.… sien je nou moar wà’ d’r te freete is t’met. Enne dà’ skiet t’met iedere nacht hoase!.… main Kristis.… ’t stoat je gemeen! geméén de boel te f’rsuipe.… lá main mit de kinders krepeere.… Vrouw Liese van ’t pad seit ’t.… en buurvrouw Smit seit ’t.… En Teunis weut ’t.… puur de heule wairelt.… allain ikke mag toekaike.… ikke [122]en de hufters.… sou je je aige nie f’rmorsele.… Sou je de skoàpe nie lieverst f’rhange.…

In huilsnikken barstte ze los, met ’r vuile schort tegen d’oogen gedrukt. In de kamer stond ze nu. Kees had woest willen opvliegen bij de lage beschuldigingen van z’n wijf. Al vier weke had ie geen skot dààn.… Niet eens sente voor hulzen en ’n pond hagel.… Hij had ’r willen neerbonken in éen slag, maar met ’n draai, onbewust, naar Wimpie, had ie, diens groote schrikoogen uit ’t hoek-donker zien staren, angstig, en even ’t bleeke gesidder van z’n kaakjes.… Néé, inhouen, smoren maar, smoren maar, perste ’t in ’m, harder bijten op z’n nagels en stil bedrukt kwam er uit:

—Aa’s je aige soo loeders druk moakt, kraig je g’n asem.

—Moar, huilde Ant in scheurender snikken.… D’r is puur nie éen die d’r boft.… se f’rfloeke ’t.… ’t is doàn.… doàn.. doàn!! Sullie sture main allegoar weg.… jou maàn hep hullie achter s’n moue.… buurvrouw—dà’ segge hullie.… kom mi sinte.… dan stoat ’t kloar.… En Sanse van ’t pad sait.… da’ hai de heule ploats nie ken freete gaife van sain woar.… en Klaos f’rduufelt ’t ook.… Hai kraigt se nooit nie binne, sait ie.… hoe sel dá’ rooie.…

Ant was dichter op ’r man aangedrongen en snikkend in huil, zwoegde haar borst. Telkens duwde ze d’r blondgoud krulhaar nijdig uit ’r natte oogen, die rood-zwollen in ’r blank-smal gezicht. Het geit je blerde pieperig stem-week, en de kinders, die eerst verschrikt bij ’t bedje van Wimpie in den kamerschemer samengepropt dooreen wriemelden, schrei-angstig, speelden weer, na eersten uitval, al gewend aan d’r huil-moeder. Alleen de tegen den muur geplakte kleine van zes maanden, scheef ingezakt, met armpjes onder het lijf gezwikt, was stil geworden, lag half nu met dik-suffen slaapkop, te knikkebollen, tegen den vloersteen op.

Met groote tranen, zwart-biggelend langs d’r wang, stond Ant, boven Kees’ hoofd uit te staren, op droeven winterweg. En lichtend glansden haar waas-grijze oogen in het vergriende hoofd, dat het hooge raam uitkeek, boven schemer-val [123]van kamer. Mager uitgeknokeld, en schonkig lang, donkerde ’r lijf; gestriemd in zorgelijke kwaadaardigheid, strakte haar gezicht en nijdig in hoek-groeven stramden fijn-sluwe lippen. En toch, zóó, in ’r huiltronie, zaten nog aanhalige trekjes, rond ’r mooien hals, ’r wellust-weeken mond, waasde er méélij en smart-stilte in de mooi grijs-lichtende oogen. Stil blokte ze voor Kees, die zenuwachtig opstond, voelend haar dreigen, niets zei. Uit ’n mandje onder z’n stoel, gooide ie op den vloer de hongerige geit wat aardappelenschillen toe. Gretig rukte ’t beestje met dwaas-kleine vreugdesprongetjes naast zich-zelf, aan ’t touw dat door de kinders om de stoelpoot van grootvá was heengedraaid. Driftig sleurden ze ’t diertje naar zich toe, dat ’t touw sneed in z’n mager halsje; z’n bedrukt jodengezichtje benauwde, in zenuwachtige trilling van neushoeken; z’n pootjes zich schrapzetten, glibberend over de ruit-steenen en z’n stem weeker blerde.

Twee kippen drentelden weer door afgerotte erfdeur ’t vertrek in, pikkend in schillen van de geit, rondkoekeloerend komisch-verfomfooid op d’r gemak. Dadelijk lichtten drie meisjes de diertjes op en probeerden ze lachend bij den staart vast te houden, zoodat er twéé, schichtig wild over de tafel vlogen in angst, en achter de schouw opdrongen. De grootste kip, zwart-schubbig beest, met fluweelen broek aan, urkig-wijd om z’n dijen slobberend, kukkelde nijdig, vloog met schrik-zware klepper-vleugels op tafel, tusschen bak met broodmeel en wit-vuile, gebroken pannen en kopjes, waar ie statig om heen liep.—

Ouë Rams, zei niks, bromde soms iets, rochelend even, in mummelmond, zat stil-suffig in z’n broeierig, donker haard-hoekje, nou de hoest wat bedaard was, met z’n gezicht naar ’t licht gedraaid, dat vaal nog terugsloeg en omduisterde z’n mummiekop. Soms bromde ie opslobberend z’n woorden, in nattig lippengebeef:.… swaineboel.… swaineboel, spoog dan telkens sputterend-raak, bruin tabaksstraaltje tegen gloei-donkeren konkelpot, dat het siste in de kamerduistering.

Ant kookte van woede, dat Kees zoo kalm bleef. Ze had [124]veel liever, dat ie uitraasde, dan zoo als nou, zoo treiterig en tòch d’r sarrend met z’n doffe stem en vrees’lijk rooie oogen, z’n afgemeten gepraat. Ze wist wel, al had ie ’r ’t nooit gezeid, dat ie dàt om Wimpie deed.—En ze wist ook wel, dat ie dol was met Wimpie, al wou ie ’t voor niks ter wereld weten, en al voelde ie geen zier voor de anderen. Dàt juist was nog ’n macht, ’n houvast voor d’r, om ’m te krenken, om te zeggen, dat hai, hai ’t kind vermoordde; niemand anders dan hai. Om ’m te zeggen, al wist ze, dat ie ’r dol van werd, dat hai om ’t skaap niks gaf. Maar dat durfde ze nog niet er uit te braken, omdat ze sidderde voor z’n schriklijke woestheid, z’n reuzige gestalte. Toch, ’t brandde en tonglekte in ’r, de haat, de wreede, heete lust om dàt ’r nog eens uit te smijten uit te spuwen, pal in z’n smoel. Om ’m te nekken, te knauwen, hem, dien kerel, die d’r moeder behandelde als ’n vod, raasde op ’r geloof, op den Heere.… God-in-den-Hemel, hoe had se sich tog eenmaal an die vent late koppele.… nou sat se an ’m vast.… kon ze.… mocht ze niet van ’m af.…

Mokkend bedrijvigde ze weer door achterend en kamer, triest, in ’r vaal-rood, gat-doorvreten jak en vuil-zwarten onderrok. De kleine, die voorover op den steenen vloer in slaap was gevallen, had ze in stikduister kribje, nauw bakje dwars boven bedsteetje, te slapen gelegd, met de deuren potdicht.

Langzaam, in het voorbijdonkeren van zijn vrouw uit achterend, met erfdeur dicht en open, dan in licht dàn in duister, begon Kees wat los te laten.

—Morge meskien wa raize op te moake.… diepspitte is dáán.… d’r is niks t’met.… hun slòape t’met ’t waisertje rond.… se benne skuw van màin.… Juistement om daa’k stroop.… kraig ik niks g’n werk.… veur f’nacht he’k spuit leent.… aa’s sekretaris main.… aa’s hai main moar hollepe wil.… poar gulde.… he’k biggie.… nou rooit na niks.… Je mo je ’r moar weer deurgooje.… aa’s ’n goed nachie hoal.…

—Deurgooie.… deurgooie, huilde Ant weer in drift uitsnikkend, daa’s krek eenderlei proatje, ieder dag.… nou sit [125]ik self mit jonk.… Gods kristus.… nie een die d’r wa gaif!.…

—Nou, de hokkeboas hé’k sproke.… hai gaift nog wel.… vaif kop steenkole.—

—F’reet jai steenkole?.… nijdigde Ant uit achterend.

—En aers kaa’k stompies opskarrele.… ik he nog.… ’n halfe sak lait op erf.… en d’aere week mo’k blokke sage veur Teunis, dan vroag ’k t’met veurskot.…

—Vul jai je moag mi blokke.… dá’ geseur.… d’r mot nou sain, nou! nou!

Kees kookte weer, wat moest ie doen.… d’r was niks.… niks.… En als ’t iets was, stootte ze hèm nog uit.… Hij liep z’n beene lam.… Nergens was er wat, nergens.… wat kon ie meer doen.…

—Aa’s je nou es dokter Troost vroag, zei bedeesd Ant, die hep soo veul te segge hier.…

—Dokter Troost, stoof Kees op, hevig, dat ouë Rams schrikte op z’n stoel en hoestbui lichtelijk rochelend scheurde in z’n toch dichtgepersten mond, waaruit twee zware pruimstralen, door lippengeultje sisten achteréén, tegen konkelpot spattend.

—Dokter Troost,.… hou je bek waif, lá’ main die kerel nie vroage.… ik sloan sain liever se harses in mekoar, die beul, die se hier allegoar keldert—.…

Zware drift zwol ’m naar z’n hoofd en z’n oogen, in woede-nevel, hoonden van afschuw, brandden alsof er rossige lichtvonkjes uitsprankelden.

Vreemd-woest stond z’n kop nu, met de strakke mondlijnen, moordenaar-achtig hevig verwrongen, in wreeden lust naar vechten.

—Je laikt puur doas, mopperde Ant, afgebluft. Ze wist nou eenmaal, dat ie gruwelijk ’t land had aan dokter Troost, die al veertig jaar in Wiereland, Duinkijk en Zeekijk praktiseerde, en zooals hij ieder zei, met raad- en daad de tuinders ophielp. En raik aa’s tie was.… dat had se nog pas hoord van buurman! raik.… raik.… om van te duuzelen. Ze beefde voor ’m van ontzag. Maar nou was d’r toch niks [126]tegen in te brengen. Giftiger voelde ze zich worden op z’n lammen haat tegen dokter Troost.

Toch most ie hier in huis, ging ie over Wimpie en bij verlossingen mocht hij alleen an d’r lijf komme, hij alleen, al maakte ze d’r Kees mee barste van nijd.

Wimpie lag stil te snikken van angst, met z’n gezicht tegen den donkeren muur. De kruip-stoeiende kinders waren om het beschemerde ledikantje gekropen; kinder-stil en ontdaan nu, in onbewust voelen, dat vader vreeselijk kwaad was op moeder. Ant was naar ’t achterend geloopen en ouë Rams sputterde giftiger en sneller bruine straaltjes achtereen tegen sisbuik van konkelpot aan. Kees zat te mijmeren, voor het licht-schuwe raam, starend naar kniezend winterpad. Van avond kon ie niet stroopen, de maan was er weer. Te licht overal, te licht. Driemaal dit jaar had ie ’t uit nood gedaan, en ’t skeelde t’met niks of ze hadde ’m. Wat jacht dat geweest was. En wat lol, toen ze ’m de volgende week gesnapt hadden voor ’n bijpad met ’n spuit in z’n klauwe.… Dertig dage hadde ze ’m de doos ingestopt, want boete kon ie niet betale. Maar dat zitte in soo’n hok, nee nooit meer.… met z’n àlle loerde ze op hem, op hem.… Andere stroopers konden hun niet veel skele.—Aa’s se sàin moar pakte dat waa’s d’r eer, betoalde extra.

Loom was ie opgestaan om ’n stapel blokken en knubbelige stronken van ’t erf te halen en achter de schouw te smakken.

Op ’t achterpadje naar hun huisje zag ie vrouw Peters aansjokken met ’n zwenk, door modderdeurtje naar ’t achterend, op Ant af.

—Seg buurvrouw, hai j’ ook ’n droppel petreleem.… Kloas is t’r nie.… doar si ’k nou.… main kind mo’n beetje wêrme melk, de fles kaa’k nie wêrme.… is da nood f’r ’n mins.…

—Gain droppel buurvrouw, gain droppel!.…

—Nou houw d’r ’n mins se fesoen, jammerde haar stem, in angst overal rondziend met ’n steek onder water voor andere buurvrouw uit Duinkijk, die zich met d’r twee dochters, aan heel Wiereland voor geld verkocht. [127]

—Nou houw d’r ’n mins se fesoen.… wa mo je beginne.… en suipe da die verrekkeling van main doen.… nou buurvrouw, jai hep ’t ook suinegies wà?.… is je maàn d’r nie.…?

Schel kraste haar stem, jammerend toch. Uit haar vuile jak-plunje, loshangend, wasemde bleekpoeierlucht. Ant wees met ontzaggebaar naar binnen waar Kees zat. Vrouw Peters verbleekte. Voor dien duivel was ze bang, van die most ze niks hebbe.…

—Nou buurvrouw, jai hep ’t ook nie-en-ruim hee?—en haastig dobberde ze weer ’t padje af. Ant was weer ’t vertrek ingesloft, naar Kees toe, die zich te vergrienen zat, voor het droeve winterraam op ’t doodsche pad uitstarend, z’n hoofd net èven boven ’t venster.—

De wind hijgde door de sponningen en overal uit vloer en muurgaten tochtte ’t in het schemerdiep vertrek.

—Kaik nog ereis, Hassel, meskien hai je nog ’n poar sinte.…

Woedend, met dolle oogen, bloeddoorloopen ’r aanziend, dreigde Kees reuzig, onder balkenlaagte, van z’n stoel. Z’n vrouw zwabberde achteruit, angstmond vertrekkend, in oogen-schrik, vaal-bleek.

—Seg lamstroalig waif.… sou je t’met denke daa’k main kinders f’r pelsier la’ hongere?.… hai je dan gain ooge in je smoel, sien je dan nie woa’k prakkeseer.… Laileke stoppelkat.… wou je màin dondere.… sorg lieverst da je kindere nie stinke aa’s de pest.… en goan noà je klaphoedjesfebriek aa’s se skoon benne.…

Ant was geraakt in ’t hart.—

—Da binne je soàke nie.… lammeling.… da hei je niks van noodig.… let op je foar en je stinkmoer.… die in d’r broek skait.… versuip jai de sinte nie.… jai hoerige vuilik!

—Hoor die d’r is!.… slobberde Kees, niet wetend waar ie z’n drift kon insmoren langer, om Wimpie niet te pijnigen. Schreeuwend gehuil barstte uit donkere ledekantje. Wimpie hikte en snikte. Ant voelde dat Kees bang was voor Wim, [128]dat ze dus nog wat kon doorschelden, uitluchten. Ze haatte den kerel tienmaal heviger, als ie met d’r geloof begon. En driftig, in gillende stem-aanloopjes, al hooger en wilder, doorfuried van zenuwwoede, die opgepropt zat in ’r keel, begon ze weer:

—Jai en je heule femilje benne veur de hel gebore.… allegoar gevloekte, godskimpers, da seg ik.… allegoar goane jullie de hel in, f’rmetele sondoars!.… allegoar uitspoegsel!..

Kees kromp voor ’t raam van drift. Z’n reuzig lijf stond dreig-hevig, onder laag-balkende kamerduister. Ingesmoord, beef-woedde z’n stem:

—Waif!.… hou je smoel.… hou je smoel!.…

—Ik wil nie.… ik wil nie, gilde ze, als ’n razende zich naar Kees toe dringend en in dreig-wilde zenuwgreep, met vingerkromme haak-handen vóór z’n gezicht gekrampt, tartte ze ’m. Wimpie scheurde kreet-huilen uit. ’t Geitje, dat achter ouë Rams’ stoel zat, had Ant zonder te zien, getrapt, en blerrend-beverig rukte ’t aan tafel-touw, rechts en links de kamer inloopend, om los te komen. De kinders hurkten bij Wim’s bed, saamgeklonterd, in doodsnood, spraakloos. Dientje van negen en Jansje van acht, die boodschappen gedaan hadden, zoo uit school, stonden op ’t achterend te sidderen, zonder dat ze binnen durfden gaan. Ze hadden niks los weten te krijgen van den kruidenier. Alleen de hokkebaas borgde voor zes cent. Maar de bakker had gedreigd, dat ie voor ’t lest brood bakte, aa’s se niet behoorlijk d’r drie sente meebrochte.… Hij gaf geen stroopersjong te vreete had ie er grinnekend bij gezeid tot ’n meid van rijke meneer uit de plaats. En niks durfden ze nou zeggen, als ze moeder en vader zoo driftig zagen, tegen elkaar. Nog eens dreigde Kees bulderzwaar nà:

—Hou je moel waif.…

—Neenet.… neenet!.… gilde ’r helleveegstem en sterker scheurde huilen van Wimpie uit den duisteren hoek. Kees als radeloos, in grauwe drift, die hij telkens terug drong,—zag alleen maar de weenende angst-oogen van Wimpie. Maar inéén merkend, de woedelust, wreed om Ant’s mond, begreep ie, dat ze [129]voelde, dat hij uit angst voor Wimpie zweeg en d’r daarom niet in stukken sloeg.…

Plots was Jans, ’t blond-koppige kindje van acht, uit achterend, naar d’r moeder toegesprongen, en achter ’t meisje aan, als door ingeving, klodderde ’t heele vunzige kinderstoetje uit de hoekjes samen, schreilijk-goor in gaterige plunje en stank-vodjes. In hoogen angst, klemden zich ze vast aan Ant’s rokken van achter, op zij, van voren.… Maar van zich af schudde ze de wurmsteekige lijfjes, dat de bevuilde krulkopjes en hun prachtige angst-oogen, dan naar haar, dan naar Kees’ gericht, sperden van verbazing en ontdaanheid. Als jonge katjes had Ant hun in ’r vlam-furie, gekrenkten geloofs-waanzin, van zich weggesliert, zonder hun smeeksnuitjes te zien in fel-gloeienden haat opgedreven, verangst in hongerig ellende-gevoel.… Opgewekt en gebroken toch, gilde ze rouw:

—Main arremoe!.… main poere!.… daa’s gain skande!.. Onse liefe Heer hep ’t sien.… aa’s sondoar bi’k bore.… moar daa’k main va’ jou vuilik,.… jou heb afgegaive.… da bin ’k verdoemd van.… veur eeuwig.… da mist nie.… doar sel’k veur brande in ’t voagevuur!.… Main kind.… main kind.… bid om g’noade.…

Met ’n ontzettenden lichaamszwaai van uit ’t schemerraam naar het hoekduister, was ze over ’t geitje, door den kinderstapel heengewrongen en had ze zich voor ’t bedje van Wimpie in den hoek op ’r knieën gesmakt. In starre wilde opwinding beefde dof ’r stem, extatisch:

—Main kind, main kind, bid veur main sonde.… Main Vader vergeef main skulde.… In schrei-vloed was ’er stem uitgesnikt, gebroken. Er klonk berusting door ’r nahuil, deernis, en snik-wringend drong ze haar hoofd op de dekens van Wim, aan ’t voetenend. Wim was in stumperigen angstnood opgesjokkerd, in de peluw, en huilde mee, snik-zwaar, in àl prangender gekerm en droge huilsmart.

En Kees, in schriklijke ontroering en toorn, die kraterde in z’n borst, stond stil tegen ’t raam, met z’n rug naar ’t licht als ’n donkere reus in de lage balk-kamer. Sterker stroomde [130]de woedesiddering door z’n schonken. In tijdlooze bukking had ie plots ’n zwaren houtknots, van de blokkenstapel gegrepen, bij schouw, en in één sprong, woest-hevig,—dat de kinderen gierden, gilden, de ouë Rams achtereen, snel pruimstraaltjes uitspoog, tegen dikbuikigen pot, schommel-angstig op z’n stoel, zonder òp te durven—dreigde de knots boven Ant’s hoofd.

—Waif.… goan weg.… wèg van main kind.… wèg.… wèg!

Rauwe razernij schoot uit z’n stem, die scheurde en gilde tegelijk. Wou ze nou, zijn Wim, late bidde, late bidde tege sàin.… dat God t’r gena’ mos sain da’ se sain trouwd had?.… Da kind bidde.… da s’n vader ’n vuilik was, ’n skoelje.… ’n patser!.…

Neenet, dá’ kòn nie langer.… ’t was in ’m opgespote, opgegild.… Hai sou d’r neer sloan.… sloan,.… dá’ vreeselek waif.…

Maar Ant was kalm blijven lig-snikken, met ’r hoofd in de dekens, alsof daar niet boven ’r stond, die donkere dreigvent met gekke oogen, ontzettend in woede, als ’n wraakmonster uit sprookjesboek. Ant zag bijna niet op, ’t kon ’r niet schelen, wat ie deed. Maar weer hield ie den slag in, want uit ’t halfdonker, zag ie op zich turen, smeekend en hevig van schrik de stille groote oogen, van Wim, zijn Wim, die spraakloos snik-scheurend te staren lei. En even door de snik-stilte, beverig schreide z’n stemmetje zwak:

—Voàder is màin voader.… ikke.… bid.… veur voàder!.…

Sidder-ontroering en iets van wild-rauwe vreugde ging er plots door Kees. Hij had zich willen neersmakken op z’n kind, om ’t kakebeenig doodskopje tegen zich te knellen, te zoenen, en stil, beschroomd, den knuppel ergens achter zich wegmoffelend, begon ie stem-haperend wat te zèggen, met wegsmoring van tranen, als om zich te verantwoorden voor hem, dat kereltje.

—Wim.… jonge.… je voader suip nie.… hep gain [131]geld.… hai hep niks.… hai wil werreke, d’r is gain proat ván.… moar sullie wille nie.… sullie wille nie.… hai mo f’rrekke.…

En Wimpie, met beefstemmetje, huil-bibberend:

—Neenet foader, nie f’rrekke.… ikke sel bidde.… bidde.—

Snik-scheurend, viel ie half flauw van inspanning terug in z’n peluwtje.—De kindertjes begonnen weer uit hun schrik-hoekje te praten, zacht, in schuwe fluister-klankjes. Ant, die woordstameling van d’r Wimpie had gehoord,—niet wist, dat Wimpie’s smeek-kijk ’r behoed had van ’n drift-slag op ’r hoofd, zooals Wimpie niet wist, dat ie met z’n kijk z’n moeder redde en Kees nauw begreep, dat ie ’t liet uit besef voor Wim’s oogenangst,—Ant was weer in furie gevlamd. Ze voelde, dat Kees ’n demonische macht had op Wimpie, die o zooveel hield van z’n ruwen vader; dat ie haar schat, haar kind behekste. En tòch, al het goed-aardige, innig-zachte in Wimpie, voelde ze aan, als ingegrift in z’n zieltje, zag ze, als sprak z’n mond, omdat ie moest spreken, door Satan bewogen. In haar klein-dwazen maar fel-blinden geloofshaat, opgehitst door biechtvader en d’r moeder, was uitgemaakt, vast, dat Wimpie behekst werd door Kees. Daar boven uit nog zag zij, dat Wimpie worstelde tegen die beheksing. Zoo leed ze dubbel. Wat echt-innig leefde in Wimpie, voelde zij áán als vreeselijk gemartel. Trok ie Kees voor, dan zei ze in zich zelf: arme stumper nou sit de duufel weer op se lijfie, nou is ie behekst.… Nou mot ie dinge segge, die ie heelegoar nie wil segge.… wat ’n gemartel.—En zoenend zei ze ’m dan: stil moar jonge, ikke wêe wel da je’t mot zegge.… dat de duufel je weer te pakke hep.… Dan huilde Wimpie verschrikkelijk, hartverscheurend en stamelde, dat ’t niet waar was.… dat ie van voader soo veul hield.… En weer zoende Ant hem ’r dwars tegen in, opgewarmd nog door d’r moeder.… ja jonge da wee ’k wel.… seg moar da je ’t meent.… je mó’t segge.… ik weut wel.… main jongelief, main skat.… onse Heer sel je t’met wel verlosse van die duufel.… [132]

Vol van ingelepelde gebeden, vroom en kinderlijk, soms wèg in godsdienstige zielsverrukking, viel Wimpie half in zwijm, begreep ie z’n moeder niet meer, bleef ie stil zitten zonder woord. Zoo was helsch, bij elkaar komen van Kees en Ant door Wimpie, onmogelijk geworden, omdat zij wel voelde dat Kees van Wim hield, maar vast wist, Wim niet van z’n vader, dien vuilen ketter en godskimper; vast wist dat ie behekst praatte. Zoo was ze ook nu weer naar achterend gehold, nog vol haat en woede, en toch met bang meelij voor Wimpie, die nu weer niet goed begreep, wat ze wou, z’n moeder.

Dientje en Jansje zaten in ’t achterend, op ’n rot toonbankje. Met gilstem krijschte Ant naar ze toe:

—Paa’s op f’r je foar.… hai hep main en-wille f’rmoorde.. hai hep main en wille f’rmoorde.… t’met snait ie jullie allegoar an rieme.… die skafuit.… die godskimper.… die ketter.… Op ’t erf hollend, schold ze door nog, naar binnen, tegen de kinders, die van de bank gesprongen waren.

Kees zat naast Wimpie, z’n vuile reuzehand over ’t doodskopje te strijken, zoo zacht, dat ie ’t hoofdje bijna niet raakte, niks zeggend. En Wimpie, lag stil met smartgroeven om z’n breeën mond, waarom iets lachen wilde maar niet kon. En over-wijs, als van bijna dood kind, staarden z’n oogen, groot in den schemerhoek.

De ouë Rams had zich niet verroerd. Sneller alleen sisten door de stilte, pruimstraaltjes tegen gloeienden konkelpot op, en grom-zwaar, strompelde van z’n lippen:

—Swaineboel.… swaineboel.

Vroeger had ie veel kranten ingekeken, maar, oproerige kerel als Rams geweest was, hadden de geestelijken ’m verboden te lezen. Nou, op ouën dag versuft, mocht ie alleen nog doorzien roomsch advertentieblaadje uit de streek. Ouë Rams had gehoorzaamd, eerst grimmig, later al toeschietelijker, gromde ie alleen nog maar, zonder nader te zeggen wie en wat ie bedoelde: swaineboel.… swaineboel. [133]

[Inhoud]

II.

Om twaalf uur luidde in vromen galm, Engel des Heeren. Wim sloeg ’n kruisje. Met beverig schrikstemmetje nog, zette hij plots in, toch plechtig z’n toon:

—De Engel des Heere hep an minse geboodskapt.… en sai hep ontvange van de hailige geest.…

Ant was strak naar z’n bed geloopen en met ’n wenk aan de kinders zette ze mee in, zangerig-plechtig, ’n wees-gegroet, in extatische bidhouding.

Even stem-stilte, en zacht uit ’t half donkere hoekje, vibreerde Wimpie weer:

—Sien de dienstmoagde des Heere, main geskiede noar u woord.…

—Wees gegroet, dreunde weer in, Maria vol genoàde.… de Heer is mit u.…

Zacht even weer bidstilte en Wimpie weer vooruitschietend:

—En ’t woord is vleesch geworde—en ’t hep onder ons gewoond.…

—Wees gegroet, plechtigden weer in psalmdeun de kinderstemmetjes, met Ant er boven uit, schel:

—Bid f’r ons hailige moeder Gods, op da wai de belofte van Kristus woardig worde.

Alle sloegen, in ooge-dichte strakheid, ’n kruis, murmelden zacht iets nà.

Met rooie huiloogen nog, mond, stijf-nijdig dicht weer, begon Ant op klein vuil vierkante tafel, naar ’t raam geschoven, ’n paar borden, dof-bonsend van barsten, neer te rammelen. Geen woord had ze meer gezegd nà kijfpartij. Onrustig stommelde ’t steenen geluid door de gezonken ruziestilte. Door Dien en Jans was nog wat eigengemaakt brood, groenige schimmelkorstjes en vuile bonkjes deeg, bijeengesnord en tusschen smerige plasjes, op tafel uitgegooid.

De ijzeren pot met gebedelde en gekregen krieltjes was aangesjouwd van de schouw, met ’n vuil pannetje nattige rijst. Ouë [134]Rams sjokkerde z’n stoel, zonder uit zitstand te buigen, langzaam naar tafeltje, met z’n rug, haard-hitte onderscheppend.

De kinders hielpen elkaar één-voor-één op ’n oud-brok waschstelling. Dien en Jans wiebelden wippig op ’n plank, over ’n paar onttakelde stoelen gelegd. En naaktbeenig, morsig stelletje van twee, drie en vier jaar, krullebolden aschblondig, rood-sproetig, met hun gore snuitjes naast elkaar, in gulzige eetloering. Ant, op laag krukje, verzakt tegen tafelrand, keek dreigend naar de kinders, die wachtten, gulzig wachtten, opgedrongen in eng ruimtetje. Dien van negen, paste op Jans van acht; Jans op Annie van zeven. Maar Grietje van zes wilde niet, dat Annie van zeven op d’r paste. Die voelde zich te slim. Met Dien van negen moest zij de kinderzorg deelen. De kleintjes kregen ’n bonk deeg en beschimmelde korst ieder, in ’n hoopje op naakte tafel vóór zich, met wat groen-glazige krieltjes, die Ant uit de pot naar hen toerolde. Dien aan ’t hoekje, stilde stemmenruzie tusschen drie kleintjes, deelde moederlijk broodhomp, met inspanning van magere handjes afbrokkelend, wat krieltjes en gekookte aardappelschillen, gedoopt in ranzige olie. En allen ooge-gulzigden, met vertrokken mondjes, zonder aan maaltje te raken. Voor Wimpie alleen was er altijd wat extra. Voor hèm werd uitgezuinigd door Ant, maar hij at ’t minst. Dokter Troost had gezegd, dat ie vleesch, heel veel vleesch, melk en eieren moest hebben. Anders zou ie kraken. Maar koemelk kon Wim niet doorkrijgen. Toen had Kees ergens ’n klein geitje weten los te krijgen voor ’n paar centen. Dàt had ie opgefokt en ’n paar kippetjes. Nou had Wimpie ten minste altijd wàt. Van afval en wandelingen op buur-erfjes vraten de kippen; van schillen, gras en groentebrokken gulzigde ’t geitje. Dá’ gong.… dá’ gong, vredigde Kees. En als ’t erg benauwd was, toch nog altijd wat reuzel en ’n kaantje spek voor Wimpie.…

Ouë Rams begon, kromgebukt met z’n handen in de natte rijst en krieltjes te grijpen, slangde een dik straaltje olie uit oorloos grove, steenpuisterige ronde kom, er overheen. Kees schudde uit den pot z’n bord vol, perste met handeplat de aardappels [135]fijn door de bewaterde, half rauwe rijstkorrels, bezaaide de groenige krieltjespap zwart, met gemeene peper.… Want soo.… neenet.… da gong nie.… da kan nie bokkeme!.. da’ zoetige flauwe goedje.… Nou bràndde er nog wat op z’n tong. Met z’n handen grabbelde ie in z’n bord, zich haastig den mond volproppend, in afsluiting van licht-rochelende ademhaalgeluidjes. Ant was ’n paar maal weer opgestaan. Plots baste haar huilerige stem uit naar hongerige, gedresseerde kinderstoetje:

—Nie te veul d’r afbreke Dién.… d’r mó’ f’r f’noàf’nd blaive.…

Kinders schokten van schrik. Als d’r nou maar gebeden kon worden, gulzigden hun hongeroogen. Plots gaf moeder, na plechtig ’n kruisje geslagen te hebben, dat de kinders extatischstrak, in licht lipgemurmel, op hun lijfjes natrokken,—àchteruit naar bedje van Wimpie, met stroef gezicht, ’n vroom-stillen wenk, en heilig-rustig, klankte òp uit schemer-hoekje, zangerig z’n kinderstemmetje:

—Onse foader die in de hemele sait.… g’hailigt sai uufe noam.… loat toekomme U raik.… U wil geskiede op oarde aa’s in de hemel.…,—waar schel, in stemgedrang op inviel hongerend stoetje met krasgeluid van Ant er boven uit:

—Gaif ons hede ons doàgelijksch brood.… en vergaif ons onse skulde.… g’laik wai vergefe an onse skuldenoare.… Laid ons niet in bekoring.… moar verlos ons van de kwoade.. O-amen.…

—Oâmen, dreunden de kinders, vrouw Hassel en ouë Rams, en stilgevouwen, in sober gebaar, hun handen tegen borst ingehaakt, oogen dicht, met vroomstrakke gezichten, zaten allen in het schamele krotlicht tot de kleinste van twee, die gedresseerd staarde in plechtig bidhoudinkje. En zacht, innig-bedeesd, met vibratie van rust en diepe gemeendheid klankte uit ’t hoekje weer op:

—Wais gegroet Meria.., vol van genàode.… de Heer is mit u.… Gesegend sait gai boofe alle andere frouwe.… En gesegend is de vrucht uufs lichoams.… Jesus.—

Weer invielen de schelle stemmetjes, woord-duikelend snel, [136]in toom gehouden tòch en achtervolgd door langzaam-rekkende stem van Ant, die geen haast had:

—Hailige Meria.… moeder Gods.… bid f’r ons sondoare.. nou en in ’t uur van onse dood.… Oàmen!

—Oâmen, plechtigden de stemmen na. Nog eens ging stil gemurmel door het groepje, ieder voor zich uit; dàn oogjes openden zich van de jongsten, die sluwig opgluurden maar gauw ze weer dichtknepen, toen ze vrouw Hassel’s mager-fijn gezicht nog naprevelen zagen in bid-stillen ernst, met ’t schuwe donkere licht van cel-hoog raam op ’r extatisch-verzèngde trekken. Kees had slonkerend in rochelende afsnijding van luchthaaltjes z’n peper-zwarte krieltjes verorberd. Te gloeien en been-schudden zat ie van ergernis. Elken keer als ’t stemmetje van Wimpie opklankte, vergrauwde en vertrok er iets zenuw-wilds in z’n gezicht.

De kinders konden beginnen, gulzigden in, met oogen en handen. Ouë Rams zat te smakkauwen met diepe inrimpeling van z’n oud-geel gezicht, dat vellig-slap meetrok, bij iedere kauwbeweging.—Z’n blauwdiepe oogwallen hobbelden zakkerig boven z’n kauw-kaken. Kees had nog ’n restje aardappels uit den pot geschud. Van ’t bidden zei ie maar niks meer. Elken dag had ie ’r om gevochten en geschreeuwd, maar ’t gaf geen zier.… Wimpie dee ’t uit zichzelf.…—’t Was ze ingelepeld.. Hoe meer ie vloekte, hoe fijner Ant werd. Wimpie moest vóórbidden, wat vroeger nooit gebeurde. Ze had gezien, hoe ’t hem hinderde; dat deed ’r goed. Ant at bijna niet. Loom pikte ze nu en dan ’n kriel uit den pot, met ’r handen telkens ’n duw àfstootend op ’r buik als had ze ’t benauwd daar. De kinderen, die korrels napikten en tafelreten uitplukten met d’r nageltjes, ooge-gulzigden rond naar vader, die nog krieltjes slikte, tusschen ’n broodbonk door. Kees voelde ’t éven.

—Wie mô nog oàrepel?

—Je sel niks gaife, bitste Ant.… wat’r blaift is f’r morge.. se freete mi-sonder end.…

—He moe?.… eintje moar, bedelde Grietje.…

Kees woedend weer op z’n woest-nijdig wijf, rolde naar eindkant [137]van tafel ’n paar gaterige aardappeltjes. De smerige kinderhandjes grepen en wrongen tusschen pot en nattige plasjes, schreeuwend door elkaar:

—Van main.… ikke.… van.…

—Blaif d’r af.

—O! gemein.… moeder se knaipt!.… se bait!

Ant sloeg woest met d’r vuist op tafel.

—Hou je bekke skorum.… je moakt puur de klaine wakker.. Griet! sé’ jai de fles d’r is in de konkel.… moar suig d’r nie an ’t pijpie, ongeluk!.…

Griet luisterde niet. Wild stoof Ant op, kletste ’n draai om ’r ooren, rukte Annie die met d’r vuil bovenlijfje, en bebreide knuistjes over de tafel kroop, terug naar d’r zitplaats, dat de anderen waggelden op hun waschstelling en gilden van schrik. Aan ’r vingertjes had Grietje ’n paar fijngeknepen krieltjes kledderen, en gulzig, ongevoelig voor snauwen, likte en zoog ze ’r handjes af, onder oogengetril toch voor ransel-angst. Weer kletsten er draaien en bonkten er boffen tegen ruggetjes en hoofdjes, grienden ’n paar in stikkend-stillen stuiphuil, die langzaam uitbarstte in schreiend gebler. Rustiger na de rammeling was ’t geworden. Nou moest Wim nog wat slikkerbikken. Weekzacht sprak Ant ’r lieveling, ’r jongen aan, ’n beetje als klein kindje.

—Wil Wimpie nou s’n aitje? Kom, laa’k sàin nou effe op main skoot neme.… hee?

—Hee joà!.… moe.… effe moar, lachte Wim vroolijk nù hij den kring inkwam.—Zeer voorzichtig, overal door Wimpie gewaarschuwd, waar ze ’m niet mocht aanraken, schoof ze banden van z’n beentjes. Touw door ledekantgat heen geboord, waaraan zware zandzakken als vracht schommelden tegen vergroeing, knoopte ze los. Zacht beurde ze ’m op, bij voeten en ingeslonken ziekte-nekje, dat mager boven z’n hempje uitspalkte. Ingebukt liep ze, voetje voor voetje met ’m naar tafel, ’m schokloos op d’r schoot zettend. Kees, die onverschillig gekeken en nog geen stom woord tot Ant, na de ruzie gezegd had, kwam nu bij z’n vrouw staan, gluiperig bijdraaiend. [138]En terwijl de kinders om kruimels morden, muschjesachtig pikkerig en nijdig elkaar bevochten, schillen van geitje elkaar uit de handen trekkend en kijvend om bord van grootvader, die gemorst had, staaroogden Kees en Ant naar zieke Wimpie, als leefde alleen hij. Jammerlijk vaalgroen bleekte z’n kopje in ’t schuwe val-licht. Uitgemergeld, als ademend geraamtetje, wrakte broos z’n beenig, puntig zwaar hoofdje op ’t slappe nekje, als zou ’t breken bij lichtste wending; bleekten de steen-witte ooren, angstig-groot, ooren van een doodzieke, mager, uitgedroogd, stil-alleen sprekend voor heel het geteisterde kopje. Om z’n puntigen neus holden diepe oogwallen, paarsig, lijkig bleek-groen, ’t gezichtje akelig versmallend nog. Z’n vuile hansop liet z’n beentjes uitspaken, latjesplat, recht uit.

Om moeders schoot was als een kring getrokken waar binnen de kinders niet genaakten. Wim’s voetjes dwarsten verkromd en ingeduwd van liggewoonte en ’t bleeke vel zwabberde geel-plooiïg om de slappe spieren.

Uit de schouw sloeg roetdampige rook neer van takbossen, die nattig knetterden in het walm-mistige vuur. Niemand klaagde van rotstank, rook, valeriaan en ziektebenauwing, in het donkere hok. Ant liet den rommel vervuilen uit woede en uit geaardheid. ’t Kon er niks schelen of in d’r ellende de boel verrotte. Niemand zei wat. Ze was afgetobd met ’r kroost. Stank moest maar stank blijven.

Kees had, vóór dat Ant ’t Dientje kon zeggen, ’t eitje verzorgd en klaargemaakt voor Wimpie.—Op ’n boterham had ie ’t voor ’m in kleine stukjes gehapt en weer brokje aan brokje voorzichtig uit z’n mond op ’t brood geduwd. Hij was blij, dat er nog meer voor Wimpie stond, in ’t achterend. Menschen uit Wiereland, die meelij met Wimpie hadden, brachten wel ereis wat voor ’m mee. En als Kees zelf iets voor ’m klaarmaakte, had ie hoop, dat Wim nog beteren kon, al trok de dokter met den dag zuurder gezicht. Met kleine hapjes duwde Ant telkens stukjes ei in Wim’s mond, die hij traag verkauwde. Heel hoog op ’n teststoof steunden haar beenen in schoot, wijd-uit, en met inspanning nog, zocht ze ’m goed tegen ’r aan [139]te houden dat ie nergens pijn zou hebben. Soms klonk éven ’n pijnkreetje op. Schrikangstig zei ze dan iets, niet wetend waar ze ’m geraakt had. Vandaag vond Kees ’m al vreeselijk zwak uitzien. Er kwam lamte in z’n hart en benauwing, want twijfel spande weer in ’m, of ie wel ooit beter kon worden, z’n jonge, z’n eenige jonge! Wimpie was klaar met eten. De kinders klonterden weer bijeen. Heel zacht droeg Ant Wim in z’n bed, rommelde ze weer bangelijk-tastend langs z’n lijfje, de bandjes van zandzak over z’n voetjes schuivend. Plots knielden, op sein van Ant, allen weer voor de tafel, die in ’t midden geschoven was neer, en oogendicht, met handjes ineengeprangd, gezichten naar duisterend kruisbeeld op de schouw, begon zwaar van allen kant tegelijk gebed te ratelen, met rauwe kuch-stem van ouë Rams, hoestscheurend soms, en ’t schelle wilde extaze-gebed van Ant er doorheen. In het scheemrig donker knielde het bidgroepje, midden in duisterende kamer, aan alle zij omwalmd van rook, die zwart-dampig uit schouw trok. Wimpie alleen bad in z’n bedje, met rozekransje schuifelend door z’n magere handjes, ’n extra tientje, de twaalf artikelen des geloofs,—en zacht dreunde door de stilte, onze-vaders en wees-gegroets, z’n plechtig stemmetje:

—Ik g’loof in God.… d’almachtige voàder.… skepper van hemel en oarde.… en in Jesus Kristus.… s’n eenige soon.…

Kees kende die dolle vertooning, zooals ie schold, was machteloos ’t erf opgehold. Voor Wimpie wou ie niet heelemaal laten zien hoe gloeiend ’t land ie had, hoe vreemd en miserabel mal hij zich in z’n eigen gezin voelde.

Eens toen Wim nog gezond leek, had ie hem woest, in drift, gezegd, dat ’t uit most sijn, maar toen had ’t kind zoo gesnikt dat ’t in drie uren niet tot bedaren te brengen was; had hij liggen zoenen ’t kruisje, dat om z’n halsje, op z’n bloote lijfje hing. Nou zei ie niets meer, ook niet tegen d’anderen. Daar stond ie nou, op ’t erfje, in de kou, zich suf te staren naar den modderig besneeuwden rommel, naar de ingesneeuwde assen en wielen van ’n brok geradbraakte handkar.—In verlegenheid [140]schopte ie ’n bezem tegen de put, sloeg ie de deur van ’t pleehok nijdig dicht.

Toen ie, huiverig van guurte ’n kwartier op ’t erf rondgescharreld had, wel dacht, dat ’t bidden nou gedaan zou zijn, kwam ie weer in. Dadelijk bitste z’n vrouw ’m toe, dat ze morgen de wasch had bij Henkels in Wiereland.

—Dan he’k de wasch op de ploas.… aa’s jai nou moàr hier en-blaif bai sain.…

Driftig-stram draaide de hoestende ouë Rams zich plots weer naar de schouw, de geit in touwkronkels om z’n stoelpoot meesleurend. Met z’n stompige, afgesleten voeten zocht ie buik van konkelpot, ging pruimpje van mondhoek tot mondhoek, en spatte ie z’n sisstraaltjes weer door de stilte heen. Kees had wat gegromd.

—Murge mo’k meskien noa bosch.… raize loàje.… d’r is gister een van de ponder donderd.… half dood.… nou mo’k feur sain.…

—Meskien!.… meskien!.… huildrensde Ant’s stem, en plots in ’n schreeuw opspringend greep ze rood-sproetige Mietje van twee, die op den grond zat vuil te doen, bij den arm. ’t Kind spartelde in ’r hand, en zwaar ranselde ze ’t meisje in drift-rammeling.

—Jou varke.… mo je nou hier skaite.… ka je nie vroàge.. beesteboel.… woar sit je.… Dien!?.… f’r wa holp je da merakel nie op de pot.… hier pak an!.… furt jai!.…—En toen weer in een tot Kees—nou, ikke mo main wasch bereddere.…

—En je moeder dan, ken die nie blaife, meskien is d’r feur main wa.…

—Koue larie, da seg ikke.… hai je t’met ’n afsproakie mit ’n lel.… Kees smoorde weer. ’t Taai dóórtartende kijfheete van z’n vrouw kende ie.…

De kinders zaten weer te spelen, met hun bloote lijfjes en flodderige rokjes op steen-killen vloer. Plots toen ze hoorden, éven, dat vader en moeder tegelijk wegwouen, kregen ze ’t doodelijk benauwd. Want dan moest grootmoe Rams op ze passen, ’n [141]heks voor ieder, die hen sloeg, gromde in haar halve blindheid.—Vandaag was ’t feest voor hen, nou grootmoe d’r uit was, naar den polder, bij d’r ouwere dochter. En nou kwam dàt, midden in. Wel wisten ze, dat moeder op Donderdag ’n wasch had in den polder, maar dan bleef Dientje van school en vader altijd thuis. Nou Woensdag ook.—Wimpie was geschrokken. Als vrouw Rams d’r dochter opjoeg en vuilligheidjes vertelde van Kees, schreeuwde Wimpie dat ze loog. Daarop wreekte ze zich als ze alleen in huis regeerde. Als d’r lui bij waren, kon ze vrindelijk zijn, poezig-lief tegen Wim. Maar dat was hevige huichel, dat voelde hij zelf heel diep. Ze had gloeienden hekel aan ’m, omdat ie van z’n vader hield.

Toch vertelde Wimpie nooit wat van d’r geniepigheid als zij alleen thuis de baas was. In z’n ziekelijk lijfje zat vroom, innig-simpel zieltje en diep onwetend was ie van al die vroomheid en innigheid. Soms vertelden de kinders Ant wel eens, dat Wimpie zoo gegild en gehuild had. Dan in onrust, niet begrijpend, vroeg Ant hem, maar Wim schudde z’n bleek kopje voelde zich héél sterk, wou vergeven, nu ie toch gehoord had van den kapelaan, dat ie gauw bij den Heere zou zijn. Vreemd lachte in droeve, zalige trekjes, z’n mond breeër, rimpelde z’n doodskopje, leek ie ouer in z’n kijk dan ’t groote mensch dat ’m ondervroeg, liefhad. Maar toch had ie angst voor zoo’n dag met grootmoe alleen, om de pijn en ’t gesar. Ant had doorgekeven op Kees’ vraag:

—Main moeder?.… gun je ’r nie daa’s ’n poar uur te freete hep in de polder.…

—Gunne?.… f’r main blaift s’r veur de eefighait.…

—Joa, jai ken d’r aa’sem nie ruike.… moar soo meroakel.…

—Hou je nou moar koest.… ik blaif bij kinders.… je moer sel ’k nie roepe.…

Ant was blij, maar wou niks laten merken.… Driftig riep ze Dien en Jans van ’t erf, die juist met touwtjes, aan ’t kalefateren waren, hun doorbeten modderzware mansschoenen, uit vullesbakken opgediept, voor en achter verbaggerd in gaten, [142]rooig van kleur, wijdmannig slobberend om teer-kleine meisjesvoetjes.

—Hei skorum.… kom jullie.… goan jai stookie soeke.… furt.… d’r is vast niks meer.… murge.… furt!.… kwak de vullesbakke òm-end.… moar paa’s op in de Waik da’ de pelisie je nie sien.… En jai Jans.… àn de bel.… la je nie wègsture.… pakt an wat t’r te kraige kompt.

De twee kinders luisterden met koppige drift in d’r gezichtjes van verzet. Maar ze durfden niks zeggen. Dien had nou al twee ochtenden achtereen den heelen polderweg afgeslenterd, doodop, en gegrabbeld op de stinkaschbelt naar uitgebrande kokes, naar rotte beentjes, houtstompies; had paardevuil langs het pad bijeengeschoffeld op klein gebrekkig wagentje. Maar niks naar zin van Ant.… ’t Kind had gegriend, dat ze naar school wou, maar Ant had ’r woedend gemept.… en ’r gevraagd waar ze dan van freete moste en dat ze tog gain klompe an d’r poote vond.…—En Jansje zocht al de heele week hout in bosch, onder den sneeuwmodder uit, loerde ook op stookies. Met ’r gebarsten blauw-kleumrige winterhandjes, knakte ze in jachtige onrust, takken van de padstruiken, bang voor tuinders en veldwachters, die lol hadden in ’t snappen van bedelvolk. En alles in ’n grooten zak stoppend, sjouwde ze op ’r mager kinderruggetje zware houtvrachten, in regen en windguurte, die onder ’r vodrokjes op ’r bloote lijf striemde. Dien droeg tenminste nog ’n jongensbroekie onder ’r stinkende vaal-rooie rokje.… maar Jans had nog niks. Nou mosten ze ’r weer op uit, in die nattigheid. Ze vloekten, harde vloekjes van haat en wrevel, tegen elkaar, die ze gehoord hadden, nauw verstonden, maar opluchtten toch hun verkropte woede. Want ze haatten, met afgetobde hongerlijfjes, zwerftochten in den winter, hoe lekker ze die ’s zomers ook vonden, dàn rondstoeiden op zonneplekken en gras, onder den bedel door. [143]

[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

Kees was met ’n nijdigen deurslag ’t pad opgegaan. Rammelen van flauwigheid voelde ie zich nog, en als ie dacht aan wat vleesch, liep ’m ’t water over de tanden. Toch, de lucht deed ’m goed. Alle weeren joegen en sloegen om z’n karkas, die er steviger tegen hardde. Z’n armoe had ’m sober gemaakt en gezond bleef ie, sterk, door zuivere lucht, ruimte, duingeur van zomers en al z’n grondwerk. Alleen z’n kinders niet; zwakkelijk geslacht, bang en zenuwachtig. Dat had ie nou sien bij veul tuinders, allegoar bijna beverige sukkels, mit hoofdpain, angst, slecht sloape.… da was nooit soo in sain tait.

De oogenglans van Wim, dat hij thuisblijven zou morgen had ie niet gezien, in woede nog om z’n kijfwijf en schoonmoeder.

Van god-verlaten, in oneindige eenzaamheid, lag de sombere weg naar zee, in groezeligen sneeuwmiddag, zwaar van grauwte. Vroeg-decemberend vaalde stilte-schemer over lage akkers, waartegen heuvelige duinbulten paarsig en grauwig in verte vernevelden. Nou was ’t al te laat voor ’m om nog ruigte te zoeken. Waar nou heen? Nattige mistigheid en guurte zoog tusschen z’n kleeren en huid.… Wacht, aa’s tie effe bai Klaos Grint gong. Meskien had die nog wat boompies te moake.… Verduufeld, datie selfers nog gain luis had om wa tieme te koope.… Op den reutel kreeg ie niks.… Wat skoremzoodje toch tegen sàin.… Die lamme Kloas, die gluupert!

Zwaar loomde z’n gang langs ’t sneeuwmodderpad. Telkens tuurden z’n oogen even op de grauwe wijdte van akkers en paarse duinnevels. Rustig toch voelde ie zich in de eeuwig-geheime stilte die er trilde en sloop boven ’t verre middagland. [144]Vóór ’t huisje van Grint bleef ie staan, trapte ie even tegen de deur. Gouïg lichtschuim glansreepte langs kozijnen, achter rood gordijntje, en stil, in schem’rige middag-donkering, lag daar ’n sneeuw-bevracht huisje, blank-stil, op ’t duinpad geduwd met z’n bloedend raamrood, fèl-glanzend tegen ’t wit. Dadelijk achter z’n huis had Klaas Grint àl z’n grond, z’n bessen, frambozen- en aardbeienakkers ’t meest. Grint was de knapste en sluwste tuinder-kleinpachter uit de buurt, ’s Winters, zes maanden dóór, zat ie in z’n huiskamer met vier dochters en ’n zoon, aardbei-mandjes te vlechten, uitzuigend en afbeulend z’n kinderen, om te sparen, te spàren. Vrouw Grint maakte Kees open, lachte.

—Kaik?.… daa’s Kees!.… Piet is t’r ook, en je neef Hassel van de Kuil.…

Al de niet-katholieke vrouwen uit de streek hielden van Kees om z’n reuzig lijf, z’n guitige grijze oogen. Kees bromde wat, recht uit ’t gangetje doorloopend naar ’t hok, waar gewerkt werd. Vier meisjes hurkten op den grond, naast elkaar, met ruggen tegen den muur gestut, beenen dàn rechtuit, dan opgetrokken. Dwars over hen, aan kortere muurzij hurkte Klaas Grint, de tuinderpachter; en bijna op de kachel gedrongen, met z’n beenen tegen z’n vader aan, zat Jan, zoon van Grint, lange bleuïge kerel van achttien. Lui-hangerig stond Piet, naast hurkende Geertje Grint, mooie donkere tuindersmeid met prachtige gloeiende bruine oogen, vol lichtrumoer. Als ze uit ’r bukwerk naar ’m òpkeek, sterden ’r uit ’r appels rooie vonkjes, aanhalig en stoei-levendig. Achter Piet weggeduwd in benauwing, stond Jan Hassel, zoon van Dirk Hassel, Gerrits broer, tusschen wie al twintig jaar hevige vijandschap broeide. De neven kenden elkaar bijna niet. Toch werkten ze zomers soms akker aan akker, in duin op Wiereland en loerden ze op dezelfde mooie meiden van Grint. Het vlechthok van Klaas was voor alle soort bloemkweekersknechten, tuinders en losse werkers ’n inloop ’s winters, ’n honk waar de kachel brandde, en allicht ’n kop heete leut te slobberen viel.—

Kees, reuzig boven allen uit, was stil in den hurkenden werkkring [145]gestapt, zacht groetend, met z’n hoofd de bakzoldering net rakend. ’n Klein groen glaslampje hing aan ’n spijker tegen bruin-vuil beschot, boven den kop van Klaas, rood-fel beschijnend, lankaster gordijntje van achterraampje, zwak-naar groezellicht neerschemerend over den grond en laagzittend werkgroepje in ’t hok. Spraakloos bij Kees’ komst zaten ze in arbeid verbukt te vlechten, elk afgevlochten mandje in ’n hoek kwakkend, tot groezelbruinen hoop bijéén. Telkens verbukten ze even van beschot àf, naar kachelkant, greep-grabbelend in de vooruit klaargemaakte bodems, die met hun uitpriemende, dun slingerige teenen-enden, als groote donkere spinnen over den grond dooréénwriemelden, in het zuinige lampjes-licht. De kachel pafte zwaar-gloeiend in ’t lage hokje en Jan Grint, die broeiing in z’n rug opving, zat telkens te blazen en zweet met z’n mouw vol houtsplinters, in z’n gezicht te strijken. In het bruindoffe schijnsel van muur, donkerden de gezichten, nekgebukt, naar den grond, òver de mandjes heen en in wilde bewegelijkheid dàn duisterden weg, dàn lichtten òp vlechtende handenparen, de buigzame teenen verschakelend tot mandjes.

Van ’t achter-end uit stem-vroolijkte vrouw Grint naar Kees.

—Drink je nog Kees, ’n bakkie leut? D’r is d’r nog van ’t grondje.…

—Dankkie.

—Leut? lachte schamper Klaas Grint,—gaif sain de fles.. verdomd Kees, aa’s ’k je nooit nog mi stuk in je kroag sien en-hep.… en nou segge alderlei, da je suipt aa’s ’n spons.…, wa heppe sullie d’r an.… da moakt moar swart.… wâ ken hoarlui bokkeme.… verdomd!—

Kees antwoordde niet, haalde schimpig z’n schouders op. Hij wist wel, dat Grint ’t zelf vertelde, die skorem, en aa’s ie ’t meende, vond ie ’t nog lammer, want hij had ’t land door zoo’n beroerling beschermd te worden. Gesprek wou niet vlotten. Piet Hassel stond stil en Jan Hassel de neef, was bij Kees’ inkomen nog bescheidener in z’n achterafje teruggetrokken. De meisjes keken maar òp naar Kees, den langen [146]Kees, den gevaarlijken Strooper, met z’n guitige oogen en z’n stillen loer op hun handen. Dat was nou Kees, over wien ze altijd den mond vol hadden, Kees met z’n streken!—Achter dun hokjesbeschot bonsde dreunwrijf op waschplank van de meid, in schuimtobben. En klagelijk huilde ’r stem ’n smertelijk liedje, zoeterig-sentimenteel, plechtig zangsleepend door werkgroepje:

A.. àn ’t be e.. edje fan d’r krà-à-à-’n-ke liefelinggg..

Si.. i.. t moe-der neer, in sti.. il.. ge.. waieen..

—Jessis poà, wa ken die maid seure, lachte kwaad mooie Geert, daa’s nou puur ieder Dinsdag krek soo.… an de tobbe.

—Is dat nou seure? klapte Trijn, vurige jongensmeid, ’t is prêchtig.… mô je moar wachte.… tweede komplot.… aa’s God d’r kind loat stèrrèfe.… en sai ken d’r in ’t klooster goan.… prêchtig! En ’t Treurelied van de jongelingg.… ses komplotte.… aàs hai se’n maisie f’rmoord uit jeloersighait.. en van de Skeepsjonge!.…

—Nou, ik wou moar da se d’r snoàter hield, driftte Jan Grint, is me da.… da singe!.… daa’s griene!.… da gemeine kreng!.… die hep nou twee hufters.… en d’r gelant is d’r van deur.… Teun de kweeker.… en nou singt sai in d’r eeuwighait van d’r liefelinge, die se t’met thuis lam ranselt.…

Piet voelde ook weer zeglust:

—Nou, jullie benne ook soo got-vergete stommetje.… segge jullie d’r is wat.… gong tug gain paop f’rbij.… seg erais wá’, jai Trien, jai Geert, lach d’rais.… effetjes!.…

—Stil d’r ’s;.… hoor nou d’r ’s.… zei met gespannen luistergezicht Trijntje in armgebaar Piet tegenhoudend.

Nog nimmer f’r.. i.. in d’ laik ’t so.. on licht ske.. een..

Gebukt goan se onder smart en sorrege!

Dreun-dof bonsde langs richels van waschborden rhytmisch [147]’t goed-gewrijf, en klagelijk huilde d’r weemoeds-stem dóór, gedempt achter beschot uitklinkend. Dat was te veel voor Piet. Zwaar opdonderend tegen ’t huilig gezang, in stem-davering, barstte ie uit, met beenporren tegen Geert en Cor:

—Bommelebom, bommelebom.. làange Jaàn mit skeele Piet!.… mottige Toon en laànge Griet.… Alle goane wai op rais.… Jào, mi selfers de dikke Gais.… En elleke jonge hep ’n maid.… bommelebom.… bommelebom!

Met voetdreun trapte ie maat en Jan opwindend er tegen in, onder stuipgelach van meisjes die met hun hoofden naar elkaar toe-neigden.

—Deesie.… Deeeesie!.…

’k Wait daa’t êe blom in main hart ontbloei.. i.. it!

Deeeessie!!.… Deeee.… esie!!.…

—F’rjenne, jullie werke nie.… och Piet sing sooveul aa’s je lust hep.… moar la’ hoarlie d’r gangetje.… hee?.…, schreeuwde Klaas rood-driftig boven gezang uit. Niet zien kon ie, dat met ’t mirakelsche lachen, d’rlui handen stilstonden.

—Nou poà.… u is t’r ook een!.… bitste kwaadaardig Geert, nou magge wai nie lache.…

—Wel neenet, da mist nie.… lach sooveul jullie wille.… moar d’r mó’ werkt-en worde.

Ontstemde stilte viel in en ’t meid-geluid vlak achter beschot, treurde weer nà in het scheemrige werkhokje, met beverige lijfschokken van wrijfbonzen, tusschen ’r zangstooten.

—Gehail allain.… moe.. et.. ik hier dwoale.…

Ik vi.… ind main minnoar ni.. i.. immer weer.…

Joa langsaom sa.… al.. mai.. in laife kwai.. aine.

Piet kleurde van ergernis.… dat was verduuveld weer ’n ander lied.… die maid zat nou puur vol akeligheden, en ratelvaartend er tegen in, dreunde z’n zangerige stem met café-chantantkomiek-timbre. [148]

—Op hede.… in de groote kemedie.… Mikke hou je vàst an de slip van main hemd.… treurespel mi ketelmesiek en melaische trombom.… neutemaide aa’s swafelstokkies.—Doàmes mi klompe.… toegang ses sint.… heere f’r naige..—sel speult worde.… Te-e-e filis Skeersalf.… of.… manke Metrain mo’ je geloofe.…

De meisjes gierden, koppen bijeen in donkering, met de stijf-uitpriemende teenen van hun half gevlochten mandjes elkaar beprikkend. Nou lachte Klaas zelf mee. Hij kon zich niet meer inhouen, maar woest was ie toch op Piet, dat ie z’n meiden zoo inpalmde.… dat gaf niks goed.… niks goeds.…

—Nou furt an ’t werk, joeg ie weer op, dat de meisjes hun lachen inpersten maar telkens weer in licht gegichel uitproestten, aanhalend de anderen, onder nieuw geratel van Piet’s lolletjes, die op één dreun bleef gekkigheidjes zeggen.

Kees bekeek met grimmigheid Klaas, die werkte als hing er z’n leven van af. Wat kon ie die arme maide toch beule.… was da nou werk veur maide.… Hai kon ommers best ’n poar kerels doar sette.… Stinksuinige vrouw.… s’n jonge die d’r hielp en in ’t land somers nog al s’n kooters plukte.… en hai niks.… niks.…

—Is da nou maidewerk Kloas, je mos je aige skame, is da nou hullie werk?

’t Was er uit bij Kees, draaide al lang in ’m rond. Klaas was woedend, hij begreep niet waar de kerel zich mee bemoeide. Jaloesie most ’t sain, dat ie ’t sain nie lie doen.

—Seg Kees, stem-goeiïgde gemaakt Klaas,—je ben d’r ’n bofenste beste.… moar ik seg moar.… da binne main soake.. jai hep je eige saoke.… dà binne maine.…

Stroef was t’r uitgevenijnd, en bleekig trilden z’n neusvleugels van stille drift.

—Nou ’t is puur skande.… kaik se sweete.… d’r ruggetjes breke t’met.… die hep ’r hand weer op d’r sai, en dìe steunt aa’s ’n big.… d’r is t’met niemand in de ploats waor maide werke.…

—Soo?.… nou koopman.… dan kaik ie mi je neus.… [149]vroeger nie!.… daa’s gelaik.… moar op hede huis an huis.. Doar hejje dochter van Piet Beugel, de maide van Molenaar, van Deuter, van Renke.… de maide van.… van.… van nou noem d’r self m’r is wa’ op.… die werke t’met veul langerst aa’s sullie.…

—Daa’s net, lachte Geert, moar die kraige feur ieder tientje ’n sint.… en wai.… wai.

—Da hep d’r niks van, niks van, schreeuwde Klaas onthutst, met één hand nog uitgespreid door het vinger-langzaam optellen van tuindersnamen, waar meisjes aan huis vlochten.

—Hee, d’r af daor, d’r àf!.… schreeuwde Trijn, tegen twee jochies, die uit school binnen gestormd waren en in lawaai stonden te wiebelen op de mandjes en teenen-bossen.

—D’r af, schreeuwde Klaas, wi jelui deur main goed snerte.. benne jullie heule gaor daàs.…

—Wàrrimpies! Wàrrimpies’ blies Jan Grint, vlak op de kachel geduwd, met ’n akelig benauwd gezicht, zoo komiek toch, dat ze lachten, allen.

—Je hep ’n kop aa’s ’n skarretje da nie lache ken.… lolde Piet.…

—Wa mo je.… goan noà je snoeptoàfel.… laileke koàketoe!.…—

—Komp dan d’r is hier langerst.. lolde Piet terug, met ’n zinlijk oogknikje naar z’n zus, mooie Geert.

—Hoor!.… nou hep se ’t op d’r heupe, lachte Geert, met ’r vinger op d’r mond om te stilte-sussen, luisterend naar waschmeid, die jolig stem-tierde nù;.…

—O! doch je ferempel dat maines was bai d’r.… o ho! koopman,.… kom bai de huur terecht.… se kraigt puur d’r kinders in ’t joar.…

—Seg, mi fesoen Jaa’n berispte Klaas streng, die zelf ’n gemeen nieuwtje had willen vertellen, maar niet durfde, en ’t nou deftig maar gooide op ’t fatsoen.…

Kees voelde zich weer gloeien. Hai, hài wist, wat ’n merakel-monster Klaas weest was, in Amsterdam, toen ze voor jàren hèr samen gevent hadde doar.… hoe se doar same de beest [150]uithonge;.… weest ware, van d’ eene meid na d’ andere.… steeg in steeg uit.… en nou most Jan se snuut houë.

—Of ’t maines is, vroeg Trijn, se hep ’r vraier tog moar blind mit fit’r’jool gooit, bai de Gasperlaon,.… vlak bai bolleskuur van Neelis.

—Hep sài da daan?.… is sai dá’? vroeg Piet onthutst.…, nou ken ik d’r fraier ook.… pàl in se lampies hep se sain raokt.… dan hep se ook vier jaor sête.… hai is stekeblind!.…

—Daa’s net, bromde Klaas, se hadde d’r motte vieredeele, dá’ varke.

—Nou, driftte Geert uit, moar hai hep ’r late sitte mi twee kinders.… en alle maide ware sain.… nooit hep ie se hande thuis houe kenne.… nie Annie? nie Cor? en naige skaïve f’rdiende ie.… en nooit niks kreeg ze.… ik had t’met ook dààn.

—Wa jài.… jai hou je bek!.… jai muurvarke.… wa jài.… hep ’t hart en la’ ’t so waid komme.… jai.…

—Nou speul d’r moar nie soo òp.… ik bin tog va main aige.…

—Hou je bek, woedde Klaas, d’r wort je niks-en vroàgt.…

—Nou, tog is ’t woar, snibbigde Geert na, blij dat ze tegenstribbelen kon.

—Nou Kees, wai kraige ook pirsinte van Poa, lachte Annie, om weer ’n beetje goeiïgen toon te krijgen in ’t gesprek.

—Pirsinte? angstigde vragend Klaas,—nee kind, da mo’ je ’m nie lappe.… dan skie ’k in.… sullie kraige t’met tien sint veur de honderd.…

—t’Jonge.… t’jonge.… daa’s main ’n klodder.… daa’s gul.… en jai moàkt anderhalf sint p’r mandje, scherpte Kees.

—Soo?.… enne main tieme?.… kwartje per bossie.… de leertieme dèrtig.…

—t’Jonge.… sarde Kees door, meroàkel.… moar sullie moake de heule keet!.…

—Dà’ wee’k soo net nie!.… dá’ wee’k so net nie, ik moak oore en boompies, de swoarste karrewei t’met.…

Onder veel rumoer werd Jo, jongste meisje van Klaas, goud-blondige [151]krullebol, zoo uit school, met ’r kort-geknipt groote-vrouwenmanteltje nog om, uit vlechtend kringetje gerold. De jongens trokken ’r aan de reuzige paarlmoer knoopen, door de mandstapeltjes en teenbossen heen.

—F’rdomme goan jullie achter.… jullie hep hier niks.… schreeuwde Klaas ’n teen-end om zich heen zwiepend uit nerveuze heetigheid.

—Aauw! pijnde Geert, kaik toch uit, main neus raok je.…

—La se dan d’r biese pakke.. ongelukke bin kwoàje kanse,.. ’t is d’r hier krek om te stikke poe, poe!! trap ze d’r uit waif.. waif!! wá’ sit je.… trap se op stroat.—

De jochies en ’t uit de werkgroep weggerolde meisje, riepen mee, om ’t hardst, of ’t alleen vrouw Grint gold.

—Moeder.… moe-der!.… Voader roept.… Poa roept!..

—Aa’s da’ kriel van skool komp, vloekte nijdig Klaas, hep je hullie binne de mikke.… Waor sit moeder nou?.… is die weer bai vrouw Doalwiek?

Er was broeiing in ’t hokje. De meisjes stutten hun ruggen met handen, onder pijnuitroepen van vermoeienis. Klaas wou ’r niet naar hooren. Hij stikte van werkbenauwing. ’t Zweet glom vettig op z’n gezicht.… Moar d’r most iets overheen gepraat worden.

—Seg Kees, hai jai ’t ooit so sout gete?.… main waif hep malle sel’dremente meroakelsoàke t’met!.… Die hep puur de duufel in d’r sielement.… Se la soo maor ’n toafel dànse.… van d’r eige self’rs.… aas se d’r an goàt sitte.… se hep se allegoar snik moakt!.… laik t’r één van ’t gekruist ras.… en bang da s’is van d’r eige ’s nachts.…

—Nou poà, nou moakt u d’r óók wa van.… mokte mooie Geert, goochelvlug nieuwe teenen in ’r aarbei-mandje stekend en vervlechtend.—Haar blank gezichtje donkerde telkens weg in buk. Soms éven,—als ze op keek naar Kees en lachte, lachte, aanhalig tegen hem, met fijne grimassen en trekjes om d’r mond, doezelde er lichtschemer òver, bukte ’t weer weg, dat haardos van achterhoofd en nekblank alleen nog te zien bleef. [152]

—O Kristus, wa’ si’k hard, zuchtte Cor zwaar, m’n stuit breekt t’met.… Neenet Kees.… poa moakt ’r ’n slòa’tje van.… se saie da moeder an ’t spirretirrem is.… da’ sai d’r senie van hep.… sien-ie?

—Hou je mond jai muurpeek, wee jai ’t weer beterder?!

—Wel neenet.…, snibbigde ze geraakt, u weet ’r ommers ook niks van.… En u is t’r bang veur aa’s de dood.… Nie Jaàn? nie An? nie Geert?.… is poa nou nie.… nou freeslik.. bang?.…

En met stem-zangerige stijging ging ze door naar Kees en Piet kijkend, met groote angstig-geloovige oogen.…

—Moeder het spooke sien.… weet je.… spooke die je nìe sièn ken.…

—Seg, is t’r nou uit mit die lamme poppekasterij.… schaterde Piet, mo jullie main of main jassie!.…

—Nou, da seg ikke nou ook.… t’met moakt se hullie alle-goar daas, snauwde Klaas, blij dat Piet ’m bijviel.… ze benne veur de half hier al tuureluursch.… Spooke!.… spooke! geloof d’r gain bal van.… Aa’s sai die heule keet nie fierkant tuureluursch moak hiet ik gain Kloas meer.… Ik sien d’r gain hail in.…—Gaif main die boompies effe an Jaan?.… en jai Kees wà jai?—

Kees begreep Klaas’ kwaadaardigheid. Zoo terloops had ie van Ant gehoord, dat vrouw Grint al ’n paar maanden behekst was.… da se mit de duufel en de boose geest vocht. Nou wist Kees, waarom Klaas zoo nijdigde, maar wat ie zeggen moest wist ie niet. Hij kon d’r nooit niks uitkrijgen. Zoo als ie daar stond, tegen het beschot, beenen over elkaar, vond ie ’t alleen duizelig-lekker warm, en loerde ie op ’t lieve snoetje van Geert. Als ze opkeek, lachte ie in ’r mooie lampies, waar uit telkens dat rood gevonk opspatte.—Wat ’n kiekers.… wa lekkere maid.… Dol was ie op da jonge goedje!—

Maar Piet, z’n broer had de begeerige stilheid van Kees gemerkt, z’n loeren naar Geert, waar ook hij dol op was en Jan Hassel, de neef, die als ’n stille schaduw schuwen bleef in z’n donker hoekje.—Piet kon Kees wel ’n mestvork in z’n pens [153]steken.… Wat had ie nou mit die maid te lache!.… hai had tog se waif.… wou die Geert nou veur sain neus wegkape.… die skooier. En sai, sai lacht f’rjenne ook! die peek. Maar Klaas keek naar ’m òp, van den grond, uitstrooiend z’n nieuwtjes.

—Hai jullie hoort Piet, van die oarstitek uit de Beekstroàt, op de ploas, da’ hullie sain heppe pàk.… de p’lisie.… dat ie stoapel tuureluurs is.… se saie da’ tie puur van oàdel mo weuse.… Nou wou die veertig huisies sette op één meter, hier an de weg.… noas de sekerterie.…

—Daa’s hai nie poà.… je hep ’t mis.… daa’s sain broer uit Hoarlem.…

—Vast nie.… vast nie, schreeuwde Klaas, woedend dat al z’n halve nieuwtjes vermorseld werden door z’n kinders.—

—Vast wel, hield Jan, stug-kalm vol, even met z’n handen plat op den grond zich uit z’n zit ophijschend van vermoeienis.—

—Jesus, main rug brant van pain, klaagde Geert, met ’r kin op ’r borst gedrukt, snel doorvlechtend om toch geen verwijt van Klaas te hooren wijl ze klaagde.

—Nou ikke seg.…, daa’k g’laik hep Jaàn, se heppe sàin pàkt. S’n vrouw en sullie allegoar ’n noakende boel.. S’n broer hep ook op de ploats woont.… moar daa’s hài nie.… nou, die is mi tachtig duuzend gulde d’r van deur goàn van de inlegf’briek. en hai woont.… hai.. sai ’k moar segge.… tussche dronke Frans, de blomkweeker en.… en.… tussche Jaffer.… die weeduuw.… woar netaoris Verstrooke ’t mee weut.…

’n Poos viel werkstilte in, tusschen golving van donkere handparen, die snel voortwriemelden in ’t schemerlicht. Uit het triestende werkgroepje wasemde hette òp, puf-benauwend. De hoofden bukten weg in duister en schaduwing, en telkens greep één uit den kring naar drinkketel, de tuit bezuigend in lipgesmak, met ’n zuchtadem als ’t klaar was, ’m neerbonzend op den vloer. ’t Korselde in Klaas nà, lust om nog wat nieuwigheidjes van de plaats te vertellen. Dat was hartstocht van Wierelanders en Duinkijkers om alles over de tong te halen, elk gezin, te martelen stil geniepig, te lasteren, met schampere [154]glimlachjes, klein-vunzige haatjes. Hartstocht van Klaas om ieders leven omver te halen, er in te grabbelen, grabbelen, als ’n bedelaar in vuilnisbak.… En dan van ònder òp moest ie de boel hebben, er uitzwabberend alles wat afgunst kon knauwen, nijd kon slikken. Dat konkelende grimas, dat heete verlangen om te bekladden, te knauwen, leefde zoo hevig in Klaas, dat ie geen uur ’r zonder kon zijn, of hij voelde zich leeg, onrustig. Als ie niets wist dàn maar aan ’t verminken van nieuwtjes, die ie zelf gehoord had. Zelfs zou ie ze peperen als d’r niet genoeg brandends aan zat. En dan, rondgaand ’t praatje als ’n vuurtje, ’t wéér hooren, verminkt, erger altijd, uit andere monden; dat wàs z’n lust, z’n leven. Dat rondgaan van meid tot jongen, al maller, gemeener. En allemaal onder mekaar zoo, in Wiereland en Duinkijk, waarheidjes rondgerold en omgekonkeld in lasterpraat. Zoo ieder gekruisigd, beplozen, gehangen of vastgepriemd aan ’t spit van hun haastige babbelzucht, geroosterd op ’t vuur van hun schroeiend venijn, verlustigend de luisteraars en kijkers in ’t spatspel, ’t vet dat afdroop van hun lijven. Zoo roosterend, de lucht vol gebrand vleesch en dan smulpapend ieder met gulzige kaakhappen aan het lastermaal. Zoo zat Klaas, als ergste konkeltype met barstend lijf vol venijn en kleine stekelige haatjes, afkammerijtjes en verdachtmaking, stedeke-klein konkelend in eunuke onmachtjes; zat ie gezwollen van kleine afgunst, kleine indringerijtjes. Kanibaalsch vreugdegekrijsch klonk er om het braadspit van een vastgepriemde; makabere marteldans, tegen ’t ellende-gejank en gesnik van ’t gestoken slachtoffer.… Maar bij elkaar-gesapt venijn kwam te luchten, afgunst te gloeien. En overal rauw gescheur van vleeschbrokken en bloedgevloei rondom, en lekkende lastertongen, die opzogen het rood-warme vocht.… De volgende week zag ie zichzelf aan ’t spit opgepriemd en vermarteld door anderen. Da’ wist Klaas, moar toch nooit dood, altijd levend bestaantje van laster en stedeke-afgunst bleef ’t. O, Klaas zat vol nog.

—Nou Kees, wa seg jai nou van die hailige Markus in ’t Duin, drie keer te kerk per dag.… die faine! Verduuveld, lachte [155]ie stemrochelend, nou heppe de maide hier sain gisteroafend op loer sien.… twai volle ure en nou gong de hailige.… en d’ appeteker.… en meneer Loskruit en hai van de Kooseweg, mit d’r viere.… achter mekoar gonge sullie binne.… dat benne nou heule Perlutte.… Se dochte aa’s da wullie in donker ni sien heppe.… moar.… moar wullie binne pienter weust.

—O jee joà.… lachte Geert, in zenuw-haast voortvlechtend, afvegend met ’r mouw zweet op ’r neus en donkere wang.—Eerst gong de lange Loskruit. Om half naige.… nie! en toen de àppeteker.… en de klaine hailige achteran teuge tien ure.… nou,.… die hep se ook moar achter s’n mouw hee?.…

—En, drong Klaas op, hittig, en d’rlui moeder stong an de deur, die hep wacht houe motte.… sakrejenne.… en hai schutterde op pad hain en weer.… hain en weer.. wa sloeries hee?

Vet van konkelhitte rauwde z’n stem; er zat heete lol in z’n mond en z’n pruimpje sopte vies-bruin door z’n rotte tanden heen.

—Wa sou ’t, driftigde Kees, hee jullie daar nou skik van.… wa sou ’t.… Joap mag weete wa jullie nog t’met doen.… loa se goan.… benne jullie soake nie.—

—Nou seg, faine merreke, schimpte Klaas, moeder en dochter te g’laik.… ànlegge met wie d’r wul.… da benne kattelieke.… loope de kerk plat.… de kerel suipt s’n aige dood..

—F’rek, wa hep jai dan weest veur ’n meneer.…, laileke smuugert, barstte Kees los, zwaar z’n lichaam uit beenkromming opveerend, dat wild z’n dreigschaduw op het zwak-belichte hok-beschotje donkerde;—benne hullie in de ploas soo fain.… bai jou femilje.… bai jou.… se legge tog allegoar in de loan.… wa poer je nou van de aêre.

—Stuif jai mer nie soo.…, talm-treiterde Klaas.… wa segge se dan van jullie Guurt, daa’s nou je bloedaige sus.…

Jan Grint, op den grond, beefde.… Z’n bleek groenige kop zag in schrik òp naar z’n vader in ’t licht. Ze wisten allemaal op de plaats, dat ie dol was op Guurt, dat ze elkaar van jeugd [156]af kenden, maar dat Guurt ’m afgewezen had. Toch bleef ie op ’r loeren, bevend van jaloezie, ruw met stik-zwoele ziel van gloei-hartstocht. Z’n vader gaf d’r niks om. Juist zei ie, wat ie gehoord had, dan wist Jan waar ie zich an houen most.

—Nou vertelle hullie overal t’met toen se lest noa buite gong da sai, sel’k moar segge.… da sai, drie moande ’n luchie hep motte skeppe.… en da sai skoon thuis komme is.…

—Veur main mag se veur eeuwig weg.… moar jullie hep sain achter de mouw, zei Kees straf, onverschillig voor wat ze zeien van Guurt.

—En jai hep altait duufel in,—treiterde Klaas, met onverwachte zwenking, gesprek op stroopen draaiend, in langzamen kuch, z’n mes door’n teen-end snijend dat afbrak bij invlechting,—altait aas ik seg.… sel’k moar segge.… dà je dieft.… sel’k moar segge fierkant.… Aa’s jai stroopt.… dief je.…

—Ik dief nie, daa’s puur vuil.… jai vuile.… ik stroop, daa’k freete mo!.… mo ’k f’rrekke van honger?.… da wou je wel sien hee?.… Jai gluupert … ja!.. jai! jài hep freete!.. Jai bloedhond hee? je hep kinders hee?.… jai.… jai jai snurkert.… hun mosse je beuke.… jai bloedhond.… jai.… jai, jai!

Klaas werd bang. Oogen van Kees driftten dol. Hij stik-stemde van woede.… De vloeken stotterden en taterden in gift van z’n lippen. Er zat wilde jeuking in z’n handen en z’n voeten stonden klaar om den vent in mekaar te trappen.… Die laffe lammeling, die de groote meneere.… likke moar.…

—Jài, dreunde ie voort, jài mo’t heppe van je gluupstreke.. de dokter hee?.… de notaris hee?.… dioàke hee?.… die likkie.… laileke sloddervos.… vuile bunsum.… kaik da.. dá’ goan je gladjanus!

Rumoer-zwaar had Kees spogstraal op den vloer gefluimd en woedend wreef één zware modderlaars over den knarsenden zandgrond.—

De meisjes zaten verstomd, dieper ingebukt, met d’r gezichten op de borst in snelle golving van handen-paren, stil-zwaar-geploeter. [157]Alleen Piet keek Kees aan, wetend, dat ’t ’r voor Klaas leelijk ging uitzien als ie ’m nog meer prikkelde. Hij wist hoe Kees woedde op ieder die ’m voor dief schold, omdat ie stroopte. Klaas voelde ’t zelf ook al. Hij was ril-bang voor Kees’ reuze-knuisten. Die kon wel ’n moord doen, die vent, zei de heele ploats en tot an zee zeie ze ’t dat ie d’r al ’n poar op s’n geweten had. Kruiperig wou ie iets vergoelijken; doodsbang nou dat ie te ver was gegaan.

—Nee, lui bin je nie, da mo’k je noagaife.… moar da je niks.… nooit niks omhande hep.… so heulegoar niks.… da gaon main boofe main pet.

—Daa’s net, aa’s ik liege en diefe wou aa’s jai, haa’k neuit honger.… moar jai.… jai, jai bin ’n bloedhond.… de groote meneere likke veur ’n poar roe minder pacht, hee?

Klaas schoof onrustig heen en weer op den grond, brak in angst telkens nieuwe teenen.… Nou was ie nie van de vent af te krijgen. En Piet zei ook moar niks. Jan Grint, van angstige verlegenheid, pompte in den vuilen gloei-doffen kachel-muil nog wat blokken. De meisjeskopjes bukten dieper, zwaarder donkerden hun haarhoofd en nek; stiller schoven handen in grabbel onder de gespleten teenen. Het gordijntje, hoog-rood beglansd, kaatste licht af, droomerig over de werkhoofden in wazigen schijn, stille sfeer die zacht-innig te glanzen lei tusschen lijf-donkering der werkmenschen, omplengd van zweverige plekjes roodgoud hier en daar.

Plots leek Kees bedaard. Ruw hakkend z’n woorden vroeg ie:

—Kort en goed, hai je tweehonderd boompies te moake kwartje ’t uur?.…

Kloas durfde niet weigeren. Miskien kreeg ie anders nog op z’n test, moar ’n kwartje per uur was te veul.… en tog kon ie nie alleen de boompies moake.

—Twintig sint, stem-schuchterde Klaas, want afdingen moèst ie. Er wrokte weer drift in Kees, trilling in de beenen om dat gierige brok mensch in mekaar te trappen, maar hij smoorde ’t, dacht aan thuis, àan z’n eigen krepeeren. Al de heule week had d’r bijna gain freete weest,.… ’t moakte ’m zoo [158]wild, zoo brandend, zoo woest van binnen aa’s tie z’n Wimpie sag ligge doàr.

—F’rrek moàr, twintig sint.… in drie uur benne se d’r,.. langerst ke’k tog nie uithouë.

Dâ vat ’k, lachte Klaas, die wist wat ’n hellewerk ’t was, drie uur mandboompies maken; blij dat ie d’r voor ’n koopje af kwam.—

Elk lach-antwoordje, venijnigend op dunne lippen van Klaas, deed heviger drift in Kees grommen. Diep, diep, kraterde ingehouen vechtlust, traplust, dat hij met z’n stomme poote nou die rotte boompies mos goàn moàke. En ’t bedonderde dat hai ’t ook niet langer dan drie uur op z’n hoogst kon uithouen.

Dat was, in dat brand-benauwde hokkie ’n karwei om te vloeke van senuwighait.… Met de teenen, weerbarstig onder z’n voeten, uren achtereen, diep gebukt, dat ’t bloed ’m naar de strot lekte, dat ’t zweet ’m langs z’n nek en ooren afdroop.… draaien, draaien, invlechten, poef!.… d’r uit duwen verspringerig teenengoedje.… poef!.… d’r invlechtend; en zonder ophouên, dat ie duizelde, duizelde, alles voor z’n oogen begon te donkeren, en benauwingsvlagen door z’n kop vlamden, z’n beenen waggelen gingen, zwaar, loodzwaar, tot ie d’r bij omsmakte. Maar tenminste had ie nou ’n paar kwartjes.

—Hai je twai in f’rskot, vroeg ie bedremmeld ’n beetje, zonder Klaas aan te zien.

—Ka je ’t mi één nie af?

—Te duufel, gromde ’t in Kees, wá’ skavuit.… f’ruit d’r mee.… ’k mo’ freete.…

Onverschillig, vaag voelend waarom ’t zwaar in ’m gromde, was Kees modderpad weer langs gesjokt naar huis. Om zeven uur zou ie van avond al in z’n nest kruipe. Sloape, sloàpe,.… dat was lekker. Dan merkte ie niet van knaagwee in s’n bast, verdrong ie z’n beroerdigheid.… Stroope gong nie.… om elf uur was licht.… geen stuk hagel van z’n aige. Noar s’n nest was ’t beste.… dan kon ie weer twee nachte uithoue.…

Kilheid donkerde op ’t duinpad naar huis. In dreig-schimmig gezwijg, tusschen fijn grauw van struiken en wilgen, somberde [159]voor ’m uit, ’t stervensdroeve avondland. De nacht kwam zwart-vleugelend aandonkeren over veldenwijdte, omduisterend lage hut-huisjes in droeve eenzaamheid. Voor raampjes en geveltjes hier, geveltjes daar, grauwde droomerig waas van schemer, de muurtjes verdonkerend, smartelijk half uitgedoezeld tegen luchtlaagte. Het ruitjes-licht verdofte, als stierf plechtig binnen-in, hutjesleven van gebroken ruit-oogenlicht, in droeven staar, naar den duin-winter àlom. De stille, diepe ruischende stilte, verwelfde in ’t schemergrauw van akkers, duin-verre glooiing van heuvelen. Nog tuinders in duister stonden heien af te steken, of te spitten in valen schemerkring, donker aard-brok niet meer ziend bijna, onder duister beweeg van gereedschap.

—Genoafend, klonk ’t wijd-eenzaam in ruimte-grauw, als Kees langs stille werkers aan padrand heentrok en terug galmde ’t plechtig: genoàfend.

Lager kwam duistere woelige windwolkenlucht hangen op schemeraarde en somber ingeplant, naakt, wrongen boven z’n hoofd de boomen, in zijlanen voor ’m uit; afgestorven alleenheid weer, die daar te sluipen en te heimweeën kroop in de doodschheid van winterpaden.—Naar huis, bromde ie, noàr je nest.… sloàpe.… sloàpe.… en aa’s se waif t’met begon, d’r harses insloan, puur, in één, dat tie d’r kwait was, kàn sain nie bomme, wâ t’met d’r beurde.… [160]

[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

Ouë Gerrit had vier houtkoopen gedaan. Vroeg in wintergrauw van land en lucht waren Piet en Dirk erop uitgestapt. De sneeuw in Wiereland was half weggemodderd en overal in Duinkijk, waar geen bestrating lag, poelde slijkgrond, doorploegd met sporen van boerenwagens. Ze liepen naast elkaar. Dirk op klompen en Piet met z’n hooge kappen, woest heenbrijend door de slijkpoelen. Zwaar-grauw hing ochtenddamp nog boven de akkers en nauw-woeliger werd de weg naar Beekerbosch, twee uur achter Wiereland, met z’n wilden boom-groei en struiken, verwaasd in ochtendmist. Polderkleiïg diep, zakte de modderweg af naar het bosch, dwars door smalle paadjes, met woesten struikgroei; paadjes, wild verkronkeld en verwoeld in halven wielslag van wagens. Soms in één, uit boompoortig-nauwe laantjes, opende de weg, lagen groen-vale wei-brokken en brons-zware teenenvelden tusschen stronkige struik-glooiingen en duin-woeste bergjes, àchter schering afgelijst. De jongens wisten, waar de koop lag. Nummer dertien moesten ze hebben. Piet vond het ’n ongelukskoop, dertien, hij wou er eerst niet aan. Tegen negen uur, toen de ochtenddamp wat weggeneveld was, stonden ze stil voor hun werk, ’n groote plek jong hout, dat omgehakt stronkte. Twee uur hadden ze net van huis gestapt in slijkgrond. Even keken ze stáár in de boscheenzaamheid. Overal rondom lag gehakt hout en de stompjes van esschen, oranjig-rood, waar leefsap nog uitvochtte, besprenkelde roestig en wild, als met spatten, dooie ontzetting van takgrauwheid en stronkige knubbeling der jonge boomen, in stuipige groeikramp neergeveld. Piet [161]had al ’n hap gedaan uit z’n stukkenzak voor ie begon, want nou was het voor de kerels ook te ver om eten te halen.

Van alle kanten klonk dof gehak achter de dichte struiken van nog niet omgehaalde plekken; gerucht van tuinders die al begonnen waren. In klaar-scherpe guurte joeg de wind door het kreupel en lager droefde hemelgrauw op bronsgrond, waar mager-lange boompjes van hun stam neergehakt stuipten, door elkaar; smart-stomme stammetjes, in takwarring bijeen gekronkeld als in doodstrijd.

Hun jekkers gooiden ze uit, de kerels. Het zou straks genog zweeten zijn in kiel. Zwijgend pakte Dirk aan. Tegenover hem, bewerkte Piet ’n hoek, hakkend, bonkend, knappend om gauw werkhitte in z’n lijf te voelen kruipen. Dirk, geweldig werkbeest, stond weer stram in zwijging, flitsend met z’n smal ijl-scherp hak-mes de lucht in, als ie uit afgevlijmde knoesten, voor ’m liggend, ’n stam buk-moeilijk had losgewerkt onder in-elkaar gehaakte takkronkels;—met één hand, onbewust gracielijk, in stil-machtig gebaar den stam in hoogte hief; dan, met oogenmijmer, éven de lucht in mat, loerend, hoe uit wilden stronk, in drie hevige kappen, de stevigste rijs te hakken viel. Telkens zoo greep ie, in buk, nieuwe stammen en stammetjes, cyklopig ze boven z’n hoofd wentelend, als knotsen. Eerst, van elken boom, hoog boven ’m uit geheven, sloeg ie af dik onder-end, met ’n paar geweldige hakhouwen, dat er siddering door z’n arm en bovenlijf ging, en dan kets!.… flits.… kets.. flits,.. slag op slag keilden weg, dor-dooie zijtakken. Vlug, in éven mijmerende oogenberekening, tegen de zware lucht oploerend, kwam stil spel van overleg en gewoonte, fladderden takjes in kringen, als splintervogels om z’n kop rond, de ruimte in. Met stroef zwikkenden hakslag slingerde ie op zij, wat diende voor takkenbos, te klein was voor rijzengoed. Soms, bij te zwaren boomstronk, drukte ie onderdeel van den stam tegen z’n knie, hakte ’t hevig, met vier, vijf slagen van rijsvorm af, dat het zweet van z’n kop gutste, z’n oogen in z’n hoofd trilden. De zware onderhelft, onbruikbaar voor rijzen, smeet ie in lichte slingering bij opstapeling van wiels, en dan vlug-zeker, roefde en [162]flitste z’n hakmes weer tegen bovenste stam-end, dat snel z’n rijsvorm kreeg, onder z’n cirkelend weggezwaai en zwikloos geoefend weggekap van dooien takkenhang.—Zoo bleef Dirk, als stille reus in eenzaamheid, werkhitte uitwasemend, uren op uren z’n stammen de lucht inheffend, alle gehakte rijzen neerslingerend op groenige leer-teenen die voor elken rijzenbos al klaarlag in ’n knoop. Piet bond juist ’n stapel in, op den grond, luchtig zweef-wippend op de takkerige stammetjes, éénknieig inpersend, in kniewip de rijzen, met de groenige teenen in lus getrokken, snoerend den rommel tot zware bossen bijeen. Telkens als ’n bundel klaar was sjouwde Piet of Dirk ’m naar den weg, achter elkaar tot rijzenhok. Langs het pad schokkerden telkens boerekarren, be-ponderd met rijzenvracht, hooiwagenhoog, in waggelkadans, diep doorploegend wielslag van andere tuinderskarren die al beladen werden.

In grijs-neveligen mist en wind-guurte waarde de middag áán door het bosch, waar overal doffer nu, hakgerucht echode, ver en vereenzamend. Aan overkant van het pad, waar Dirk en Piet rijzen hakten laadde Limmer. Twee paarden stonden er triest te lijf-dampen voor donker vergroende boerenkar, omwasemend stil, in suffen staar, d’r droef-lange koppen. Hun slijmerige, schuim-kwijlende bekken, kieuwig week, besabbelden knabbelend d’r kille gebitten.—Beender-knokelig rekten hun platte ruggen, verdeukt van afbeuling en trekken, en hun schoftenskeletten, in droeve vergrauwing van hun bevlekt vuil-wit vel, stonden omtriest van winterlucht en bronzig struikgewas alom. Langs het zijpad, dreven lanen in licht-zilveren mist, verdiept beboomd in dampig ijl-grijs en fijn ademend achter noenlicht-sluiers, maar droef, droef van stommen weemoed. Als een klagelijk fluitgeluidje in een éven-zwevend triool door de lucht gestreept, zangden soms òp winterstemmetjes van vogeltjes. En rauw er doorheen, met zwarte onheilspellende opfladdering, kraste kraaienwanhoop door de stille lage lucht. Soms, uit verschuivenden nevel, tintten òp dof-gouïge elzestruiken, roerloos in dooien bladerdos, trieste nasier van herfst-brand, die het bosch doorschroeid had. Even [163]in rijtjes, tintten hun kleurig-doffe kransen door het zilveren damptoongrijs. Uit één hoek van lage struiken, in perspektief van breeën jachtlaan, wasemde teer-tonig, ijl-zilveren mist-schemer, als zichzelf verlichtend, zacht en droomerig achter stam-donkering ver-violettend. En de mosgronden, zwaar nog van sneeuw, stronkten vuil bezaaid met takkenstammen, ontheiligd en klomp-zwaar besmet met groven zwartigen voetdruk, doorgroefd van dikke modderwielen.

Ouë Gerrit was komen kijken en stond weer, handen in zakken, vreemd-zwijgend, naar Dirk te loeren. Tusschen wild gehak en rondsplinterend houtgevlieg, was leuk-kalm een roodborstje gesprongen en achter dit dierke nog één. Onschuw en rustig-vrij, met hun oranjig dons borstje, pootjes-fijn, huppelden ze tusschen den vuilen houtrommel in, tjilpten ze elkaar wat toe, bleef één koel-wijs rondgluren op een stomp-punt van stronk, de andere, lichtelijk als veertje neergezweefd, op takknoest van klaarliggende rijs, zacht pieperen. En schuwloos oogden ze rond, niet bang voor Dirk, die zwaren jongen boom weer had geheven de lucht in, met geweldige houwen rondom splinterde, dood getak. Als kleursobere kolibrietjes, duimklein, tjilpten en huppelden ze dóór aan de voeten van den hakkenden werkreus, rustig ademend achter hun donsrood borstje, kleintjes-lief, zwellend in d’r klein leventje, mollig van hun hollandsch-grauw veervrachtje omkoesterd.

Dirk werkte weer met stijgende heftigheid, al voelde ie z’n handen en polsen zwaar pijnvol en gebroken z’n armen van het hoog-heffen en de-lucht-inhakken. Maar z’n werkklauwen, zwart-groen bemost en bemodderd van het hout, bleven grijpen in de stapels, stilzeker elken stam, éen na éen, met z’n knoest-armen uit takkenwar rukkend, dat het knapte, afschudde, sneeuw en zandmodder. Dan snel, suizelde en flitste weer in het mistige noenlicht, z’n blinkend hakmes dof in takkenspartel.

Overal om de beenen van zwoegers, om de klauwen van beesten en karwielen kwam opwasemen, sterker uit den grond, grijzig mistwaas, en als schemerige hallen stonden de diepe [164]zwijglanen rondom de akkers, volgerookt van zilveren damp, suizend, zwevend licht. En verder af, bleeker takkenviolet, samengedruild onder angst-grauw van boschlucht. Schuchter daarin, vager geruchtval van doffe hakken, gescheur en geknap van taksplintering.

Dirk had weer ’n rijzenbos vol. Voorzichtig lei ie nog wat kleine tusschenstekertjes apart, wrong te korte uit den stapel, met z’n knie veerend op het zwiephout, de zoo maar los op elkaar gegooide rijzen inknellend met z’n leer-teenen alsnoerender, tot z’n gezicht zwol van hevigheid. Dan vasthoudend het teenen-end knoopte ie de ingeslonken bossen met krachtige lusrukken bijeen, en sjouwde den zwaren stapel veerig-licht bij den weg, naar het hok.

Ouë Gerrit kon niet langer kijken,.… die Dirk, die temet gain stom woord sai, al stong je de heule doag bij sain.—

—Hai jullie t’met al hoord dà Swart s’n aige ophange hep?

—Wá’ Swart.… van de Tonne of s’n broer van ’t Slangetje?.… vroeg Piet verbaasd, vlak bij Dirk hakkend.

—F’rek, zei Dirk, met ontstelden oogenkijk èven.—

—Nee, nie s’n broer! Boàrend, hoho! de lollige Boarend, zei bedaard de Ouë.

—Daa’s main ’n bakkie, lachte Piet zenuwachtig, z’n zweetgezicht met ’n stuk van z’n kiel afplakkend.

Dirk had even z’n hakmes in ’n stronk neergeflitst van esch-stomp, waar het vast-trillend bleef staan in het rooiige vleesch. Stil en ontsteld uit te kijken stonden de kerels en onder hun modderklauwen, zwartig, kwam opgrauwen grondmist, hun beenen verdonkerend in grauw waas. Er lag stugge stilte tusschen de mannen; ieder giste de ramp wel ’n beetje.

—Dat hep ie soo lapt in eene, zei Dirk, triestig-droog.

Het was toch jaren en jaren een makker van ’m weest en nou kwam er iets van ontroering, ’n wild gevoel in ’m opproppen naar de keel, al kon t’m niet veel schelen.

—Wee jai Ouë f’r wat ie ’m smeert hep?.…. vroeg Piet weer.

—Ho.. ho.… se saie t’met van di en f’n dá’.… fiere en faive en nie genog.… moar.… moar.… het faine kom je nie [165]an de weut.… De heule ploas is er vol en-van.… f’rduuf’ld, ’t waa’s ’n bestige kerel, saa’k moar segge.…

—Nou, moar wa’ see se daàn.…

—Nou, saa’k moar segge …, schuchterde Gerrit, ’n beetje stem-angstig, de dokter het weut.… se saie dat ie ’n hoandje los geld had hep.… van netoàris.… en skulde.… t’met twee honderd golde an dokter.… die hep sain nie in bus hewwe wille.… en hai, hai hep nie betoale kenne.… nou hep dokter hiepeteekie lait.… bai die fent van de feurskotbank.… enne.… had Swart lamme grond, lamme oogst, veul bedurrefe, nou hat ie puur niks meer.… en dokter hep draigt, dat aast-ie nie betoale kwamme.… se boeltje op stroat stong.… nou en soo is t’um noar sain kop sloage.…

Op het pad donkerden kerels in het mistvage voorbij, rug-gebukt, onder vrachten van hout en gereedschap.

—Hai Platneus, seg!.… hé jai wâ hoort van Swart.… hep s’n aige van murrege ophange hee?

—Ophange? nasaalde dwergelijke Bolk, staanblijvend achter het donkere groepje werkers, dat geheim-vaag voor ’m uitging in mistdamp, en stil wegdonkerde weer. Ophange? joa.… moar da’s nie lukt, s’n frou hep touw afsneeë.… nou is t’ie gek, puur doas.… hai ’s noar gekkehuis transpereerd.… Ieder hep ie wille staike mit messe; die had d’r ’n mooie Kerst!.… Nou roep-pie moar.. jou boef, hé jai main ongelukkig moakt.… main en main kinders.… Hai je m’n stukkie land onder m’n poote wegstole.… En dan skreeuwt ie van hiepeteekie, hiepeteekie!.… en wild dattie is.… mit gain vaif kerels te houê t’met.

Bolk stond donker-vergrauwd, omslopen van noen-mist, zwaar schouergekromd, met dikke wiels op z’n rug, zakmessen en spaden tegen z’n linkerzij gedrukt. Koel-dof nasaalden z’n woorden van het pad naar de werkers, die luisterden in spanning. Bolk, spraakzaam, blij, dat ie wat takkebosjes te maken had, ging door.

—Ik hep sain best konne, bestige kerel, nou is t’ie gek van [166]betoalinge.… Seg maanne, hep jullie effe ’n slok, ik stik temet van dorst, bedelde Bolk.

Ouë Gerrit en Piet grepen tegelijk naar de kruik onder ’n paar stammen en gulzig klokte Bolk het water in.

—Niet te veul, genog jài.… d’r is hier niks.… je mô puur drie kwartier loope, aa’s je wa’ suipe hoale wil.

Gretig trok Piet, Bolk den kruik van z’n mond, die nog doorzoog, niet los kon laten en met handrug, zuchtend van slikgulzigheid, z’n apigen mond afdroogde, dat de barstruitjes in z’n vel samentrokken. Dirk stond weer met z’n groen-modderige handen, stam-stronken onder het hakhout uit te rukken, flitste z’n ijl-scherp hakmes in snerpende wonding van getak. Zacht-vèrre hakgeruchten doften zwaarder òp uit den mistdamp, die al grauwiger om de zwoeglijven heenvloeide, vernevelend gestalten. En stiller triestte het bosch in z’n mist-grauw, zwaarder zonk weg het violette gebrons van hakhout en struiken, in demp-stille scheemring.

Zóó, vijf dagen, bleef één sneeuw-duister en mist, zilvergrauwen en ochtend-verdoffen ’t middag-bosch, en dóór hakten in zwijging daarin de werkers, elken dag één arbeid, zelf gróót, geweldig in hun eenzaamheid.

Dirk en Piet hadden nog maar weinig te hakken. Aan overkant van pad was Limmer een week vroeger dan zij al aan ’t opladen. Krelis Limmer stond met zwaar-ingedrongen lichaam, uit rijzenhok achterste stapels naar den weg te sjouwen. Er was wat bleek zonlicht door ’t zilvergrauwe noenlicht geglansd. Nu en dan stonden de groote boschlanen in zachte gloedlooze branding. Winterstrak en diep violet-blauwig vloeide sneeuwschaduwing over boschgrond.

De voerman van Limmer stond in z’n boerenkar, Krelis op het pad. Het achterkrat had voerman Heelis van den wagen weggeschoven, klaar om de rijzen op te vangen. Woest greep Limmer rijzenbos na rijzenbos òp en smeet ze met geweld in den karbuik, overlangs, vlak voor den voerman, die ze schikte en paste onder z’n voeten en bij elken wilden inworp van Krelis, [167]hooger op de stapels kwam te staan. Limmer sjouwde telkens zware bossen van het rijshout naar de kar, roodkoppig gezwollen, de geweldige vrachten in zangerige hupla’s opheffend boven z’n macht, naar Heelis, die gauw pakte en ordelijker dichtgooide den karbuik.

—De duufel ken hullie temet niet tille, zuchtte voerman Heelis, magere geel-bleeke vent.—Wa’ swoare rakkers.… t’met vaiftig kilo’s de bos.… wel.… Wa saa’k stikke aa’s ’k se sóó swoar in main poote had hep.

Limmer, ingedrongen herkuul, lachte. Aa’s hai s’n raise bond, kwamme d’r looie bosse van. Da’ wist ie heul goed. Had ie lol van. Heelis stond te sputteren en te glibberen op het vochtig-natte rijzenhout bij elken bos dien Limmer op achterkrat nu hooger opwierp.

In zwaren arm-houw, z’n twee handen bij onderste van rijzen, hief Krelis telkens de vrachten op, tegen achterkrat aangeleund en wat tellen er mee staanblijvend, tot langzaam, Heelis ze van boven pakte, van uit z’n glibberige hoogte opsleepte, hijg-moeilijk ze dwarsdraaide, in puf-warmte van gezicht, ze dan met ’n smak op het hout liet vallen, al hooger opstapelend. Bij elken nieuwen aansjouw van Limmer, al dikker bossen, klaag-kermde en zwoegde in zweetbenauwing en zuchten voerman op de kar, die, veel zwakker dan Limmer, vloekte dat Krelis ze zoo dik gebonden had. Sterk omkneld kwam Krelis nieuwe vrachten aansjokken, lachend negeerend zweet-afgebeul van den voerman, in één armruk zwaaiend den bundel boven z’n kop, dof neerbonzend, tegen de hoog-dwarse rijzenstapeling. Heelis, zonder houvast, waggelend en uitglibberend op de rijzen, al verder van Limmer àf, kòn niet meer ophijschen bijna. Loomer schuurden de takken op, langs de kar, bij kleine optrekjes. Donker bloed steeg naar z’n kop, als Limmer beneden voelde, dat Heelis beet had, zorgloos de rijzen losliet van onder, zoodat hij alleen de vracht te tillen kreeg.

—Saa’ ’k f’rbrande aa’s ’k wee waa’k er mee beginne mot, perste ie uit, de vracht afhangend zwaar, beet in angstgreep zonder macht ze òp te sleepen. [168]

—Toe Krelis gaif sain ’n mep!

—Kaik, lachte Limmer, barsche kerel, sarrend den voerman, hai kraigt ’n lekker kleurtje.… snof’rjenne, je sien d’r skeel van.

Even nog liet ie ’m martelen, in rood-koppige zwelling, radeloos, en toen langzaam, kwam Krelis met de hooivork, boorde krachthevig in een uitgezocht plekje, dwars door het hout, stootte op de vracht, in één ruk, tòt geladen hoogte, dat Heelis, die nog angstig beet had, achterover glibberde op z’n rug, bijna van de wagenhooge stapeling afwaggelde, in duizel op den grond.

—Bàrs jai.… soo he’k nie vroagt, stotterde ie angstig opkrabbelend weer.

—Duuzend vloeke is d’r moar een op ’n dag, zei droog-onverschillig Limmer, die naar Heelis tuimel nauw had omgekeken en alweer aan ’t bossen versjouwen was.

Al hooger tegen de lucht in, meer vergrauwd, stond Heelis nu te zweeten, wachtend op nieuw werk. Nog tien vrachten moesten erop. Met z’n hoofd stond ie al even boven enkele boomkruinen aan padkant. De kar, in boerenstijl met z’n gebogen sierlijnen, z’n stil-wasemende paarden onder d’r fijn kleurtonig, dof-groen en donker oranje-rooiig dek, gingen verduisteren al, in het latere licht. Lekker even uitblazen kon Heelis, hoog van z’n geweldige lading uitkijkend.

—Wacht, da’ kwam weer werk.

Limmer had met rukzwaai ’n geweldigen bos boven z’n macht geheschen, dat z’n lijf te zwellen stond, z’n keel kuchte, z’n plunje strak uitritste en z’n roodbaaien onderbroek onder z’n hardgroen morsig vest uitdotte in zware plooien omkruld, vastgehaakt in takkenwar.

—F’rrek, trek nie, riep ie dreig-angstig Heelis toe, die op z’n knieën neerbukte naar Krelis om te zien, wat er was. Met z’n tong uit den dampenden mond, zag hij Limmer ingekrompen staan, hijgend z’n kleeren los te morrelen van de rijzen, die Heelis al bij den kop gegrepen had.

—F’rdikkeme, vloekte Krelis, goan nie los.… die mo’ main hebbe. [169]

—La’ hange, sar-lolde Heelis nu op zijn beurt, stem-vreemd uit de hoogte.

—Hou jai je stroatje moar, boschluis.. hep jou neudig!—

En in zware rukken nu, brak ie, rondom z’n ingehaakte onderkleeren, uitpuntend getak weg, schuin-steunend op borst-breedte de vracht, die Heelis alleen niet houen kon; stond Krelis, met beenen ingekromd, z’n gebukt bovenlijf als rumoer-hijgende karyatide. Toen, met z’n knokkels rammeide ie woest door het hout, dat ie eindelijk loskwam en vrij zich weer bewegen kon. Met ’n hevigen ruk-hijsch sleurde Heelis den bundel naar zich òp, in twee schuringen langs het hout, tot ie de vracht, met heel z’n lijf eindelijk bòven beprooid had. In zwaar gesteun, droeg ie de stapels dwars, zoekend waar het best ’t hout neergesmakt kon worden. Hooger donkerde zijn lijf tegen de langzaam zwaarder uitgrauwende lucht. Onzekerder waggelden en verglibberden z’n stappen op het nattige geknoest en breeër uit, al massaler, stond de kar bevracht, in z’n donker-bronzen heupige forschheid.

—Temet binne d’r sestig op, Krelis.… meer vast nie, schreeuwde Heelis naar beneden, bangelijk-stappend op de takkronkels, die knapten onder z’n beenen en zwikken deden z’n voeten. Limmer sjouwde áán, zwijgend, z’n looden vrachten. Heelis, stil, stond even weer uit te blazen op z’n berg.

—Neenet, schreeuwde ie angstig, toen ie zag, dat Krelis doorsjouwen bleef—ikke verdom je lekker, ik wil d’r nie afduijke, aa’s lest Humert.

—Skreeuw moar nie, nog drie bossies hoor, lachte Krelis, dan is ’t daan,—en weer rukte ie op ’n rijzenbos, z’n lijf bij laatsten til, naar achter gekromd, met z’n hevige armbalken stuttend de vracht, tot Heelis boven „beet” riep, maar toch hangen liet uit onmacht.

—Hai j’ sain dan nie? riep Krelis

—Joa, vast is ie, moar gaif jai sain effe ’n peukie, ’n wàtje-koù.… hee?.… saa’k ’k ferbrande hee, de duufel te swoar.. je laikt puur gek.… ik daan ’t niet.

Krelis kwam aanzetten weer met z’n vork terwijl Heelis, [170]met bloedrood zweet-hoofd heel z’n armkracht uitperste om te houên den stapel.

—Waa’n karwei, ikke stik t’met.… moak voort, Krelis, of f’rdomd ’k loat sakke.

Krelis zoekend naar ’n open plek in het hout, boorde de tanden met ’n ruk er in weg.

—Seg, donder main nie omver, nou kallempies an, angstigde Heelis, die glibberig-onrustiger stond op het hout, dat in z’n geweldige zwelling op ’n in brand gestoken reuzigen hooiwagen ging lijken. Krelis berekende nu, zette den rijzenstapel op, met zachten zwaai van vork. Boven waggelde Heelis mee, in gretigen greep. Z’n magere zweetkop parelde, z’n borst stond te blaasbalgen.

—Daa’s, daa’s t’met de swoarste van de heule keet, hée? perste ie uit, stemhaperend achter z’n adem, de swoarste fa’.… fa’.… de heule keet.

Eindelijk had ie den bos bemachtigd, mans-hoog, dwars neergekwakt en ingeduwd, stapte ie waggelend voort op den reuzigen stapel, met z’n armen wijd-uit angstig balanceerend. Krelis beneden, hijg-rustte even, veegde, met uitstekende punt van rooien borstrok, woestig z’n gezicht en zweetnek af.

—Ikke sterf t’met van dorst.… gain druppel in de kruik.. Hééé hallo!.… hei jullie nog wa’ kejak doar, schreeuwde ie naar overkant Dirk en Piet toe.

Van de luchthoogte af, lachte Heelis; dat mos woar weuze, kejak, hitte ’t in ’m.

—Nog krek ’n poar druppels, schreeuwde Piet terug, de kruik naar Limmer opslingerend,—He jullie dààn doar?

—Daan? ik sta temet mit main harses in de hel, galgenhumorde Heelis.

—Doar hoor je juistig!.… letste rit? schreeuw-vroeg Piet.

—Nog een keer.… aas ’t nog licht genogt is.… al vaif sain d’r lait f’doag.… die duufel doar op de kar het de tering.. hai knakt aa’s ’n boonerank.… nou lait ie al puur veur de werelt.

Krelis krijschte uit. Er zat wilde werk-woestheid in z’n [171]oogen en zwaar-bemorst van afgeslibd moddervuil kluitte het zand op z’n hals en wangen. Heelis stond te zweeten en te kuchen op de kar, schikte en duwde nog wat gelijk met z’n voet, beukte en trapte in de veerende houtvracht.

—Hangt de klos vrai Krelis? vroeg ie, angstig afloerend naar houtblok bij achterkrat, waar ponder aan vastgesjord moest worden,—gooi d’r es effe ’t houtje òp!

Limmer greep zwaren ponderboom met zwaai boven z’n kop.

—Oppase nou! angstigde van z’n waggelend-veerende hoogte Heelis weer, bang, dat Limmer een lolletje wou maken om ’m te zien vallen. Den ponder had ie beet en opgeheschen, maar dwars onder z’n voeten sprongen zijtakken wèg, waar de balk tegen afstuitte.

—Gooi d’r es effe je mes àn Krelis!.… Is achterbent vrai?

In luiigen zakgrabbel haalde Limmer ’n vuil mes uit z’n modderbroek, raak opslingerend naar Heelis.

—Knap, lachte die, vlug wegsnoeiend wat takkenrommel rondom den ponder. Kruip-bang waggel-veerde ie op z’n knieën, met z’n handen vooruit, langs den balk, plots ziend in angst, dat de lading schuin over de kar hing. Toch overal met lichaamszwaarte drukte ie den balk in het hout, om in de vracht te persen.

—Hier, schertste ie gemaakt, het mes met de punt naar beneden spiesend in den klomp van Krelis.

—F’rrek, schrikte Limmer, onthutst door de zenuwachtige speelschheid van Heelis.

—Blaif jai heul.… nou Krelis ’t touw, het houtje sit.… nou ’t touw, saa’k sain effe wurrege.

Van den bok af, was ie weer op handen en voeten waggelend, langs den ponder naar achterkant gekropen, het touw snoerend in knoest om balk-end, telkens even met bang-verbogen lijf naar beneden kijkend, of Krelis al klaar was om te sjorren. Limmer stond met het touw in z’n hand, dat Heelis ’m toegeslingerd had. Met heel z’n lijfvracht hing ie er zich aan, rukte in veerende kadans het zwiepende hout neer, sprong weer op, zakte, steeg en viel terug, dat het bloed naar z’n kop [172]drong, al heviger sjorrend en inpersend de rijzenvracht. Zware modderbonken klonterden en spartelden af van het hout, z’n oogen en diep z’n nek in, dat ie verkronkelde en vloekte. Maar bij elken nieuwen sjor-ruk regende het weer zwart rijzenvuil over z’n lijf. Met oogen dicht nu, blind gestoven, in woeste werkdrift, bleef ie sjorren en Heelis, van boven, schreeuwde, in furie aanzettend bij elken ruk: een-tweee.… een-tweee, tot de lading inkromp beneden den boomkruin. In wildere giftrukken sjorde Krelis dóór als waanzinnig. Uìt het rijzentillen nu, had de windguurte ’m te pakken, die hij killig voelde luwen op z’n wasemend zweetlijf. Heelis boven op, slingerde heen en weer, botste dàn naar voren op z’n knieën, lag dàn weer lang-uit, heel z’n lichaam, been-gekronkeld over ponder, met doodsnood in z’n gezicht soms, als ie de lading, schuiner zag hellen, bang dat de heele boel zou kieperen en hij eronder smakken.

—F’rrek, Heelis kom d’r af.… ’t is mooi genog, schreeuwde Limmer oogen-dicht, woedend op het zandvuil dat ie machteloos moest laten kluiteren òver z’n kop. Heelis klauterde langzaam langs achterkrat af, blij, dat ie eindelijk weer eens vasten grond onder z’n voeten voelde. Op het pad nam ie sjortouw van Krelis over, die z’n oogen vloek-woedend uitwreef.

—Nou, nog effe mit ons twee, hee? Hij mot nog wel ’n voet sakke.

En weer in worstelend-cyklopische rukken sjorden ze touw-ponder in, dat heupiger uitdijde kar, maar inkromp stapelhoogte. Zenuwachtig knoopte Heelis touwend achter hijschblok vast met zware rukken, dwars in ’n knoest.

—Daa’s daan, zuchtte ie uit.

Krelis trok zijn jekker weer aan, die tusschen rijzenstapels aan den weg lag, en voerman Heelis haalde z’n jas van de stille paardruggen, ònder de kleur-stervende dekken uit.

—Smeer jullie sain? schreeuwde Piet Hassel van den weg af.

—Joa!

—Loop mee, m’n kruik vulle, main stroatje lait puur droog! [173]

Begrafenis-achtig langzaam, waggelde boerenkar voort, wiebelend in halven wielslag.

—T’met lait de boel veur de werelt, kaik sain helle.

—Jesis, schrikte Limmer, moak main niet tuureluursch Piet, dan hang ’k m’aige fast op.… ’t is main lest twee moal beurt.. ik doch daa’k gek wier.… de heule rommel mos ’k weer oversteke.

—Nee, schreeuwde Heelis van den bok af, opstarend naar den berg, hai houdt nog wel.… d’r binne moar acht bossies te veul.

Op nauw kronkelpaadje klemde, kreunde de wagen voort tusschen struiken, met z’n dwars uitpriemenden takkenhang in deftige wiegeling, meesleurend bossen uit rijzenhokken aan den weg. Plots kwam van anderen kant, uit kronkelpad een andere rijzenwagen aanwaggelen.

—Heere-me-taid! lachte Piet, doar hai je d’r nog een.… die mag afloaje.…

Voerman Heelis op lagen bok vloekte, de andere van overkant, schold.

—Wa nou, schreeuwde Heelis, weggedoken achter houtstapeling, met z’n hoofd ingedrukt tegen de takken.

—Joa, wa nou, nuchterde de andere voerman, terwijl de paardkoppen elkaar besnoven, loom-verbaasd over hun ontmoeting.

Krelis was achter ’n paar struiken langs den wagen heengedoken.

—Daa’s main snoff’rjenne ’n bakkie.… wacht.… dan mot ie moar tot an de deute in ’t gras.… Heéé, Héelis!.… goan jai d’r is heulegoar an kant, sofeul je ken.… en jai hier Rooster, heulegoar an die kant.… Ikke en Piet selle je woage ’n duufetje gaife.… soo juuster.… deur de struike hein.

Heelis keek achter zich, tegen den donker-dreigenden stapel op, die schuiner helde, om moar niet te zien hoe het afliep. Onder hevige rugduwingen tegen achterwielen en krat op, schreeuwde Piet naar Krelis, dat voerman Rooster op zij moest mennen en aanzetten. Hoefstampend, in kledderenden moddergrond [174]en stuifsel, met tragen ruk van zweep-bestriemde jakkerende knollen, kwam er waggeling in de kar, zwenkten de kerels den wagen, zij-wielslag in. Trampelend en hoefketsend sjokkerden de paarden van Rooster naar uitersten pad-rand, met de borsten en koppen in ruw struikgewas verzwolgen. En hoog nù, waggelde in doffe schuren van elkaars lading, Heelis voorbij, met duizend vreezen in het hart van de zwoegers eròm, dat de boel nog instorten zou. Angstiger helde en waggelde de kar, toch passeerend achter Rooster, tot ze weer wielvrij op het pad stond. Heelis lachte en zuchtte van blijdschap.

—Seg! aas je t’met nog eris hier langest komp, spotte Heelis, mo’ je eerst fesoenlik tellegrefeere!

—Daa’s net lachte de ander, zelf dolblij dat ie er door was.

Begrafenisachtig liepen Krelis en Piet weer achter den wagen aan, tot Hassel bij ’n boerderij rechtsaf sloeg, gedag morde. De wagen wiebelde verder, in al angstiger dreig-helling, als ie op nieuwe wielsporen wegzakte of zwaar-langzaam, slingerig kantelde over bonkige boomwortels, zoo erg, dat Krelis z’n hart weer vasthield van angst, voor omstorten.—

[Inhoud]

II.

Sjokkend-traag klepper-klompte Piet alleen terug langs mistige teenenvelden in donkerder uur, miezerig ’n beetje dat ie z’n hooge laarzen niet had aangetrokken vandaag. Sluiperig, in rag nevelgrijs, was damp opgezweefd uit vochtigen grond. Overal rondom ’m weefde boschneveling, toongrauw, met late droeve lucht, omsluipend en verwazend struiken en boomen. Overal rondom droefnis in het teedere mistenweefsel, vergrijzend tegen luchtverte, als land vóór dampige zee. Overal teenenvelden, triest-eenzelvig, met kruislanen, nu en dan gothisch-geopend in zilvering volgerookt. En langs den grond vóór Piet, opstammend de boomen, met droef-smeekend gebaar, even schuchterend te zien in de fijn-grijze rust. Bij hun wortels, groeide violet gewasem, verzwevend langs de zachte mosreuzen, [175]die te treuren tuurden en droomden in de stilte van hun schorstinten, in den starren weedom van hun eenzaam grijs-week boschgesuizel.

Na drie kwartier stond Piet weer te hakken naast Dirk en ouë Gerrit, die vandaag weer eens was komen kijken, omdat ie z’n jongens niet altijd vertrouwde, al kon ’t ’m soms niks meer schelen of ze den rommel verwaarloosden of niet. Geweldiger hakte Piet een zwaren stronk tegen z’n knie, driftiger op z’n vader, die elken middag met leege handen rond hen heendrentelde en toekeek maar. Scherper hieuw ie om zich heen, hakte en vlijmde ie in de houtwonden, toen plots z’n zwaar kort-stelig hakmes uit de hand schoot, afrinkelde van de stronk en met ijl-scherpen kant-punt bij-zij z’n scheenbeen inkerfde. Met een vloekgil en scheurend huil-geluid sloeg ie òver z’n stronk heen, tegen den grond. Dirk keek verbaasd-koel om en de Ouë stapte snel op ’m aan.

—F’rrek, kreun-krampte Piet zacht, smartelijk beef-huilend van pijn,—Godskristis.… godskristis.… kristis waâ pain!.. wâa hak!

Eén hand, half leun-zittend, drukte ie krampig-bevend op z’n voet; bloed klodderde door de vuile vingers, hoogrood door z’n modderbroek heenstroomend. Langzaam had Dirk z’n hakmes in esch-stomp getrild en koel-verbaasd loomde ie naar Piet toe.

—Wa’ nou, goan je d’r bai lègge? beet ie kort af.

Piet kon niets zeggen, z’n bleeke kop kreunde en met één elleboog in het grondvuil tusschen stompen en splinters, lag ie in pijnkramp achterover, met z’n hand tegen het been dat doorbloedde, zwaar, in rooie plasjes onder z’n vingers, langs z’n broek. Nou eerst voelde ie, dat ie bloedde, en wilde angst voor dood joeg in ’m op.

—Godskristis, kaik da bloeie.… da bloeie.… hou teuge.… hou teuge.…

Z’n slapen zwollen en z’n oogen, wild rumoerend van angst, zenuwden dol-groot in z’n grauw-wit hoofd. Dirk was achter ’m gaan staan, steunde ’m in den rug, terwijl de Ouë het bebloede [176]hakmes wegkeilde, Piet’s broek en kous openscheurde van het been, om te zien, waar ie geraakt was. Bezij de schenen was het hakmes ingegleufd, en had een diepe scheurkromme bloedwond tot op het been, als een breeë vleeschhaak er uit gewipt. Bij het broek-openscheuren, onder zacht beverig gekerm, angstig huilende stem van Piet, in het rondom-droevende mistdampige, dat zwoegers grauwer omzwachtelen ging, schreeuwde op goed geluk af, Dirk het pad op, niet wetend of Limmer al weer met z’n kar terug was.

—Hahoo heehoóó!.… is d’r niemoànd!.… hahoo!.. ’n ongeluk!

Dirk’s roep zong door de lucht-wijdte, galm-zwak verbleekend, en oneindig droef, bleef stilte nahangen en grauwen, rondom z’n stem, met bangen echo-galm om ’t woord: ongeluk.

—F’rek, sullie benne nog nie w’rom.… seg.… foader gaif jai de kruik is an en loà me je saddoek om sain voet binde.

Ouë Gerrit, geschrikt ’n beetje maar grimmig dat hij nou juist hier most sain aas dat karweitje beurde,—sukkelde naar de kruik. Dirk had Piet opgelicht, veer-licht afsof ie nog niets gedaan had den ganschen dag. Zacht lei ie’m op z’n linkerzij met wondbeen boven. De Ouë kwam met de kruik naast Dirk knielen op één been, lag hardvochtig vleeschhaak bloot met z’n smerige handen, die zwaar in bloed sopten. Twee zakdoeken begoot ie met water en Dirk wiesch zacht het bloed-vuil weg. Toen ie zag, dat er geen doek meer was om bloedstroom te stelpen, scheurde ie kalm los z’n stropdas, onder z’n vuile werkkiel uit.

—Nou stil Piet, bitste ie met groote levendigheid in z’n koeienoogen. Ouë Gerrit zat nog knie-stram te rafelen aan Piet’s bloederige plunje. Die beet zich de lippen stuk, paarsgrauw van pijn, zonder te gillen want hij wou, wòu niet kleinzeerig zijn. Bij al te ruwe wondkoeling trok ie romp-krommend z’n been even in, dat den Ouë deed vloeken, en meedempten met natte vodjes, geen raad wetend waar het naar toe most. Guur en naargeestig huiverde het mist-gezwachtel áán, zwaarder door het droef-grauw gestruik en overal in de [177]lucht, tusschen boomen, onder struiken vaalde schemer, de kerels angstiglijk omprangend, in onrust geknield daar, op dooien grond, rond kermenden gewonde. Het bloed bleef vloeien, zwaarder, donkerder. Met ’n zakmes had Dirk ’n stuk van Piet’s hemd afgeritst, bond ie snel-zeker, onder kreun-week stemgehuil angstigend uit den donkeren struikenhoek, het vuile linnen om z’n voet, dat nog maar enkele droppels bloed versieperden. Nou zou ie ’m even probeeren op de been te krijgen. Onder z’n oksels lichtte ie ’m op, maar Piet, grauw-bleeker, in koortsig angst-gezicht, bleef hang-staan.

—Verdomd, kerel, kreunde z’n stem smartelijk ingehouen huilend, ’t goan nie.. ’t goan nie.—Slap z’n karkas zakte in. Meewarig en angstig vochtigden z’n oogen om meelij en steun.

—Wa’ nou?.… wa’ nou, bromde Dirk.

Aa’s de Ouë nou es effe ’t bosch ingong.… Hai mos eerst nog eris skreeuwe.…

—Héé.… hahooo!.… is d’r niemoànd!

Droef-zangerig vereenzaamde z’n stem-galm weer in ’t avondlijke mistgrauw.

Piet ingezakt, lag weer sidderbleek op z’n rug, korte benauwde ademhalinkjes uitstootend, met z’n bange oogen ’t scheem’rende luchtgewelf boven ’m instarend. Koorts-vuur schroeide rillingen door z’n lijf en daarover kilde mistguurte. Plots van het pad, donkerden tuinders voorbij, gebukt-simpel met vorken, hakmessen en zen-boomen op ruggen, droef-sjokkerig ingaand tegen ’t late licht.

—Hee, schreeuwde Dirk, is Limmer doar mi sain kar?

Mannen duisterden van zijpaden, uit den zwakken mist naar ’m toe.

—F’rek wie lait doar?

—Piet.… hep s’n aige in been hakt.… hakmes is s’n poote uitvalle.

Bolk stond naast ze, krom-klein ingezakt onder gereedschapszwaarte, nasalend dat ie de kar gezien had.

—Saa’k d’r effe hain roepe.… wacht kaik!.… doar hep ie sain temet.… Limmer.…! Heé Krelis! [178]

Leege kar kwam rumoer-loom aankreunen van kronkelpad, met loome paarden in donkering ervóór. Krelis schaduwde uit het mistgrauw òp. Langs hem trokken tuinders van alle kanten door het bosch naar huis, zwijgend in het schemergrauw. Doffe groeten klonken zwak tegen elkaar in uit verstilde werkkoppen, òp van uitputting. Tusschen takkengrauw was schemer gezeefd en vreemd klonk soms stemgerucht van afgedwaalde roepende jongens, die nog niet overal weg wisten in het bosch. Telkens weer donkerden andere kerels voorbij in het zinkende licht, als onderbroken processie, nu en dan samenstappend in de stille mistende donkering van hun pad.

Krelis was naast Piet komen staan. Andere vluchtige kijkers waren doorgeloopen, met meelij-gebaar even hoofden schuddend, onmachtig toch zich wetend. Naast Limmer stonden in ’t grauwe geschemer, Bolk en Heelis de voerman. Weer hadden ze Piet op de been geholpen, maar nu schreide ie als een kind zonder schaamte, van woeste brandpijn. Dirk had met Krelis afgesproken, dat Piet maar op de kar vervoerd moest worden, naast hem, op het voorkrat, en zullie met d’r drietjes in den buik, of ze dat goed vonne? Zwijgend stemden Heelis en Limmer in. Het bloed was weer door het verband gezogen en ouë Gerrit trok er nieuwe lap om, van de kerels. Piet, met angstiger pijntronie, weende. Z’n voeten voelde ie als geroosterd en z’n nu duistere oogen grimden van nog ingetoomde smart. Soms zag ie in één duizeling voor z’n kop, voelde ie weeheid om het hart, sloot ie z’n oogen.

Met donkerder mistgrauwing, was scherper guurte door het bosch getrokken en spraakloos hielpen de mannen, niet meer voelend zwoegpijn van eigen beulerij. Piet moest op het krat getild naast Dirk, die ’m steunen zou. En plots, door den stoet, in schemermist vergrauwd, ging vage weemoed onder de jagende avondwilde lucht, ging rond gevoel, diep besef van ellende-bestaan, kort maar hèvig als ’n snik. In die boscheenzaamheid kroop groot mensch-leed bijeen, lag er even heilig meelij en stildiepe ontroering op de schim-vage gezichten. [179]De stille zekerheid van hun gebaren sprak van smart, ontzaglijk gevoel. Ieder wist wat ie deed en allen beseften éven in die donkere uren, wat angst en smart er sidderde door hun rampzware ploetering. Besef, even, éven, maar diep in die donkere oogen, in die van avonddonker verschimde gezichten, woordloos stilte-besef van hun ellende, straks weer weggedoezeld door ruigen leefstrijd.

Als ’n jochie had Dirk Piet op voorkrat gezet met z’n gewond been voorzichtig tegen den dissel. Krelis, Bolk en Heelis slobberden in den vuilen kar-buik, waar ze neerhurkten opeengedrongen in modder en nog wat rijzen-bossen.

Licht en zeker was Dirk op het krat geklauterd naast Piet, die sprakeloos in koorts vergloeide en huiverde. Gebogen even vooruitstarend in den schemer, met de leidsels in z’n groote handen, zette Dirk aan, de paarden voorttrampelend in halven gang, mistdonkering in. Droef-stil in doodsche rust van avondbosch stofte het karstoetje òp, snijend de hoofdlanen om, op grooten straatweg, gauwer thuis te zijn. Bonk-bonk dreunde de kar daar, in strompelend geratel en gehos en zacht kermde Piet tegen linkerdij van Dirk aangeleund met z’n hoofd op z’n schouer, gloei-kil en huiverend, meehotsend over kuilen, zonder schreiïng, zonder klacht. Zacht-sterk steunde Dirk z’n broer en spraakloos keken elkaar áán de donkere gezichten in den karbuik. Ouë Gerrit alleen, benauwd opgedrukt tegen Bolk en Heelis, bromde zwaar in zichzelf. In het hotsende bonk-bonk van kar klotsten z’n gedachten mee, somber.… Waa’s hai d’r nou moar in de ploats van Piet.… want hai sat ook tug an notaris en dokter vast.… hai kon ook tug nie betoale en nou weer ’n dokter bai Piet.… f’r wa da f’rvloekte spul nou weer op sain dak komme mo?.… die dokter Troost, die sain s’n duite had afstole bij s’n waif en se aige.… en nou weer bai Piet.… dâ rooit na’ niks.… da rooit na’ niks.…

En gejaagder klosten mee, op zwaar-dreunenden hobbelgang, gedachten van ouën Gerrit; òm hem, de stille zwoegers, die voortratelden in den donkeren mist-avond. [180]

[Inhoud]

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Ouë Gerrit zat ingedommeld, lichtelijk-besuft in de loom-soezerige stilte van stal en achterend op z’n gemakstoel te peinzen. Hij had weer eens wat bemachtigd. Als ie dat zoet-zalige niet had, was het ook heelemaal niets waard z’n leven, in al die beroerdigheid. Hij had op Kerst drie mooie gladde planken, Nieuwjaarsmiddag een toet tabak en nou weer ’n prachtig rood kindermutsje gekaapt.

Daar zat ie nou soezerig van na te genieten, met zware oogleden en zaligzacht murmelde en zangde dat stil geluk om ’m heen, soms opstijgend in z’n uiterlijk zoo stille borst, tot een roes van hartstocht die ’m naar de keel sloeg, wegstormde zwarte zorgdingen, anders strak en zwaar tegen ’m aangedrukt. De staartklok galmde plechtig negen uur, dreigend in radgeraas even bij elken nieuwen slag. En alles om ’m hoorde ie vaag vergalmen, versuizen in iets zalig onbewusts, diep verdoken in z’n eigen verrukking. Vannacht most ie z’n boel zien met z’n eigen oogen. Die begeerte brandde nou als ’n wond in ’m. De duivel met z’n moer zou ’t ’m niet beletten. Op den dag kwam er toch nooit niks van, was ie bang, dat ze ’m snappen zouen, kon ie zich niet heelemaal geven.

Vrouw Hassel zat op verfrommeld krantje te staren, onder groezelen lampschijn in halve gezichtsduistering. Als ze de krant uit had, kon ze regel voor regel weer beginnen, zonder ooit te weten wat er in stond.

Guurt bracht de pap òp en van alle kanten scharrelden ze naar tafel, rond de groote schaal. Alleen ouë Gerrit at, roerde zich niet. Hij was te vol, te vol. Vanavond zou ie z’n boel zien, zién. [181]

Een voor een, schoffelden ze van tafel zonder dat Gerrit de dingen om zich heen zag gebeuren. Er zat slaperigheid in het zakkende petroleumlampje, dat karig kringde in ’t halfduister van kamerke. Hij zou naar bed gaan. Vlug z’n broek los, stond ie mager, lichtelijk gebogen in z’n roodbaaien broek-borstrok, z’n bisschoppelijke zilverbaard op het beulig-rood van z’n lijf, dat even flauw door de kamer bloedde. Guurt rilde van kou. Dat zou me’n vroegertje worden. De klefferige bordjes, leeggesmakkerd, vaalden steenbleekig in het zakkende licht, en de stille hoofden van Piet en Dirk, om beurten zwaar geeuwend, stil-grimmigden van verveling.

Guurt begon ’r jurk los te haken, in ritsende scheurgeluidjes. Het heele gezin sliep in de woonkamer, in hoek-bedsteeën, benauwd. De jongens tegen het beschot naar den stal; Gerrit en vrouw Hassel in een donkerig-laag bedsteedje tegenover het raam. Alleen Guurt op ’n slaapstoel in de kamer, elken avond opgezet. Vroeger had daar ’n dienstmeid gelegen, maar dat gaf schandstukken met de jongens. Al drie meiden waren er zwanger weggegaan, dat moest uit zijn had de Ouë gezegd, met ’n bons op de tafel.

Gerrit, in z’n rooie onderbroek, sjokte nog rond, brommerig verwijtend aan Guurt, dat ze ’t lampje niet zóó zou zetten dat ’t op de bedsteedeur scheen; hij wou het niet op z’n gezicht hebben, als ie ’s nachts of ’s morgens op de klok ging kijken of als het broeide en moeder woelde zóó, dat ie de deuren open moest hebben. En toch mocht ’t niet heelemaal donker zijn. Voortbrommend, half-luisterend naar Guurt, die nijdig zei waarom ie eigenlijk dat slapen met licht niet afwende, wipte ie strompelig op het bed-randje, tuimelde het donkere slaapholletje in, duisterde z’n magere lijf, met z’n zilveren glanskop plots in de diepte. Met ’n bons had ie de bedsteedeurtjes achter zich dichtgeslagen..

Guurt met bloote armen, slanker nu in ’r kort dameshemd, zat op den slaapstoel aan d’r achterhoofd te peuteren, in moeilijken armwrong, wat haarspelden in den mond vastgebeten. In ’n draai ringde ze los ’r haar, dat golf-zwaar [182]neerspreidde langs blank-vollen hals, over naakte schouders, sprookjes-achtig ragblond beschemerd, èven in zachten lampjes-gloed. Haar fijn princesse-gezichtje stond jeugdig op korpulent onderlijf, en zware armen-vleeschweelde blank en woelig van lijn, zwol òp, met ’t beweeg van ’r groote werkhanden, tusschen het zacht-wondere glanshaar; statig beweeg van princessekopje, neergedrukt op heupig boerinnelijf, zwaar en zinnelijk-zwellend onder ’r verkreukt hemd-blank; schuchter kopje, met droom-oogen, teer mondje en neusjes-scherpe aristokratie, boven rijpe vrouwe-borsten, uierend-zwellend, en lomp de rauwe handen woelend tegen het geweldige vleeschlijf.

—Kristis moak toe, schreeuwde Guurt, haar naakten borst bedekkend, naar Dirk die de voordeur uit opstapte de kroeg in.

—Moeder, nou effe et vuurskutje van de stal.. hoal jai ’t?—

Al ’n half uur zat vrouw Hassel, stom-suf op punt van d’r stoel haar rokken los te frommelen, die wegzakten slap onder haar beenen uit, toen ze opstond op de vraag van Guurt. Ze hoorde wel, maar begrijpen deed ze niks, niks vanavond. Er was allemaal zwarte dofnis in ’r kop, stil gegil, gesuis en gedruk. Maar besef had ze d’r niet veel van. Alleen angst, jagende angst, angst als ze’r naam maar hoorde. Dan duizelde ontzetting in d’r, waarop onmiddellijk weer dofte plofte, grauwig-zwart alles voor d’r oogen, zonder besef.

Onrustig gerammel en gehijg dofte uit de bedstee van ouën Gerrit, die draaide en woelde; geschuur van nagels langs de beddeplank kraste zacht er doorheen. Ouë Gerrit grabbelde naar z’n lucifers in donker, voor vannacht.

Vrouw Hassel ging mee naar bed, omdat ze ’t zag duisteren om ’r heen en stil worden. Maar slaap had ze niet. Al jaren sliep ze slecht, in angstdroomen, die ’r overeind krampten, ’r deden gillen met ontzet gezicht. Loom had ze zich, krabbend steekmuts van het hoofd gelicht en kwijl-mond droog-geveegd met beef-hand. In den lampschemer grauwde ’r gele tronie, ouelijker nu zonder bedekking, met het kaalplekkige hoofd, groezelig-dun haar, als was ze plotseling ver-skelet. [183]Spichtig oud-vrouwtjesachtig magerde ’r lijf bochelig door het vertrekje. Onder d’r vuil-zwart onderrokje slingerden kuit-sjovele beenen en wezenloos-sjokkerig liep ze naar de bedstee, grabbelend naar d’r slaapmuts.…

Gerrit gromde en vloekte uit z’n hoek, dat ie ’t licht weer op z’n snoet kreeg. Ze hoorde en grabbelde door, niet merkend dat ze d’r slaapmuts al opgezet had.

—Is da nou dàan, hee! bulderde Gerrit uit het donker.

Vrouw Hassel sidderde, ze wist niet goed meer wat ze deed, waarom ze zoo grabbelde. Guurt koepelde ’n doek over de korf van duifje.

—Wa soek je moeder, je mus?.… sit ommers al op je kop te maffe!

Plots opgedrongen, éven tegen ’r aanstaand sprong Guurt op zij, ’n vies gezicht trekkend.

—Kristis moeder wa’ stink je.… Is d’r weer.… hai je weer fuil dàan?

Een huilschok krampte door haar ingebogen lijf. Voor de bedstee stond Vrouw Hassel met half doorgezakte knieen in ’r bobbelige, wije, ruwe onderbroek, waaruit stank opsloeg. Zonder het te weten had ze zich bevuild.… Nou, an ’r lijf voelde ze ’t.… Ze rilde, rilde. In bed kruipen plots wou ze van schaamte, maar Gerrit duwde ’r terug, krijsch-heesch.

—Zoo komp je ’r nie in waif, gain stap!

Bij haar borst smeet ie ’r achteruit. Ze kermde en snikte. Met ’r grauwe skelethanden aan de beddeplank geklauwd, zenuwklampte zij zich vast in verbijstering, tot Guurt ’r terugtrok en dwong schoon goed aan te doen.

—Je ken d’r tog nie soo mi die swaind’rai ’r in.

—F’r wa.… nie?.… huilde ze zonder te weten wat ze zei.

—Om da’ niet-en-ken.… Om da’ niet-en-ken, stampte Guurt driftig op den grond uit.

Vrouw Hassel was weer vergeten waarvoor d’r dochter zoo dreigde. Uit het kastje slierde Guurt ’r ’n hemd en broek toe, die ze rillend over ’r goor lijf liet zakken, in kakenbibbering.

—Mo’ je j’aige nie wasse? vroeg Guurt, nijdig om de moeite. [184]

Moeder Hassel hoorde niet meer, staarde besefloos voor zich uit, krabbend ’r hoofd, onder smalle schuifbanden van ’r puntige kromgekreukte slaapmuts.

Guurt had de heele pan op ’n stoel gesmeten, alleen het vuile stank-walmende hemd naar het achterend geschopt, grommend en vloekend op ’r moeder, dat se puur daas leek. Vrouw Hassel stond verschoond, beef-grienerig, goorder in ’r schoon wit hemd en broek, sjokte huil-schokkend nog, op bedderandje, in langzame onzekere tasting verdwijnend in donker, naast den Ouë, in d’r slaapkuil. In eng ruimtetje lagen stille oogen van twee menschen te turen in het duister, klaar wakker. Op ’r peluw snikte ze dóór, lang niet meer beseffend waarom, uitkroppend ’n kramp van smart die door d’r borst en beenen schokte.

Guurt stond nog in ’r hemd wat te beredderen. Kwaadaardig bekeek ze bij het nachtlichtje ’n paar wratjes op ’r pink, zich woedend voelend op ’r grove werkhanden. De hanglamp had ze heelemaal uitgeblazen en donker nu in zachte rust vloeiden schaduwen en stille glanzen om ’r heen in het kamerke. Langs het kleine lampje, schimmig in ’r hemd, blankte ze voorbij, met den goudschemer van ’r harenpracht op rug- en schouer-vleesch. Om er ooren kroesden enkele krullige haarsprongetjes als gouden spinneweb, verfladderd wat. Net wou ze in bed stappen, toen ’r rammeling gromde aan de deurkruk, de hond bassend-ontsteld aansloeg op het erf.

—Koest.… koest! dreigde stem van Piet die thuis kwam, wat vroeger dan Dirk na de paar weken gedwongen rust met z’n beenen. De hond buiten bromde nog zacht.

—Koest, snof’rjenne, ke’ je de boas nie, sloddervos! Is d’r nog wa’ te slikkerbikke Guurt?

—Waa’n meelsak, nou weer bikke, driftte Guurt uit ’r bed stappend.

—Ik bin soo kout aas ’n botje.… legge de ouën al?

—Stil!.… joa.… moeder hep weer fuil dàan!

In ’r dameshemd liep ze, met nachtlampje in ’r hand ’t keukentje door, grabbelend in den broodtrommel. Bidderend [185]kwam ze terug, het lichtje voorzichtig neerzettend in het kamerke, dat glijend, als een schaduw-hal voor d’r openen ging.

—Droog? f’rek, da mag jai frete.

—Nou.… loop nou noar de bliksem.… doen ’t dan selfers, ik goan d’r in!

—Wa’ f’r werk he’ jai doar an je hemmitje hange? potdikke Abram.… Prikkie!

Met z’n hand wees ie naar Guurt’s borst waar strikjes om laag-uitgesneden kantbaan pronkten.

—F’r jou ’n froag f’r main ’n weut,—bitste ze terug, met één hand ’r borsten bedekkend en gauw op ’r slaapstoel onder de dekens woelend. Piet bromde nog wat in zichzelf, van ’n luiwammes.… wat ’n maid-meroàkel.… niks van bloed-beuling had, draaide ook langzaam uit naar z’n bed.

[Inhoud]

II.

Het sloeg één uur, trillend zangerige klankgalm door de nachtstilte. Ouë Gerrit lag oogen-wijd wakker, in z’n donker slaapholletje, opgedrukt met z’n gezicht naar den muur, dat z’n warme adem terugwaasde op oogen en mond. Z’n vrouw hoorde ie doffig snorken, met kermende geluidjes uit d’r keel, en puffende blaas van ’r lippen, zóó erg, dat ’t ’m soms benauwde. Daar lag ie nou, in donker, stikdonker, met ’n groenigen schemer in de verte. Boe! wa’ stonk ’t waif nog, wa’ benauwing! Moar fe’nacht, fe’nacht most ’et beure!

Doodstil lag ie, toch hartebons hamerde raak door z’n lijf. Z’n kop en handen gloeiden en binnen-in zanikte weer ’n lekker angstig gevoel rond, dat ie altijd had als ie bang was betrapt te worden.…

Moar fe’nacht most et.… Sachies an moar Ouë.… soo aa’s je sain dâ altaid lapt.… sekuur an.… fain werk.…—Zacht had ie zich overeind gewurmd. Plots rammelden uit den stal, stooten van koe-ringen tegen het rem, dof-bonzend. [186]En klagelijk vanuit stemme-diepte loeide koegeschrei òp, akelig in de starende nacht-stilte.

Ouë Gerrit schrok, wurmde weer even onhandig terug en keek in het donker of ie z’n vrouw’s oogen kon zien.… Da’ f’rfloekte beest!.… daa’s nou puur de heule weuk, dattie skreeuwt ’s nachts.… aa’s tie hullie wakker moakt goan ’t weer nie.… gòan ’t weèr nie.…

Maar vrouw Hassel bleef snurken, met ’n stilstand telkens in ’r ademhaling en sterker lippen-gepuf dat ’m benauwde. Net was ’t of ze’m wat zeggen wou, maar niet kòn. Nou voelde ie klamte op z’n kop trekken.…

—Fain werk.… fain werk. bromde ie, zonder naar zichzelf te luisteren, angstig wèg al met z’n gedachten in den kelder. Met z’n gezicht kwam ie weer even áánloeren op den duisteren kop van z’n vrouw. Nog meer bukte ie in.… Nou rook ie ’r warmen adem, niks zag ie van ’r.… alleen hoorde ie ’r snurk-gekerm, dat z’n mond indrong en vreemd als uit ’r neus opschraapte.… Neenet.… neenet, ze snurkte.… allegoar larie, ’t kon sain ook niks meer skele.… hai mos, mòs se boel sien.… Godskristis, s’n spulle.…

Winterige nachtkilte huiverde door z’n lijf, in zoete narilling achterhaald door wild genot dat al te tintelen begon in z’n beenen, zacht schroeide z’n lijf; ontembaar genot, dat opkroop naar z’n buik, al maar opkroop, dat ie zacht duizelde in heerlijk heet plezier.… Wa kon ’m nou sain pacht skele?.… gain duut ha ie.… nou, nou da’ moar gain duut.… pachtgrond.. wa? watte?.… neenet.… nou sebiet se goed sien hoho!.… da’ was je woare.… godskristis sou ie ’t kenne uithoue?.… Sou ie niet gille aa’s tie ’t sag, aa’s tie d’r was in sain kelder. Sou Guurt het lampie op toàfel set hewwe.… nie feur ’t bed.…

Zacht nu woelde ie op, òver z’n vrouw heen. Boe! wa’ stank.… wa’ donker.… dondersjin, ’t skol nie veul of ie trapte ’t waif op d’r beene.… soo.… kràk!.…

Nu zat ouë Gerrit heelemaal losgewoeld van de dekens, overeind op z’n peluw. Telkens schrok ie even, als koeienloei [187]weer uit den stal opschreide, bang en lang aangehouen als klacht van gemartelde. Maar gauw suste het in ’m dat ze toch niet wakker zouen worden. Langzaam uit z’n zit sloop ie òp, deed bukkend en beef-zwaar ’n grooten stap over z’n wijf heen, tot ie op ’t bedrandje stond, schuivend nog met z’n nagels langs de deurtjes, die ie langzaam openduwde. Een beving van geluk overhuiverde ’m toen ie zag dat het lampje vóór Guurt’s bed stond. Nou kon z’n wijf niet wakker schrikken van het licht. Dat had ie netjes berekend.. Donderemint, doar glipte ie …

Ritst, krak-kràk, gingen de deurtjes. Even bleef ie in hangstand stil.… stil.… Z’n hart bonkte en wilder gloeiden z’n oogen in z’n grijzen glanskop.… Het lichtje schemerde wat gouïg waas op z’n gezicht vol schaduw, en z’n ingekrompen, stramme lijf, in z’n rooie ondergoed, bloedde donker in den zwakken kamerschijn. Guurt sliep door, alleen vrouw Hassel had zich even na het gekraak achter ’m opgericht. Hij voelde ’t, voelde ’t, zònder te kijken.—Maar in één stand bleef ie staan, met z’n stillen rug ’r bezwerend, dat ze’m niet zien zou. En snel doorflitste ’m de gedachte.… „Noa de plee mo’ je zegge.… noar de plee mo’ je segge aa’s se vroagt”. Even zanikte slaap-stem van vrouw Hassel achter ’m op, idioterige slaapklanken murmelend, verward het donkere bedholletje uit. Toen plots stilte.…. Ze lag weer.

Nou voort! ijl-drang zat ’m in z’n beenen, maar daar gaf ie niet aan toe, verzette ie zichzelf tegen.… làng-zaàm àn, làng-zàam àn.… zei ie zichzelf, in maatgang.

Het lampje had ie in z’n hand genomen en zacht afgedraaid, dat het vlam-spetterde, dood-strijd van ’t pitje. Even spiesten bleeke lichtpijltjes op het slaapgezicht van Guurt, dat zwàklijk oplichtte en weer wegdoezelde in de duisternis. Het lampje eerst uit, dat wou ie nou eenmaal, zoodat ie niemand zien kon. Dan voelde hij zich ook zekerder.… Nou had ie ’t.… nou zacht.… zacht ’t achterend inschuifelend, precies tast-wetend hoe ie langs het beschot te gaan had. Daar ’n drempeltje, daar ’n stoel.… dan ’n inham, nou de dorsch, d’r achter langs.. sachies an, mooi.… da’ gong, da’ gong. [188]

Er begon weer wilde jubeling en ijl-drang door z’n lijf te gloeien, maar hij dwong zich kalm te zijn, kalm. Nou stond ie voor het luik.… Doar had ie f’navend al ’n blokkie hout onder set.… ’t kroakte aêrs aastie ophieuw!.… Soo.… soo.… heere! wa’ donker.… stikke, stikkedonker.….. Wacht!.… gong da’ nies?.… hoorde ie doar nies in de bedstee?.… neenet.… hoho! de jonges ronkte aas varkes, konne ’t huis omhakke, hoorde sullie nog nies.

Juist stram-bukte ie naar het blokje hout vóór het kelderluik, tast-schurend met z’n hand langs den grond, toen diepe koeien-loei door den nacht schreien kwam, uit den donkeren stal, met ’n onderdrukt-bang nagehuil, dat hangen bleef in het duister. Bonk-stooten van ringen tegen ’t rem klonken nà.

Nou skrok ie nie meer.… loa moar skreeuwe.… ronke tùg deur.… tjonge, tjonge woar da blokkie tug sit?.… o joa hardstikke middenin.… Ouë paa’s op, Ouë! paa’s op.… ’t lampie.… f’r wa’ hat ie self tùg nie ’n lampie kocht?.… bài s’n rommel,.… nee gong nie.… gong nie.… rooit na’ niks.… most ie fulle en weer fulle en dan ruike sullie.… neenet da’ gong nie.

Zacht had ie ’t luik opgetild en vastgehaakt, geluidloos. Sluip-licht ging ie ’t keldertrapje af, waar ’n kou-stroom plots om z’n naakte voeten zoog en dompige lucht, vunzig opwoei.

Nou luik sachies toe.… boofe se test.… tredje veur tredje.. oppasse.… wa’ genot.… stil.… wacht.… joa, da gong.… hai was t’r t’met.… mi-sonder hurrie.… stil.… eerst lampie weer an.…

Nou, in de stik-duistere kelder-laagte, nou ie ’r stond en niemand ’m meer hooren kon, begon ’t al in ’m te jubelen, ’n hevig-zalig zwoel gevoel, dat ie ’r was, bij al z’n spullen, bij al den rommel van hem, van hèm. Lucifers had ie van de bedplank afgegrabbeld en in z’n onderbroek gestopt, onder z’n buikband. Met ’n snelle lichtstreep vlamde ie ’t lucifertje aan, en bevend met z’n genothanden, lichtte ie ’t glaasje van ’t lampje. Zoo, nou kon ie zien. Schuw keek ie even naar ’t lage kelderraampje of ’t luikje ’r wel voor stond. Maar [189]alles was dicht, potdicht. Nou wou ie zich inéén op z’n rommel smakken, d’r op, d’r op, woest d’r op! Maar eerst hooger het lampje.… en dan langzaam an.… làng-zàam an.… rekke.… rekke, ging ’et weer in ’m.… Een twee, een twee, in maatgang. In wilde roggeling van woest-gierend verlangen brandde z’n strot, joeg wild tegen z’n kalmte òp. Zien-begeeren krijschte door z’n een twee, een twee-maatgang in, dat benauwing zwol om z’n kop en om z’n maag.

Daar was ie nou bij al z’n rijkdom, en niemand die ’t wist, hij.… hij.… alleen.… van hem.… van hem.…

Hooger draaide ie ’t lampje òp. Ingekneld stond ie tusschen duister-stillen kelder-rommel, groote vaten, die scherpe pekellucht uitzuurden. Boven z’n hoofd in ’n hoek, reuzeworsten als kabellussen, door elkaar gehaakt; daartusschen hij, ingebukt, schuifelend stap-vaag, door ’t opgeschikt kelderduister. Het lampje had ie op den bodem van omgekeerden karner bevend neergezet en versuft van hevige aandoening, met zwaar verlammingsgevoel in z’n voeten was ie op ’n brok handkar, die schuin tegen vaten opstond, gaan zitten, het wiel scheef onder z’n beenen gekneld. Het lampje koolde, maar de ouë maniak, waanzinnig bevangen door z’n duizelenden hartstocht, zàg niet. Hij keek maar in de vlam, met gekke, diepe oogen, hevig in brand staand van hartstocht, wijd-open en strak, en z’n zilveren haarlokken kluwden over z’n nek op z’n rooie borstrokhemd, dat beulig-verlicht bloedde in het fel-kleine schijnsel. Zoo bleef ie staren, z’n kindergezicht pal in ’t licht, z’n zilveren baard verglanzend boven het helle, angstige rood van z’n verbeuld lijf. En tègen z’n ingekrompen gestalte, de kille kelderduistering, zwaar dreigend om ’m, met d’r verschrikten nachtrommel, goud-schichtig verlicht, in gril van lampjes-schijn. Roerloos zoo, bleef ie zacht hijgen, z’n adem als gouden damp uit z’n mond verstoomend. Langzaam kwam zwijmel bij, viel de kou om ’m, al voelde ie ’r nog niks van. Nou alleen onderging ie bewuster, in roerloos genot, dat daar, iets verder, in dien vuilen spinraghoek, waar nooit ’n sterveling kwam, dat dáár, achter dat beskot z’n spullen lagen. En altijd [190]vóór ie ’r was, doorrilde ’m die zwijmel, die ontroering.… angst, dat ze d’r niet meer waren, dat ze’m hadden bestolen, beloerd, gevolgd, en zachtjes an z’n rommel weggeganneft. Rauw joeg ’t in ’m, de drift om te zien, dadelijk, dadelijk, en toch ging ie niet.… Teruggehouen door den zweet-angst, dat ’t er niet meer wàs zooals hij ’t bewaard had. Hij.… àlles.… Godskristus, dan zou ie gek worde, moorde, skreeuwe, slaan. Nou mòar kaike.… Langerst was ’t nie uit te houe.… hai most, moest durrefe.…

Met ’t lampje, èven voor zich uit, boven z’n grijzen kop, die nu strak stond en wit van hevigen hartstocht, in fellen gloed, schoof ie langs de groezelende stil-morrende kelder-dingen, die schuw in voortkruipende glanzing òplichtten in stilte-angst, uit hun vuilen, zwarten slaap van eeuwig-vunzen nacht. Voort schoof ie, tusschen vaten, touw, manden en turfstapels, lijf-ingebukt, met z’n hoofd de zoldering rakend, overal rondom, rossige adem verdampend. Zacht stapvoets vooruit, verdrong ie den huivernacht in den diepen kelder, met z’n licht, z’n bloedrood ondergoed, met z’n zware haararmen, uit opgestroopte mouwen fel beschenen, tot ie eindelijk pal bij z’n spullen stond.

Sidder-ontroering rilde door ’m.…

Nou, nou.… nou sou ie ’t sien.… sien!.… Waa’s d’r? waa’s d’r?.… allegoar?.…

Even ’t lampje op den grond. Wild nu joeg licht om z’n eerst donkere beenen over killen vloer. Fel bloedde pijpenrood van z’n broek en smerig z’n plompe voeten lichtten òp, in vervuiling van de lange roetige nagels. In donkeren val zwenkte ’t licht van de wanden op groezelgrond en lage rommel-stapels, dreig-schaduws tuimelden, trillende lichtkringen boorden zoldering in. En angstig, de dingen stonden in nieuwen lichtglans weer. Groot-zwaar verdeukt, reuzigde ’t schaduw-lijf van Gerrit in donkere vlakken tusschen vaten en mandjes, afgebroken, met gekneusde beenen, verplet hoofd en verminkte armen.… Dreigend silhouetteerde één reuzige arm en kabballistische schaduw-hand, in woest gebaar tegen de stomme dingen [191]van kelder in. Plots was Ouë Gerrit ingehurkt, graaiden z’n belichte handen en haar-armen in de laagte, op de steenen. En z’n kop, gloeide vlak bij de lamp-vlam, dat z’n baard in zilveren brand stond, z’n rooie schonken bloedden, z’n vingers grabbelden in beef-gretigen hartstocht, tusschen molm-vuil, boven z’n gestolen rommel rondgestrooid.

Telkens zag ie wàt blootkomen.… de schoentjes, gespjes.. parasolknoppen.… lepeltjes.… de groote armband.… alles. In waanzin greep ie, huilde, viel er op, lachte, huilde.… wou ie schreeuwen, gillen, onderdrukt; moest ie in stikkende ontroering, er geknield voor blijven staren. Gek zou die d’r van worden!.… Puur daas, nou ie ’t doar allegoar legge sag.…

Z’n borstrokhemd trok ie los van boven, uit benauwing, snakkend naar lucht, dat z’n verbronsde halsvel, ongewasschen, bloot kwam. Dichter schoof ie ’t lampje naar zich toe, dat z’n spullen in glanzen tegen ’m òplachten. En overal rondom, met weggeschuif van licht, engen keldernacht in, stáárde schrikstilte en schaduwangst. Op ’n turfstapel, achter z’n hok, ’n eind van z’n rommel af, had ie zich eindelijk neergezet.… Zware tranen van woest genot zwollen z’n oogen in.… Zichzelf zei ie, dat ie niks nou denken mocht.…

Kaike.… kaike.… nies aa’s kaike en effe voele moar!.… en nou beseffe daa’t allegoar van sain waa’s.… Dattie dàt ganneft had, toen ouë vrouw Bekkema juist uit de kamer gonge was.… enne dit.… van d’r nichie, die d’r f’rlesjeerd had.… en.… en.… Neenet.… neenet.… nie denke.… nie denke.… kaike.… allainig kaike moar!.… doar.… doalik weer.… En niemand-nie die ’t wist.… soo tussche de sakke en muiserommel.… en mit de skoomoak hài d’r bai.… effetjes.… om se boel swerfe.… in dien diepen stikdonkeren hoek, woar z’n smerig waif en Guurt nooit-nie ’n hand an dàan hadde.… Soo òpe de rommel en tug nooit nie sien.… soo.… tussche spinrag en molmvuil.…

Weer beef-greep ie naar z’n lampje, zette ’t neer op den vloer, lichtte bij, pal op den rommel, dat ie àlles, alles zien kon.

Kaik de oàrmband skaine!.. puur goud.… sóó legge moar.. [192]nie ankomme.… soàlig!.… kaik die knoppies poarlmoer.… niks doen!.… soo legge.… godskristus.… van sàin!.… gain sterveling die ’t wist.—

Waanzinnig in genot, stormde blijheid en angstgeluk naar z’n keel, dat ie schreide, schreide van spanning, lang, heel lang. In gretigen buk wrong z’n rood lijf vol kreukels, in begeeropslurping; wreef ie z’n begloeide haar-armen langzaam in verrukking, drukte ie op z’n hoofd, graaide door z’n baard, stonden z’n naakte voeten ingeklauwd in hun vergroeide vuile vingers, tusschen ’t molm, krom en driftig van passie. Dàn ging ie zitten er van af, met de lamp aan z’n voeten, dàn weer sprong ie op, plots met ’t licht op z’n spullen, dat ’r telkens woeste schaduws rond ’m instortten, in donkeren tuimel, zonder geluid, stomme schaduwmoorden, stil in keldernacht. Zoo bleef ie staren naar z’n waar, ’t licht aan z’n morsige voeten, z’n ingebukt lijf; z’n stil-dreigend verkneusd silhouet reuzig er achter, op muur en rommel, meedoend elk waanzin-gebaar van grijsaard-maniak met z’n zilveren glanshoofd en kindergezicht; z’n baard, zwaar van levenskracht, geweldig beborstelend z’n rooie borst.—Zoo staarde ie, omdromd van donker stil geweld en zwijgstand der dingen uit keldernacht, die ijzigden rondom.—En bloeddonker in ’t licht, z’n beenpijpen rood begloeid als droop z’n lijf tot bloed, sloop ie telkens in verrukkingsgreep naar ’t lampje, op z’n boel af.… En dan wéér terug op z’n zitje, van angst, als de hartstocht ’m te hevig werd en plette z’n kop.… Terug dan, met z’n lijfhoogte de lage kelderduistering beheerschend, ver van z’n spullen, z’n vurige adem verdwijnend in ’t licht, satanisch, rillend op ’n turfstapel, als krankzinnig roofdier, opgesloten en gesard, dat nu en dan uit z’n hol opsloop, stil-vergramd ronddreigend in de kelderengte, wild zoekend naar lucht, ruimte, licht.… Zoo bleef ie ’r uren, hoorde ie den nachttijd niet om hem heen verruischen, wèg in z’n staar, z’n tast, z’n zalig genot.—De kou had ’m eindelijk zoo beet, dat ie bibberde en langzaam uit z’n eerste verrukking oplevend, hoorde ie òm zich rattengespring en stil nachtgeknaag van muizen, in klein-sarrend gewroet. [193]

Neenet.… neenet.… bang waa’s-tie heulegoar nie.… niks niemendal.… moar.… nou.… aa’s tie ’r nou moar eerst uit was.

Stil graaide z’n hand weer molm en vuil over de spullen.

—F’rjenne.… wa’ waa’s tie nou moei.… dood op.… en roar in s’n kop.… moar nou terug.… godskristis Ouë!.… f’rsichtig.

Zacht draaide ie ’t lampje af, heel laag, dat ’t blauwig spetterde in doodendans en gretig nu, uit den lichtval, diepte de kelder terug in stikke-donker, als had ie Gerrit opgeslokt met zwarten muil.

Bij ’t trapje stond ie even.… Plots viel ’m in dat de muizen weer leelijk aan z’n rommel geknaagd hadden en dat.… t’r veul beskimmeld was.… Moar stil.… nou nie an denke.… nou eerst d’r uut.… ’t Lampje zette ie op ’t treedje. Zachtjes ’t luik duwde ie òp, meenemend ’t lichtje.

Geraasloos kroop ie òp in donker achterend, even angstig luisterend of de koeien nog huilden. Maar geen zuchtje was er te hooren uit den stal.… Weer ’n endje beurde ie knielend ’t lampje verder. Angst klauterde tegen z’n keel, zakte weg in z’n knieën, in licht-makende duizeling, en zwaar-bang genoot ie weer, dat ie nou door ’t gevaar moest, langs de slapenden.… Blij was ie dat ie z’n kousen in bed uitgemorreld had.… dat was lucht.… lucht.… Klaar spitsten z’n zinnen zich op ieder licht geluidje. Even bonkten weer uit den stal donkere ringstooten. Nou stil.… Met de pit iets hooger, stond ie op vloersteenen achterend. Z’n voeten klompten als ijs.… Nou voelde ie ’t.… Nou zag ie alles.… nou, ’t licht even voor ’m uit!—

Op ’t drempeltje van kamerdeur, waar ze sliepen, keek ie op de klok.… Bij vieren.… Waa’s tie d’r drie uur weg weest!.

Zwaar geronk gromde uit de bedstee van Dirk en Piet. Nou was ie ’r. Niemand had sain meer kenne pakke.… ’t Gevaar was ie vlak te bove.… Gesmoord-wild gejubel brandde in ’m op.… Nooit.… nooit zouen ze ’m snappen.… nooit.… D’r was t’met nie één soo sluw aa’s hai. [194]

Zacht schoof ie de kamer in, vóór Guurtjes bed.… Even gleed licht over z’n slaapholletje.… Nou zou ie ’t lampie neersette in ’t vochtkringetje, woar ’t stoàn had, op vloer.… En nou d’r in.… d’r in.… aa’s ’n aisklomp sain bast.… en nou effe nog denke.… an.… alles.… alles.…

Plots schrok ie òp.… Nou zag ie eerst dat ie de deurtjes van z’n bedstee had laten openstaan. Godskristis.… da’ ha je’t!.…

’n Angst sidderde door ’m heen.… dat z’n wijf ’m gezien had.… Gauw, recht op ’t bed aan, liep ie, zag ie pal op ’t grauw-strakke idioten-hoofd van z’n vrouw, die ’m stom aanstaarde. Ze had allang wakker gelegen, maar niets had ze gezien of gevoeld. Niet eens dat ’r man weg was, of dat de deurtjes van de bedstee openstonden. Gesuft had ze uit angstdroom, in ’t donker.…

Plots was ’t lampjeslicht de kamer ingekringd.… d’r duistere oogen voorbij geflitst en had ze ’t rooie lijf van ouë Gerrit gezien, zonder te beseffen wie ’t zijn kon.…

Stomme ontzetting was ’r in de leden gehamerd. In één had ze Hassel op ’r zien aankomen, vergroot in z’n rood ondergoed.… en met ’n sidderschok door ’r lijf gilde ze schor-mal:

—De duufel!.… de duufel!.… hai komp main hoàle.…

Rauwe angstklanken, schor en ontzet van schrik, galmden kermend-gerekt door de nachtstilte. Overeind zat ze, vrouw Hassel, met handen vooruitgestrekt, krombeenig ingehurkt, schreeuw-gillend tegen ouë Gerrit, die niet meer wist wat ie doen, wat ie zeggen zou. Toch wou ie ’r verdringen, in bed springen, maar plots bonkte ze, met heviger krachtstooten en rukken, in zenuwangst z’n beenen van ’t plankje.—Op z’n knieën strompelde ie neer, scheurend z’n schenen langs ’t bed, z’n handen nog glibberig-onzeker vast aan ’t randje. En heviger furiede vrouw Hassel òp. Zwaar, met verkronkeld lijf, bleek-grauw-wild gezicht over beddeplank gebukt, wrong zich haar angstkop uit ’t donker òp, stáárden haar krankzinnige oogen schitter-dol en vermetel. Haar slaapmuts was ’r van ’t hoofd gezakt en losjes fladderden wat bleeke haren over ’r [195]angstgezicht, onkenbaar vermummied. Als waanzinnige, hysterische heks rochelde ’r stem, krijschte duivel-angst door ’r kermen héén. Ouë Gerrit kroop over den vloer telkens probeerend in ’n woesten sprong ’r tegen ’t peluw neer te smakken en plat te drukken met z’n hand beverig naar ’r spuwmond tastend, om ’t gil-kermen te smoren. Maar sterker, wilder sloeg ze z’n beenen weg van bedrandje, dat ie schuurde z’n kinnebak, neerbonsde tegen de plank, vloekend van pijn en benauwing. Guurt was in halven slaapduizel en schrik in ’r hemd opgesprongen naar ’t bed toe, zonder te weten wat er gebeurde, achter ’r vader áán.

—De duufel!.… de duufèll!.… móó-óórd, gilde vrouw Hassel, trampelend nu met ’r magere beenen tegen de beddeplank, dwars achteruit in ’t donker, ’r hoofd op de peluw afduwend, dan inéén overend, in woest-stil geloer, afwerend aanvallen van Gerrit, die weer op z’n beenen stond, telkens inbukte met z’n kop en handen ’t duisterende slaapgat in.

—Waif!.… waif.… hou je smoel.… hoho!.… je bin dààs.… puur stoàpel.… ikke bin ’t.… hou je bek.…—Voort bulderde de Ouë, die niet begreep waarom ze hèm den duufel skold, en vannacht tienmaal sterker was dan hij.—

Guurt ’n beetje bij, van den eersten schrik, wist nog niet wat er gebeurde, hoe ’r vader uit bed kwam en waarom d’r moeder zoo krijschte en kermde. Door ’t gebulder van ouë Gerrit, en ’t schrei-gegil, waren de jongens dommelig wakker geworden. In zware, woedende slagen bonsden ze hun bedsteedeurtjes open, stonden ze in hun ondergoed, achter het worstelende lijf van ouë Gerrit, die zonder verklaring maar doorbulderde:

—Hou je bek waif!.. waif!.. of ik snai je de strot af!..

Maar vrouw Hassel rochelde en gilde dóór, kromde zich woester overeind, sloeg razend in ’t donkere holletje om ’r heen, schuimig speeksel tegen gezicht van Gerrit spuwend, dat ie besmet stond van valsch mondvuil.

Plots had ze d’r man herkend.… en wilder nu rochelde ze door met rauw-schreeuwerig stem-geluid. [196]

—Moord!.… moord!.… hai wil main joàpe.… moord!.. moord!.…

Dirk was woest vooruitgesprongen, had z’n vader ’n trap in de zij gegeven, dat ie waggelde, greep de tang-sterke armen beet van z’n moeder, smeet ’r in ruwen ruk achteruit met ’r gezicht half op de peluw en smoorde in dekenkronkels zwaar òver vergrauwden haarkop gepropt, ’r angstgehuil.

—S’is puur daas, rilde Piet, en Guurt stond paars-bleek te bibberen van angst en kou.

—Stoàpel.… puur.… stoa.. pel, rilde ze na, met ’r slaap-oogen op achterlijf van in bed gehurkten Dirk starend, schuddend ’r gouddos op ’r koue bloote schouers.

—Komp hier Ouë.… rauwde Dirk, met z’n grooten, wreeden kop de bedstee uitgedraaid naar Gerrit toe,—sai begin weer strak-en àn!.… pak jai d’r poote.… goan d’r op legge.… ik hep nou d’r kop.… stevig-àn hoor!.…

Rood donkerden de zeerende wimpers van Dirk uit slaap-schrik, gezwollen, tegen lichtschijn van ’t lampje, dat Guurt nu midden op tafel had gezet. Snel weer z’n kop hevig draaiend staarde ie ontsteld in hurkhouding op de bobbel onder ’m neèr, die hij indrukte. Zacht gekerm en verdoofd gekrijsch kreunde uit de dekens. Dirk, in al z’n krachtzwaarte telkens opgewipt door ’t ingesnoerde zenuwlijf onder ’m, kroop verder in bed, drukte zwaarder met z’n knieën op de plek waar vrouw Hassel’s nek zat, plette, zelf radeloos, in angst, niet beseffend, wàt anders te doen. Moeder was plots gek geworden. Dat voelden de kinderen. En niemand viel ’t in, den Ouë te vragen, hoe ie eigenlijk uit bed kwam. Op d’r beenen lag ie nou, Gerrit, neergekrampt in ’t donkere bed-endje. Maar telkens even, rukte vrouw Hassel in angstkrampen en stuiping van d’r voeten ouë Gerrit òp, dat ie waggelde, in den hoek beukte met z’n kop; dan weer trapte ze’m tusschen de liezen, dat ie wilden, jagenden pijnkreet uitstootte en vloekte.

Onderhands bedacht ie, wat ie zeggen most als z’m vragen zouen, waar ie geweest was, wat ie d’r uit te doen had? [197]

Niks.… niks heulegoar gain uitproatje had ie.… Dat moakte ’m stikke van angst.

Zachter, al zachter kreunde en kermde vrouw Hassel. Toen, als in schok, begrepen Piet en Guurt in één, dat ze stikken ging zóó.

—Houw op Dirk … houw op, gilde Guurt ontzet, je smoort d’r.… se hep gain lucht.…

—F’rdomd, gromde Piet, se stikt t’met.… dá’ holp nie.… lá’ d’r nou los.… Dirk, zelf geschrikt, plots voelend dat ie ’r vermoord kon hebben, was angstig van d’r lijf opgesprongen, Gerrit uit z’n hoek meesleurend, nu vrouw Hassel d’r beenen al wat minuten beweegloos gehouen had. Met z’n zware schonken, dachten ze, dat Dirk ’r doodgekneusd had, moeder gestikt onder de lakens zou blauwen.

Guurt en Piet rukten de dekens in plooiwarrel van d’r hoofd. Stil lag ze, roerloos verwrongen met grauw gezicht en vuil-grijze flodderharen voor dichte oogluiken gekroest.… Zacht kwam er hijging in ’r lijf.… openden de kijkers weer, na ’n poosje, glurend door harenwar op Hassel, die in benauwde streken over z’n baard wreef, ingekrompen naast de kinderen voor ’t bed stond.

Plots in gansch onvoorzienen ruk, sprong vrouw Hassel weer overend, aap-lenig op Hassel af, spoog z’m witte klodders in z’n gezicht, schudde z’n langen haarkop.… gil-roggelend:

—Moordenoàr, je hep main wille joape.… ik hep ’t sien.…

Nu was ’r geheugen sterk even, in krisis. Machteloos, met lendenen achteruitgedrukt viel Gerrit op z’n knieën, in dollen angst, dat ze’m gevolgd, gezien had in den kelder.… In z’n benauwing daarover, voelde ie bijna de bonken niet, die z’n vrouw ’m op zijn grijzen kop en nek hamerde, met krampige vuistwoede, in waanzin. Guurt, angstiger nu, gilde mee, en schreeuwde huilend dat ze de buren verderop roepen zou.

—Hou je bek, snauwde Dirk, zoo wait hain.… is nog nie.. sel d’r wel mores leere.… Hier Piet.… graip jai d’r poote.… den Ouë leg tog veur merakel.…

Dirk wilde eerst den Ouë losrukken uit de kramphanden [198]van z’n moeder, die in woeste dierdrift doorstompte en mokerde. Gerrit vloekte, al benauwder dat z’m sien had, dat se ’t doar soo inéén sou uitskreeuwe,—mepte zwakkies terug in ’t donkere ruimtetje, tegen de magere roggelborst van z’n wijf, soms ’n woester bof, dat ’t kraakte op ’r karkas. Eindelijk had Dirk ’m losgeworsteld, en in waggelende strompeling ’m opzij geduwd.

—Si jai hier Ouë.… op die deele is ’t waif sterker aa’s wai..

Toen in loer, greep ie weer de handen plots van z’n moeder, sloeg haar er mee in ’t gezicht, boog ze achter de schouers half om, beukte ze dan weer naar d’r mond, dien ie dichtdrukte, plat als varkenssnuit. Wilde vechtlust driftte in ’m los, om ’t dolle wijf te temmen. Te hijgen stond ie, en Guurt, bijlichtend, krijschte gesmoord, doodsbleek d’r fijne hoofd in lichtschijn. Piet had ’r beenen nù vastgemoerd in zìjn schroefhanden en gekneld onder z’n zware schonken, die zacht, ademzacht bewogen. Langzaam begon angstkrisis van vrouw Hassel te zakken. Haar gezicht, los omwoeld van vuil-grijs haar, waaronder naakte schedel doorschemerde, lag grauw-paars te kaaksidderen, angstbezweet. Om ’r breed-dunnen mond schokten zenuwtrekjes, snel achteréén. En lossig zwabbervel van rimpelwang vlamde nu doorspikkeld van doffe vlekken. Uit ’r opengescheurden borstrok bruinde ’r smoezelig bloot lijf. Bij elken òpschok, knakte Dirk ’r met zwel-kracht terug in de peluw, haar magere armhanden geschroefd in z’n spitklauwen, kruislings over d’r borst, die hijgde zwaarder van benauwing nog. Zacht likte ze ’t schuim uit ’r mondhoeken weg. Plots begon ze uit te snikken, doofde angst-staar in ’r oogen, gebroken van flauw licht, keek ze weer rond, gewoon-suf als altijd, wist niet, wat ’r met ’r gebeurde.

De krisis was afgezakt. Angstmom van straks leek uit ’r gezicht weggerimpeld. Zwak, in uitputting nog, vroeg ze naar Dirk òp, huil-schokkend.

—Waâ is d’r.. wa’ hou je main vast.. is ’t al loat hee?..

—Hou je bek, snauwde Dirk, je bèn d’r daàs,—niet beseffend, dat grienuitbarsting eindkrisis had gebracht. [199]

Stil weende ze door, handen kruislings-stil op d’r borst gedrukt, snik-scheurend als altijd, niet wetend, waarom ze huilde, alleen bang maar weer dat ze ’r zouen roepen, d’r naam, dat ze dit en dat weer vergeten had. En ook dàt gevoel dofte weg, hield ze nog maar alleen den angst, zonder te weten waarvoor. Ze zag ze nu allen met bleeke gezichten zwak-belicht, maar ze begreep niet wat ze wouen, die koppen. Ouë Gerrit zat nog op z’n stoel, onder de staartklok, in zich-zelf zacht jubelend, dat se niks sien had, ’t waif.… daâ’ se anders wel babbelt sou hewwe.… daa’ se niks niemendal sien had.… en aas se’t wete had.… waa’s sai ’t tug doalik kwait.…

—Moar snof’rjenne voàder, riep Piet, ’t bedsteedje uitspringend, nou ie zag dat z’n moeder zich niet meer verroerde, d’r beenen machteloos leën,.… hoe kwam je d’r uit? Hep se je d’ruit trapt?

—Ho.. ho.. nee.. hu.. hu.. so wait hain waa’st nie.… moar.… ik mos soo noòdig.… en toe’k t’rug kwaam, lai sai wakker.… begon se t’met te roase en te sloan.

Even had de Ouë geduizeld, bij de onverwachte vraag van Piet. Niet meer verwachtend dat ze’m vragen zouen, had ie er ook niet meer over gemijmerd wàt te zeggen. Nou was ’t er sebiet uitgeschoten, zonder bedenksel.… en heel gewoon klonk t’em alles.… doodgewoon,.. hij was t’r zelf verbaasd van. Vrouw Hassel hoorde ’r man spreken buiten ’t bed. Nou merkte ze eerst, dat ie niet naast ’r lag. Dirk had ’r handen losgelaten, maar bleef toch voor bed staan.

’n Half uur, in nachtstilte, dommelde ’t groepje bijéén, slaperig wakend weer, voor ’t donkere bedje. Ze bescholden ’t wijf, snauwden ’r toe wat ze uitgehaald had, maar ze sufte wezenloos ’n stamel-woord terug, zonder begrijpen. Stil-suf bleef vrouw Hassel rondstaren, niet vragend, in zachten snik soms. Piet bromde, dat ’t nou puur daan was.

—Se moak g’n sloffies meer, gaapte ie in armrengeling.

—Daàs is se nie.… aa’s se.… aa’s se gèk was dàn.… Nou.… ik goan d’r in.…

Alleen de Ouë durfde niet goed, bang dat ze’m zou wurgen, [200]als ie eenmaal stil achter d’r lag. Toen Dirk kwaadaardiger bromde dat ie d’r nou moar in zou stappen, deed ie raar, ouë Gerrit, net of ie weer naar achter moest. Maar Dirk vloekte wou niet langer opblijven.

—Is ’t nou daàn.… murrege roep jai dokter.… ’k mo’ vroeg op stap.… ik goan d’r in.… aas sai.… aas sai weer hep.… skreeuw je moar.…

Bang-stil was ouë Gerrit achter z’n vrouw gekropen, in angst dat ze zich dadelijk op ’m zou smakken als ze ’m zien zou. Maar heel bedaard bleef ze, ’m loom vragend of ie d’r uit was geweest.

Guurt plette d’r hemdkantjes weer recht, met ’r hand op zware borsten, klaar wakker. Ze begreep niks meer van ’t wijf. Ze had ’r kunnen slaan, uit wrevel, dat moeder nòu klaar wakker keek, en zij-zelf zoo geschrikt was. Maar toch voelde ze meelij ’n beetje met suffe staargezicht uit ’t donker opgrauwend.

—Wa’ he’k daan.… wa’ doe jai, smeek-stemde ze tegen Guurt, die ’t laatst voor ’t bed was gebleven.

—Niks.… niks.… jai was benouwt!.… goan nou moar sloape.…

Guurt stapte in bed, lekker onder de dekens kruipend, huiver-ha-tjes van kou uitbevend. De Ouë lag te rillen. Angst had ’m weer beet. Z’n vrouw wist ’t toch, dacht ie.… s’n spulle.. s’n spulle.…

En òver angstgevoel, dat ie z’n spullen zou verliezen, groeide wroeging dat ie stal, dat God ’m wou straffen.… Groene figuren en vlammetjes zag ie weer uit den donkeren hoek lekken. F’r wa’ ha’ Guurt de bedstee dicht daan.… Nou was t’r heule goar g’n licht.… En als ie even stil lag, angst zakte, dat z’n oogleden dichtkapten zwaar van uitputting, kwam er droom-benauwing, bleef z’n adem plots weg in z’n long, dacht ie te stikken. Met geweld, wild zat ie overeind, telkens en telkens, met z’n handen grabbelend tegen z’n strot, waar de benauwing rondkroop.

Z’n vrouw naast ’m, hoorde ie zacht weer lippufferen, in [201]doffen slaap, kreunig kermen. Nou kòn hij niet meer snurken,.… de rust in ’t bedhol drukte ’m in elkaar, hing om z’n oogen, z’n handen, z’n keel.…

Heel lang bleef nog nachtdonkerte in ’t holletje voor z’n oogen gonzen. En heel langzaam jubelde ’r weer iets in ’m, zoete mijmering, dat geen sterveling ’m toch snapt had.… da d’r nie een, puur nie één wist, dat ie spulle had, en waar ie ze had.. puur nie één.… [202]

[Inhoud]

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Warrelende schemersneeuw, traagvlokkend, wemelde over de breeë Baanwijk. De boomen kromden stamdonker tegen de dampende, gelig-wit stuivende straat. Van boulevardboomrij uit, donkerden heel van ver, hooge karren en paarden omnibus-schimmig ààn, tegen den tragen kringenden vlokwemel in. Even ’n vrouw, met triest-rood omslagdoekje en donkere kleeren, fantoomde òp uit ’n laag huisje, de leege straat òver. Alles witte, ingesneeuwd in stilteval. Bij ’n laag karretje, waarop blauw melkvat, dat met besneeuwde hoepels-omranding stond te eenzamen in ’n nauw wit zijwijkje, drentelde Kees Hassel heen en weer, wachtend op ’n kerel, die misschien iets voor ’m had.

Demping en dampige stilte witte van straatjes en daakjes. Hoog bij den Lemperweg naar ’t stationsplein, lag ’n groot brok weiruimte vol te wemelen met glanzige vlokken. Tusschen de boomen overal, als in traag spel van stoeiende hemellingen, schemerde prachtige stille warreling, over en op elkaar, ingangen bouwend en hooge boogpoorten van schemer-witte hallen. En àlom schuiner geweef van vlokken rond en om roerloos takgedonker, doodstille stammen, pastelgroen in broze kleurteerheid. Daartusschen nu en dan, beweeg van menschen met sneeuw-zware petten en jassen, wit, wit, onkenbaar bevlokt op gezicht, wenkbrauw en haar, doorsjokkend met donkerend lijf tegen den stoeidans van vlokken in. En voort weer wemelden glans-zacht en kleur-schitterig in zachten spat, de groote verstillende vlokken, op de al witter aarde, al dons-zachter, op de roerlooze wachtende takken, op de doodstille stammen. [203]

Aan allen kant lag Wiereland ingesneeuwd. ’t Ouë jaar was als ’n woest stuk leven voorbijgestoven, met nachtlijk rumoer, gebras, en zuiplappen-gekrijsch van kerels en meiden, verdierlijkt in jammer. Kouer bleef ’t in stedeke en Duinkijk, rondom de groote heerlijkheden van Van Ouwenaar en Duindaal, met z’n witte akkers en noordpolige blanke weibrokken, zelfs als de zon plots doorschitteren kwam en blauwe dampen goot over ’t landwit, dat violet-zwaar verschaduwde in ’t bleek-gouïge licht.

De vorst steeg en mopperend vloekten de kweekers, dat hun gewas uit den grond was komen kijken en nou t’met doodvroor. Avond daarop daalde de vorst, modderden de wijkjes weer in drassige brij, grauwden jammerdagen in laag grijze luchten, verdruild door ’t vale stedeke, tot wéér inviel sneeuw, almaar sneeuw, aanwittend en bedonzend de wijkjes en huisjes zonder dat er ijs kwam in de sloten.

Kees stond te trampelen van voetenkou. Nou zou ie met den vent ’n hoekkroeg ingeloopen zijn, als ie even bleef passen op z’n karretje, maar die kwam niet terug. Verrek, dan zou ie ’m smeren.

Op z’n erfhuis bleef ie rommelen, uit ’t pleehok wat gier opscharrelend. ’n Paar dagen had ie helpen opladen en wat kwartjes verdiend, met nieuwe mandbodempjes maken. Nou was ’t weer daàn. Morgen zou ie reis, puur uit verveling z’n rot brok skuur slope en ’r blokken van zagen. Kon ie maar mee met de tuindersboot op Amsterdam, wa’ wild en k’nijne smokkele.… da’ satte nou al die f’rdommelinge bai mekoar.… en nooit kon ie mee. Maar van avond zou ’t er nou erais van komme.… stroope.… Hij had afgesproken met drie lui, beruchtste wildstroopers van Wiereland, omdat ie zelf geen kogel en geen achterlaaier, geen sprenkels, niks, niks meer had. Z’n laatste laaier hadden z’m afgekaapt op bijpad, de koddebeiers. Piet Hassel, z’n broer wou ook mee, voor ’t eerst. Kon hem niks schelen, als ie maar geen grooten bek sloeg.

Tot donker bleef ie nog rommelen op z’n erfje, grom-nijdig en stil-wrokkend, dat er weer niks te vreten was. Donderement, [204]nou wier t’m te guur. Huiver-rillig schokkerde ie de kamer in, smakte zich neer, plat op den grond, voor laag vuurtje, waarin takken vlamknetterden, als in winterpret-verhaal met doorbrande schouw en den donkeren konkelpot. Ouë Rams zat ’r weer met z’n beenen, in ’t verkort, in hoekje opgedrongen, pruimstraaltjes sissend in ’t geknapper. Even verwarmd stond Kees weer op, grommend. ’t Stonk ’r aa’s de pest.… en de zoete valeriaan, kon ie niet luchte, maakte ’m misselijk. Dan nog maar effe noar Grint.… tjonge die maid.… die Geert.… die draait sain puur veur s’n test.… wat ’n lief ding.…

—Waif aa’s t’met de kerels komme, lá’ hullie wachte.… aa’s hullie d’r om àcht uur nie benne, goan wai f’nàcht.…

Ant bromde iets terug uit ’t achterend, door wat schreeuw-kinderen heen. Tegen half acht dook Ant uit ’t donker, om ’t lampje op te steken in de kamer. Wimpie’s stemmetje zangde neuriënd uit z’n stikduister hoekje en ouë Rams zat even flauw-rossig bewalmd in zachte knettervlammetjes van schouw. Huilerig en drenzend sjokkerden de kinderen, in armoedigen lampschijn groezelig bewegend, zich hun vodjes van ’t lijf. Vier meisjes lagen al, nauw gekrompt bijeen in bedsteedje, elkaars adem opzuigend. Twee, met slaperige morsige kopjes ronkten naast drie woelenden, later ingestapt. Daàr, vlak boven hun hoofdjes, als in ’n doodkistje, plankte eng kribje dwars tegen bedstee-schot, klauterde Neeltje van vier in, met gatduwetjes van onderen opstommelend. De gonjen bevlooide zakken met haverdoppen, waarop ze lagen, stonken en wasemden vocht uit, als adem van ziek beest, door de krottige slaapholletjes. Smal hanglampje, pitjes-droef, groezelde wat vuil-geel lichtschijnsel op de magere slaapsnoetjes. Twee roodharige kooters liepen nog wat rond, met bloote modderige voetjes, drentelend in speelsche vadsigheid op den steenvloer, wachtend op nieuwe schreeuwen en porren van moeder, om in te stappen. Zuigeling lag in ’t bed van vader en moeder, naast Ant, voor ’t gemak ’s nachts, als kindeke de borst moest lebberen. Dientje, ’t moedertje, met ’r zenuwzwak kopje, [205]holle wal-oogen en uitgebleekte wangetjes moest rondgaan.

—Bidde.… helhoake, schreeuwde vrouw Hassel,.… nog twai Akte van Hoop enne.… Akte van Berouw.… kaik rond Dien.… gaif hullie d’r ’n mep.… dá’ kenalje.… la’ hullie nie klesseneere.… aa’s se nie wille.… d’r òp moar!.…

Bij knielend zusje Aafje ging ze staan om te hooren, in te vallen, te verbeteren. Toen Aafje klaar was hielp ze’r in de bedstee, voorzichtig tusschen de andere kinderkluit.—Van ’t schoorsteenrandje, uit ’n hoekje, peuterde ze ’n fleschje open, nam ze zelf met rillingen ’n lepel valeriaan. Voor d’r zenuwen, had moeder gezegd, omdat ze ’s nachts zoo schrikkelijk droomde, zoo wild dee.… zeien ze,.… op ging zitte, en bange gekkigheid zei. De kleine naast ’r most ook ’n slok, krijschte Ant weer even uit achterend naar Dien.

—En sai.… sai mo’ nog bidde.… Dien.… kaik.… f’rdomd se lait al.… Stommeling! kwam dreigend aanstuiven Ant.… Sien je nou nie daa’ ’k brood an ’t moake bin?.…

—Nou.… en.… ik bin soo moe.… zuchtte bleek-angstig Dien, ’r bruin stinkend rokje van d’r beentjes schuddend.

Met ’n smak had Ant ’n lang-ijzeren brood-vorm en ’n grooten steenen pan op tafeltje neergekwakt, dat de kinders verschrikten in de bedjes. Wimpie, die neuriënd naar ’n Moeder Mariaplaatje te droom-turen lag, schrok òp, hevig. Nooit kon ie slapen of moeder moest ook liggen, al werd ’t elf uur. Plots kwam grootmoeder Rams aansjokken uit achterend, vaagtastend in schuifel-pasjes overal heen, met ’r handen en armen krommig vooruit, alles werend waartegen ze op kon loopen. Haar zwaar korpulent oud-vrouwe-lijf, heupig-uitgezwollen, schommelde als van tiendubbel berokte vischvrouw. Op vetten romp stond ingekwabd nekloos, ’n klein hoofd, vossig-spits, met erin, leelijk-groene schichtige flikker-oogjes, weggediept in slappe, bruin-gele wangen. ’n Versleten paars jak met zwarte streepjes over loggen borstenhang, was kort afgefranjed in smerige rafeling bij tonnigen dijenschommel, en overal kromden ’r groote handen met worsterige week-dikke vingers en stompe vette armpjes,—gespannen in ’t nauw lijfje, [206]als kinderdijen,—vooruit, waar ze liep. Bij ’t bedje van Wimpie stond ze stil. Alleen nog maar schaduwen kon ze zien. Op den dag liep ze wel alléén, omdat ze wòu, maar telkens werd ze door goedhartige lui thuis gebracht, die ’r zagen zwerven en tasten. Als ze met ’r befloerste oogen, waar ’t licht al bijna uitgekringd was, in doffen appelstaar, strak tegen iemand of iets aanliep, stotterde ze van kwaadheid, gaf ze dadelijk de schuld aan ding of mensch, waartegen zij opbonsde. Nooit goed wist vrouw Rams wie wèl, wie niet in de kamer was. Maar sluw vroeg ze ’t ongemerkt den kleintjes, of Wimpie, denkend dat ze dan niet wisten, hòe weinig ze nog maar zien kon.

—Mo’ je, mo’ je nie wa’ drinke.… jonge.… vroeg ze Wimpie al tweemaal, die driftig nee had geschud, zonder dat ze ’t zag.

In ’r stem, schril en scherp lag bijtende klank van nijdigheid.

—Seg jonge.… hoor je nie?.…

—Nee.… nee.… neenet!.… ’k mô nie.… driftte Wimpie, met z’n hoofd draaiend, moeilijk in de peluw.

Over ’t bedje heen van Wimpie, boog ze ’r vossenkop, om ’m beter te zien, moar ’t mannetje begon te huilen.

—Wa wi-je tog.… wi je tog, angstigde z’n stemmetje.… ’k mo’ niks.… ’k hê niks vroagt.

Ant, met ’r handen vol meelklonten, staand voor ’t tafeltje, keek naar den hoek, barstte nijdig uit tegen vrouw Rams.

—Wa’ mo’ je tog moeder.… là sain s’n gangetje.… wa seur je.… je moak sain in de loorem.…

Stil-nijdig schoffel-paste ze weer weg van Wimpie’s ledekantje, langs bedsteeën van de meisjes, die nu met groezel-gelig schijnsel op stille slaapmaskertjes te snurken lagen, eng d’r lijfjes in elkaar gewurmd. Even keek ze in, vrouw Rams, zag niets dan donker, sjokte verder, met armen krommig-stomp vooruit, tot ze pal den hoek inliep, tegen lichtbak van Kees op.

—Daa’s jouw.… jouw.… skuld.… jouw skuld.… beet ze af, stem-nijdig zacht achteruit schuifelend. Maar niets hoorde vrouw Rams terugzeggen, begreep ze dat ze ergens tegen aangeloopen [207]was. Bij den haard bleef ze weer staan, in lichtelijke uithijging van d’r zwaren borsthang. Daar zag ze, in ’t schuwe licht, den schaduw-romp van ouë Rams, silhouet van z’n bloote morsige voeten in ’t verkort saamgekrompen; haar man, dien ze haatte, met wien ze al dertien jaar niet sprak, die haar ook nooit wat zei. Ze haatte ’m omdat ie Ant met Kees had laten trouwen, omdat ie Kees niet de ribben stuk sloeg en omdat hij nooit op ’m meeschold. En hij, in z’n grimmigen, eenzelvigen leefangst, oud, afgeleefd en verzwakt, wist niets meer van dien trouw-rommel af, wou alleen geen gezeur, haatte heftig z’n vrouw terug, zoo maar, uit afschuw voor ’r glunderige, ’r schimperige valschheid, al bleef z’n haat niet meer zoo fel in z’n kop nagloeien als vroeger. Maar bespuwen kon ie ’r, verafschuwen deed ie ’r, zonder ’t ooit iemand te zeggen. Ingedrukt, in een bedsteetje op duf achtergangetje, sliepen ze al dertien jaar naast elkaar, zonder ’n letter gesprek. En niks geen gezeur, van niemand, wou ouë Rams. Alleen maar stilte, nou ie geen werk meer kon doen, en vreete. Als ’r dat niet was, pruimpies en hitte. Zoo bleef ie zitten op z’n stoel, bij de schouw, zomer en winter, verlangend geen lucht, geen zon, geen straat te zien. Alleen mompelde ie: swaineboel.… swaineboel.… als Ant geen tabak voor ’m gebedeld had, of als ie z’n vrouw zag sluipen, rond ’m heen, zonder woord, al maar sloffend en tastend in grabbel.—

Ant stond nog aan ’t schuddende tafeltje, onder schijnsel van armoe-lampje, te grijpen in den vuilen, geel-glazuren pot, kledderde telkens nat deeg van ’r smoezelige vingers in plaat-ijzeren vorm, met ’r bemeelde handen, grof-bekluit, persend en plettend. In ’t lage kamerdeurke bleekte plots hoofd òp van vrouw Reeker van ’t pad. Guurte bracht ze mee van de straat. Achter ’r lang, rood omdoekt lijf, kwakte ze donkere hokdeur dicht, sjokte in zucht van uitputting op ’n krukje neer, bij de schouw.—

—Main kristus, is dà skrikke.…

—Gommenikki.… jai buurvrouw? keek verbaasd om, Ant.

Nooit kreeg ze bezoek van vrouw Reeker, omdat die zich [208]altijd, als vrouw van zuinigen braven kleinpachter, wàt te voornaam voelde om met Hassels-schorem om te gaan. Want Kees, nie waar, wà was Kees nou veur ’n snaiboon.… nog g’neens ’n los werkman.… Maar nou was ze zoo geskrikt op den weg, dat ze buiten ’r fatsoen ging.

—Buurvrouw.… hijgde ze nog met ademlooze stem, je mô.… je mô main effe.… effe an ’t bedoàre late komme.… gaif main.… ’n.. ’n.. bakkie woater.… is da skrikke.… dá’ ’n mins doen ken.… is dá’ skrikke.… liefe-deugd!.…

Ant wreef bedaard handen-plat over het deeg, gladduwend en indrukkend buitjes en geultjes. Zacht was ze naar Wimpie geloopen die nog wakker lag, om hem d’r vingers, rauw-bedeegd van witte kluitjes, te laten aflikken. Dat vond ie zoo lekker altijd. Met één hand in Wimpies breeën mond, de andere nattig, ruig afstrijkend aan ’r schort, vroeg ze half naar vrouw Reeker toe, met iets bits in ’r stem:

—Moar main goeie mins.… wa’ hep je.… je laikt puur f’stuur.… hier hai je ’n bàkkie.… doar in d’emmer.…

Grootmoeder Rams was om vrouw Reeker heen geschoffel-past, had vlak op ’r donkeren rug geloerd en eindelijk aan de stem gehoord wie ’t was.

—Wa’ hai je?.… vroeg ze schel tusschen Ant en vrouw Reeker inschuifelend.… hai je weer belet in je hoofd.… mi je spooke?.…

Ze lachte scherpe schraapgeluidjes uit en in tastrichting nijdigde ze haar woorden naar vrouw Reeker, die vóór ouë Rams zat.—

—Nou.… nou ik swair d’r op daa’k se puur sien hep.… twai.… twai.… eine van langest.… ’t pad.…

—Nou mins, de boose gaist sit in je.… scherpte nijdiger vrouw Rams, met sarrende mondtrekjes in ’r spitsig gezicht.… De duufel hep je bait.… dá’s nou main weut.… die hep je puur bait.…

Ant moest nog eruit, ’t brooddeeg naar den bakker brengen in Wiereland. Al ’n kwartier wachtte ze op vrouw Zeilmaker en Zeune die altijd meegingen, tegen dien tijd. [209]

—Je ken hier blaive, soo lank je wil buurvrouw, moar ikke mo’ effe main booskap.…

—Nainet.… nainet.… dan goàn ik mai.… dan goan ik mit vrouw Zeilmaker t’rug, zei drift-angstig vrouw Reeker, luchtig opstaand. Ik durf.… durf nie moedersiel allainig ’t pad af.… twai.… twai.… hep ’k d’r nou sien.… ik sit d’r puur van te trille.…

—Twai.… twai.… bitste vrouw Rams hoonend-streng.. mins ik seg moàr.… paa’s op je sieldrement!.… je ben an de duufel f’rkocht.… paa’s d’r op!.…

Plots met deurgebonk en gestoot rumoerden vrouw Zeune en Zeilmaker de lage groezelig duisterende kamer in.

—Kloàr buurtje? schorde met heeschige, mannige ventersstem vrouw Zeune.…

—T’met buurvrouw, nou he’k de eer van vrouw Reeker d’r besoek.… s’ is d’r puur tureluurs van, se hep weer spoke sien op ’t pad.

—Spoke, spoke? gier-lachte grof-hevig vrouw Zeune met ’r bassende mannestem.… ’t regent t’met aa’s de see.… stikke donker.… en ’n wind van foàldera!!.. neenet vrouwe! die komme d’r nou nie uit.… die blaive bai hullie perremetoàsie.… die.…

Bleek-bevend was vrouw Reeker weer voor ouë Rams op ’t krukje neergezakt. Achter haar schonkig lijf sisten in ’t groen-duister grootvaders pruimstraaltjes, sneller, sisscherp tegen konkelpotbuik aan. Vrouw Rams was weer tusschen de visite ingeschoven, armen krommig vooruit, in radden tast-schuif.—Ze wist precies nou aan den stemmenklank wie er waren; Kees hoorde ze niet. Die was weg, wèg.… want met al haar haat, was ze bang voor dien kerel, voor z’n razende drift.

—Ik seg moar, scherpte ze stil uit, da’ se d’r van bekold is.… behekst.… se mos puur belese worde.… daa’s nou main weut.… ik belees hullie allegoar.… Wimpie hep puur behekst weest.… deur hoar sloerie!.… die suiplap.… die maidejoàger.… [210]

—Moeder, là Kees se gangetje kregelde Ant, bang voor Wimpie’s drift, en ook omdat ze ’t niet zetten kon nou, waar die branie van vrouw Reeker bij was, dat ’r man zoo uitgemaakt werd.

—Wá! se gangetje?.… jai weut niks!.… niks, jai onskuld!.… jai weut nie wa se segge.… op de ploats.… enne op de polder!.… Moar nou.… hep ie.… hep ie de burgemeester weer wille dèursteke.… puur woàr.… en nou hep ie weer àlderlei meissies ongelukkig moakt.… puur.… en nou hep ie drie doàge se aige dood-soope in de kroeg.… bai ’t Veertje.…

—Daa’s jokkes, hai hep hier weest.… de heule week.… brak Ant nijdig af.

—Da lieg jai!.… hou je bek jai onskuld!.… hai beliegt je.… beliegt je!.… soo’n skaamteloose vuilik!.… hai legt ’t àn mi iedere maid van fleesch en beene!.… en.… enne iedere nacht hep ie stroopt die dief.… die ongeluk in je huis!.. allegoar bloedsinte.… aà’s tie d’rais wà afgaift.… je most sain!.… suilie moste sain fille!.… an rieme snaie.… soo’n gedrocht!.… soo’n ketter!.…

Ze stond te gebaren in ’t vrouwekringetje, woest-blij van binnen, dat ze op Kees schelden kon, dat ze d’r hitte-kregel kon luchten, nou bij vreemden, en hij toch weg was. Armen hoog boven ’r vossekop, gebaarde ze met ’r twee handen bij elk scheldwoord, en in vingerkrampige trekkingen, liep ze, in opwinding voortschimpend, tegen ’t lijf van vrouw Zeune, die ’r met ’n stoot, kwaadaardig achteruit bofte. Ant gaf ’r moeder gelijk, altijd als ze alleèn waren. Maar nou, nou vond ze ’t toch te bar.

—Moar moeder, wa’ hai je nou soo ineens op je heupe.… la sain se gangetje seg ik.… là’ sàin.… je kletst puur de honderd uit.…

Wimpie was begonnen, te snikken en te schreeuwen.

—Dà’ lieg ie Omoe.… da lieg ie.… Foader hep nies daan.… foader hep nies daan!.…

Met rood woedehoofd, doordrift van nijdtrekken, draaide [211]vrouw Rams zich naar Wimpie’s hoek, in schamperende spotlach.

—Hehie.… hehie.… nou.… dá’ manneke sel t’met beterder weute.… Aa’s ’k je moeder waas, had je al ’n veeg beet.… jou snurkert.… jou hufter.…

—Kom, kom waa’n geklieter.… bas-lachte vrouw Zeune.. je klets puur de honderd uit vrouw!.… kaik ’rais.… die skoape doar.… droaie d’r aige d’r van om.… je kraist se puur wakker vrouw Rams.… en kaik d’ris mins Reeker beefe.. nog ’n kommetje woater.… hee?.…

Ant was naar Wimpie toegeloopen, om ’m te sussen, zoende z’n handjes die krampig de lucht ingrepen boven z’n hoofdje in machtelooze drift-woeste gebaartjes, probeerend z’n grootmoeder wat plaatjes, en blokjes, van z’n plankje, naar ’t lijf te gooien.

—Toe moar.… toe moar, scherpte die valsch, gooi je groomoe moar.… oartje noar s’n voartje.… dat ’n driftbulletje.. je sou sain t’met molle-mi-de klomp.… toe moar.…

—Groote gerechte! daa’s sarre an ’t skoap, dà stoan je nie net vrouw Rams, barstte vrouw Zeune uit, met ’r zwaar manne-geluid.… f’r’wâ moak je proatjes, woar de duufel mi se’n moer nie an g’looft.… daa’s puur houe en bouwe.…

Rouw snikte Wimpie door, beentjesbevend, dat ’t ledekantje sidderschokte. Z’n stemmetje scheurde driftklankjes uit z’n keel, overstaanbaar verrochelend in z’n huil. Suffer door de herrie zat vrouw Reeker op ’r bankje, met ’r kommetje water in de hand, waaruit telkens beef-plasjes op ’r schoot plonsten.… Vrouw Zeune had walg voor ’t mensch Rams.

—Moar wà’ is d’r.… hebbe ze je dan hailig daàs moakt, baste ’r goeiige mannestem weer.

—Dá’ rooit ná’ niks—teemde vrouw Reeker,.. ik hep ’t self sien! en.… enne vrouw Grint.… van ’t pad, t’met ook.. mit d’r aige ooge.… d’r benne puur gaiste.… nou!.… nou!.… groote genoade! aa’s k’ran denk!.… kraig ’k koors van angst!.… Nou was ’k lest bai m’n zuster op de ploats.… [212]en die.… die.… sien jullie.… die hep d’r puur kenne woarsegge.

—Soo veul aa’s ’n tooferkol, schel-stemde vrouw Rams, sarnijdig weer in.…

—Nainet!.… puur nie.… puur woarsegge.… echt werk.… sien jullie.… en d’r man.… d’r man ken van alderlei genaise.… soo sebiet genaise, saa’k moar segge.… nou.. die is d’r ook.… ook.… van et spirre-ïsme.… sien jullie.. en nou he’k self sien.… aas da main aige toàfel danst hep..

—Och buurvrouw, daa’s gekkighait, lachte vrouw Zeune goeiïg-grof, vroolijk-ongeloovig, met meelij in ’r stem voor de strakangstig kijkende stakker, die zoo bijgeloovig was,.… aa’s d’r g’n mins ankomt.. ken de toàfel ommirs nie daa’nse.. àldegoar googelderai.… vast hoor buurvrouw.… vàst.…

—Nainet! nainet.… hield zwaar-wichtig vol vrouw Reeker.… ’k hep self sien.… wá’ main ooge tog sien mo’k g’loove.… Groote genoade!!.… ’k ben soo doos-bang in huis, hee?.… aas de dood.… Woa’k sit t’met, denk ’k da’ ’k gaiste sien.… enn.… enne ’s nachts durref ik niet ronden kaike.… Enn.… aa’s.… aa’s ’n mins op de plai mo mi pirmissie.… naim ’k ’t lampie mai.… in donker.… en.. en.… joa.… lache jullie moar.… je weu nie woar ’n mins toe komme ken.… nou.… dan.… ainmoal andermoal.… se’k lampie puur op ’t grondje.… veur main.… pàl veur main.… ikke bin aa’s de dood.… de dood.… en aa’s ’k ies hoor.… ’s oafes.… spring’k op.… gil ’k op.… want.. vroag moar an vrouw Grint.… of’ral sitte hullie.… of’ral.. of’ral.…

—Buurvrouw, sullie hebbe je daàs moakt.… en je maa’n?.. je maa’n.… wa sait tie?… hai mos je ’n rammeling gaive! Jai hep sain vroeger t’met ieder dag op s’n siel en soalighait mept.… nou most ie jou veur ’t bekkie sloan.… sain jullie glaik.…

—Main man?.… nou, die lacht moar.… net aa’s Kloas Grint.… moar.… moar ’s nachts leg-gie te bibbere van de nood.… [213]

—Gommenikkie buurvrouw, niks dan googelderai.… dá’ seg ik.… daa’s rommelpottrai.… Enne Driekoningge is pas daàn! drink moar!.… en stap op.… de wind stoan op ’t pad.…

—Jesis.… da nooit.… moedersiel op ’t pad.… doar hoor je nou niks aa’s.… klos-klos.… klos-klos van klompe.… enn.… aa’s je mi’n lichie komp.. is t’r g’n noàkende siel.. sien je niès en puur bai je oor is d’r nies aa’s.. klos-klos.. klos-klos.… komp soo puur op je af.… da’ je stik van angst..

—Nou seg,.… aa’s je main nôu!.… lachte vrouw Zeune.

—Nainet! Nainet! angstigde vrouw Reeker ontzet, met bleeker gezicht en verschrikte staaroogen, ik goan vast nie terug allain.… vast nie.

—Moeder! kermde Wimpie, zenuwachtig-opgewonden door ’t verhaal van vrouw Reeker.… Dientje en Jaa’nsie.… enne.… hebbe sait.… da’.… da’ snags.… ’s nags ’n woagetje mi sonder poardjes.… hier.… hier langest rait.… sóó.… deur.… deur de ploas.… Enne.… enne soo’ langest ’t pad.… soo.… hier vlak-en-langest!.… vlak-en-langest ’t roam.… Enn.… dá’ t’r.… da’ t’r.… ’n dooskop.… op sit.… op de bok.… die kaikt.… kàikt.… almoar kaikt.…

Z’n stemmetje had zacht geklonken in gesmoorde ontdaanheid door de plechtige luistering van de vrouwen, die mee-angstigden met ’t kind, in benauwde gezichtsvertrekkingen.

Vuil groezelde lampjesschijn over schemerhoekje op Wimpies bedje, en bleek z’n doodshoofdje grauwde in ’t vale schuwe licht, met angstoogen groot en wildsmeekend, naar z’n moeder.

Stil stonden de bemutste vrouwenhoofden, donkerend naar Wimpie toe, in angst-luister en even in plotse stilte loeide windvlaag ààn in klaagsidder van buiten om raamduisternis, naar ’t nachtpad.

—’t Is sonde jonge, je moak main puur oàkelig.. zei rillend vrouw Zeilmaker.

—Niks main jonge.… niks hoor, suste Ant, eigen bijgeloof-angst in ’r hart smorend,—aa’s ’k weerkeer.… [214]

—Neenet moeder!.… neenet! moeder mag nie weg!.… nie weg!.… gilde in dollen angst Wimpie, opsjokkerend z’n lijfje in kracht, met elleboogstut achteruit in de peluw, dat z’n zandzakken aan ’t voeteneind rumoerig bonkten, zadderend tegen ’t bed op.

—Moeder mo’ hier blaive.… ’k bin soo bang, ’k hep dooskop sellefers.… sien.… sellefers sien.… en kaike.… al moar kaike.… da’ sullie doen.… enne.… enne.. mi s’n neus op ’t roampie.… soo.… soo.… en kàike!.…

Lichter raakte geel schijnsel z’n doods-hoofdje, nu in angstgebaar vrouw Zeilmaker van z’n bedje wegdonkerde, ’t licht uit.—In groezel lampschemer van de kamer staarde ’t, in stillen schrik. Zweet angst-glom om z’n breeën mond en neus en spakig uitgekniesd, vleesch-vervreten, gebaarden z’n armpjes zenuwbenauwd boven z’n hoofdje.

Vrouw Reeker rilde, bezoog ’r kommetje water met kakementbeving tegen ’t steen en vrouw Zeilmaker sloeg bang, in oogenangst, ’n kruis.

—He je main ooit?! stem-drift e ze zacht uit.

—Daa’s droome main jonge.… droome, suste Ant weer.. aaiig koesterend z’n magere wangetjes en zweethoofdje.… daa’s nàgtmerrie. Murrige komp koàpeloàn.… kê je biechte main jonge.… enn.… aa’s je kommuneseerd heb is ’t daàn.. tog ieder moand sóó.… nie?.… Enne.… hep Omoe dan nie je kouse kruist veur ’t bed leit, ieder nacht?

—’t Is sonde, lachte nu plots weer mannerig-zwaar vrouw Zeune, je mot t’met op alderlei figgeleere.… kouse in ’n kruissie veur ’t bed.… jullie laikt hier t’met allegoar daas.…

Vrouw Hassel bleef sussend en streelend Wimpie’s angstgrauw gezichtje aaien. Naar buurvrouw Zeilmaker had ze stiekem gefluisterd nog even te wachten.

—Aa’s tie wat bedoard is, goan ’k mee.…

Vrouw Zeune was op ’t verbeukte waschstel over vrouw Reeker gaan zitten, kijkend dàn op neergeblokte stomme ouë Rams, die pruim-siste sneller, dàn op ’t beteuterde gezicht van vrouw Reeker, die kleine slokjes klappertandend, uit ’r kommetje opzoog. [215]

—Seg buurvrouw, barstte vrouw Zeune ineen weer uit, tot Ant, waar is tog jullie gait bleefe.… is ’t beesie dood?.…

’n Ontstelde wenk gebaarde Ant uit ’t halfduister hoekje, naar vrouw Zeune toe.

’t Beesje hadden ze moeten verkoopen, voor de huur.—Kees had geraasd. Wimpie was dol op ’t diertje geweest. Ruim ’n week had ie ’r om gegriend. Maar nou net docht ie ’r ’n dag niet an, nou gong dat waif ’t weer ophale.… Vrouw Zeune begreep half, maar zwijgend zitten kon ze toch niet. Ze was gewend an venten, schreeuwen, drukte en wat ’r man, klein tuindersbaasje, niet kon, lapte zij met ’r lolligen mond op de markt en in Amsterdam.

—Seg buurvrouw.… is da’ snuit van ouë lappe al hier weest?.… de huur ophoale saa’k moar segge?.… Is ’t ie al hier weest?.… wá’ ’n dwarrel hee?.… Waa’n geep.…

—Swaig buurvrouw … bin aa’s de dood … aas’k sain sien buurvrouw, jammerde vrouw Zeilmaker … Nou kraigt ie van main puur ellef weeke.. nou sien ie, dá’ Joap nies omhande hep.… main Kees nies.… main Willem nies.. Nou sien ie dâ wai droog brood vrete.. nou draigt ie rond.. dà je de skrik om ’t hart sloat.… Main Kristus.. hai trapt ons op stroat..

In woede trok vrouw Zeilmaker ’r kort rood sjaaltje dichter om ’r schouers, prik-puntend onzeker, ’n speld in de wolstof.

—Hoe’s gosminsemogelik, jammer-schudde vrouw Zeune, met ’r hoofd dat de zwarte balletjes van ’r wollen kaper juichten.… Dá’ kreng.… in de ploas bai main suster.… beefe se t’met aa’s se sàin sien. Enne hai sait moar.… hai sait.… de groote heere motte van main geld hebbe.… ik stoan d’r veur.… aa’s hai nie betoalt.… is ie s’n boantje puur kwait.. nou betoale se van somer dubbel huur sien jullie.… dubbel saa’k moar segge.… om aa’s dan in winter is.… nie d’ruit set worre.… Moar hai mot self betoale sait ie.

—Da’ liegt ie.… hai sait sellefers teuge màin swoàger … die bouwboer uit de polder.… hep ie sellefers sait.… hep ie sait da’ tie ons dondere sel tò wai nie meer kenne.… da’ tie ons achter ons duufelemint sel sitte.… [216]

—Hier-òp-an! Gommenikkie, aa’s tie morge komp.… baste woedend vrouw Zeune, ken ie ’n lik onder se’n kakebaine kraige.… waa’n skar.… waa’n kwinkwank.… Wai hebbe nie genogt in ons kop.… ’n mins valt t’r bai dood.… aa’s je nie je lol d’rin houwt.… sou je t’met j’ aige f’rsuipe.…

—Dá’ rooit na’ niks vrouw Zeune, schelnijdigde vrouw Rams ertusschen, hai ’s ’n fesoenlijk mins.… hai suip nie.… hai loop nie nòa de maide.… enn.… en ikke seg moar.… ’n mins sonder gòsdiens.… is.… is minder aa’s ’n beest.… daa’s main weut.… Hai.… hai is suinig, hai is fesoenlik en.. en ’n mins sonder gòsdiens is.. is minder.. aa’s ’n beest..

Stem van vrouw Rams beefde van nijdigheid. Haar lippen trokken hatelijk op, één mondhoek bleef natrillen, ’r oogappels stáárden, stáárden.…

—Nou, vrouw Rams, daa’s jou weut.… maar ikk.… ikke sien je?.… ikke f’rtrouw de vint nog nie mi ’n leeg flenelletje.… saa’k stikke.… Jai.… jai kèn nie sien.… moar ikke wel.… Enne.… enne.… vroag nou alle vrouwe van de ploas.… wat-tie sloerie, die vuilpoes van hòarlui hebbe wil.. aasse.… aasse nie betoale kenne.… Enn.… enne.… mí’ de jonge waife gooit ie ’t dubbel groag op ’n ékoortje.… En hai.… hài nie suipe?.… hài nie suipe? Nou ikke wou.… da’ ’k sain loodpot op da’ teràin hier had.… enne fesoenlik?.. Hep ie nie mi main Trien gain hoarlemmerdaikies wille moake? enn heb ie nie.… Geert.… van.… vrouw Grint ongelukkig wille moake?.…

—Daa’s puur f’nain.… fenain, schold met schelle stem grootmoeder Rams,.… hai is altait in de kerrek.… enne niemoant is t’r soo bestig in sain gloof aa’s hai … want sonder gòsdiens.… is ’n mins.… minder aa’s ’n beest.… snappie.. vrouw Zeune.… snappie?!.…

—Daa’s net, kalmde vrouw Zeilmaker.… gedrukt woar,.. aa’s ’n boek.…

—Nou dattie katteliek is.… nou is tie broaf veur vrouw Rams, baste gromzwaar vrouw Zeune, moar ik seg moar.… die faine.… die faine!.… daa’s houe en bouwe.… kletse [217]de honderd uit!.… moar die hebbe se hier!.… achter hoarlie elleboog!.… enne.… ikk.… ikke seg de gek.… veur main persoon.… ikke leen hoarlie lieverst main kerkboekie.. aa’s main skoatse.… saa’k moar segge.

Ant stond nog in schemer-vaal hoekje, aan bedje van Wimpie, die half onder stemgeraas insluimerde. Met ’r paarsig-magere, doorpeeste hand streek ze zacht-koesterend over z’n bleek-beenig kopje, dat alleen even opschokte, als stemme-gekijf oprauwde en vrouw Rams geluid, nijdig-schel boven de anderen uitdrong.

—Vrouw Zeune.… ’t is sonde.… schamperde zachter ineens vrouw Rams.… jai bin gevoarlik.… daa’s nou main weut.… jai goan.… vast.… in de f’rdoemenis.… jai kraigt nooit de genoade.… jai belait je skult nie.… jai hep gain ootmoed.…

—Bi-jai-’t-Hain! poe!.… poe! blies minachtend vrouw Zeune terug.… aa’s je nie puur veul ouer was aa’s ikke.… sou ’k je roake.… je mos je skame.… minss.… jài mot noodig klesseneere van ootmoet.… die flapt d’r me’r alles uit wá’ se leest hep in d’r kàtegismis.… da’ ke’k ook.… van elk skoap op de werelt spreekt se kwoad.… jai bin main ’n dàs.… hieròp-pan!.…

—Jai bin f’roordeeld, plechtigde klemmender vrouw Rams door, ’r starre oogappels in stemme-richting van vrouw Zeune, beangstigend in geloofsextaze, stijgend in stemmeplechtigheid.… jai goan de doossonde in!.… jai blaif.… brande.… in ’t onuitbluschboar voaagevuuur.… jai kraigt gewaitens-knoaging!—

Zelotische waanzin galmde door haar stem en ’r handgebaren, vaag de richting in van vrouw Zeune, strekten en krompen terug, in en uit ’t groezele kamerduister. Een starre grijns van dwepen stramde in ’r spichtig bruin-geel gezicht en rillend onder angstigen invloed, stond vrouw Zeilmaker ’r te bestaren.

Ook vrouw Zeune, in ander geloof, wist in ’t eerst niet wat ze zeggen zou, overbluft door de plechtige dreig-strakheid van vrouw Rams woorden in ’t stille krot, omloeid van windgeklaag. [218]

—Bi-jai-’t-Hain! lolde ze plots ruwig terug, na even stemmestilte tusschen allen.… daa’s fàine kemedie, mi-sonder betoale.… mooie f’rtooning.… allemàchtig.… waa’n waif.… komp Ant is ’t daan?.… ’k mot soo fort.…

Uit ’t donker bedsteedje waar Dien met d’r drie zusjes lag, rommelde plots rumoer òp en angstig gehuil. Dientje was recht overeind gesprongen.—’n Paar vuile lappen als dekking over de kinderlijfjes heengepuild, had ze van ’r afgetrapt, dat de karkasjes ingekronkeld, slaap-asemend, in doffe suffige stilte, naakt wurmden en guurden in ’t armelijke groezellicht. Te gillen zat ze overeind, met ’r mager verzenuwd borstje bloot, ’r groenige, mager-beenige knietjes onder de kin, staar-oogend tegen ’t donkere bedmuurtje, met ’r handjes krampig in ’r kort afgesneeën blonde haren woelend.

Ant joeg naar ’t bed, woedend. Van niemand anders kon ze wat velen dan van Wimpie.

—Hou je bek maid.… hou je.… hep je weer je malle kuure?.…

Maar Dientje zag ’r niet, bleef staren, krabde één handje op ’r naakte dij onder ’r smoezelig-goor vod-hemdje en met bangen angstsidder in ’r stem, toonloos heeschte ze zacht-gerekt uit, als in ijlkoorts:

—Hier.… hier.… hier hep.… pie main beet!.… Help help.… nou wil ie main steke.… Stil!.… stil!.… kaik hier.… stil!.…

„Help” had ze zacht uitgeheescht, en „stil” toonloozer nog doordringend, angstig-broos.

—Hou je bek mormel, d’r is niks, goan legge!.… d’r is niks!.…

Buurvrouwen waren in kliek naar ’t bedje gedrongen, met de koppen bijeen, het duister holletje ingebogen. Maar Ant drong ze terug en fluisterend vroeg ze aan vrouw Zeune of ze d’r effe, ’t flesschie uit den hoek van ’t schoorsteentje wou geven. Dientje, in bed, met ’r voetjes opgetrokken, op de gonjen zak, kromp in, stamelde zacht klankjes, lief-schreiend, die volgden r’ vingertje, dat strak-zeker iets aanwees op ’t donker muurtje [219]van bedstee. En zacht afgebroken, toonloos, heeschte ze weer.… plots met ’n gil ertusschen.

—Dà komp ie.… moe.… oè.… moe.… oe.… der!! Nou hep ie ’n mes.… enn.… enne ’k wor soo dik.… soo dik!!.. Main hoofd wor soo.… dik.… kaaik.… kaaik.… nou graipt ie.… enn.… o.… moe.… moe.… oe.… der!! nou steekt ie.… aijj.… aijj!.… ajj!!.… moederrr.… hai steekt.… moederrr!.… moederrr!.…

Twee kleintjes naast ’r werden wakker, wreven hun nachtlijfjes in kouguurte, huilden zacht in stillen schrik. In ’t ander bedje bleef nog stil alles. De half-open slaapmondjes zuurden adem uit in eng ruimtetje. Opgedrongen bijéen, in nauwe holletjes met armpjes op elkaars borst en gezichtjes gedrukt, grauwden de kopjes onder ’t groezel-zwakke licht, stil en wezenloos; verstonk er scherpe urine-lucht.—Vrouw Rams was van den haard, in tastvagen schuif, arm gekromd vooruit, door ’t vertrek naar ’t bedsteetje geschoffeld, scherpte weer nijdig.

—Daa’s de sonde van je sloerie!.… die suiplap!.… die maidef’rkrachter.… daa’s de vloek van onse Heere.…

—Hou je bek moeder.… seg da nie.… je moakt main roàsend!.… roàsend!!.… ’k sou sain f’rmoorde kenne aa’s tie thuis komp.… stootte Ant uit, in huilwoeste vervoering en snikdrift van uitputting.

—Da’ lieg ie.… da’ lieg ie Omoe.… kermde Wimpie er doorheen, die al lang wakker was, en stil-ontdaan te luisteren lag naar ’t zacht-ontroerde ijl-stemmetje van Dien.

—Moar buurvrouw.… wa’ skeelt da’ kind? baste driftig vrouw Zeune.

—Aldegoar senuwe.… senuwe sait dokter.…

—Nouw daa’s net, stemde verbouwereerd vrouw Zeune in, angstig kijkend naar Dientje.… daa’s eenderlai maine.…! moar sóó erg toch nie buurvrouw.…

Ant was weer naar Wimpie toegehold, had ’m geaaid, en gesust, dat ie weer rustig werd.

—Nouw buurvrouw, ik seg fierkant.… da kind doene te veul.… dâ is’t!.… Se hep main d’r nood al kloagt. Soo’n [220]hufter.… soo’n neutedop!.… Nou kaik.… ’s morges de polder in!.… enne.… kaik! om naige uur weer ’t gangetje skrobbe bai vrouw Leming.… soo’n skoap.. tut hallef ellef.. nie?.… nie?.… enne.… dan.… dan mos-se doalik na de ploas kèrante ombrenge.… veur Teunisse.… tut.… tut.… drie? da’ skoap!.… enn da’ hepse nog niks in ’r laifie.… en ’s middags jou hellepe.… en s’oafes mo se finte aa’s t’r is, mi poone.… da skoap!.… se loop d’r aige dood.. enne op de kooters passe!.…

—Wa’ gesanik, buurvrouw, nijdigde Ant.… is ’t main skuld?.… se hep niks meer om hande.… van skool kenne wai nie frete!

Nijdig slofte ze weer naar ’t bedsteedje toe, naar Dien die zacht-toonloos door-ijlde, met dwalend stemmetje; greep ’t kind met éen hand bij de polsen, brak ’r tanden, met scherp afgekartelde tinnen lepel van elkaar, ’n sloot valeriaan ijlend kindermondje ingietend.

—Niks aa’s senuwe.… dokter sait ’t ook.… se hep ’t nie veul.… soo eens in ’t weekie.… ja buurvrouw.… daa’s nou màin lééfe.… Soo mo je nou in d’r eeuwighait an ’t hannekemaie!.. naige kooters.… één an de borst.… sonder vreete!.… die màin ’s nachts nog leegsuigt.… drie moal.… daa’k gain oog toe doen!.… Bestig leefetje soo heè? gain wonder daa’k kaik aa’s ’n geroamte hee.…?

Ant snikte. Met ’t fleschje in d’r hand was ze neergestrompeld bij ’t tafeltje, gingen er schrei-schokken door ’r schouders.. De buurvrouwen, om ’r, stonden stil, met verdroefde gezichten.. Vrouw Reeker was heelemaal ’r eigen angst vergeten en stilletjes aangedaan van de narigheid bij Ant. Nooit zou ze zoo trotsch meer wezen, nam ze zich stilletjes voor en ereis wat sturen, als ze wat over had. Beschaamd om ’r grienen was Ant weer opgestaan, droogde met forsch schortgewrijf ’r oogen uit; keek ze neer, strak op Dientje, die zacht nog steunde en wartaal uit-angstigde, maar toch weer toegedekt lag, onder ’r stank-verwasemende half-rottende boekweitzakken, met ’r bleek, zenuw-doorschokt, starend hoofdje onder de luizende lappen uit. [221]

—’t Skoap is afgevrete aa’s ’n talhout, zei vrouw Zeune, meewarig,.… sullie doen te veul? te veul.… da’ goan hoarlie na’ d’r lui senuwe.… Buurvrouw wà.… wà vodde die kooters tug an d’r laifie hebbe, hullie rille kompleet van kou.… da gaift gain sloap soo!

—Daa’s main skuld nie.… Kees hep vast niks.… Nou droagt sai.… onderbroekies van Kees s’n broek.… en.… da mo’k bewoare.… en sai.… van hem’s rokkie.… en de klaine.… voering van ’n lellig broekie.… ikke lap en stop main aige ’n beroerte!.…

Plots schoot Dientje weer overeind met woeste schrikoogen en angstgebaar, in wijzende, kromme vingertjes.

—Moe-oe.… de veldwòachter moe.… dà is tie!.… hier!.… hie.… er!

’r Hoofd wrong ze wild weg tegen den buik van Ant, die zelf geen raad meer wist, en dood op was.

—Buurvrouw, toe, gaif t’r nog es effe ’t flessie.… wá’ mo’k beginne.… daa’s puur iedre week soo!.…

Door vrouw Zeune geholpen, drukte ze ’t kronkelend angstlijfje neer en sieperde tusschen de dichtgezenuwde tandjes ’t kind weer ’n slok valeriaan in.

Ouë Rams, bij de schouw, in ’t groezel-trieste vertrek, droefvaal en leeg-grauwend in ’t zwakke licht, siste achtereen z’n straaltjes tegen ketelbuik, verschoof z’n stoel dan rechts, dan links. Wimpie staroogde luisterend, uit z’n donkerend bedje, naar z’n zusje. Twee kleintjes, in ’t hokje naast Dientje, lagen nog zacht te snikken, wetend dat ze afgerost werden in vermoeienis-drift, als ze meeschreeuwden.

Kwijnend lampje groezelde nog even vuil licht over ’t vrouwengroepje vóór bedsteedje, waar sterker nu, tusschen walg-lucht van zoet-zurige valeriaan, vochtige vodden-stank uitrotte van zakken en smoezele onderkleertjes, in stank-hoopjes bij de bedsteeën opgestapeld.—Langzaam bedaarde Dientje, plooide haar gezichtje weer rustiger, dommelde ze in, naast de anderen. De kopjes van voorste kinderen, even, grauwig zwak-geel beschenen, in slaapmom, verduisterden vaal, in schrei-armelijke [222]kamerdiepte. De lijfjes ingepast, en vlak op elkaar gedrongen, lagen nog verwoeld en naakt. Zacht adem-stil slaap-gehijg zuchtte door de bedsteetjes, droever vergroezelend in ’t weenende geelgrauw. Doodmoe was Ant op ’n kruk naast Wimpie neergesmakt.

—Nou buurvrouw, nou goan ’k nie meer! ik bin d’r kepot van!

—Dan naime wai je brood mee.… goeiigde vrouw Zeilmaker.… ’t is ons f’rtrouwd héé? tjonge.… tjonge!!.… hoor rais de wind opsteke!.… ’t raigent t’met aas de see.… hoe komp je d’r deur!.… mi sukke goate in de skoene!.…

—Asseblief buurvrouw.… hier is drie sint.… dankie wel!.… hai kraigt nog acht en twintig sint.… en aas tie.… aas tie.… nie wil.… seg da’ Kees wa’ om hande kraig, miskien al.…

—Wa? hai je bai sain nog skult van brood?.… nee buurvrouw.… dan naim ik niks mee, angstigde vrouw Zeilmaker.. dan bakt ie vast nie.… vast nie!.… lest f’r main ook.…

—Groote genoade wa’ nou.… jammerde Ant met diepen snik-hik, handen, uitgepeesd-mager, op d’r gezicht drukkend, krampig.

Wimpie, woest, probeerde zich op te sjokkeren uit z’n bedje en ontroerd beefde z’n stemmetje zwak:

—Aa’s moeder huilt, goan Wimpie doalik dood.… doàlik..

Strak en besloten klonk z’n stemmetje plots, en scherp gloeiden z’n oogen in z’n vervreten-bleek hoofdje.

Ant, uit hoofdbuk, keek ’m aan, veegde ’r tranen met schort weg.…

—Meroàkelsche jonge.… hou je bek! nijdigde ze, kwaad van vermoeienis,.… d’r mot toch vrete weuse!.…

—Nou buurvrouw, aa’s vrouw Zeilmaker je brood nie pakt, naim ikke ’t.… Sien je.… de broafe vrouw Reeker, die ons alle drie wel koste ken.… die hout t’r mond.… die hep se hier.… enn vrouw Seilmoàker is d’r nou d’rais.… ’n faine.… van jullie gloof!.… Enn ikke.. ikke bin protestant.. moar ’t sit d’r dunnetjes op.… moar ikke seg moar.… van de faine [223]mo’ je ’t hebbe.… die hebbe ze doàr, achter hoarlie elleboog.. achter hoarlie mouw.… En bakke sèl ie!.… ikke hep de heule winter op de reutel.… en somers betoale.… altait ’n joar achter.… enn soo frete wai allegoar.… ikke.… sai.… hai.… Piet de heule dot tuinders.

—Joa,.… onthutst ’n beetje, verantwoordde zich vrouw Zeilmaker, moar jai hep omhande somers.… main Kees nie somers.… nie?.…

—Netuurlik, spotte vrouw Zeune, wai hebbe kerels, die d’r nog werreke.… wai kraige de heule winter op reutel.… hai hep nooit niks.… Och waif.… dá’ wee je nou ommirs nie?.… je mo wa òf’r hebbe veur je mèdeminse.… enne.. nou kaik da skoap reis an!.… hei je ’t nie durrefe woage?.. die poar sinte?.… nou is main man ’n prêchtig mèrk van s’n aige.… en nou vent ikke d’r self bai.… op Amsterdam.… en nou fedien hoarlie fent d’r t’met drie keere soo veul aa’s hullie.… ’t is skande!.… da gong noàr kerrik!.… nou.… je sou se molle-mi-de-klomp!.… nou.… dàg hoor! dag.… Wimpie!.… skoap!.…

Zwaar gromde ’r mannestem. Ze was de deur uitgehold en schoorvoetend, bedremmeld, drentelden vrouw Reeker en Zeilmaker na.

Grootmoe Rams schuifelde weer door de kamer, ’r zware heuplijf zacht in schomm’ling, spichtig d’r vossekop, loerend uit de staar-appels, armen krommig vooruit, in tast van dikke vingers, mummelend wat heilige katechismus-zinnetjes. En ouë Rams als ’n romp-blok in ’t verkort neergekwakt, siste langzaam, door kamerstil geel-grauw, z’n pruimstraaltjes tegen buik van konkelpot, met zachte onderdrukking van hoest die ’s avonds èrger oprochelen kwam.—

[Inhoud]

II.

Om tien uur klos-klompte Kees thuis. Wimpie lag nog wakker. De ouë Rams stommelde in gangetjesbedstee, naast achterend. Ant frommelde ’r plunje los, zwaar gapend met [224]zenuwgeluid. Windraas en regenstrieming loei-kletterden tegen ’t hoog-cellige raam van stil duinkrot. Met groote verdonkerde oogen lag Wimpie te luisteren, bang-roerloos in de stilte, naar het weer dat dol-gierde ’t pad rond.

—Goan je nie sloape, foàder?.… klonk vraag-aarzelend-zacht z’n stemmetje.

—Neenet jonge.… foader mot ’r op uit f’nacht.… doe jai je ooge nou toe, heè?

—Blaif je.… je.… dan de heule nacht wegg! gaapte in zwaren zenuwkreet Ant weer uit!

—Wee ’k niks van.… aa’s vangst goed is nie! hebbe sullie m’n spuit brocht?

—Joa.… he’k an d’muur hange.…

—Nou gaon jai d’r moar in.… breek je kop nie van main.. we hebbe ’t weertje da’ we hebbe mòtte.…

Kees had den achterlader, die dwars tegen den muur hing uit den hoek gehaald. Den lichtbak veegde ie van binnen, met z’n mouw, in ruwe smeren schoon; ’t glas langs z’n vuile zwaar belapte broek, waarover ie met moeite z’n hooge afgeloopen strooplaarzen had getrokken.—

Zacht rammelde ie de lamp van lichtbak aan z’n oor.… of d’r genoeg brandsel in was. Nog even moest ie den boel op monteren en spiegel-reflektor uitpoetsen. Zenuwachtig gejaagd kromden z’n groote handen door de àl donkerder kamer. In snellig beweeg trok ie z’n achterlader uit elkaar en rommelde de spullen met lichtbak in grauwen zak.

—Nou sloape, jonge, zei ie goeiig met vol-zware stem, rommelzak over z’n schouer slingerend, de punt-enden als knoop, stevig in z’n hand geknoest.

—Is nie errig swoar weer foader?.… zwak-angstig vroeg Wimpie weer.

—Daa’s net jonge.… dà hep foader juustement noodig.. aers vangt ie niks.… hoe meer wind.… en rege.… hoe meer schooje jonge.… daa’s ’t echte Janeòarie-weertje! Maar nou mo’ je sain pakke hoor!.. nou van niks meer prakkeseere hoor!..

Zwaar donkerde z’n reuzig lijf in z’n beschimmelden jekker, [225]in de lage duisterende kamer òp in àl zuiniger lampschijn.… Uitgemergeld doodskopje van Wimpie lag nu vaal bleek-groen groezelig beschenen, te staren naar de stille bewegingen van Kees.… Ant draaide lampje laag, dat ’t bliksem-blauwig uitspetterde, knielde in huiverende devotie voor krucifix en bad stil-snikkende woorden.—

Zonder z’n vrouw te groeten, even in ’t donker op Wimpie aanstappend, ’n zoen op z’n kopje drukkend, stapte Kees de kamer uit, zacht, op z’n teenen.—

Zware windbuldering van zee aandonderend, stormde ’t nachtpad rond en in kolkend gesplinter kogelde hagelslag tegen ’t raam van z’n krot, dat als donker dreigoog onder vuilen lap, den nacht in keek. In stikdonkere dreiging lag ’t pad voor Kees, dichtgestormd met helzwart, naar den zeeweg. Windgebulder rumoerde boven z’n hoofd, in duister geweld, dolwoest en orkaan-kermend in boomgedruisch. Kees rilde. ’t Wrokte hevig, gloei-hevig in ’m dat ie ’r uit most. Wel echt weertje voor de jacht, maar toch gromde er stikwoede en drift in ’m dat ie duinnacht in moèst, omdat ie ’r ’t land aan had. Dan nog liever met sprenkels, maar da gong nie meer, nou ie niks bezat. Nog tien had ie ’r toegedekt verleje week, en nou.… alles was ’m afgeganneft.… alles.… door de speurders.

Geen duimbreed voor oogen kon ie zien. ’t Pad weggezwachteld in diep-duisteren nacht, de lucht nog zwarter.—Hevig teisterende windhuil uit alle duinhoeken, raasde op ’m áán. ’n Endje zou ie den weg op gaan. Om half elf mosten de makkers er zijn. Bij elken stap rammelde de lichtbak en achterlaad-stukken in den zak op z’n rug, mee. Regen splinterde woest windkolkerig z’n naakt gezicht in, met vlagen scherp prikkelend en guur door z’n dunne kleeren heen-huiverend. Even bij windligging, floot ie rap, dubbeltonig licht signaal, ijl door den week-huilerigen nawind, verslingerd in de duisternis. Niets hoorde ie terugsignalen. Donderend takkengeraas rondom, in fellen rhytmischen zwiep en sneeuwigen regen, [226]plots z’n mond en oogen inwaaiend, als vlokjes smeltend nat. Wrevelig, met stikwoede in ’t lijf, bleef ie marcheeren langs ’t pad, poogde ie in te duwen tègen de windhoozen op duisteren zeeweg, die ver, ver voor ’m lag, toch vlak op ’m dreigde aan alle kanten, zwart dichtgegooid met donker orkaangeweld en wilgengezwiep. En van overal uit duin en akkers, stroomde aandonkering van zwarte windgolven, donderbruisend en kolkend, omsmorend, achter floersen van nacht, hallucineerende angststem van wind, die schreide, schreide uit alle hoeken; soms ijl in zijlanen schoot, wild en huiver-gillend, dàn plots klaagde, midden op den weg, waar lage wilgen, naakte stammen, nu zwart-gedromd stonden, in duister huivergebaar. Windeloei, zacht klaagde uit, in hallucinante klanken, als hooge mandolines, veelstemmige snarenween, samenschreiend met duisteren zang van de zee, die aanzong van ver, heel ver, over de duinen, en opschuimde z’n golven-bassen, oneindig wijd, in sidderend tempo door den nacht, klagelijk en wild, plots soms verspringend in schrillen variant met wind-mandolines.—En sterker soms, als orkaan even rustte en zachter gerucht uit wilgenduistre zijlaan deinde, klonk huiverende zange-klacht op, veelstemmige mandoline, zwevend boven breeë bassenrij van duisteren zeezang, die geweldig over het smoor-donkere duinland aanzwol.

Plots hoorde Kees, kort van den wegkant naar Wiereland, zwak doorwaaid fluitsignaal. Doar hà je de kerels.… Ril-ellendig, doorkild van kou, slobberde ie door modderbrei van pad af, den weg op naar de stroopers. Met hun vijven waren ze òpgegroept. Jan Breugel, Klaas Koome, Delker, Piet Hassel en ’n nieuweling Plomp. Piet had nooit nog gestroopt. Nou f’enoàved sou ie ’t ereis sien, wa se al deeën de kerels.—

—Ikke sien gain pitje.… snof’rjenne.… wà sitte se hier in donker.… wà sitte jullie, vloekte met driftstem de nieuweling Plomp, die zich onzeker voelde in den nacht, en telkens dacht ergens tegen op te loopen. Piet slifferde achter ’m áán, ook onrustig voor zich uit-tastend en morrend in stilte, dat ie geen hand voor oogen door de rumoerende duisternis kon zien. [227]

Kees sprak geen woord, in de donkere been-schuifelende ontmoeting. Stil liep ie naast Jan Breugel, die den lichtbak dragen zou.—Klaas Koome de „hazewind” en Delker de uitkijker, sjokten achter Piet aan, spottend met den nieuweling, berooiden bloemkweekers-knecht, die zich erg benauwd en zenuwachtig voelde, en barren spijt had dat ie meegegaan was.—Met Kees, dien Plomp donker-reuzig vlak voor ’m zag schaduwen, al kon ie geen stip van z’n kop zien, durfde ie geen woord spreken. Dat was duivelsmaat, leek ’m de gevaarlijkste van allen.

In den heuveligsten hoek van Duinkijk, achter woest-lage glooiingen, tusschen weibrokken ging de tocht en overal joeg ’t windtumult van zwarten nacht vol bang gekerm en zong nà, zwaar, uit ’t duin-duister, den droeven zeezang van vèr.

Piet voelde zich niks op z’n gemak, en bang starde angst in ’m, als plots windrumoer was uitgeraasd voor ’n oogenblik en de stikduistering om ’m nòg stiller staarde in den nacht. Dan nog had ie liever windgeloei.—Maar niks wou ie laten merken voor den blufferigen Klaas Koome.

—Hei Piet.… lolde die, niks voelend voor den angst-zang van nacht-orkaan.… op da’ teràin kenne me soame hée.… jai piept se in je stroatje.… nou.… en ikke.… ikke konsteteer.… van da’ Kees nooit mis skiet.… want hai.… mi s’n skooj-beweging!.…

—Hou je bek, dreigde Kees uit ’t duister, achter zich om-sprekend,—is ’t nou weer om de honderd uit te klesse!.…

Uit padhoek, bij dichten boomengroep, waar éven luchtbrok wild-droef grijs boven joeg in zwammigen veeg, kwam langzaam, loeiing aanzwellen. En dampig stond, diep achter woeste haag, ’n raam-hutje aan padkant, in gouïg kozijnlicht gelijst, als rossig nisje, zacht-heilig uit nachtkrocht opdiepend, in warrigen brandschijn.

—Nou stil Kloas, fluisterde Breugel, da’ hei je Piet Smeuling.… de koddebaier. Breugel’s stem was gaan fluisteren. Op de teenen knarsloos, in zachten stap, sloop ’t stoetje lichthuisje langs, dat éven fijnen goudschijn uit raam misten liet, zacht en warm de duisternis in, ’t pad zwak beschemerend. [228]

—Binne wai d’r nog nie?.… goan da’ wel goed?.… angstigde Plomp.

—Debies.… die sit nou al in de knaip.… op da’ teràin mò je Kees hebbe,.… blufte Koome,.… se selle je nie gannefe moat.… ikke konsteteer van da’ se je aa’s de drommel noar huis sture.… noa ’n uur.… op da’ teràin is ’t ’n jachtbeweging.… die je nie snapt.…

—Hou toch je bekke,—snauwde Breugel, die naast Kees nog liep.

—F’rwa’, main manneke!.… we benne d’r ommers nog nie?.… Seg Piet.… da’ há’ je bai motte weus.… verleje week.… twintig làngoore.… in twintig skòòje!.… en sestig woar-ik-’m-weutjes.… in sestig skòòje!.… hep Kees lapt!.. da waa’s d’r ’n mooie beweging.… hai stong de paas te merkeere op Bekkerbosch.… op dá’ teràin hep Kees de medallie.… Nou ik konsteteer van da’ nie eene uit Egmond, uit Hoafedrecht of Seekaik sain lait.

Onverwacht bleven Kees en Breugel staan. Piet zag geen hand breed voor oogen, sjokte maar recht uit, met vagen angst in z’n hart en Plomp gromde, dat ze veur sain part net soo goed naar de hel konne loope, geloofde ie ’t nog.—Kees en Breugel, geoefender, zagen al beter in de duisternis. Ze stonden voor ’n wegkronkel bij ’n dwarspad, dat ’t diepere duin indonkerde, vol zwarte heuveling. Zacht schuifelden ze voort, tot ze, aan ’n breeë sloot voor ’n weiland, op prikkeldraadschering stuitten. Met lichten sprong was Kees over de sloot heen gewipt als ’n reuzige dansende schaduw en vlug ’t stekeldraad overgebeend. Breugel en Dekker klauterden na en Kees achter uit, stemfluisterde dat ’r nou geen woord meer gezegd mocht worden. Klaas Koome, de praatzieke, nog staand voor slootkant, fluisterde Piet en Plomp toch in, dat hier ’t weiland lag en de strooptocht beginnen moest. Koome was over de sloot gesprongen, hield zich geklemd aan ’t prikkeldraad en grabbelde in ’t donker naar Piet en Plomp die ’m angstiger naklauterden.—Er zakte barre vrees in Plomp, dat ie gegrepen zou worden, maar nou moest ie mee.… D’r was t’met gain [229]freete thuis.… en allegoar hadde ze sain opgehitst.… hai los werkman.… hai mos t’r soo wa’ baif’rdiene.… ken se kossie bestig hoale.… beter aa’s mi poere in ’t winterland.… Moar lol had ie ’r nie in.… aa’s Koome.… die ’t veur lol dee.… en Delker.…

—Wel snôf’rjenne Plomp.… sien ik je snuit-beweging hoast.… Piet is t’r al lang, barstte Klaas Koome uit.…

Van zwaar besneeuwd gestruik, glibberde Plomp’s been af, telkens in ’t sloot-donkere nat, toen ie plotseling zich hoog voelde overlichten en òptrekken.

—Bi je bekranst, lolde Koome, krachtkerel,—paa’s nou op, dòndereminte!.… dá’ je op dá’ teràin je achterwerk nie an de prikkels sitte loat!.… sou t’met ’n kemieke beweging sain.…

Zacht, zweeflicht fluitgeluidje siste op kleinen afstand van Klaas, twee, drie maal achtereen, met klagelijken windloei mee, zacht trillend.

—Nou stoan je ’r Plomp.… hoor.… de wind lait!.… Kees fluit.… op dá’ teràin mot ie main hebbe.… merkeer de paas.… nou.… hierhein!.…

Met angst-bonzend hart en klopping in z’n hoofd, was Plomp op den donkeren weigrond gezakt. Nog niks kon ie zien, nou weer niet op nieuwe plek. Vóór ’m duisterde weer geraas en stormbuldering, overal pikzwarte diepte, waar ie dacht in te tuimelen, verder wijkend bij elken stap, en toch weer dichter op ’m áándreigend.—

—Was dá’ nou de angst van in ’t donker loopen?.… Was tie nou heulegoar g’n kerel? Moar vloeken kon ie, telkens vertrok ie z’n gezicht, bang tegen hek-werk pal op te loopen.… vaag, onzeker, niets ziend, niets tastend, en toch al maar vooruit!.… Nou klauterde de angst tegen z’n keel.… want hadde sullie nie sait, dat hier ’n skot van daan de koddebaiers loerde?.… kaik.… die motte nou loere uit de donkere hoekies en sain vastgraipe.… netuurlik.… Sjokkerig in tast, voelde ie zich bij ’t in duister fluisterende stoetje aangeland, dat hurkte laag bij den grond. [230]

Kees, ongenaakbaar, met krachtwil, stil in speurfijne zinnen, zenuwloos gehard en gericht op z’n doel, zonder schijntje angst, beheerschte drukke onbezonnenheid en tartende klets van Koome, die overal waar ie was ophakte met woesten geestdrift van z’n stroopersbedrijf. Kees verafschuwde den vent, omdat ie geen ernst had, en omdat ie niet òòk ’t stroopen verfoeide, daar ie toch goed te vreten had, van ’n goed zaakje als zaadhandelaar.

Voorzichtig had Kees z’n achterlader uit den zak gemorreld, de stukken in elkaar gehaakt, zacht, uit gewoonte, zonder besef, dat ’t windgehuil knarsgeluid overraasde.

—Koome,—zei heesch fluisterend Breugel,—je weut ’t … kaik nog moar reis.… noar Delker!.… ’t is hier heet.… jai houdt de sak.… Delker hep se tieme kloar,.… gaif Piet die.… en Plomp d’r ook een.… wa’ d’r komp,.… sloan toe.… Lá’ je nie bang moake Plomp!.… splait se d’r smoel van mekoar!.… nou stil!.… ’t is hier heet, heet!

—Wa’tte? beefde ontsteld bange Plomp,.… watte sait tie?.… wa’ mo’k mi’ die tieme?.…

—Stil, we sitte hier tussche vier koddebaiers, klankloos fluisterde Delker,.… aa’s die f’rrekkelinge ons in ’t stroatje pakke.… kenne wai de krentetuin in!.… Nou Piet, Plomp uitkaike!!.… aa’s t’r g’foar is!.… roep je wachtwoord: Hoarelim.… aa’s ’t goed goan.… Aimuide?.… kenne sullie deurgoan.… Enn aa’s de wind lait.… leg gie op s’n buik.… jullie ook.… kè je bestiger hoore ankomme!.…

—Mo’k jou achteròp, vroeg Piet?.…

—Stil, dâ’ goane hullie, heeschte zachter Delker, sloan d’r bakkesse in mekoar aa’s se je pikke.… aa’s hullie mi Kees an de stok kraige.… steek ie hullie rejoal deur d’r donder.…

Breugel zat op z’n knieën, voorover in duistering, met lichtbak aan touw om z’n hals. Kees hurkte naast ’m, z’n geweer ladend en zacht bemorrelend.

Even schimde rossig kerelstoetje òp in ’t waskaarsvlammetje van Breugel, die diep in den bak gebukt, beschut door jassen en lijven, de lamp aanstak. Na wat gepeuter en geknars van [231]’t schuifglas, dat ie op en neer trok, was ie klaar. Plots schoot flikkerende lichtstraal, als goud zoeklicht bliksemend over duisteren weigrond, die sneeuwbevracht lag.—Maar snel had Breugel, gonjen zak over den bak geslagen.

—Hailige moagd, schrik-schreeuwde Plomp, t’met sien se ons.… aa’s die bak.…

—Hou je bek, woede-fluisterde Kees, die nu klaar met ’t geweer aan schouder, in de donkering wachtte op Breugel.—

—Alles kloar.… wachtwoord.… kloar?.… Kloas?.… Piet? Delker kloar?.…

—Ja,.… presint.… merkeer de pas.…

—Merkeer de paas, dofte stem-gesmoord Klaas terug, ikke konsteteer van ’n prêchtig weertje.… die regen en windbeweging is prêchtig, lolde ie springend van joligheid.

Plomp begreep niks van den kerel. Hij rilde van angst, en nattigheid droop van z’n pet en haren den nek in. De wind joeg als ’n razende, ongrijpbare reuzenstoet van dol-kermenden, langs z’n kop en in kleeren, dat ie rilde tot op ’t gebeente. Huilen kon ie, grienen van woede en angst, onbestemden angst, dat ie mee was gegaan, daar nou zoo maar stond in ’t stikke duister, of ze ’m geblinddoekt hadden en dwongen met stooten en boffen voort te gaan.—Piet en Delker stonden ’n eind van elkaar af. Delker zweepte luchtigjes z’n teenen door de lucht, in suisgeraas, tegen weer zachteren wind in.

—Da’ ken je hullie ’n sneebeweging van gaife.… op da’ terain! lachte Klaas gesmoord, alweer vergeten dat er niet gebabbeld mocht worden. Een bof van Kees in z’n rug deed ’m schrik-stil zijn. Breugel stond nog even te morrelen aan ’t schuifglas van z’n lichtbak en z’n nektouw. ’n Endje van ’m af lag Delker al op z’n buik, met z’n oor op den grond gedrukt, te luisteren, nu de wind klaag-ver zacht schreien bleef uit boschduin.

Inéén liet Breugel zakpunt van lichtbakglas afsullen. ’n Felle stroom goudlicht schoot ’t donkere weiland over, tot aan heuvelige duinglooiing ver, heel ver. Kees stond soms hoog in rosgloed als achter vlammen, doorsmoord van donkeren rook, [232]waar éven rosse tongen uitlekken, in zwartbronzen brandschijn naast Breugel, die in snelle kring-zwenkingen den lichtbak, voor z’n buik op- en neer bewoog en schommel-cirkelde over de wei, in al breeër lichtbaan.—Dat had Kees noodig; overal moest ie zien. Ingebukt, ’t hoofd scheef ’n beetje, stond ie met z’n hand aan den trekker, soms wild, grillig verlicht even, dàn plots in ’t duister, dàn even beglansd weer op dij en rug. Vlak achter hen, in d’r diep-zwarte schaduwen stappend, donkerde Koome. ’n End in duistering achteraf, bleven Piet en Delker de wachters, meezwenkend met lichtbaan, in staar rondloerend de duisternis in, achter de kerels. Plomp, schuchter, stond angstig met z’n zwiepende teenen in de hand, beweegloos. Snel ging Kees’ stap, en statiger in rossig roodgoud gekring, slingerwijd kaatste fellen brand, door fonkelende reflektors uitgeschoten, over den schichtigen sneeuwgrond.—

En in duizel-drom, helsch-geheimzinnig, sloop stroopersstoet in felle schaduw, breed goud omrand, als ingebeiteld met lichtende kontoer, beweeglijk op den vlam-sneeuwigen weigrond, spraakloos in spanning, tegen de windbuldering in, die weer orkanen kwam.

Plomp sidderde. Z’n beenen strakten soms als werden ze vastgemoerd aan de aarde. En voort toch, in wassenden angst, stapte ie mee, met de groep voor ’m, in helschen schroei, tegen de lichtduizeling over wei. Soms bij plotsen zwenk van lichtbak, rossigde uit stikdonker òp, achter Breugel en Kees, buldogkop van Klaas, den „hazewind”, met z’n handen vooruit, dan weer ineen, bij nieuwen lichtschommel als weggeslingerd in duister duinbrok.

Bij nieuwen zwenk stond hoog, in één weer, achterhoofd en arm van Kees in ’t goudrood bevlamd. Hun schaduwen schommelden wijd rond, telegraafpalig, mager-verrekt, als dronken silhouetten, kruipend, inbuigend de wei langs, in kopstoot tegen glooiingen òp, soms in één gebroken, al langer, bang-langer van lijf.—Dan in ééns hield Kees in z’n stap, was er donker geschuifel, slopen de schaduwen, korter fel-zwart op rossigen sneeuwgrond, als turend en peinzend spel van schimmen, soms [233]plots, bij snelle lichtbak-wending van Breugel, in donkere aardeworsteling elkaar bevechtend. De stroopers-voeten sidderden in rossig licht, verdwenen weer plots, als ander weibrok vergloeide, in gouïge vochtdamping te trillen lag in vervliegende lichtbaan. Gejaagd, in al sterkere schommeling zwierf de lichtbak voor ’t lijf van Breugel, hijzelf in ’t donker, als levend, hijgend vuurbeest.—Onverwacht blondden zacht, twee konijntjes in ’t licht. Stand hield de bak-drager. Eén dierke zat rechtop, verbluft kijkend uit z’n rooiïge oogjes, als blindgeworpen met helle lichtglansjes. ’n Poefknal galmde achter hevigen windpats en angstige windhuil suisde om den loop-mond van zijn geweer. Snel laadde Kees, ingedrongen z’n beenen, vastgeplant in drassigen weigrond, schoot ie weer dat vuurvonken zigzag bliksem-blauwig uit z’n loop kronkelend wegflitsten in den dreignacht; liep ie door, snel in duizeling van licht om z’n voeten, tusschen den zwaveligen kruit-stank van schotwalm. Zwaarder knalde ’n schot, vergalmend nu wind uitgebulderd, klagelijk zacht rond-doolde.—Koome was achterop gehold, om ’t geschoten wild te grijpen. Konijntje, dat Kees ’t eerst geraakt had, kroop nog voort met pieperige kreuntjes, langs sneeuwgrond in donkerend bloedspoor. In wilden storm, voortstappend tusschen de zwabberende lichtstroomen, die alweer andere hoeken induizelend, over de snelstappende beenen heenschroeide, greep Klaas ’t weghinkend konijntje. Geweldig, beefzwaar van hartstocht, duwde ie den kop in z’n mond, beet ’t bloed-bespatte dierke met tandenhap den nek in.—Nou was ’t afgemaakt, kon ’t den zak in. Snel bukkend en spring-jolig, als ’n verhit dier, rende ie af op konijntje twee, door Kees geraakt. Uit zijn strot gromde kwaadaardigen drift, als ’t zacht-grommende keel-onweer dat ’n hond maakt vóór ie te blaffen dreigt.

—Magge sullie hoarlemèrdaikies moake in de sak!.… lolde ie, nà ze den kop ingebeten te hebben. Voort, zonder rust, laadde Kees opnieuw, klaar-staànd, z’n ingedoken reuzige gestalte soms even beflitst van lichtbak, in koorts van jacht, niets voelend van helleweer, nacht en angst. Plomp sidderde [234]en kreunde. Moe holde ie mee over de vlakte, aldoor denkend weg te zinken in greppel of sloot, als ie struikelend verzakte in drassigen kuil of aan den kant tegen sloothakhout opliep. Telkens voelde ie op z’n nek, sprong van koddebeiers, zooals ze ’m verteld hadden, dat ze deden. Piet joeg mee, half buiten adem, ongerust, niet wetend waar ie stond, hij, die dacht van heel Wiereland en Duinkijk elke duimbreed te kennen.—Maar stil bleef onrust in ’m woelen. Plomp mopperde achter hem aan. Heel alleen bleef ie in z’n angst, volgend den stoet, omdat ie niet staan dùrfde blijven, toch niet wetend wààr ie was.—Telkens als wind even stomde, hoorde ie suiszwiep van Delkers teenen, die al maar loerde, àchter, opzij, om hem heen.—Alles viel Plomp nou in.… Alderlei gehoorde avontuurtjes dwarrelden in z’n kop.….. die k’naine, die soo moar hinkend en half dood s’oafens de sak uitkrope.… en van de bijpatters.… drie.… vier gulde boete!.… aa’s tie d’r s’n aige nou erais stilletjes liet graipe? Want hai was toch allainig baipatter!.… niks droeg ie.… niks!.… gelukkig.… z’n tieme had ie allang weggegooid.… Kaik.… nou net.… weer.… doar had ie weer gedochte van die koddebaier die se pakt hadde an de ruïne van Braale.… ’s nachts.… nog net soo.… da’ hullie tòen met d’r viere vastgebonde hebbe.… op ’n plankie.… en soo ommekeerd boven ’n sloot hebbe hongere loàte.… wâ benauwing.… hailige moagd.… aa’s se nou d’rais dochte, da’ hai da’ mee an doan had.… meeholpe.…?

Langs ’m donkerden Delker en Piet.

—Kaik uit Plomp! ’t is hier heet … puur heet!… hullie loere van alle kante t’glaik.…

Met ’n woeste lichtslingering, die als zoeklicht over beenenstoet vlam-rossigde, was Breugel plots gekeerd, langs ’n duinglooiïng bij slootkant, laag den lichtbak tegen één plek grond richtend. Verdonkerd nu, zwartten hun rompen in snelleren schaduwgang, met évene beenbeschijning in fel rosgoud.—Langs prikkeldraad silhouette stoetje ’t donker in, als schichtig bevlamde spoken-opstand.—Klaas Koome dwarrelde [235]achter en om den lichtbak, in hazewindsprongen, soms dwars over lichtbaan heen, in z’n ophitsend, zacht gegrom wetend, dat als ie nou zou spreken, Kees ’m ’t geweer perdoes op z’n hersens zou stuk slaan. Plots klonk bang-kort, kreet-angstig.… Hoarlem!.…

De lichtbak doofde.… strakke duisternis staarde op ’t weiland, helle-duister. Visioen-bang was rossige lichtstoet verzonken in den nacht.

Van ’t nabijë kanaal dreunde òp ontzettende pijp-zang in winterweer, van reuzige boot, klaag-bas, diep en geweldig aanzwellend, als jammerende mammouth-stem in oer-nacht. Orkaangier zangloeide na, diep uit ’t duister. Plomp had in doodelijken angst, doorloopend, zich plots omklemd gevoeld om z’n beenen. Niet beseffend wàt er gebeurde had ie noodkreet uitgestooten, in angst-reflex om iets maar te doen. Nou, ingekrompen, gebukt in den loeinacht, zag ie, voelde ie niets op zich aandreigen, niets dat ’m knellender vastgreep. Snel, in goochel-routine had Breugel den lichtbak gedoofd en van z’n hals gelicht. Met de anderen was ie, zeker in z’n sprong, de sloot ingestapt. Kees stond met z’n stukgevreten modderlaarzen en doorrotte zolen in ’t nat, tot z’n knieën. Ril-kou sloeg om z’n beenen, ijzigend voelde ie ’t water op z’n naakte karkas inzuigen. Giftig stoof in ’m òp wilde dierlust om ze neer te hakken, zich in speelschen schijn even te laten pakken. Maar de kou verkoelde z’n gift, beet op ’m in, nuchter, verkillend. Heel z’n toestand, zag ie weer klaar, met stroopersroutine. Maar wat donder woar bleef Delker?.… en Koome?.… gromde ’t in ’m.

Die waren ’n eind verder neergehurkt in ’t donker, roerloos voor de sloot. Ze wisten allemaal wel, dat ze met den lichtbak, tusschen de koddebeiers doorgemanoeuvreerd hadden, dat t’r heet was, maar nou kwam er niks, hoorden ze niks.

Want dâ was ook wel hoarlie stiekeme pakmenier.… blaif sitte, jonges, sitte, bromde Klaas zacht voor zich uit. Piet lag zwaar-ingehouen ademend te loeren in ’t duister nachtgat voor ’m, te luisteren of ie stappen hoorde.… maar de wind [236]gierde áán. Eindelijk stond Klaas zacht overeind, keek ’t diepduizelige donker in.… Nergens hoorde ie geloop of aandreigend geschreeuw.

Kees floot licht.… Dat kon ie niet langer verdragen.… Zacht seinde Breugel hem terug, wachtend op windstootrust. Koome en Delker hurkten vlak bij elkaar, zonder dat ze ’t wisten. Delker, hoorend vaag signaal, sloop òp, stootend tegen Koome.… Alleen Piet en Plomp durfden zich niet roeren van hun plaats. Want zeker had ie ’t gevoeld, Plomp, dat ze an z’n beenen getrokken hadden.—

Kees woedend en doorbibberd van kou, was uit de sloot gesprongen, zong met zachte stem hoe.… éét.… hoe.… ééét!—Op ’t geluid àf nu, naderden de donkere kerels elkaar..

—F’rrek Delker, wá’ hai je roepe.. d’r is g’n vlieg op ’t pad..

—Ikke hep g’n bek ope doan.… ik docht dá’ Piet roept.…

—Ikke?.… ikke?.… hep niks sait.… Plomp waa’s ’t!..

—F’rrek, waa’s ’t die snaiboon?… woedde Klaas Koome, heul goed snurkert, we motte je weer meehebbe foàdertje.… op da terain poàtertje.… die skreeuwbeweging is nie kwoad f’rdocht.… ikke konsteteer van dà’ j’ mi’ moedwil dàan hep.… op dâ terain bin ik deùrpokt en deùrmoàseld.… nou legge de k’naintjes f’rdomd achter de poap!

Even klonk stemmengedreig van Delker en Breugel in ’t duister, tegen Plomp. Uit de nachtbefloersde koppen gromden zware vloeken.… Koome kon niet ophouên. Nijdig hakte Kees in stemmegefluister de ruzie door, met korte beveelwoorden, tegen gierwind in. Rondom den duisteren kerelsstoet, zwol ààn uit alle duinhoeken, helsch stormorkest, saamgeschald in nachtspraak.—Bange, sidderlange fluitgeluiden stegen hoog in woest-gillende vervoering, boorden dóór schaterende krakingen van dooreen gewaaide orgelklanken, met warrenden jammer van violen, wild en ijlend. En vèr.… vèr.… bòven laag toongestorm en gedreig, georgel en gezang,—als plots stòm bleef ’t fluitgeluid,—droefde klagelijk weemoed van diepen hobo-toon, die moduleerde, àl moduleerde, als zangstem van zingende waanzinnige in eenzaamheid, meestijgend en dalend [237]met ’t duistere lied van de nachtzee. En soms weer, uit helsch donkerdiep nachtzwart, kaprioolden vreemde gonggalmen, geluiden en zangen van nooit gehoorde instrumenten, mysterieus en angstig-ver.… Geschrei dat zong, zong, versidderend van weenende harpen uit duisteren nacht, zachte mijmeringsklanken van aëolienen en gitaren.…. rondo’s en stakato’s, ijl-verzwevend boven ’t woest donderend stormorkest. En lager, lager, in grondtoon, demonisch breed, ’t dieper gezang van adagio’s, doorstormde klankenplechtigheid, stukgeslagen akkoorden uit nachtkathedraal aangewaaid, smachtend en zwellend door ’t duister; zwellend van mijmerende melodie naar woeste klankschalmei.—Scherzo’s afgestooten en verslierd in jubel, in snerpende triolen, gracieus van spot, als schaterende karbouterstemmetjes.—En zacht, ijl,—in stilstand even van vlagen, bij pauzen van donkere razing, dreighevig als zwarte stormgolven, aangedonderd uit zeeduister—weer mijmerend nageklaag van motieven, weenende harpenzang uit duister, en weemoed van ronddolende ziels-mandolines.

Onbewust voelden de stroopers iets van de stemmen-mysterie rondom. In het duister orkaangeraas liepen ze dichter bijéén, tegen de stil-donkere duinruggen, die dreigden dààr, in hel nachtzwart, hoog en geweldig in hun aaneenrijging. Breugel stapte naast Kees, die z’n achterlader weer be-hageld had. Barre wrevel wrokte weer op tegen Plomp.

—Aa’s sullie tog van achtere komme.… gaif je hullie tog ’n poar strieme.… daa’se veur meroakel legge.… da’ tuig.… op da’ terain.… barstte Klaas uit.

—Joa, moar.… haperde stem-angstig Plomp, die niet wist, hoe zich te verdedigen nou er geen koddebaiers op ’m gesprongen waren, zich doodschaamde voor de kerels.… ze hadde main tog fideel beet van ondere.…

—Wá’ beet.… beet, bosluis.… se moste je mostere.… waa’s netuurlik ’n struikbeweging woa’ je mi’ je pootjes in vasthoakt bin.… stoan doar ommers de paas te merkeere.… sloerie.… Is je spuit in orde Kees? hée Breugel!.… gaif màin effe de brom.… ik hep stikkedorst.… ’n urretje ken [238]ik best likke nou.… warrempies hier.… wà jou?.… tussche drie loer-miroàkels!.…

Koome kon niet stil zijn. Plomp beefde als ’n aar.… Nou zag ie nog niks.… aa’s tie nou moar van ’t pad weg snappe kon.…

Kees en Breugel stapten spraakloos naast elkaar.

—Hier Breugel.… hier Kees! jai ook ’n slok.…? sî heete suuker in.… f’rvloekt lekker!.…

Kees gaf geen antwoord, dronk nooit onder ’t stroopen, Delker en Piet sjokten weer achter Klaas aan, met Plomp midden in, voort, almaar voort. Ze zouen ’t maar weer eens probeeren. Plomp bromde in zich zelf, dat ie nou z’n bek zou houen al sprongen d’r tien kottebeijers te gelijk op ’m af; al worgden ze ’m. Bibberend van kou en regennat sjokte ie, toch wat minder bang voort, tusschen de kerels in. Hij voelde nou ook minder angst voor Kees, die ’m geen woord verwijt gedaan had. Eerst dacht ie, dat ie ’m ’n hagelschot door z’n rug zou jagen.… Dat hadden ze’m van alle kanten gezegd als ie meegong en hai deed wat tegen Kees’ zin. Nou gromde dìe ’t minst en lichter voelde ie zich met z’n stappen, in ’t zwarte, eeuwig-zwarte voor ’m, rustiger ook, nu stormgerucht schrei-zachter verklonk.

Bij ’n woest duinbrok, dat hoog lag, als donkere dreiging tegen éven doorschijnenden luchtkring, morrelde Breugel weer aan z’n lichtbak, gingen Delker en Kees ’m dekken. Plots schoot zoeklicht van fellen reflektor over ’t sneeuw-modderig duinpad en hevig-hoog, in ’t licht, rossig-goud bevoet, aan den top dampiger lichtgeel, onder helle-zwart, drongen uit duistering de duinbulten òp, schuw aangegloeid, omknellend aan alle kanten de donkere kereltjes. Als reuzige mensch-stierruggen, hoog bijéén, stuttend elkaar dromden ze áán tegen ’t kleine menschenstoetje in. En telkens uit anderen hoek, in lichtslingering van bak, rugden ze op, zwijgend rond de kereltjes, nu kleingeslagen tot dwergjes in ’t woeste licht, ’t ros-wilde licht, dat éven gloeide over de opéen dringende, en starend-blinde, besneeuwde minotaurus-kudde. [239]

Op en àf sloop ’t stroopersstoetje en dwars in den lichtbrand, met woesten rem, schoot schaduwspel dooréén, zich bemoeiend in jachtpassie der kerels. Telkens stond nieuwe dreighoek in ’t rosgouïg licht te dampen, staarde de Nacht boven de lichtkringels uit, bòven bang-hooge rugbulting, als duistere heerscher, opjagend den reuzigen minotaurus-stoet tegen de poerende mannetjes; slingerde weer wèg de lichtbaan, viel dicht over de ros-sneeuwige ruggen de nacht in nog angstiger zwart, dan vóór den kaatsbrand. En zwaar, in stomme razernij tuimelden de schaduwen mee, gebroken doorhakt in brokken, als spottend, springend in den grondbrand, plots weer verdwijnend in donkering. Verder door de nachthel, in sluip, kromden, kropen en joegen ze voort bij lagere duinbulten, die als stomgeslagen in schrikboei, roerloos ’t licht langs zich slingeren lieten, verbaasd in rossigen staar; weer wègsliertten uit slingerkring, de duistering in, vóór ze schreien konden, méé met den al zwakker kermenden windzang.

En voort ging ’t stoetje, in de weenende eenzaamheid van loeinacht en verstervend stormgerucht, om kronkelpaden, overal omdreigd van de stom-zwijgende zee-wachters, ingekneld tusschen den mensch-stierigen opstand, aandrommend in rosgouën damp. Voort stapten de stroopers, nu levend in één loer, één adem, niets beseffend van nachtangst, vastgemoerd in hartstocht van vangst. Snel en zeker, zonder struikeling, gingen Kees en Breugel voorop, in lichtdonkeren beenengang. Maar nergens nog verschichtigde wild. Breugel vloekte van nijd. Sneller wentelde ie z’n bak, dat de cirkels in golfstroom over de titanische duinwezens den nacht inrilden, als goud-schel weerlicht.

Plots stònd Kees, knalde ’n schot, nog een, nog een.…

Koome vloog achterop in wilden dans, greep toe, stopte in dol gebaar van hartstocht alles den grooten zak in. Even bukte z’n schooier-mager lijf, met belichting van rooien halsdoek, bloederig in den fellen lichtslag van reflektor, en zwaar beefden z’n lippen van jacht-passie. Telkens éven schoot ie tusschen Kees en Breugel dóór, soms vlak ònder windvlaag verschreienden geweermond, waaruit ’n noodlots-stem klaagde; [240]sprong ie terug, plat op den grond, of bukte in rossigen lichtbak-brand, dat z’n vurige tronie vlamde, z’n beeflippen weer zwollen in den gloeistroom. Woest schroeide z’n tronie, met bloedvlekjes om z’n mond gespat, trilden nog wittige haartjes op z’n beeflippen, van woesten nekbeet aan elk konijntje dat vóór den greep nog krampte en hinkend klagelijk verpiepte, smartgeluidje op den sneeuwgrond.

Tien passen van Kees af, zat ’n konijn recht op, met trillenden schrikstand van de lange stijve ooren, oogjes beduizeld van licht, z’n gelig-wit bedonsd haarborstje bevend, pootje over z’n angstig bewegelijk neusje te wrijven.

—Mo’ je nog ’n booskap.… lolde Koome.… doen t’ met.… aers gain tait.…

’n Schot dof brandde uit; vuurvonken en blauwige lichtjes kronkelden vlamgrillig om Kees’loop. Achter ’m ààn, sprong Klaas, z’n schaduw woester meeslingerend in den grondbrand. Even sleurde z’n zak langs de sneeuw.… wou ie wat lollen, toen Kees dreigfluisterend ’m roerloos hield.

—Blaif doar!.… sitte nog twee!.…

—Woar snof’rjenne?.… ik sien puur niks!.…

Weer knalde ’n schot, daver-echoënd als ’n slag van onweer en met geelwit borstje sprong hoog in duizelkramptrek, ’n ander in de lichtbaan, voor Kees’ voeten; kermend klein lijfje, donker bebloed. Koome, gretig, snoof bloedgeur, greep toe, beet konijntje den kop in, vlug en tandscheurend-raak, in ’t weeke beenderenstel, dierke neerkwakkend op zakbodem.

—F’rrek, juichte z’n stem; wat ’n lampies die vint hep.… f’rvloekt aa’s ik nie docht daa’t ’n molshoopie was.… waa’n lampies!.…

—Hou je bek driftte Kees, die één loer was, elk grasje zag trillen, elk plekje bewegen op het lichtbrok dat voor ’m uitcirkelde, in duizel.—

—Kristis, juichte gesmoord Klaas, nou he’k sain ook in de lampies, twee langoore!.…

—Bek dicht, heeschte Kees, en langzaam even mikte ie, in lichte kromming van romp, dat noodlots-geschrei van zachten [241]wind vóór zuiggat van geweerloop angstiger verklonk in de stilte, alsof de naakte Duivel zèlf in z’n knokige pezigheid ingehurkt zat te blazen op helschen misthoorn.

Knal-donderend spatte schot uit, en zonder te weten of ie raak was, zeker van Kees, holde Klaas in de baan vooruit, vlak achter het davergeluid dat verwaaid nog natrilde, tusschen de duinruggen in. Piet keek telkens verbaasd naar Klaas’ sprongen, vergetend dat ie zelf uit kijker was. Alleen Delker loerde in den nacht, op verren afstand goud-zwart-rossig stoetje volgend. Plomp holde weer mee, dan hier, dan daar, in zweetangst, van vetten Breugel naar Kees, vóór Klaas, die ’m wegduwde en stompte, als ie ’m voor de beenen liep. Dàn voelde Plomp zich benauwd, benauwd, dat Kees per ongeluk hem raken zou in lichtbakzwenk. Bij elk schot rilde huivering door z’n lijf, tot z’n teenen, zag ie uit ’t duister de kottebijers klaar in hun sprong. En telkens had ie lust den bak uit te blazen omdat die ze zoo brutaal aanwees wáár ze stroopten.—

Maar niks gebeurde, niks om ’m.

Nog ’n uur sjouwden de kerels, zonder dat er geschoten werd. Kees was met Breugel anderen kant van ’t duin ingeslagen, bij ’t landgoed van van Ouwenaar, vlak bij ’t bosch.

—Hoe loât is ’t, vroeg Breugel, doodop, zak-lap voor lichtbak éven wegtillend om Koome te kunnen laten zien op z’n horloge.—

—Vaif uur, t’met Piet, aarzelde Klaas uit, bukkend in den gloei-flakker van reflektor.—Van Ouwenoar lait op s’n ruggetje, lolde ie voort, naar Hassel, die achter z’n hielen aanliep.

—Nou ik stop!.… gromde Kees, ik goan terug!.…

—Nou.… ikke ook, zei Breugel, ik sterf van de kou en natte.…

—Trug vraier?.… wai hebbe nog niks t’met, zei Klaas, stem-ontsteld.

—Ke nie dondere.… m’n vingers stoan aa’s hoakies.… ken gain poot meer an de trekker sette.… en d’r komp tog g’n luis.… hoeveul?.… [242]

—Twintig k’naine.… drie langoore.… gommenikki.—Verleje week hai je’r veertig.… en vaif hoase!.…

—Ke’ nie bokkeme.… ikke set stop!.…

—Nou, en ik bin saik tut op main botte, klaagde Delker.—

Bij elkaar dromde ’t stoetje. Snel had Breugel z’n lichtbak gedoofd.

Als in stemmebetasting naderden ze elkaar in ’t dikke duister.

—Nou van Ouwenoar, lolde Klaas weer, nou mo’s je wete dá’ wai hier stoane!.… op dâ terain ke je de paas nie merkeere poatertje? zeg Breugel, jai nog ’n slok?.…

—Nou ikke ook, wâ hèe?.… verweet Delker, die gulzig inzoog jenevervocht uit de kruik, en in donker op tast ’m weer Klaas terug gaf.

—La’ stikke.… die kerel.… verslikte ie hoesterig.—

Kees was over scheerdraad heengesprongen met de kerels achter aan. Plomp, langzaam, moest geholpen worden door Piet, die ’m er half oversleurde dat z’n broek haken bleef in de pennen.…

—F’rrek! nou kost ’t main nog ’n broek!.…

—Allo!.… kaik!.… woar sit je.… kom!.… ik sien hoarlie nie meer.… skàr.…, nijdigde Piet, die geen weg wist en niet van den stoet af wou dwalen.…

Breugel giftte nog tegen Klaas.—

—Ze frete main heule tuin op.… die meroakels van k’naine, f’rleje joar hebbe se main heule oogst f’rwoest.… die krenge.… om hullie he’k nie betoale kenne.… die stinkpoone!—

—Nou, hitte Klaas, aa’s ’k half dood ben, goàn ’k se nog achter skot.…

—Jai!.… jai!.… da’ doen jai veur je pelsier.… moar wai noakende rotte.… wai hebbe ’r van te laie.… de groote heere hebbe d’r lol van.… moar wai niks aa’s ongeluk en f’rdriet.… ’t is puur onhail!.…

—Hou toch je snoàters, snauwde Kees, wie f’rkoopt?.…

—Wâ!, je ken nou sooveul babbele aa’s je lust.… geweer [243]en bakkie in ’t sakkie.… nou is ’t ’r nie eens meer ’n baipad te moake!.… op dâ teràin.…

Plomp dobberde weer mee in ’t duister, achter den zak van Breugels lichtbak. Hij gromde in zichzelf, dat ie ’t nooit zou leeren. Nooit had ie docht, dat ’t soo gevoarlik was. Nou aas tie doar nou wa’ mee mos bai f’rdiene, kon is s’n aige wel ophange.…

Z’n angst verzonk, toen ie hoorde, dat ze waren op publieken weg bijna, en nou vast wist dat de lichtbak uitgedoofd in de zak bleef.

—Seg Kees, begon Klaas Koome weer, loopend en sprekend ’t duister in, wee je.… nog verleje week? Seg Breugel!.… da’ ha je bai motte weuse.… ses hoane hep ie skooie!.… soo.. poeff! in ’t donker.… uit de boom!.… Piep.… sait t’r één, bai ’t bossie.… piep! sait d’aer op ’t Hoàneprejeeltje.. piep-piep! sait derdes en vierdes in ’t Kruisgrot je.… se snertte d’r so t’met uit de takke.… dá’ waa’s d’r ’n piepbeweging op da’ terain.… Ik konsteteer van daa’ tie ’r ses soo hep neersmete!.… allegoar in ’t donker.… op ’n aere plek.… hep ie hoarlie paas loate merkeere.… enne toe gong hai moar verder!.… Enne.… op de terugtocht hep hullie in vaif menute al die meroakels vonde.… Dá’ noem ’k werk hée? da’ heppe hoarlie de paas loate merkeere.… Op da’ terain is t’r nie ééne!.… seg moar hoe ie ’t lapt.… soo al die plekke in s’n test!.… hee?—

—Wá’ he je weer te klesseneere, snauwde Kees.… wie f’rkoopt?.…

Maar Klaas hoorde niet. Woest voelde ie nog in zich ’t genot van de vorige week.…

—Nou, as se sain.… op de hiele hadde sete, hei Piet.… wa’ jai? se hebbe mit d’r achte op ’m loert.… en nie eens ’n baipad.… ha! ha! ha! wat ’n kuikes.… verleje moand hep ie nog sprenkels had, al s’n strikke hebbe sullie ganneft.… op da’ terain!.…

—Hep ie wa’ vange nog?

—Of ie!.… éen hoas, mit s’n veurpoot d’r afdroaid.… [244]jemi! kroemi!.… wa da’ kreng skreeuwde.… hai hep se rejoal d’r afknepe.… de sprenkel!.… je had sain ’n smoel motte sien trekke.… toen ’k sain de borst indrukt hep!.… Moar de strikke hebbe sullie pakt.… sullie lagge op de loer.. en van Delker hebbe sullie de strikke pakt.… en s’n spoor!.. da’ kuike hep ’n nieuweling meebrocht die in ’t sand loope hep!.… doalik hadde se s’n spoor!.… hai hep achtien doage had!.… wa’ ’n vuile hée?.… da’ heerskap van de droaibank.… hee.… op da’ terain.…

—F’rrek,.… achttien doage? vroeg ongeloovig Delker.

—Nou wa’ sou ’t.… daa’s al drie keere.… dat ie ’n prent thuis kraigt.… kè se waif an ’t beskot hange.… veur ’n pronkie.…

—Kerel hou je bek nou.… wie f’rkoopt? drong Kees aan.

Piet en Plomp telden niet mee; wouen niks hebben. Piet vloekte.… Nog nooit was ’t ’m zoo ellendig naar ’t hart geslagen, de kou en de beroerderigheid. Was dat lol?.… hij rilde van koorts! Liever vaif steek diep, elken dag, dan soo’n grap!.… Doorzogen was ie tot op z’n huid. De eerste en laatste keer.… Jesis, wa’ begreep ie nou goed, dat Kees d’r de pest an had. Kapot was die d’r van!.… Kapot.… en de slaap duizelde in z’n kop.… Kloas was ’n kwoàje.… moar Kees!.… Kees, gain stom woord had ie t’met teuge sain sait.…

Plomp, dood op, vroolijkte bij, nu ie geen gevaar meer voelde.

Wind loeide nog maar bij eenzame vlagen zwaar bulderend achter ze aan, uit ’t duister, al uit duister.…

Bij ’t duinpad waar Kees krot lag bleven ze even staan.

—Nou g’nacht!.… aa’s ’k poar uur slape hep.… goan ik mi sprenkel van Joap ’t duin in.… Seg.… Kloas.… goan je bai pelier van ’t slangetje.… breng murge moar sinte.. ’t k’nijn nie minder aas vaiftig sint!.… ’k si droog..

—Bestig kapetain!.… op da’ terain wee’k ’n eenige pelierbeweging.… hai merkeert de paas bai ’t bruggetje van Woagestroat in Aimuide.… ikke konsteteer van da’ tie duizend k’naine p’r dag.… f’r.… [245]

—Nou nacht manne, brak Kees af.… ’t zwart-stille pad òpstappend, tegen ’t donkere krot aan.

Stil van ’m af, donkerde ’t stoetje den modderweg naar Wiereland op.

[Inhoud]

III.

Zacht had Kees de deur van de klos gelicht en zachter nog stapte ie binnen. Benauwing van duffen slaapstank wasemde uit ’t stikduistere slaapkrot op. Hij rilde, z’n lijf dreef in nattig, drabbig vuil en z’n plunje dampte regenlucht uit naar z’n hoofd. Onder het uittrappen, moeilijk en hijg-zwaar, van z’n kleef-zuigende hooge schoenen hoorde ie zwak-weeke stem van z’n vrouw slaperig zang-neuriën:

Sloap, maideke sloap

d’r buite lo-oopt ’n skoàp

Hai hep vier wi-tte voetjes

Hai drink se mellikie soe-oetjes.

’n Wilde wrevel steeg ’m naar ’t hoofd.… f’rdomme was die maid nou weer an ’t skreeuwe.… Nou da’ hai d’r juus tukke gong.… Was da’ nou nie moedwil van ’t waif.…

’n Stoot, dof-krakend tegen ’n kruk had ’t kindje weer uit den dommel gescheurd. Krijscherig-scherp jammerde met langen kramphuil in zuigelingdrift ’t kindje uit ’t donkere bedholletje.—Wimpie woelde rond en-om, zonder wakker te worden.

Dol-driftig liep Kees naar de bedstee, en heeschte in stikwoede, die bij vlagen in ’m ophitten kwam, door niets te temperen:

—Is ’t weer soo wait?.… Kâ se d’r bek nie houë.… waif!

—D’r bek houë?.… ’t Skoàp hep taa’nndjes.…

—Rooit na’ niks! ’k mo’ d’r in.… taa’nntjes!.…

—We’ ja! Hier-oppan!.… skreeuw Wimpie wakker!.. leg je aige moar neer.… hee?.… [246]

Heviger gistte er razernij in Kees.… Hij zou d’r ’n pats tegen d’r kop geven aa’s se nog ’n woord zei.…

—La’ die prop d’r bek houë.…

Hij kon bijna niet meer van drift-moeë nijdigheid.

Maar heftiger krijschte zuigeling, in barstende zwelling van huil-kreet er doorheen.

—Je bek dicht, duifel! helhoak! spoog ie uit, meppend ’t kind in donker tegen Ant’s lijf aan.

—Hierop-pan!.… sloan d’r van mekoar, nijdigde Ant ertusschen, we-joa.… f’rmoor d’r moar.…

Kees voelde dat ie z’n drift moèst temperen. Hij zou Ant en ’t kind anders tegen elkaar plat slaan.…

Over zuigeling heen, was ie met z’n regenstinkende modderplunje nat en vuil in ’t slaapholletje gesprongen. Andere bedekking dan wat rotlappen was er niet.… En hij trilde te veel om zich uit te kleeden.

Ant had zelf driftig ’t kind op d’r haverdoppenzak gesmakt, was opgestaan, om ’t lampje aan te steken.—Maar alléén zich voelend, krijschte heviger ’t kind òp, dat Wimpie schokte in z’n bedje.…

—Hou je smoel satansprop! donderde Kees weer uit, ’t onbeschermde kind nu, van uit z’n hoek op ’t kopje patsend in driftwaanzin, dat dof de klappen bonkten en z’n ellebogen stootten tegen ’t beschot. In wilde rammeling schudde ie ’t lijfje heen en weer, dat ’t kind stuipiger aankrijschte, heviger in zwelling.

—Godskristis, t’met sou die d’r hersens te pletter sloan, teuge de grond.… aa’s se d’r bek nie hield.… raasde ’t in Kees.… Ant was toegehold, had ’t kind opgelicht en in d’r armen gesust. Kees kòn niet meer, wou stilte, slaap, niks dan slaap, slááp, hijgend òp van vermoeienis en aftobbing. Op ’r vuile voeten, maatgangde Ant, heen en weer wiegelend, ril-koud, in ’r smerig hemd. Laag groezelde ’t lampje wat licht neer in ’t killige vertrek.—

Zachter nu dreinde de zuigeling.… z’n eeèè’s.… eè.… èèè’s, afgebroken door sus-schokjes van Ant’s been. Ze was [247]neergeslobberd op ’n stoel. Haar borst hing roodgebeten van ’t persend-mummelende zuigelingsmondje. Niks meer had ze er in.

Zwaar-rood gezwollen kransten er donkere pijnkringen om de tepels. Maar dóór gulzigde zuigelingsmondje naar zwarte zog, slap-voedselloos néérhangend aan grove borst. Driftig frommelde Ant vuil doekje naast ’r, tot ’n propje, beet ’t week, met sterke tandhappen, dodderde er speeksel op en duwde ’t zóó, klefferig doorzogen, gulzig-kreunende zuigelingsmondje in. Zwaar-rampzalig schraapte ’r triest-zwakke stem in huivering, door ’t zwak-gelende kamergrauw, onder zacht maatbeweeg van één been:

—Sloap.… maideke sloap.… d’r buite lo.. oopt ’n skoap..

Droef en diep-eenzaam bleef zeurig nagalmen ’r tobstem, in den hel-nacht, lang, heel lang, ééndeunig. En ingeslonken verschrompeld, bibber-kleumde ’r afgebeuld lijf, ’r beenen gespreid tot schoot, waar zuigeling met z’n kopje plat in wiegelde.

Groezelig-stil kamergrauw omsloop Ant, en zachter, klankloozer, schraapte ’r beverig-moeë stem, d’r nacht-ellende en afmatting uit. Lang bleef ze zitten, kreunde ’t kindje tegen ’r neuriïng in, zacht geduwd op ruggetje, door d’r magere hand; haar weggezakt bibber-koud lijf, slaap-zwaar op leuningloozen stoel, tot ’r oogleden toekapten, ze indommelde, gelijk met ’t kleintje.

Stil lag zuigeling eindelijk na uren met huil-snuitje in Ant’s schoot gewarmd, ’t breed gezichtje met vuile doekprop in slapbekwijld bleek mondje, half weg-gekuild in moeder’s hemd.

Zacht lei ze ’t slaapkindje naast Kees, die grom-zwaar uitsnurkte ’n geluid van dronken reus. Even had ze ’r hemd uitgespoeld, te drogen gehangen met wat stukkende kousen van de kooters; was ze weer in bed gekropen, verstijfd van kou en doodop. Vrouw Rams had ze wat gezeid in ’t gangetje,.. da’ sai d’r moar effe vroeger uitmos, da’ se nog tot ’n uur of naige wou legge, omda’ se mi de klaine g’n oog had dichtgedoan! Vrouw Rams had teruggebromd, dat ’t goed was. [248]

Tegen half acht rumoerde er onrust uit de donkerende bedkrotjes. De kooters kribbigden òp, vechtlustig, nà hun gebed, chagrijnig en valsch-op-elkaar in hongerige drenzerigheid. Dient je moederde en Wimpie, die al wakker had gelegen en gebeden toen Ant weer in bed was gestapt, keek toe uit z’n bedje naar ’t stoeiende en krakeelig-schreeuwende kinderhurrietje.—Vrouw Rams was in ’r gore jak uit achterend de kamer ingestommeld en bang, als ingekerkerd onweergeraas, scheurde uit gangetje, vlijmend hoestgeroggel van grootvader Rams, bulderend en rauwig pijn-scheurend, ’t krot doorklankend aan allen kant.—

Uit den werk-emmer bij de put buiten, plonsden de meisjes d’r hoofdjes nat in ’t grauwende donker, boenden ze met afgekaalde borstel elkaar door de verwarde haarbossen. Dien luisterde er naar, maar loerde meteen ’t zwarte achterend in, naar grootmoe, die vuur wou aanleggen en overal tegen opbonkte, dàn nijdig wat bromde.

De kinderen, wild, wisten dat ’r vervuiling mocht zijn, lieten d’r nekjes en lijfjes zwart bemorst van vuil, slonsden wat plasjes lichtelijk over d’r smoezelig bebakken snuitjes. Grootmoeder snauwde rond, als ze hoorde krieuwen in ’t achterend, sjokkerde vaag in tast, armen vooruit, door aangrauwende ochtendkamer, met takkebosjes en krulletjes die Dien hielp aanvlammen in de schouw.—En overal was Dient je bij, hielp de zusjes in d’r vodjes, geholpen door Griet-van-zes die meemoederde, snibbig en baasspelend. De kleinsten drensden op den pot hun gebedjes af, met slaperige stemmetjes, in klankloos gejammer.

Tegen negen uur, plots kwam er dreigend gebons op de deur, lichtte de klos òp en stapten tusschen kindersmeer, dat aangesjokkerd was naar den ingang, veldwachter van Duinkijk, met z’n platte pet, diep voor d’oogen en agent van Wiereland, binnen.—Vrouw Rams was met konkelpot in ’r hand, in schoffelgangetje, arm-gekromd vooruit, naar de deur geschoven, gretig loerend naar den hoek, wie d’r nou al kon zijn.

Deftig-streng klonk stem van veldwachter: [249]

—We komme in naam van burgemeester!.…

Wimpie, schrik-ontzet, z’n bedje uitkijkend, begreep er niets van. Dat had ie nog nooit gezien. Het kinderstoetje, goor, met afgezakte, gat-doorvreten stankplunje, dromde terug in kamer-hoekje, angstig elkaar bestarend. Zilveren knoopen van agentpak fonkelden even dreigend. Z’n behandschoende hand leunde deftig op sabelknop.… Zwijg-zeker en trotsch bleef ie naast veldwachter staan, die weer òpstemde, deftig in keelgeschraap:

—We komme in Naam der Wet.… vrouw Rams!.… d’r is f’nacht gestole.… persumsie is d’r gevalle op Hassel.… Is t’ ie hier?.… f’nacht is t’ ie d’ruit geweest?.…

Vrouw Rams begreep er niet veel van, omdat ze nog niet wist wie ze voor had.… Maar toen ze besefte dat ’t tegen Kees ging, schokte ze gretig op, smakte ze in bons den konkelpot neer op steenen vloer. Nou plots, zoo in den naklank, had ze ook veldwachters stem herkend.—

—Groote genoade.… be-jai ’t Nooter?.… omme Hassel? hep ie nou weer stole!.… stole?.… hailige moagd;.… hep ie?.… hep ie?.… ja seker is t’ie er uit weust.… seker.. seker!.…

Haar stem melodramatiseerde ontsteld, klonk schril van ingetoomde blijheid en plechtig sloeg ze met ’r vette handen ’n kruis.… Nou àl wou ze ’t erger maken, dat Ant weer ereis zou zien wat ’n skorem se had an Kees.

—Schrik maar nie soo, vrouw Hassel, wij kenne ’t niet helpe.. wij worde hier gestuurd!.… van wege de burgemeester.… wij motte huiszoeking doen!.…

Wierelandsche agent, wit-dik behandschoend, stil arm op sabelknop, kuchte deftig-instemmend. De kinders, door z’n zilverig knoop-glimsel gelokt, drongen met hun verschooierde lijfjes om ’m heen, wèzen wat, en de rood-sproetigen bekibbelden de aschblondigen. Hun morsige gezichtjes strakten in spanning, en bang-ontdaan, keken de oogenpaartjes òp naar de politie.

Wimpie begreep iets; hoorde in beving, dat ze op z’n vader [250]loerden, dat die gestolen had.…—Onrustig-opsjokkerend, met beender-mageren armenstut onder lendenen, dat z’n zandzakken zadderden tegen bedjeskant, grabbelde ie de rozekrans van z’n hoofdplankje en bibberde met z’n vaal-bleek paarse angstlipjes wat „Weesgegroetjes” af.—Schreiend daartusschen angstigde z’n stemmetje òp naar z’n moeder.…

—Wa’ nou?.… wà’ nou?.… slaap-gaapte Ant uit zwaren dommel.—

—De pelisie, zei strak-dreigend vrouw Rams, woest-blij, verwachtend schrik-angst op Ant’s gezicht.… je sloerie hep stole.… komp eruit.… de pelisie!!

Ant, in ontstelling, schokte overeind, sloeg ’n kruisje, bonkte Kees op, over ’t kindje, dat tusschen ze insluimerde, met z’n kopje afgezakt op nat-uitwasemende broek van Hassel. Met de vuile dek-lappen ’r naakte borst bedekkend, stak ze’r magere hoofd, halsrekkend ’t bedsteetje uit, dat d’r blonde haren van ’r wilden, ongekamden ragebos, langs d’r bleeke kaken slierden.

Nooter, de veldwachter kwam dichterbij Ant’s bedstee staan, brutaal door rarige verlegenheid.—

—’t Is noodig vrouw, d’r benne f’nacht vier koppels kippe gestole!.… vaif kippeloope opegesneeë!.… Vaiftig stuks.. en je man was d’ruit!.… met se sesse.… ieder sel wel wàt afgemaakt hebbe!.… De heele plaas hep pursumsie op sain!.. d’r mot onderzocht worde.…

—Moar Kristis.… daa’s puur jokkes!.… hai hep geen veertje meebrocht.… Kees!.… Kees!.… d’r is de pelisie!.… Kéés!.… Kees!.… héé!

Zwaar grommend, dommelig in eersten, vast-diepen slaap, schudde en krijschte ze’m wakker.—Opgewonden, met stootende, gejaagde woordjes vertelde ze’m haastig, waarom ze ’r waren, de politiemannen.—

—Wa?.… wa?.… pelisie?.… ikke stole.… ikke?—Dat dofte door z’n kop.…

Diep klonk uit bedsteetje-engte z’n stem van ’t muurtje àf.. kalm en luiig van slaap. [251]

—Nee manskappe!.… hier is t’met niks!.… la’ main là’ main! opmercheerd!.… mars!

Nooter wenkte den agent vluchtig om zich ook voor bedstee te posteeren.

Ant lag te bibberen, met de lappen om ’r naakte borst en lijf gekronkeld.

Veldwachter verwachtte wel dat Kees ontkennen zou, maar de kottebijers hadden schoten gehoord; dat moest, moest Hassel geweest zijn. Alléén had ie ’r niet heengedurfd, maar nou met z’n besabelde makker, Kees zelf slaperig in bed.… nou had ie moedje!..

—Ja Hassel, da’s puur mooi praàte.… maar.… maar d’r mot ondersoek weze.… de burgemeester wil ’t.… daar is ’t mee uit!

Wat dichter nog voor ’t bedkrot stonden ze opgedrongen, loerend naar ’t duistere trage beweeg van Kees’ bedonkerd lichaam en armgerengel.

Eindelijk, Kees heelemaal uit den dommel, met nog zoete rekkerige matheid in z’n leden, begon te grommen. Dá’ was puur ’n karrewei.… Nou moste sullie sain hebbe!.… Godskristus aa’s’em terge gonge!.… dàn gong ’t goed!.… gong ’t goed!.… Wacht!.… kaike.… verduufeld.… ’t is Nooter.… die kwinkwank!.… die faine ploert!.… die sain altait op de hiele sat!.…

Nooter en agent, fluisterend beraadslaagden wat. Agent meende, dat ie korte metten most make in die schooierspan en veldwachter had weer moed je gevat.

—Ben je f’nacht thuis geweest? klonk Nooter’s stem, waarin ie dreigzwaren klank wou leggen van strengelijke ondervraging.—

Wimpie kreunde angstig.… Moeder.… moe.… der!.… Maar bedsteedeurtje had vrouw Rams van Ant’s krotje uitgehaald, dat ze ’m niet hooren zou en tast-vaag liep ze op ziek kereltje aan, om ’m ’t bange roepen te verbieden.—

Kees had weinig lust te antwoorden, voelde kregelig ’t opgeblazen-brutale van veldwachter in z’n stem, maar eer ie ’t. zelf goed wist, had ie „neenet” gezegd. [252]

—Soo! moar goed dá’ je niet ontkent!.… En waar ben je geweest?

Te koken begon ’t in Kees, te gloeien in zacht-stijgende drift, die tot razernij in ’m gisten ging, zoo, dat ie niets meer zag, niets meer voelde, dan heete haat en rauwe lust in woede-koeling.

Eerst had ie schijn-loomig, z’n oogen uitgewreven, was toen plots, met forschen zwenk over kind en vrouw heengesprongen. Z’n half gedroogde, verkreukte broek, plakte aan z’n reuzig lijf, en z’n groenige beschimmelde jekker luchtte regenstank uit.

In schrik was Nooter achteruitgebeend, met agent, die z’n sabelknop sterker beknelde.

—Wa dondert jou dâ, hee! schreeuwde Kees, in dreig-stand, hoog boven de mannetjes uit.… Joà, ik bin d’r uit weust, moar je mo knap sain, aa’s ik je seg woàr!.…

—Moar de burgemeester.…

—Stik veur main part jouw burgemeester!.… bulderde Kees driftig uit, met ’n greep naar ’n kruk die hij in ’n ruk boven z’n macht hieuw door kamergrauw, in woest gebaar, alsof ie ze de koppen wou plathakken,.. en nou kort en goed!.. wil jullie main mi rust loate?.… sure kwinkwankers.… denk je daa’k main hande vuil moak an jullie vuile natte kippies!.… bi’k soms ’n dief?.…

—Stroopers,.… sain dieve!.… zei Wierelandsch agent, zenuwachtig-moedig, met z’n hand zwaar wiebelend op sabelknop, lichtelijk kuchend. En Nooter, verbleekt, stembeefde, zei dat Hassel zich kalm houden moest.

Kees had de kruk neergemokerd tegen den grond, in woesten stommel en z’n handen in de broekzakken gedrongen, woelde ze daar tot bulten op z’n dijen, om te smoren nog drift die àl erger te zieden begon, op te loopen in z’n oogen, in rooiïgen duizel van hitte. Z’n lippen, fijn, persten op elkaar, strakten in wreed-kouden mondsar en dreigstil keek ie agent aan.—Hij wist zelf nog niet goed wat er in ’m kookte en gistte.… Wel voelde ie driftduizel aanzieden.… Er broeide warmte in z’n kop.… En toch wou ie sarren, wou ie iets koels, iets [253]wraaktergends doen, nou ie wist hoe leelijk ze zich vergisten.. Nooter, ziend z’n weifel vermande zich weer wàt.

—D’r mot ’n ondersoek in ’t heele huis gedaan worde!

—Sóó zei droog-sarrend nu Kees, met slaap-gaap achternà.… Soo?.… nou, begin moar!—Lollige hoon zat er in z’n verzoek, dat ’t de kerels prikkelde en verlegen maakte, tegelijk.

—We beginnen bai ’t bed.… zei plots agent, die wel gehoord had dat stroopers onder de beddeplanken hun waar verborgen.

—Soo?.… mooi!.… waif!.. waif!.. d’ruit feur de heere!..

—Ja, vrouw Hassel, je mot d’r effe uit, drong veldwachter aan, verlegen-angstig onder de buiige zwenking van Kees’ driftige woestheid, naar gullige inschikking.—

—D’ruit?.… nou?.… aa’s jullie d’r dan moar effe weggonge!.…

—Nee vrouw Hassel.… da’ mag nie! je mot ons nie beduufele intijds!—we sain d’r in naam d’r wet.… en nou gaan d’r uit.… anders selle we je anders leere!.… allo!!

—D’ruit waif! scherpte Kees mee, die d’r lol in kreeg, daa’s nou je broave kattelieke Nooter!.… nou wil ie je te kaik stelle!.…

—Da’ lieg je Hassel.… se mot d’r uit!.… kort en goed.. we late ons eige nie beduufele!.…

—Hier moeder, pak d’reis kind an!.… hier!.… gaif main m’n hemd van achterend!.…

—Nee vrouw.… d’ruit.… geen praatjes langer nou!.… sonder hemp slaap d’r niemand, zei barsch agent, die nu, naar ie meende scherper, juist wenkspel tusschen Ant en Kees had opgevangen.…

—Hailege moagd!.… Nou he’k gain hemd an main laif!.. kaik sellefers.… dâ ’t te drooge hangt!.… hier.… bai ’t achterend!.… moeder!.… moe-der!!.. gaif jai toch!.…. neenet.… doar!.… [254]

—Verskain veur de heere!.…. sarde door Kees, al bleeker, en scherper bebijtend z’n lippen.

Agent stapte naar voren, trok Ant bij de lappen, die ze voor d’r borst gekneld hield.… ’n skandaal, da’ tuig! nog soo’n larie, gromde ie.

—Motte we je d’r uit sleure!.… in naam der wet.. vrouw Hassel?.…

—Moar,.… stern-smeekte Ant, zwaar in angst-schaamte.—ik ben puur noakend.… puur!.…

—Allo.… dan maar nakend.… ben je bedonderd!.… en nou d’ruit.… in naam der wet.… nog éen woord tege!.… en we trekke je ’r doorheen!.… baste agent nijdig, dat ze ’m met zoo ’n sluw praatje wouen afwijzen.…

Ant voelde dat ze niet langer kon.—Met ’n lap voor d’r buik strompelde ze moedernaakt ’t bedsteedtje uit, huilerigingekrompen,.… schreeuwend van schrik en schaamte.…

’n Skandoal!.… Wimpie!.… bid feur je moe.. der!.. bid.. jonge!.… main jonge!

Beduusder keken de wetmannetjes toe.… nou was ’t toch waar geweest.

Spiernaakt holde Ant ’t achterend in, in ’n wilden greep, op den grond, naar wat smoezel-doorlapte gehavenden rokrommel, waar de bellen bijslonsden.

Kees lachte, werd grauwbleek toch.—’n Oogenblik had ie gedacht, dat Ant maar wat gezegd had, als uitpraatje. Nou zag ook hij z’n vrouw, naakt, ingekrompen, ’t bedrandje òpstrompelen, verkronkeld in schaamte en woede.

Zacht smonselde agent met veldwachter, begonnen zij ’t vuns-stinkende krotje te doorzoeken, van plank tot plank, veldwachter verlegen, nou Ant geen uitpraatje had gemaakt.

—Is ’t ’r hier nog wat onder Hassel? vroeg Nooter.

—Wa’!.… wà!!.… stootte Kees zoo doorgramd van beefdrift uit, dat Nooter achter agent omdraaide, z’n vraag niet herhaalde.

Stil stommelden ze ’t bed door, overal loerend in holletjes en gaatjes, leien de vieze stank-walmende dek-boel weer recht, [255]loerden in kamerhoekjes, gangpunten, op ’t erf, zonder dat ze iets konden vinden.—Wimpie lag ontzet te staren, naar z’n vader die in de kamer was blijven uitkijken voor ’t cel-raam. Ant vermorst en beverig in haar schrik, sjokte met smerig kort rokje en ’r triest rood jakje waar de gaten door heenoogden, tusschen kinders in, voelde half-natte hemd nog killig geplakt op d’r lijf.

Beduusde gezichten trokken de politie-mannen. Niets was er. En toch zoo op heeter daad betrapt!

—Dat sel ’n verkeerde persumsie weze, lijzigde deemoediglijk Nooter.

Niets zei Kees. Hij kon niet, kòn niet. Er dromde weer dierwoeste drift in ’m op.—Rondkeilen moest ie de kerels. Nog één woord, en Nooter zou die ’n veeg op z’n schijnheilig bakkes smeren! Uit den hoek wel, zag ie al lang op zich staren, doodsbleek kopje van Wimpie, zacht-verschrikt gelach van z’n bevend-paarse lipjes als z’n vader ’m aankeek, zenuwlach en schichtige spiervertrekkinkjes om z’n mond.

Nee.… neenet!… hij sou.… sou kalm blijve.… die jonge sou ’t besterve!.… Moar snof’rjenne! aa’s tie toch effetjes moar!.… effetjes moar.… ’t kereltje lie links legge.… effetjes moar.… effe s’n aige koele op die snuiter!—

De mannen draaiden nog rond.—Agent wijs-deftig wou wat zeggen.

—Nou dá’ kom je goed van àf man!.…

’t Kropte.… ’t kropte.… hai kon ’t t’met nie houë!.… doodsloan moet ie dà tuig, meppe!.… meppe!.… meppe!! da se d’r gebroke bai neerlage.… nou sàin nog sarre! uit z’n sloap hoàle en sarre! Joa.… joà, hai sou ’t doen!.… Wimpie nie.… nie sien, Wimpie.…

Een bloedsuizel verdofte rood z’n kop,—z’n oogenkijk brandde strak tegen de kerels op, dat Nooter, angstig naar de deur liep, haastig, gejaagd, met agent er achter.

—Voader.… kom je effe bai main … Wimpie is soo bang!.. soo bang!.…

De mannen stapten uit en Kees, in glorie van woede, die [256]ie net hevig voelde opduizelen naar z’n kop, stond in sprong klaar, om agentje neer te smakken en z’n spitsen parmantigen snuit tegen den muur tot bloed te hengsten, te bemokeren z’n kaken,—met z’n hakken ’m stuk te trappen.

Zoo, zachtjes, in driftduizel zag ie ze wegstappen, zonder dat ie zich verroerde, met vaaggehoord smeekstemmetje van Wimpie in z’n ooren, dat ’m terughield, terughield van razenden aanval.—Van alle kanten, in morsige drommetjes en havelooze plunje, doorvreten lap en bel, stankzwaar, sjokkerden de ontsteld-verstilde kinderen weer kamergrauw in, zuigend en smakkend op broodbonkies in d’r smerige knuistjes. [257]

Tweede Boek

LENTE.

[259]

[Inhoud]

NEGENDE HOOFDSTUK.

Er was klomp-klossende drenteling, lichtelijk vroolijk geklank van de tuinderskerels op de akkers van Wiereland en Duinkijk, ’t groentendorp dat rondom ’t plaatsje dromde met z’n velden. Blauwe en lichtbronze kielen fladderden om stoere werklijven, in winderig weer, brekend in kleurfrissche helderheid de nagrauwing van ’t winterland. Maart-maand had blond-grillig licht door ’t tuinbouwstedeke en Duinkijksdorp gewuifd. Tusschen aarde-schraalte schoot zonneblond en droog lag ’t land, in koelen gloed, onder wilde vlucht van zilv’ren wolkcentauren en sproke-vogels, in lichtenden zwanengang, als booten door luchtzilver aandrijvend en uitzeilend, statig en geweldig in pracht van zeekant naar polderland. Maartsche wolkenstoeten, langs blauwige luchtstranden, zich langzaam vervormend in toovergedaanten van langhalzige graalzwanen, ontzaglijk in vluchtwijdte, zóó dreven de wolken-vogels, met vlerken van groen zeelicht doorschijnend, de blanke schitterveeren zilver-dauwig bedropen, langzaam sluitend en spreidend de parelende wieken. Zeilende kano’s van Vikings, optocht van gondelranke, spits-fijne scheepkens, zacht-zeilend, omzilverd van dauw-licht ’t mastenblank, hoog-gezwollen van windgang. Zóó joeg áán het wolkenspel, omdampt van goue lentelucht, bevlagd met uitgeplooide zilvervanen van hel licht dat voortdreef de luchtvloot.—Naast de zilveren zwaanhals-gondels, die te drijven zwierden, overal rond, overal, zachtkens en fier-gespannen de zeilen, langs onmeetlijk verre horizontbochten, rankten bevonkte galjooten in gril’gen zonneschitter, hun hoog-ranke stellages van kristallige praal geheven in zacht lentevuur.— [260]Zóó, de lenteluchtvloot trok over ’t stedeke, van zee beoorlogend en verslaand doorgrauwd winterruim van Wierelandsche akkers en wei. En elken dag, in Maartmaand, éven maar, trokken òp in zeil-zwenk, aanééngerijde zwanengondels, in stralenden zilverdauw, cirkelend en manoevreerend in bochten breed, langs de luchtstranden, zacht weer terugzeilend naar zee; vloot-stoet, licht en duizel-tintig, omspuid van parelend zilt zilver, tusschen blauw-groen azuur van aanlichtenden lentehemel.

Zóó, onder Maartsche wolkenvreugd, zetten de werkers hun eersten lentedag op akkers in, ontworstelend elk lichtuur, aan weer teruggrauwenden winter, die maar niet wijken wou, telkens om en tusschen de gouïge zonne-uurtjes, als ’n reuze-zwarte vogel vóór ranke zonnevloot bleef ronddonkeren.

Er was opfrisschende lichte werkjool in de tuinders en bollenarbeiders gekoortst. Overal, om Wiereland en Duinkijk joeg werkwoeling en krachtige lust om met jongen arbeid, star-starenden winter te verdrijven. Onbewust, stil en onuitgesproken, groeide verlangen in hun harten om door grauw en angstig-eentonig takkenbrons van dorp en plaats, zomerwereld van kleur en licht te zien trekken, zooals die alleen oplaaiden in Wiereland en Duinkijk in gloei en vlam, in kleur en gloed van ’t wellust-doorkoortste groen, het vol-zoete groen, diep en licht; groen van ’t stedeke, met z’n praal-prachtigen hoogen omgroei van labyrint-lanen en paden, tuinderij en bollenakkers overal rond. In de straatjes was klosgang en drukkig verkeer bij zaadhandelaars en overal klonk klankrijker gepraat over zaaisel en maaisel.

In allen leefden drang naar arbeid, warmer lust in grondwerk, in woeste teelt, de grauwe aarde te omkleuren met groen en zongloed.

Door de bollenvelden liepen de werkers in de buiige, grillige schijnselen van Maart, en de bazen achteraan, heerig nog in hun boordjes en blankend overhemd-wit, speurend met angst in ’t harte, naar vorstschade, wijl ’t gewas den grond al uit [261]kwam loeren.—Zìj ’t eerst, hadden alom, in ’t wije grauw-brons van nog niet beteelde tuinderij-akkers, hun velden al zachtjesaan zien opkleuren, in licht- en donker groen. Hier en daar droegen ze al ’t dekriet van krokussen en hyacintenloof weg, op rood-begloeide burries, die vroolijk vlam-streepten in den jong-aarzelenden dagglans. Kaal nog wel en vaal, stonden de hagen en de boomen op paden en wegkanten in jong geknop; bleven nurks grimmen in hun dor getak, tegen den stoeienden, fladderenden Maartwind en blonden lichthemel in. Maar al drukker ging beweeg onder de werkers, en ’t rhytmisch geklos van òplevenden klompgang,—heel anders dan de wintersche melancholieke klosloop,—klakte, hamerde en weerhalde op de keien, op den grond en overal dromden groepjes tuinders rond ’t land, met zaadzakken en kleurfelle emmertjes, helle zomersche toetsen rood en hardgroen, tegen wild-zilveren wolkenluchten en veldbrons; was er licht gespit en omgewentel van aardgekluit, teeldrift en groeigang door de nog grimmige akkers.

Ouë Gerrit stond met de lijn in z’n hand bedjes af te steken, langzaampjes en strammig. Piet trok voren met z’n schoffel en achter ’m aan, hurkte ’n helpertje, tuinboontjes in regels regelend.—Dirk, met z’n zware gestalte, tegen ’t lichtende veld-brons, stond vroege doppers te planten. Met z’n erwtenplanter in de doorbarsten knoesthanden, waarop nu, wildblond in ’t licht, de haartjes prikkig warden, bukte ie zwaar op de brug van ’t groote gereedschapsbrok en drukte in zachtkrachtigen zwel, met ’n trap van z’n beklompte linkerbeen, de ronde tandenrij als ’n beet van den planter, den grond in.—En telkens, in luchtig sliertgebaar, rukte ie, in halven kring, zware brug uit de aarde, zette kalm naast laatst-gestooten erwtengaatjes den planter neer, gaf ’n trap weer in zwelkracht, één rukduw met bovenlijf op den brug, rijde zóó door, achteruitstappend rhytmisch, naar den ouen Gerrit toe, die strammig langs z’n lijn slofte. De klompen van den Ouë te groot, gaapten telkens bij elken slof open aan z’n hiel, dat z’n fel-paarse [262]kousen opkleurden onder z’n loop, bij iederen stap z’n beenen weer verzakten, in den pas gespitten grond.

Er was al volop werk voor ’m. Toch zou ie ’t langzaampjes-an doen. Haast had ie niet. Wat hij deed was maar toegiffie. Dat wisten de kerels wel. Onder ’t ophoogen van de bedjes en ’t aanstrakken van z’n lijn, zeurde zorg in z’n kop, die ’r al ’n poos niet uit wou. Hij had ook in lang niks beet gehad. Dat maakte ’m korzelig. Nou dacht ie méér aan z’n tuinderijrommel. Telkens hadden de steelkansen slecht gestaan, was ie z’n toestand benauwder gaan voelen. Dit jaar had ie zich nog voor ’n prijsje van de koeien afgemaakt. Maar wat ’n nacht was dat nou gisteren voor ’m geweest? Hij, met z’n oue, doorstramde karkas, d’r ’s nachts op uit, op de nachtboot, met ’n koe achter ’m an. Nee, da gong nie meer! en dà trekke, sjouwe en afslag op de mart.… da loope, strije en baidraaie.… Nou was tie d’r mi ’n sestig gulde verlies affêkomme.… dá’ was puur ’n duut.… Moar dá’ hat tie s’n mellekie veur.… en de mest.… de mest.… meskien tùg kiet? veleje joar had ie s’n heule mest vrai had. En tùg nog had ie twee koebeeste veurskot skuld.… En dan.… wá’ kon ’t sàin skele.… de boel gong tùg de loorem in.… Nou al twee keer had ie handgeldje van de netaris genoje.… vaifhonderd pop.… da waa’s.… da waa’s.… van dertig joar rente.… En nooit nog ’n sint had ie aflost.… Dá’ liep moar op.… moar op.… Hai kreeg s’n rente.… Moar hoeveul?.… f’rdomd aa’s ie ’t wist!.… ses persint!.… En dan nog se hypeteekie.… s’n pàcht, s’n hypeteek-termaine s’n.… hu.. hu.. hu.. jonge.. jonge da sel main d’r ’n joar worre.… Al twee keer was ie s’n landpacht achter.… en al één keer s’n borge ansproke, die niks meer mit ’m wilde. Dàt moàlde sain ’t ergst!.… Aa’s tie nou d’reis afgong van die vent,.… bai ’n aêre gong.… soo’n jongere snuuter.… die nieuwe doar.… mi s’n bank.… enn.… aa’s tie.… aa’s tie jonge kerel d’r nou d’reis rejoal see woar d’r op stond mi sain.. Want nie een die wist dat ie d’r soo baisat.… enn aa’s tie.… aa’s tie.… aere!.… die Gouws tie.… d’r nou d’reis see.… [263]dan kreeg ie miskien nog wa sinte.… ho.. ho.. ho.. aa’s tie die jonge snuuter d’rais alles see!

—Hee Ouë!.… trap de greppel nie in!.… schreeuwde Dirk, die net zag, hoe Gerrit rugkrommig peuterde met z’n lat, waarop voetenmaat stond ingekerfd en in zeurderige zorg-gedachte op de greppel was gaan staan. Hij schrok.… donderjenne!.… wá’ kon ’t sàin skele.… hai mos de boel moar late woaie.… Had ie nie s’n spulle.… s’n goed?.… Aa’s t’r moar niet soo veul loervosserai was op ’t veld.…

Wijd en ongedurig lichtte Maartschijn over de akkers rondom. Van alle kanten kreunden en kraakten in schommeling, werkkarren op de nauwe paden naar ’t land, kruiden kerels mest in kruiwagens, piepknarsend over planken loopertjes; stapelden ’r bergjes vettig op drogen akkergrond gekwakt, als zwartig-blauwe kwallenhoopen. Van ’n schuur fonkelde ’n glazen dakpan, als dagster, zilverend neergelensd tusschen de akkersingels.—Bedrijvigheid van bukkende en sjouwende kerels, met rood-vlammige burries door de greppels, drukte òp van de bollenvelden en als in voorhooi harkten enkelen bij plekken het dekriet dat opstoof in hooierige slierten, van ’t àl groenender loof bijéén. Dreigend waaierde plots de lucht uit aan één kant, over wijd brok land.

Ouë Gerrit stond er naar te kijken. Nou al dertig jaar had ie hier op de Beek, tusschen bollenakkers, ’n half bundertje grond gehuurd, waar ie van alles had gezaaid. En nou, nou moest ie d’r volgend jaar af. Onder z’n pooten had die voorskieter, zwager van dokter Troost den grond verkocht.

Nou kon ie blaive meskien.… meskien.… aa’s tie twee honderd golde meer betoalde p’r jaar!.… Moar dâ kon nie.. kon nie één tuinder.… Nou wist ie wel dat ’t land weer an de kweekers gong! Die slokten de heele ploats in,.… die konne meer betoale.… En.… wá’ noodig had ie dá’ brok, dat mooie brokkie hier mi s’n bestigste àfwoàtering nog van de heule ploas!.… Hai mit z’n slechte darie-grond, àchter z’n huis.… en kaik d’res an.… wá’ die plek hier mooi lai.… allegoar die hooge boome gunters.… en nog meer boome tut [264]an de Beekerweg.… En kaik doàr die kant van ’t groote bosch.… al die iepe doar.… en die popels!.… En doar midde in.… de bolleakkers!.…

Ja, nou ie zoo keek Ouë Gerrit, wijd-om, tot aan de boomdiepte van ’t bosch, prachtig wijd brok land over, nou giftte ’t duivelsch in ’m dat ie hier af moest, ’t beste stukkie. Met ’n handje mest was ’t altijd klaar. Als ie z’n lappie in ’t duin, mit aarepels en erwten nou nog moar houen kon?.… Moar kristis.… wá’ had-die f’doàg tug in z’n kop.… t’met allegoar sorgseurderij!.… Ho.. ho.. daa’s puur daas.… héé!.. da gong tug stil s’n gangetje.… Dan moar de boel veur de wereld.… Aa’s tie de loodpot had van s’n broer, waa’s tie d’r allangerst van deur gonge.… kaik die hep nou vlak noast sain hee, s’n bunder.… Moar, wel neenet.… die gong d’r nie of!.… die betoalde meerer!.… Moar wá’ kon ’t sàin bokkeme.… Hai had sain genot.… da’ wist puur g’n sterveling.

Weer stilletjes strakte en trok ie z’n lijn over den roestigen kluitigen grond, een steek omgelegd en Dirk bleef z’n zwaren blauwigen erwtenplanter lichten met elken trap van z’n reuzigen zandklauw, duizend donkere gaatjes in den rullen, bronzenden spitsgrond prikkend. Overal lagen hurkende kerels in blauw en brons gekiel, op de nog woest-bronze aarde, tot schemer graaiend en kervend met d’r brons-reuzige handen; de aarde, die stil-ontzag’lijk zich liet gleuven en pletten, verhakken en uitdelven door de noestige mensch-werkertjes.

Den volgenden dag was Ouë thuis gebleven. Hij had kou gevat in den Maartwind.—Dirk stak de bedjes af, lei de paadjes glad, groef en wroette in ’t zand, met hartstocht en lust en harkte in sierlijk-lichten zwaai, grondbobbels en kluitjes gelijk over de bedjes, luchter scherend met de beklonterde harktanden, in zweefkringen langs den grond.—Elk bedje, onder zijn hand, kwam prachtig gelijk te strekken, met recht afgelijnde paadjes ertusschen gediept en telkens kleurde onder z’n schoffel en hark, de bronzige zandgrond in lichtigen roesttint, fijntonig geschakeerd van afschoffeling en aanharking. In z’n stommen arbeidstaar lag werkgenot, om netjes te zijn, [265]voor zich en anderen die langs zijn veld liepen. Breed-zeker drukte z’n klomp den weeken gespitten grond in, langs de bedjes, gebaarden z’n armen in forsche harkhalen, vierkanten in symmetrische vakken de akkers, voor ’n paar uur nog ruwonbewerkt, doorspit in roestkluitige woeling.—Tusschen de erwten hurkte Piet, met jonge aardbei-plantjes, die hij wortelteer den grond inkuilde. Peuterig werk voor hem, waar ie ’t land aan had. Dat was maar den heelen dag, met z’n dikke stompe vingers den grond openboren en heel voorzichtig, vezelig wortelnestje kreukloos de duffe aardkuiltjes indiepen. En elken dag, dan dezen dan dien hoek uit. Nou, binnen ’n paar dagen werd ’t jagen. Van de spinazie naar de wortelen wieden, van de erwten naar de boonen. Zoo, drukkig door, tot ’t ze groen en geel voor de oogen wier, ze zelf niet wisten wàt ’t eerst te doen.—

Tegen einde Maart stond ouë Gerrit weer op ’t land, met kleine gebaren en half bochelend, voorovergekromd z’n schonkige lijf, uit z’n emmertje sla te zaaien in lange lijnvoren. Er was wat zonnig middaggoud, in rooiïge weerschijnen over de werklijven heengedampt, toch zonder warmte. Alleen vloeide er lichtglans die warmte leek, ijl en in de lucht zilverden wolktronen door ’t lichte blauw, waarachter wind joeg, guur, maar frisch en dartel-blijstemmig.—

Met werkstil, diep genot plakte rustig Dirk z’n bedjes wortelzaad in, in doffe kloppen met plakker op ’t zand, zwijgend, in den ernst van z’n arbeid en innige gehechtheid aan saizoenen-werk. Piet, achter ’m aan, strooide in zwenkend uitwaaierend gebaar, ingehouen toch, nog wat raapstelen en wortelzaad na. Dadelijk hakte Dirk bezaaide bedjes in, met z’n harktanden omwoelend den grond, dat ’t zaad in grappige sprongetjes opdanste.—Z’n lijf stond krom en z’n gezicht wreed, werkstrak. Heel den middag door hakten en kerfden z’n harktanden overal de bezaaide bedjes, bang voor vogels, die de korrels anders wegpikten. Dàn plakte Piet den grond dicht, achter ingehakte woeling, glad als asfalt, dàn Dirk achter [266]hem, in onbesproken wisseling van arbeid, ’n Greppel van hen àf werkten de neven Hassel. Flauw brommerig gegroet was er tusschen ’n paar, dat in den morgen éven gromde, maar dadelijk dreef de vijandschap weer boven, vrat er dieperen haat in, zonder dat ze familie-ruzie van de vaders ooit elkaar verklaard hadden. Piet had juist Willem Hassel, z’n neef, ’n snauw gegeven. Die, verbluft wat, niet klaar met z’n antwoord, stond in verlegen woede de lucht in te fluiten, sarrend den ander, smorend eigen kwaadaardigheid. Oom Hassel, Gerrit’s broer, was ook op ’t land gestapt, manoeuvreerde tusschen bedden en regels in en loerde stil of de neven ook gereedschap van hem gebruikten. Wacht!—daar zag ie waarempel ’n mestkruiwagen van d’r lui staan, even op zijn grond in ’n hoekje achter de voorhaag.

—Weg die rommel, krijschte ie, màin grond!.. màin grond!

Terug morde gevloek, zacht nog van Dirk; en Piet vechtlustig wou ’m wel op z’n gezicht slaan.

—Jou grond, snauwde Piet, aa’s je d’r ofstapt.… ke je de korrels van je klompe skuure!

Dirk, die niet erg hield van hurrie, had den kruiwagen ’n stomp duwetje gegeven, twee voet naar hun eigen akker toe. De neven, stil, bleven aan ’t inhakken van zaad of harken, zeien niets, keken maar strak op den grond en ’t zaad, dat òphuppelde onder harktanden. Soms, éven klonk licht gezang van mannestem uit bollenland, tenorig-hoog vergalmend. Dan plots weer uit anderen hoek woei zangstem aan, in afgehaakte geluiden, door schuddend beweeg van lijf, klonk er nagalm tusschen werkers, hurkend bij hyacint en tulpenloof.—

Hooger in enkele dagen was ’t prachtglanzend licht groen van de hyacinten-velden de akkers uitgepunt, juichend tegen den zilverenden, hooger zich openenden wolkdampigen lentehemel. Breed in vlakkige sier, òverlichtte het de nog grauwbronze aardplekjes van tuinderij midden in. Uit een hoek, bezij ’t land van den Ouë, kwam al zachte violet-paars waas, uit vergroend aardvlak schemeren. Door het haaggetak, van verre al, waasde paarse wasem, in zacht violetten brand, [267]geurende goùdgeel-gloeiende krokussen, wonder-teer wiegelend op toonfijn stengelgroen. Overal rondom, in lanen en veldpaadjes, barstte strijd los, tusschen ’t groen. Fel lichtgroen glansde hoog in pracht tegen malscher kleurnuancen van tulpenblad. Dwars door ’t lichtende hyacintenloof, ’t blauw dof-groen van narcissen en ’t grijs-groene in waas omdampt, van al andere soorten. En ’s avonds, als werkers tegen half zeven afstapten van ’t land in lentescheemring; voortsjokten op de eenzame weggetjes, en kronkelpaadjes, tusschen haagjes-engte van tuinderijen waarachter aan twee kanten al uitsapte groente-spruitsel, in àl groenig waas, dan overal kwam hun tegemoet, wit geschemer van sneeuwklokjes, op regeltjes geplant, als dwalend lichtjesblank, afgebrande kaarsjes, die kropen, teer, halfgedoofd langs de donkerende aarde, even soms nog geraakt en opbrandend in flits van avondgoue glansjes. Stil en wijd-ernstig, den omtrek van Duinkijk beheerschend, lag doodstil landgoed van jonker van Ouwenaar, diep verdoken achter hoog geboomte, met de geheimvol groenaanschemerende beuken voor ’t hekwerk.

[Inhoud]

II.

Hooger en weelde-dieper lenteleven kwam er bloeien en zoet geuren in Aprilmaand, over de akkers. Fel stond ’t groen, narcissen en tulpen in hun grijs-blauwe loof. Overal uit het duizendlanige Duinkijk om Wiereland, tot aan Zeekijk, vloeide áán, de zoet-duizelende geur van bloeiende hyacinten, lichtelijk ontknopt, de lucht doordroesemend, de aarde bekleurend in teer-brozen gloed. Dronken luchtwaaisel, warm en eind’loos zoet, doorgeurd, woei longen in en hooger àl stonden de werkers omlijst van hun sierende singelhagen, op ’t ochtendland. In het getemperd hemelblauw, nevelig doorwaaid van gouïge dampen, stortten de dagen zich uit over de akkers. Heerlijke jonge vreugd-adem zoelde en koelde door ’t bollengroen en licht, in lentevuur, vlamde zonschijn van akker naar [268]akker. Beukgroen van de lanen stond te wierooken in zacht lentewaas, en elk uur hóóger steeg ’t licht, doorvlamde ’t gras in zacht sappig weeldegroen, fluweel groen, zoet-zijïg groen. En de boomen overal traden áán, in fijne sier van jong-puntige blaadjes, overal neer-regenende pracht van satijn-groen over de heilig-stille wegjes met vocht van lentedauw doordrenkt. Overal lichtglans van nieuw leven dat aanzoelen, aangeuren, aanwuiven kwam, tusschen woesten groei van gras, rond wegduikende beekjes, langs oevertjes-stille lommering, langs watertjes, die glans-gouïg en zilverdoorstoeid van lichtrimpeling plasten en terugkaatsten, in bronze bodempjes, hemelblauw en wolkzilver, kristallig en even verdonkerd van gloed. Waar klaar doorhéén kleurden beekjesgrond en koralige steentjes, bloedrood.

Aprilmaand was, verstald als blanke vrouw van mythische sier, ingewiekt met gouen vleugelslag van zonnelicht, tusschen de velden, de eerst nog droef-grauwe landen. Daar zwierf ze plots, in lijnen-woest kapsel, met goudrossigen haarzwier, die vlamstreepte en lichtkringen trok door de lucht en ’t akkerloof. Vóór haar zwierden uit, blank-albasten handjes in godinnegratie, die rondstrooiden zoete bedwelmingen van geur en kleur. En rag schuifelde haar teedere voetjesgang door gras en sierloof, dat er ritseling golfde, als aanvloeiing van fijnregenend fonteingeruisch. En overal waar ze zwierde en zweefde, dàn liep en rustte, gingen zacht branden om ’r heen, kransen van kleur en kransen van licht. En waar haar wisselsnelle voetjes schuifelden en betipten éven de aarde, golfde achter haar aan, blank en blond spel van lijnen en glanzen, die ze terugving op doorvonkte sluiers van kantille-goudgaas, weer òpstrooide in kringen, al breeder en breeder uit, wel grillig en jong-vurig, maar licht en juichend; glans die gloeide, licht dat duizelde, bruiste en vonkte op de warmte-inzuigende aarde.

Er was vroolijk gestoei onder de werkers. Ieder voelde wat aanvloeien van de bedwelmende Apriljool in lucht en grond, hoorde schuifelen den schalkschen stap van de vrouw met ’r goudrossigen haarbrand. [269]

Op de akkers was drukker beweeg en blauwkielen, diepkleurend met burries, vlammig beschilderd, droegen sneller dekriet tot hooibergen, hoog dofblond, even door avondzon in rooden gloed getooverd.

Rond de akkers was nog druk gespit van bollenkweekers op hoekpunten. Op den Beekhoek, zwaarder omdromd van groen, stond Ouë Gerrit te kijken. ’n Bed van ’m af hurkten Dirk en Piet tusschen de aardbeien. Overal rondom, piekten tuinders rijzen den grond in, die al klaar lagen op losse bossen tusschen de erwtenpaadjes. Licht-even groenden de doppers de aarde uit, in scheemrige fijne regels. Het dooie-grijs-brons rijzenhout brak malschen toon van ’t sappige gras in den omtrek. In één dag stond laag-groen landschap doorpriemd van bajonettigen stand van rijzenhout, mans hoog, vèr over de akkers. Als gepiek van verweerde en beroeste geweerloopen knoesterig en takdood, stonden de rijen hout tusschen het jonge doppergroen. En tusschen hekjes en stekjes, àchter takjes en knoestjes, schemervlekten hurkende kerels in blauwkielen als gedoopt in afdruipend ultramarijn. Hun stompe klompenneuzen drukten in ’t zand, als ze knielden naast hun hout en langzaam de rijzen op regels voortschoven, de puntig gesneden knuppels, met forsche rukken en stooten de aarde inborend.

Na eetuur van twaalf, stapten Dirk en Piet achter hun huisje op de akkers, wat spinazie snijend voor de markt. In groote bakken, vurenhout kistwerk, beschilderd met blauwe letters G. H., zeisten ze de spinazie bijéén, op bosjes, losse blaadjes, geurige jonge groenten, dat het glanzende sap van hun messen afdroop en zoetige lucht, frisch en prikkelend de bakken uitwaaide. Dirk sneed kalm en zeker, Gerrit laadde op, Piet sjouwde de kisten naar den wagen. Na ’n uur werken trok Piet naar de haven, waar al lichtelijk en duizelig door-eenwarrelend gedrentel van marktdrukte joelde. Groenteventers van ’t stedeke, zonder land en zonder eigen waar, stonden gedrongen om tuinders die te veel goed hadden en niet meetrokken met de tuindersbooten op marktdagen, naar Haarlem, Amsterdam. [270]Aan walkanten, en onder áánlichtend groen kastanje-lommer van de havenboomen, vlak voor ’n rij woonhuizen, was uitstalling van jonge groenten op straat, in manden en bakken, van walkant tot aan de stoepe. ’n Ophooping van karren met stilturende trekpaardjes en ezeltjes, warden dwars en scheef bij elkaar. Stille koop voor afslag klonk ’r vóór dat tuindersboot aankwam om op te laden. Boven haventje dreef geweldig wijd-uit, wolk-doorzilverde polderhemel, en boven één hoek naar spoordijk grauwden paarse waterdragers.—

Aprilvrouw was, koketteerend en tartend, met ’r rosgouen zwier van wapperhaar en omslingerd van door-zonde sluiers, in ’r ranke gracie en vlammensier, al dagen achtereen weggedoken, had sarrend en schalks in háár plaats gegoocheld, grimmig klownig weer-duiveltje. Van overal dreigde wintergrauw in de luchten.

Reuzige ruïnen, omsmeed van licht-zilverend, afgebrokkeld poortwerk, breed en diep-verhallend, dreven prachtzwaar in den ochtend, met hooge bogen van wild licht omspannen, boven geweldige polderwei en haventje, om in stillen val in te storten tegen den middag, te vergrauwen in angstzwaar, woest regenzwerk.

Onder de spoorbrug, waar de tuindersbooten doorstoomden, spartelde tusschen het sluizig-diep schaduwdonker gemuur, lichtende plasglans van waterzilver, nauw-kronkelend door bruggeboog. Zwaarder boven den spoordijk, rond polderruimte donkerde ’t regenzwerk; droef daarin de gasreservoirs, die er neergetold stonden als duistere kringkazernes zonder ingangen.

Op den spoordijk, tegen fel-scherpe lichtwolk brak donker uit, lichaam van seinwachter, die draaide aan z’n paal voor z’n huisje, dat er parmantigjes, klein-hoog stond. Langs den havenwal joeg gewoel en gedrang van tonnenschuiten, tjalken, bokken en pramen. Uit meelsloepen klauterden telkens wat kerels, wit bestoven, met zakkenvracht, wit-doorpoeierd op den rug. Zwaarder in paars-duister omdreigde polderlucht de haven met spoordijk en plots door grauwblauw gewolk, rende lokomotief met wagens aan, doorstormde in donkere vlucht [271]hemelzwerk, ijlzilveren stoom uitblazend tegen dreigenden wolkachtergrond. Rechts naar station, eenzaam boven het aansjacherend marktgewoel, hoog uitwiekend door grijzen luchthoek, in statige wenteling van windgang, keek reuzige molen over polderruimte. En rond hem, laag als neergebrokkeld, huiskrotjes in rood gedak, schuil achter en onder boomgroen. Enkele bootjes, vereenzaamd, lagen geankerd op stil walkantje, vlak bij de polderhoogte, buiten sjacher-rumoer, waar hun kajuitsoogen net even boven water staarden, wijd-open, als gesperd in benauwing, met de vuil-gele en smoezelig bruine walstrooming ònder hun angstblik. Matkleurig roer-rood en hardgroenen koperen bepuntsels van schepen, boorde door de grauwige drukte. Tonnen, met menierooie bodempjes werden in druk lawaai en geschreeuw loopplanken op- en afgerold, weggeschommeld en recht-opgecirkeld op d’r kanten, in voeten- en handen-techniek, als speelgoed, lichtelijk versjouwd. En overal, tusschen tuinders en venters, dromden kinderen, onder paardkarretjes en tusschen honden.—Havenkroegen liepen vol en gulpten zwoegkerels uit, slokten sjouwers in, kooplui, tuinders en scharrelaars, die afklapten en prijsbedongen. Maar weinig nog was aanvoer en slap ’t groen van spinazie en wat vroege sla.

Later in de maand was Aprilvrouw weer opgerankt in gracie en achter haar aan trok ze diepere streepglanzen en kleurkransen, lichtglorie van aanwarmend zomerland. Struikgroen en jong geboomte stonden te wasemen in dauw en eerste bloemenbloei tooide de ochtendvelden in kleurenlicht.

Zwaar, in zwoeg-ernst, wroetten de landwerkers. Eérst jolig werkgeluk was overal bij tuinders en bollenknechten overgegaan in zwoeggewoonte van menschdieren, stomp omwoelend de aarde. Overal stond strakke loer op groei naar vruchtbaarheid, op aardegistend leefsap, dat in wellustgeur den grond uitbruiste. Angstig was ’t getuur van tuinders en kweekers, stille kijk naar de aarde, bange, ingehouen vraag aan den zwijgenden grond of ie geven zou volop, of ie groeien [272]zou, brengen kwam oogst, leven, of ie werkte, gistte, licht en warmte inzoog.

Lentebrand ging over de akkers, vlammen van schroeiloos zonnevuur. In al de tuinen kwam uitspruiten, asperge en radijs, tuinboonen, lichtelijk zilver beblad, raapstelen, in groenen bosjesdrom, erwtenranken en rhabarber, jong blad, waaronder steel-rood uitkleurde. De aardbeibedjes jongden in d’r hel tintelende groene uitloopertjes, lichter met den dag, dwars door het vaal dorre brons en bloedrood, gouïg-omrand geschub van afgestorven loof nog, dat nazong, tusschen lentegroen, éven z’n weedomlied van herfst.

Ouë Gerrit liep in zoekend getuur naar den grond te kijken, tusschen z’n bedden op de Beek. Dirk schoffelde rond de erwten en Piet met helpertje, armelijk jochie, verzakt in zware man-kiel, wiedde de worteltjes.

—Seg Piet.… hai jai d’r nog doppers.… de wind hep hier huis houe.… nie een die d’r opkomp!.… kaik!.… dá’ hebbe de musse in gefrete.… dá’ tuig!

Dirk sprak, doorwiedend met den schoffelboom hoog, uitschietend z’n armen in breed gebaar.

—Ikke hep hier niks.… hep den Ouë dan nie walletjes anstreke?.…

—Wa’ nou.… walletjes? bromde Dirk met z’n rug naar Piet toe.… of dá’ stoàm-erte binne.…

—Watte?.… schreeuwde Piet, die Dirk niet verstond.

—Twee swarte katte, bromde nog onverstaanbaarder Dirk, om Piet te hinderen. Helpertje van twaalf, hurkte op z’n jongensknietjes, mannig in z’n beweeg, tusschen de paadjes, achter Piets klompenzool wiedend, nu weer in jonge sla, die al fletsig met z’n geel-groenige schutblaadjes overgeplant, slap treurde. Z’n kleine kinderknuistjes wroetten driftig tusschen ’t onkruid en telkens èven schrok ie met ’n vloek terug, zoog ie z’n hand uit, in den mond, als hij zich gestoken had aan brandnetels. Zwaar doorlapt sjofelde z’n gescheurde broek om z’n lijf en z’n voeten in baggerschoenen,—rooiig en gat-doorvreten, dat vieze teentjes er uit kromden,—[273]plompten weer met zwaren druk op bed-randje van wortels.

—Seg Nailis, wa droai je d’ruit.… wá’ goan dá’ vlug!

—Se heppe main nie vlugger moakt, lachte ie met guitigen kop éven opgeheven uit wiedbuk.

—Hier-op-pan! hee! je hakt puur mi je poote in de wortele!.… f’rwá’ hai je gain klompe?.…

’t Manneke bromde wat. Z’n klein bruin knuistje rukte door, vuil uit den grond, in snelle grabbeling steunend op andere hand, gestrekt onder z’n ingehurkt lijfje. Plat op z’n knieën schoof ie voort in buk, al driftiger en gejaagder ’t onkruid voor zich uitsliertend op paadje. Smerige kielmouwen slobberden laag over z’n knuistje op den grond, z’n polsen en hand half bedekkend.

—Hee boàs.… boàs, schuchterde z’n stem,… hai je nog ’n pruimpie.… je hep ’t b’loofd!

—Bé-jai-’t-Hain!.… hier! pakkan.… kanteloep!

Gretig propte ie met z’n vuile vingertjes tabakskrul samen uit koperen doos die Piet, naar achtergedraaid ’m voorhield, en gulziger nog bultte ie propje z’n mondhoek in, zuigend, zuigend, dat ie kwijlde van genot.

—Kâ je d’r nou puur teuge.… je hep ’n kleur aa’s ’n vuil hemp.…

—Ho-je-mie!.… ho-je-mie! schaterde kereltje hoonend, met woeste hand langs z’n kwijlend mondje strijkend,.… ikke rook t’met van main sevende joar.… g’laik op mi foader! enne.… main broertje van ses pruimpt wá’ stefig!.… En Kloas Dirkse.… Dirkse hep ’n.… soontje van.… vaif.… die rookt aa’s ’n skoorsteen.… t’met.… vast woar!

—Nou, dá’ pak skeef uit.… dà pak skeef uit mi jou,.… dolde Piet, snel wiedend, rondstrooiend z’n onkruid op de paadjes.… jai bind d’r nog slimmer.… nog slechtiger aa’s ketoen van twee sint ’t el.…

—Hier-op-pan! lachte schalksch het mannetje.… ik bin alletaid thuis.… waa’k woon? Bikkepad.… nummertje soek moar!.…

Ouë Gerrit sjokkerde achter Piet om, lekker zich voelend [274]in lichte zonnehitte die aanwasemen kwam, en gretig snoof z’n neus aardgeuren, zoelig en zoet. Nou keek ie ereis maar wat rond. Z’n blommetjes had ie op de plaats van Bekkema, al wat gesnoeid, licht werkje. En niks was daar voor ’m geweest. Alles stond er nog potdicht. Alleen ’n boodschap van den huisknecht had ie gekregen, dat ie deze week moest klaar zijn met de perkjes en gazonnetjes vóór de villa! Nou had ie dààn, al van heel vroeg, en rustigjes stond ie te genieten, geuren in te drinken, z’n pijpje linker mondhoek, stevig ingebeten. Lekkertjes dampen zoo, en toch rustig loeren of d’r wat op den kop te tikken viel. Hij dacht over ’n vondstje. Vlak aan den weg, tegenover ’t villatje van Bekkema, was ’n klein huisje getimmerd van ’n fotograaf. Bij dien had ie al ’n paar ochtenden rondgedrenteld en ’n bakkie leut geslobberd. Die vent was heel vrindelijk voor ’m geweest, had ’n paar maal, in allerlei standen ’n kiekje van z’n kop genomen. Dat mocht ie wel hebben zoo, want iedereen zei dat ’t ’n rijke kerel was, die fotograaf.

Damp-zwaar zoog ie òp z’n tabaksrook, dat ’t zacht reutelde door ’t pijpsteeltje.

Lekker.… lekker tug soo’n paipie.… koesterde ie in zichzelf.… soo’n paipie.… in ’n lekker sonnetje.… Miskien oogst tug nog bestig.… enn.… bai die fent.… van de potegroàf.… soo veul moois sien.… Da kon rooie.… puur rooie.… suiver rooie!.…

Zoo, in soezelige blijscheutige gedachtetjes snoof ie grondgeuren op, van allen kant, en vroolijkte er iets genoegelijks-rustig in ’m van binnen.—

Rondom stonden de bollenakkers in bloei. Hoog rankten de hyacinten, in hun vakkige stijfheid, uitstortend zoeten, diep-doordringenden geurwalm, en overal rond, vlam-vlekte, broeide, schuimde en bruiste ’t licht in dollen droesem over de kleur-felle akkers. In regel-rij schuimden als sneeuw-schitter, de hoogwitte hyacinten, rein veld van hagelblanke bengelende klokken, uitgalmend geuren. Dwars er tegen, er over en om, paarse stroomen, trillende kleurgolven, in het [275]vochtige daggoud van Hollandsche atmosfeer. Paars, lichter en dieper, stijgend en dalend in gamma’s van gloed. En overal, op de doffe pracht van stengel-groen, gouden trompetnarcissen, als in koperen jubel onder het bevend lentelicht, uittoeterend zonnezang over de velden, wijd-alom.—

Zacht, boven de hoofden der werkers, verliep lentedag in late zon, dwars de boomen, rood-goud door hun groene pracht zeeftend. De lucht stond wolkloos aan allen kant, teer azuurblauw, droomerig ver en diep, wonderfijn ’t licht weerkaatsend, in zacht, nimbusgouïg avondrood, vochtig en heilig. De werkers op de landen, zoelden in ’t zachte groen-goud, en over hun gezichten nimbuste rooiige weerschijn, glans van verheiligd licht. ’t Late zonnevuur brandde op petkleppen van wat arbeiders in de bollen; vuur, dat weerlichtten zilveren flitsen door ’t avondgroen, bij beweeg van hun werkkoppen. Rondom de werkers, overal nog in beestigen zwoeg gebukt, ’t gezicht naar de aarde, gehurkt tusschen hun bedden van groente en gewas, ging zonne-avond rond, in zacht-heiligen brand. Fijn getwijg stond te glanzen als stoeiden er engelen rond-omme de boomen, als dwaalde er toortsen-tocht van madonna’s, gloed zonder vuur, goudene damp, wazig tusschen de bladeren, in roerloozen zwijg van het land. Lang áángehouen, stond de hemel stil, in doornevelde goudrooie glanzen, plechtig en wijd-uitstralend, al lager, lager.—Onderste struikvlammen en boomknoesten gloeiden nà in den nimbusbrand van avondgoud.… Bronsrood verdroomden de boomstammen; laag bij de aarde zonk dieper de zon uit in violet vuur, onder singels en hagenbosschage, over akkerruimte, wijd-om verpralend.

Mijmerende tempering vloeide over de kleurkelken van hyacinten. Zacht doofde uit, de goudfelle zang van trompetnarcissen in het plechtige avondzwijgen en èven nog, brandde na, in schroeiloozen, wondren glans, rood vochtgoud over de huisjes en ruitjes. Wazig en droomerig stonden de verre boomen te luisteren, roerloos naar de avondrust; eeuwig en plechtig stond stil de lentelucht, doorwaaid van zachte geuren. [276]

En langzaam kwam aanritselen heimvol geruisch, uit bosch en zeekant, winde-voetjes door ’t loofgroen, in ruischenden stap, en dieper de zacht uitgekleurde velden, verzwijmelden weer in zoet bloemenaroom, sterker in avondval. Paarse en violette bloemselen ademden uitgebrand in zachten, stillen schroom; blanker in verscheem’ring sneeuwden òp de witte hyacinten.

[Inhoud]

III.

Acht klompen drongen bij deur-gangetje op ’t erf, stil en schuin, paar-aan-paar, bijeen. De jongens tukten nog nà ’t middageten. Guurt stond op ’t straatje bij steenen bank, borden, lepels en pannen-blauwgoed in werkemmer uit te spoelen.

Ouë Gerrit liep ongeduldig langs ’n rijzenhok. Er moest gegierd worden vandaag. De mestwagen met beervuil stond donker bedropen, in smeuge smeer, achter de bruinige stuit, stankverwasemend over de akkers. Niet goed zetten kon de Ouë ’t, dat de jongens nog tukten; kregelen kon ’t ’m.

—Guurt, roep jai de manskappe d’rais.

—Nou Ouë.… lá’ hullie nog effe.…

—Moar main Jesis!.… hullie snurke de honderd uit!.…

De hond, vast aan den ketting, uitgemagerd kreupel trekbeest, woelde onrustig in z’n stinkend stroo rond, beet woest in z’n vervuild harig, jeukend vlooilijf dat rondgedot zat met straatsmeer en geel riet, likte stiekem borden van Guurt af, rond ’r bank neergezet.

Giftig trapte de Ouë tegen z’n ribben uithoepelenden bast, dat ie jankend in z’n nauw vuns-vuil hok-donker terugkroop.

—Heeoo!.… hee doàr, wak-kerr! schreeuwde Guurt ’t achterend in, door ’t gangetje, naar d’r broers.

In schrik sprongen ze van den grond, met slaapmom op beteuterde wezenlooze gezichten. [277]

—Main Jesis.… ’t is t’met half twee, gromde Piet, wrevelig en loom z’n rug schurend in felle jeuk-rukken tegen scherp muurbint van stal. Dirk was ’t erf opgesjokt, de akkers over, onrustig naar de lucht kijkend.

—Tjonge.… d’r si puur soo’n klodder raige in de lucht.… dik op hoor!

—Hoho!.… hoho!.… wa sou ’t, hee?.… aa’s d’r t’met moar is, veur giert hee?.… goeiïgde de Ouë.

—Je seurt fierkant Ouë.… sel wel beure.…

Loom en rillig van slaapguurte, nog mat zich voelend in z’n lijf, was Dirk op den gierwagen gesprongen en schepte met z’n emmer ’t bruine vuil in z’n kruiwagen. Telkens als kruikar volgegoten was, reed ie op ’n drafje langs erwten en aardbeipaadjes, voet-nauw klemmend bijna, dwars door rijzenengte, naar diep-getrokken voren voor sperzieboonen, die ’r nog ingeplant moesten worden en apart gier noodig hadden. In ’n ouën gieter schepte ie uit kruiwagen ’t vuil, en snel, beenen wijduit, liep ie langs de voren, in stralen ’t vocht voor zich uitsliertend dat ’t kletterschuimde op den pas omwoelden, verschen aardgeur uitdampenden grond.—

—Seg, snert d’r nou nie deur hain Ouë, riep ie driftig naar Gerrit, die van anderen kant was komen kijken.

—Huhu!.… hu.… wa hep ’t weer vorst weust f’nacht, zuchtte ie, main Kristis!.… Kaik gunters!.… hoe die lamme kroaie in de errete sete hewwe.… vier en vaife en nie g’nog.… d’r is puur ’n regel d’r uit.… hoho!.… hoho!.… wa onhail tug!

—Nou.… bai.… ons.… is ’t nog.… hailig.… stootte Dirk er hijgend uit, onder ’t volscheppen van z’n gieter, in diepe onderdompeling door ’t vuil, dat z’n handen dropen.… kaik d’r t’met bai Huuzer.… en bai de Spinnekop.… enne bai slappe Joàp.… dá’ hep ie puur huishoue.… Nou netuurlik.. de spinoàsie ken teuge s’n leed.… Moar mó’ je.… kaike.… an s’n boompies.… s’n oarbaie.… gain blommetjes meer..

Weer was ie, afgebroken de woorden uitstootend, met z’n gieter langs nieuwe rijzen-laan van sperzieboonen gestapt, [278]wijdbeens springend, Ouë Gerrit achter ’m aan, om z’n woorden op te vangen.

—Seg Dirk.… veur wá’ hai je de gierskepper nie?

—Goan ’t soo nie? in tait van nood skil je oarepels mit ’n bail hee?

—Moar.… da’ kê soo!.…

—Wa? ke-niet is dood, wille leeft nog!

Dirk was spraakzaam vandaag, lichtelijk opgewonden en vroolijk.

Hij had ’n afspraakje gemaakt met ’n lieve meid, op wie ie lang geloerd had en die sprekend leek op Geert Grint. Nu zat ’r iets te gloeien in z’n stom zwoeglijf, iets prikkelheets, dat ’m lollig en woordwild maakte ’n beetje.

—Nou, bromde de Ouë na,.… hoho!.… ho, moar je hoef je aige.… ommers nie.… soo te bedruipe.…

Dirk had z’n laatsten gierstraal kletterend in de voor geschuimd, schurend langs de klompen van den Ouë, die ’m op ’t rijzenpaadje in den weg drentelde. Stank drong er uit de kruikar, die hooiïg vergeurde als in omwoelde voren, ’t beervocht schuimig-gretig wegzoog. Weer was Dirk door nauwe paadjes en smal-beplante wegkronkeltjes heen-gerend, vlug naar de gier-kar, langs Piet weer, dien ie toeschreeuwde.

—Nou ke je, aa’s ikke gekrooje hep, de rebarber stukstoote.. goàte steke, en mest d’rin douë.… aa’s dà nie-en-kan, mó’ je ’t fémidoàg doen!

—Kaik, nou he’k da senefewerkie!.… die f’rjande redaisbosse.… kaa’k nou nie van afsnerte, hee?

Piet hurkte op z’n knieën, snel radijsjes uit den grond trekkend, geplant tusschen lange, jonge regels aardbeien in. Druk wroetten z’n vuile handen in den grond, zoektastend naar de grootste, die even de aarde uitkleurden. Dat was z’n laatste dot! Krieuwen kon ie ’r van! Telkens knelde ie, in warrelige ordening, tusschen vinger en duim, ’t korte loof van radijsjes samen, drukte de witte en rooie in elkaar, nijdig wegkijlend knolletjes met te kort blad, en striemde ’r ’n fransch teentje overheen. Vèrder telkens schoven z’n knieën langs den regel, [279]groeven z’n klompeneuzen, recht in den stoffigen zandgrond, lei ie in kort gebaar elk afgewerkt bosje, met rukmoeite ingesnoerd, achter zich neer op ’t pad. Weer rende Dirk met wagen vol gier ’m voorbij, Piet nog iets toeschreeuwend, dat ie niet verstond. Giftiger gromde drift in ’m van peuterwerkje: dat ’t geen doen was voor kerels.

—Wà bromt die broàsem nou? grom-vroeg ie zichzelf toen hij Dirk voorbij zag rennen. Met z’n kop ingebukt, z’n neus rakend de aardbeiplanten, schoof Piet door, verder, verder, tot ie stuitte op een bed wortelen, waar ie den Ouë, vreemd en in zichzelf hoorde brommen.

Verlangen kreeg Piet naar z’n kommetje koffie, want anders.. verduufeld als ie end an den dag zag. Z’n knieën brandden, voelden lammig en zwaar aan, van den eeuwigen kruip, en z’n vingers pijnden van aardgegrabbel, heet en als gekneusd.

Ouë Gerrit kruiste rond, met z’n armen op den rug. Z’n uitgewasschen hel-blauwe boezeroen fladderde achter z’n broek uit. Onrustig loenschte ie over de akkers.

—Hai had wa’ sien.… f’rduufeld.… hai had wá’ sien! ’n prêchtig mandje stong d’r.… spierwit vlochte.… prêchtig.…! al ’n poos allainig! Tjonge.… dá’ most ie hewwe.… hoho!.… ho!.… kaik waa’n snee!—Wá’ faine vlocht.… hu.… hu.… Aa’s tie nou toegreep!.… Aa’s tie dwars d’r langest gong, langest de greppel.… bai Jan-buur.… of.… aa’s tie de dorsch veuròm langest gong.… kalmpies.… huhu!.… hu.… fain werk!.… Aa’s tie.… Nee! dà gong nie! Kaik uit Ouë.… kaik uit!.… Aa’s tie Jan-buur teuge kwam.… van veure.… Jesis.… wá’ lekker voelde ie s’n aige nou.… wá’ lekker.… moar nou.… fain werk Ouë!.. fain werk!.… huhu!.… hu.… Want aa’s tie deur liep!.… pàl langest de greppel.… most ie de akker van Spinnekop langest.… en die stong te wieje.… en sain soon te skoffele.. Enne Dirk dá’ gunters.… kon puur vlak af sien, op sain poote.… ho.… ho.… en doar an oversai, ’n gaa’st bai de noàrcisse.… wel wait weg.… moar die doar blomme snaie stonge.… die twee woare nie mis.… ho.… ho!.… kaik [280]de son skaint pal op d’r snuit.… die sagge gain snars.… moar aa’s tie.… aa’s tie van ’t sai langest gong!.…

Dirk snelde weer langs hem, met ’n kruiwagen gier, wielbonkerend voorbij.

—Hee Ouë.… aa’s je d’rais wá’ veure trok hée?.… gunters bai de boone.… ikke bin t’met mi dà hoekie kloar!

—Stik, giftte ’t woedend in ouë Gerrit, stik!.… stik!.… f’r wa mó’ tie ’t nou segge.… wacht.… nou sel die doen.… of ie niks hoorde en kalm verder loope.…

—Heeoéé Ouë! hoor je nie?.… heeoéé.… of je d’r effe veure trekt, bai main hoekie boone gunters!.…

Achter de rijzenlaantjes schreeuwde Dirk, waarvan de paadjes volgesprenkeld vonkten van goudspatjes zonlicht. Nou kon ouë Gerrit zich niet langer doofhouen. Hoe zou ie zich d’r van af kenne make, zoo midden in z’n genot en berekeninge. Ho.… ho.… Kwaadaardig liep ie den greppel terug, ’t rijzenlaantje in, waar telkens, als windstoot in zoel-wuivenden suizel door geblader van kantboomen en singel heenwoei, even sterker zonglans tusschen openingetjes schoot, fijner plengde licht op de groene hagemuren, rijzentoppen en paadjes, groen-gouïg.

Met angstgevoel in z’n hart, dat straks ’t mandje wel weer weg zou zijn, was ie voor Dirk komen staan.

—Hoeveul?.… die twintig regels?

—Ja Ouë.… hier!.… neenet!.… begin d’r hier moàr.. Wa’ sien je d’r pienter uit op hede.—Al meer en meer voelde Dirk zich opvroolijken. ’t Zwaarste werk ging ’m licht van de hand. Stank van beervuil rook ie niet. Z’n handen grabbelden gretig in ’t smeer, of ’t klaar water was. Bruin-doffe wasem sloeg naar z’n hoofd òp uit ’t broeiende gier. En toch, heel diep, zat ’r ’n liedje in ’m te zeuren, wat doffe klankjes die ’r niet uitkonden.—Nooit zong ie, nooit. Hij wist niet eens of ie ’n stem had. Nou bleef ’t maar kriegelen in z’n keel en zoetjes vaag klanken in hemzelf, ’n kermisliedje dat ie half kende; nou dacht ie aan z’n meid, voor vanavond, in heete opjoelende lol.

Van half vijf in den ochtend stond ie al op ’t land; had Guurt [281]’m op ’t achterend z’n eerste kommetje koffie gebracht. Toen had ’t al in ’m gevroolijkt en gauw, in warme gedachten, was brood-uurtje en koffieslurp van half negen voorgedanst.… Nooit nog zoo’n lekker bakkie weest, aa’s toen!.… Straken-an skoftuur weest.… kostelijk eetetje.…

Gisteren hadden ze de eerste centen van spinazie gebeurd. Dat was lol geweest in de kroeg, met Piet. Nou had ie nog ’n duitje achter gehouen om z’n meid iets te koopen.… Kristus!.… moet den Ouë wete.… enne op de boot had ie ’n pop verlore mí’ koarte.… most ’t moar gauw weer ba-hoalt.. mi spoarduit veur kermis.—En voort, in kroppend gevoel, lolligheid en heetigheid, die stroomen van pret en lustige doenigheid door z’n voeten en armen joeg, werkte ie af, alles achter een, zonder opkijken, van één hoek naar den anderen hollend. Met zenboom op z’n schok-zware schouders geheven, was ie naar ’n groot brok, hoog-uitgegroeide spinazie geklomp-klost. Daar kon ie nou mooi maaien, zoo lekker-gelijk in groenen bladstand, stond ze uitgegroeid.—En sis-scherp, in breed uitwaaierenden halven kring, sloeg z’n blink-zeis bogen rond z’n voeten, vlijmde ’t staal, in ’t sappige, versch-geurende spinaziegroen, dat ie éven lachte van pret, zoo gauw en sneeïg als ’t ging.—

—Gong tog gauwer aa’s snaiê.… Alleen was ie bang, dat t’r wat an z’n zen kwam, want haren kon ie niet. En vóórt, vàn de spinazie, die hij in mandjes overdroeg, bedrijvigde ie weer rond, tusschen de wortelen en aardbeien, jonge kool en doppers, plantte ie sla uit, schoffelde en plakte, want alles tegelijk wachtte. Piet was d’r ’n beetje zenuwachtig van, al werkte ie als ’n beest, zonder opzien, omdat de Ouë hem den heelen ochtend maar gejaagd had: jullie komp nie kloar, puur nie kloar!.…

Piet had honderden bosjes radijs neergekwakt bij de pomp, waar Guurt ’n tobbe water kwam neerschuiven. Met ’n vuil-harigen borstel raspte ie in ruwe stooten en vegen de knolletjes schoon, spoelde ze na iederen boen wat uit, in ’t water, dat zanderig zwart modderde tusschen z’n natte vingers waaraan [282]losgeschoten nattig loof bleef plakken. Guurt, met ’r zwaar lijf gebukt over de tobbe, hielp meeboenen, dat de beklonterde knolletjes, glimnattig-rood en geelig-wit, glanzig te kleuren gloeiden in de zon, op schoongemaakte klinkertjes, boven ’t bedrupte frissche loofgroen.

—Seg Piet, sou je nog nie d’rais wa’ skoon woater naime.…

—Je laikt puur ’n doàseling!.… se glimme aa’s ’n hooge saaie.… van domenie.… wou je hullie somwaile poetse?—Guurt lachte, even uitblazend, met ’r handen plat op d’r dijen gedrukt, armenvleesch hoog ontbloot, bespat met zandkluitjes en watervuil.

Ouë Gerrit was klaar met z’n voren. Den trekker had ie angstig in ’t paadje gegooid. Z’n hart bonsde. Hij durfde niet zien of ’t mandje al uit den greppel weggehaald was. Voorzichtig stapte ie langs de boonenregels, langs de aardbeien aan greppelkant.…

—Eerst nog erais effetjes de aêre hoek inkaike!.… kaik.… d’r stoàn g’n sterveling.… moar nou sien!.… Hee!.… nog effe wachte.… hoho!.… nou langsoam an ommedroaie.. of d’r ’t prêchtmandje nog stong.… kaik!.…

—F’rek!.… weg!.… weg! heulegoar weg!.…

Stom ’n oogenblik, bleef ie staren met razende drift in z’n borst.—Die lamme Dirk, dat ie nie effe hep kenne wachte!—Had ie sullie moar selfers nie soo joagd! soo’n kerel.… Jesis meroakel! nou was ’t weg! dá’ prêchtige ding! heulegoar weg! Er zat woeste huildrift en wroegende spijt in z’n borst die ’m verhitte. Hoe kon ie zoo stom zijn te gelooven dat ’t bleef staan wachten op hem. Dirk, Piet, Guurt, allen had ie wel kunnen smoren van gift.—En als straks ’m z’n lamme, suffe wijf in den weg liep, zou ie ’r ranselen, dat ze kreupel ging. Spuwen, spuwen van drift kon ie, dat ’m die kans ontgaan was. Als ie nou maar morgen eens uitkeek bij den fotograaf en bij Bekkema. Nou was ’t weggekaapt voor z’n neus. Twee uur had ie ’r op geloerd. Maar morgen, morgen moest ie wat hebben, grijpen, als moest ’r voor hèm in den tuin, ’n dag ’n kerel gesteld. [283]

Met duizel en gloeiing van woede in z’n hoofd, ging ie terug. Z’n kinder-poppig gezicht stond stram. In giftige vegen rukte ie door z’n baard, bisschoppelijk-zilver op kielblauw.

Tot laat in den avond bleven de jongens op ’t land. Als wisten ze van geen ophouen en vermoeienis. Dirk neuriede zachtjes, want nou, t’met over ’n half uurtje zag ie z’n meid.

Overal op de akkers van bollen en tuinderij stond nog werkvolk te wroeten in den grond, koppen gebukt naar de aarde, nekken weggediept achter groote zonnehoedranden. Soms in halsheffing even, keken wat verbronsde koppen òp, staarden lichtende oogen rond, in ’t wije akkerland. Dàn weer vóórt, in kruip, of hurk, hakkend, kervend, wiedend, over den groen-lichtenden grond, altijd gezichten néér, in strakken loer naar ’t gewas, handenparen, groot en woest in grabbel, tot zonnevuur wegzonk en koelende scheemring over de velden doolde, stil en wijd, den nacht in. [284]

[Inhoud]

TIENDE HOOFDSTUK.

Om den hoek van Wiereland, waar dorp Duinkijk begon, poortte, recht voor landgoed van jonkheer van Ouwenaar, ’n beukenlaan, prachtig in bloei. Rondom stonden de lommerende moestuinen, groenende boomgaarden, innig-zonnige, klooster-stille hofjes en wilde boschplekken, woest opgroeiend hakhout vóór en tusschen weibrokken, in heidergroene, wondre glorie te gouddampen in ’t licht.

In den Mei-ochtend straalde wonderteer, goudglanzing door de beukenlaan, schaduwkoel en omboogd in gothischen takgroei. En diep, diep, aan laan-end, naar het voortuinbrok van den jonkheer, schitterde op lichtrookenden achtergrond van goudgroen, zondoordoopte bladerenpracht, vonkerend in zonnegoud.

Diep-poortig neigde ’t siergroen van beukenlaan in takkenpracht, naar elkaar toe, en daaronder bloeiden jonge meidoornhagen, als lichtgroene betrofeede wanden van glans, doorrookt van sappige bloesemgeuren, waarachter weer ooft- en moestuinen aroomden, met hun zwaàr beladen vruchtboomen. Als àfglanzend fijn goudwaas, lichtten de hagen zàchter glans terug, op ’t donkere beschaduwde boomgroen van beukenlaan, er boven dichtgegroeid in geheim-stille pracht. En hoog, van af Duinkijk-weg, tot diep in de laan naàr ’t landgoed, stond tusschen elken boom, in goud-groene vochtsfeer van zoelende zoete Mei gedoopt, ’n rooie beuk, geweldig hoog opschietend, met brons-goud van blaren, hooger, al hooger, vergloeiend in bloedrooden tooi, met suizelende toppen, doorvlamd van zon; diep prachtvuur van wijnrooden gloed, wuivend ’t zalige wije, [285]trillende luchtblauw in. Zoo, hoog geheven, boven gothische laan, die donkergroende in koelend lommer, uit de aarde òpgoudde met wazende wanden van zacht licht,—zoo bloedde in karmijnen zang, om tooversfeer van getemperden gouden poortschemer, de rooie beukenbrand in luchtegloed.—

En ver, perspektivisch verkleind, ’t vóórbosch van Van Ouwenaar’s landgoed, met z’n hooge, goud-groene grot, oplichtend uit ’t laanlommer, door de zon erin gegraven. Langzaam nu en dan, schommelden in de beukenlaan, uit dwarspaden en wegkrommingen, boerenkarren en wagens áán, langzaam, onder de koele schaduwgroene poort, tot ze op ’t eind inplasten, paardpooten, schommelkar en al, in de dicht rookende zonnegrot; plasten daar, in zuiver dampend goud, met ’n warreling nog van takkenschaduw, splinterend fijne silhouetjes, op karkrat en achterbinten, van vèr, vlietend te zien.

Gouïg-licht tentwagentje reed luchtig door laandiepe poort, en plots aan ’t eind, ook dàt plaste weg in lichtgrot, als verdrinkend in zonnedamp, dook weer òp in nauwen wegkronkel, met stille vaste naschittering van z’n hoogen, gouen rug en verpaarste kap.

Gloed-teer straalde Meizon, in trillende glorie op ’t witte pleister van tuinmanshuis, van de laan uit te zien als fellichtende reuzige krijtvlek, schitter-ver, blauwig afdampend waasglans, bijzij uithoekend naast de goudgroene grot, zonneplas van vóórbosch. Over grondje van beukenlaan, éven zonnend paars-rood beschemerd, sprankelden en flonkerden grillige zonspatten, door bladerengaatjes neergepijld in gebroken glans, verdampend als fijn paars-blank licht. En tusschen de verdonkerende beukenstammen aan weerszij, zweefde fijn schaduwleven, zacht violet-teer, verkoelde de lichtnevel, waar insekten in zoemden en slierten, sòms met glans-strependen dwarrel, dàn drijvend in stilstaande vleugeltrilling op goud uitpoeierende lucht.

Heel de laan, met haar beuken-rood voorspel van hooge karmijnen sier, rood, smachtend roode regen van ruischend licht, naast goud-doorkoortsten groenen bladerentooi, door elkaar [286]heengeslingerd in takkenpracht, goud-poortte daar, in wondre luistering naar Meigroene lied, naar streel-lichte, lokkende vogelen; minne-gevloei van zilveren zangetjes overal uit de lucht, de zoet-geurende, zalige lucht. En rondomme, ’t zoet-zachte gekwinkeleer uit de zilveren gorgeltjes van zanglijsters en leeuw’rik de lokkende zangaanloopjes van parelende minneliedjes, eindloos zoet, wiegend gestreel van fijne vlei-fluitjes.

Zoo, in Mei-droom vloeide koele, groene schemer uit en in de beukenpoort, als voorhof van ’t landgoed, met z’n grot van fonteinende, opspritsende zonnevlammen aan ’t eind, heet vloeiend goud, waar alles naar toe dreef, alles in verdronk en verdampte.

Langs Wiereland en Duinkijk, overal uit de tuinderijen, op vervlakten duingrond, tusschen bedden groenten en aardbeien in, harpten in wonderteere standen de vruchtboompjes, bebloesemd, rose sneeuwig en purperend blank, zoet bruidswit, doorvlekt van scheutjes rose, maagdelijk teer. Stil harpten hun takken en stil, de knoestig dikke, fijn-groen bemoste stammetjes stonden daar, omjoeld van lichtend groen, in hun broos bloesemleven, in roerloos gepeins, over eigen vruchtbare schoonheid. Overal, rond de vruchtboompjes, uit de tuinen, wasemde òp, kruiig kittelend aroma van versche groenten, sappige gistigheid, zoete seringen, verwaaiende in koelen windwuif, geurgevloei langs akkers en wegjes. En van overal, kastanjebloesem en jasmijnen zongen méé in den zoeten wellustzang van zacht-rookige geuren uit tulpen en hyacinten-akkers.

De tulpen stonden er met hun vlam-kelken open, te duizelen, diep in het licht. Eén felle duizel van kleuren, tulpenbrand, die het land te schroeien lei in laaiende kleuren. Langs de akkers, op weg naar Zeekijk, waar de duinen eerst heel aan ’t eind, vaag opgolfden in violet waas, aan twee kanten, schoten telkens vooruit, tulpenvelden en hyacint-akkers. Maar ’t dichtst om Wiereland, ver van hoogduin, tusschen de bewerkte, vlakke tuinderijteelt, rijden ààn, nuancen van paars kleurleven, en witte, zacht golvende hyacinten-zee. [287]Het licht stond er voor te beven, te sidderen, kroop en boorde driftig in de kelken, als hommeltong in honingmerk, bruiste er rond, dronken-zwaar van geuren, smolt er in het bloemaroom. Heele zeebrokken paars, op licht groen bladerloof, golfden áán, zangerige symfonie van licht, naar àl dieper blauwpaars, tot plots in anderen akker, de vloed terugsprong in donkere deining van rood, tusschen schuimenden sneeuwval van witte hyacinten, midden in. En rond die blanke lawine, op doorschijnend loofgroen, dat te flitsen zilverde in zon, bronzen, kaneel-doorpoeierde kleuringen, wulpsch-roze, zoete brand van roodbruin en lila. Stoetjes van uitrookende geur-klokken, legende-doorwaasde feeërie, kleurfestijn in ’t sprokenland.…

Rondom, één wijde aanspoeling, aangolving van kleur-klokjes, die sidderden, zwollen in ’t zonnegoud, brand van bloemen, in al gamma’s; kleurwemel die koortsend te zingen, te ijlen lag onder azuren lichtteeren Meihemel.—

Maar feller nog, rond half-verdorde hyacinten, festijnden met hun rook-rooden adem, de grootere, fellere kleurenbrand van tulpen, die lichtfeest vierden pas. Als een orgie van vlammen, kroop, sloeg, rilde, leefde, ijlde ’t licht dáár op de aarde.

Héél-stille groene hoeken, stil van sappige moestuinteelt, in Meizoeten toon, aan greppels en beekoevertjes, in lentepraal volgestrooid met druipglanzende boterbloempjes, omzoend van onschuld-madeliefjes met d’r gele koontjes, naïeve kijkertjes, halsjes-rekkend uit ’t malsche grasgroen, tusschen de fijn geschulpte akkerhoorn,—heel die stille hoekjes, teer wit, broos wit, sneeuwspatjes rond gouên vonken in ’t klare groen,—lagen plots verdrongen door vlammenbrand van tulpen, helsch-hevig en schroeiblakerend, als levende kleurkreet; vermiljoen, daar aangeblazen tot hellevuur in kelken, vlammen die in wondren brand, zichzelf styleerden in levend spel van vonklijnen, uitlekten en rank weer òpgroeiden tot flonkerende wijnschalen, op blauw-waas van loof, grijs-zacht bedauwd. Heel de bosschage, duin-woest, op hooge glooiingen uitgegroeid boomgroen, wild hakhout, met z’n sier van roze en witte koekoek, z’n blanke lafenis van vloeiend vogelenmelk, z’n slanke waterster,—lag [288]daar, als weggeslagen en verdoft achter de kleurkreten der tulpen. Tulpen van spattend vuur, kelken wijd-open, waar invloeide schuimende zomer-wijn, borrelde bruisend in de roemers, boordevol geschonken, dat de zonnedrank als lichtvocht er droop over de kelkranden.

En vlak daarnaast, erover, ertusschen, duizelden kleurgamma’s van hoog goudgeel, en goud-gloeiende honigkelken, die bruisten en vonkten, vlak tegen het rooie tulpenvuur, in rondsidderenden, zengenden gang langs den grond. En verder, weer akkers, vol donkerend tulpenpurper, als in verdoofden zwijmel uitgedroesemd, met enkele schalen slank er boven uit, stengelende, lichtende kelken, er nog tusschen, als schitterende roemers, hoog geheven in het laaiende licht, dat er bruisend in vervonkte en spatte als schuimende zonnewijn. En rond daarom weer, als nooit eindigende zee, aangolving van nog donkerder kelken, rood doordauwde tulpen, wazig geplooid in half uitknoppende bloem, waar al driftig het zonnegoud tegen opspatte, de beschulpte randjes verterend in gloed.—Daarachter weer koraal-rood gevlam, met ertegen opgedrongen, diep gele en witte lawines van lichtende, luiende kleurklokken.… En heel apart, als vreemde, zoetste, tooverende akkersier, in geheim-zachten geur, die er boven bleef drijven als nevel, tulpen van teederst zangerig lila. Kelken, uitgeschulpt in ’t fijnste rose, blankig doorroomd. Kelken, hoog en groot, als omblazen in waas van venetiaansch glas, met rond-dwalende weerschijnen, besluierd teer-blauw, en roze-rood hier, wazig en blank purper daàr, fijn gebogen in stengelsier. Ver van het helsche demonenrood, het gillende vuur, waarin het licht gepijnigd bruiste, dìe akkers met hun teeren kelkenbouw, uitgegroeid als glanzig uitwaaierend spel van venetiaansche roemers, doorwaasd in kleurmist. Koel en toch vonkend, broos, teeder en toch rank-sterk, zonder brio-brand, doorgeurd en zwemmend onder den nevel van hun eigen zoetsten gouden honinggeur, als temperend de ijlende lichtkoorts van de rondomme vlammen-akkers.—

En vreemd, in ’t lage land, met z’n vochtdamp en prachtig [289]mistend lichtzilver, gloeide daar overal van tulpen, rooie, gele, paarse brand; kleuraangolving van narcissen en hyacinten, zònder oplossing in ’t lichtende, heldere schitter-innige weigroen, en de goud doordampte stille achtergronden van vervlakt duin, zònder rust in ’t avondnevelige waterland, met z’n goudvocht en trillende vloersen.—

Als was daverende stoet Oosterlingen neergestort en verpulverd op de lage landen, als had titanische vulkaan-ruk één heet kleur-doordoopt brok zuideraarde uitgeslingerd en weggespoten, midden in den verbluften Hollandschen Mei, met z’n malsche wei-groening en grazige zoetheid, zoo onopgelost bleven daar gloeien de bollenakkers, helsch opengebarsten brand, uit eerst koesterend groen van prachtig sierloof.

[Inhoud]

II.

In festoenen hing zoo de Meidag te tooveren, was wintergrauw in Wiereland weggezakt, goudde ’t licht, schooner soms waar geen bollenakkers te koortsen geurden, in de tuinen, op stille laantjes en paadjes; lichtgesprenkel van zon, splinterend rond drommen, goudgroen boomblaar. Omjubeld van licht en kleur stonden de landwerkers in den Meidag, in pracht van werkgebaar, op de groene akkers, warm-rood en blauw bekield, in ’t opene zonneveld of kleurschemerend tusschen rijzenpaadjes.

Plots kwam Meimaand weifelen, verstierf de goudpracht van de jubelende dagen. Als in zatten wellust leien de bollenakkers elken dag weer hun geuren uit te hijgen, tusschen het geploeter der kerels, die niets meer zagen van kleurpracht rondom. Plots was daar, dampige horizon aangewaasd, wuifden wolkenslierten als reuzige veeren, berkenzilverend den hemel door, trok grijzig luchtspel uit zee áán. ’t Groen dreef in tintige wazen, en Hollandsch-ijl, dampte er weer gebroken licht door ’t landschap.

De kleurlyriek van Mei donkerde àl zwaarder weg, achter luchtgrauw en zilverende gevaarten. Hengelaars, éven achter [290]Wierelandsch haventje, in polderbegin, stonden onrustig aan de rustieke weidammetjes in ’t watervlak te turen, dat soms schitterspatte, zilvervloeiend en rimpelend, of stug terugkaatste wolkdreigende regenlucht, ontzaglijk welvend over polderruimte, waar het stille zilte licht, wijd-neergeplast, nattig glansde over veld en wei. ’s Avonds vooral, lei Wierelandsche polder, stil en oneindig, steeg er dampige watergeur uit de kronkelende plassen, soms éven lichtelijk doortint van avondrood, ging er koele rietfluister langs slootjes en kwaakte er stijgende kikkerzang uit de droomerige, innige oevertjes. Vochtig en doorzilverd wasemden de dagen daar uit. Soms droef plots, in ’t verguurde weer, eenzaamden boven fort en dijken, vage kerktorentjes, als violette puntjes op horizonrond. En zacht, in wissel-licht, schemerden de avonden weer aan, ruischte en fonteinde ’t riet, teer en geheimvol, als fluisterend van nog komende zoete Mei-verlangens; doofde droomerig, op kleine sloepjes en schuitjes, weggegroend tusschen slootkantjes en pluimriet, de kleuren en tinten stil uit. En áánwieken kwam in breede zeilvlucht en zwier, ’n ooievaar door de eenzaame polderlucht, steeg aan anderen kant òp, van donkerende weivlakte, klein leeuwerikbeestje, uitparelend hóóg, zoeten zang, als gewiegde toontjes van fluitlied, stijgend in jubel, doorslierd van zilveren klankjes, tègen het late wolkenspel in, al hooger zwevend tusschen oneindigheid van donkerend weigroen en wijd-eenzame avondlucht.

Er ging gemor onder de tuinders van Wiereland en omtrek. Snerpende vorst hield ’s nachts aan. Wat jonge groente stond gelig, blad-verdord, doorspoeld van regen en ’s nachts vroren fijne vruchtbloesems dood. Schade, schade van allen kant. Nergens meer schoot ’t gewas de aarde uit. Alles klefde en modderde vuil. Overal was geloer van angstige tuinderskoppen naar den grond, op de bedden, angstig gekijk naar onheil en schade. ’t Weer bleef dreigen kil, en windguurte vlijmde langs de akkers, de kerels in ’t gezicht, dat hun handen soms krampten in kou-onmacht.

—Da sel main ’n loatertje worre, gromden ze tegen elkaar, [291]in nood voor hun oogst. Mee klaagden de kweekers, die bang waren voor hun bollen.

Aan Duinkijk, naar zee, stond ’n groepje tuinders te praten, met één kerel op den akker.

—Daa’s puur bot afspronge van alle weer, zei dof ’n lange uit ’t stoetje.

—Daa’s net, de vorst hep hier huishoue.… kaik t’met alle blommetjes dood op die oarbai-bedde.… en kaik die frambose.… die appele!.… die pruime!.… kaik kaik! die peere! d’r is kwoalik veur vier duite meer àn!

Stil liep ’t stoetje door, bleef de werker op z’n akkers, zorgelijk turend naar z’n bedden en vruchtboomen.

Dagen op dagen bleef regen drenken en vorst door de aarde killen, vunsde er vocht uit regengrond, dampig en nattig. Onrustig joegen de tuinders elkaar òp in hun verborgen angst. Dat was nog nooit gezien, zoo slechte maand.

Toen plots, sloeg Meiweer òm, kwam goudpracht weer lichten in goudgroenen gloed over het volgedromde boomenstedeke en dorp.—Heel vroeg in de ochtenden, blankte en purperde de bloesempracht van vruchtboomen weer, als nooit te voren.

Uit de beukenlaan liep ’n lange, magere tuinder met de zeis op den rug, zilveren bliksems vlijmend en flitsend boven z’n hoofd, als zenboom bewoog op z’n krommige schouers. Achter dichtgegroeide, begroende rijzenlaantjes met erwten, op de akkers, klonk klare mannestem, zangerig en diep, in de hooge gouen lichtglorie en morgenblauwte, tusschen zang van kerse-diefjes, alt-volle melodiëerende merels en nachtegaalslag, schuchter, toch vloeiend. Eén wild getjirp en getjilp, fluiterig gedraal van zoet-lokkende lentezangetjes en geluidjes, waar doorhéén galmde, in vibreerende sonore diepte, de menschenstem, verborgen achter ’t groen van vruchtboomen en haag, dat ’t daverde door de zoet-geurende zonneruimte. Overal harpte takkensier in moestuinen, en weelde-bloeseming. De groene hagedoorn stroomde van licht, en op al de labyrinthpaadjes en laantjes verjubelde groen-goud, lagen hoog doorzond, de doodstille wegjes in den reinen Meiglans om Wiereland, volgestrooid en doorwaaid met [292]zoetsten geur, licht-bedroesemend in zwijmel. In pracht van stilte en licht, stond ’t wilde hakhout rondom te dauw-druppen, en bladergroen te zwemmen in zonnegoud. Wondere lentelicht dauwde en vloeide er, één sneeuwing van maagde-blank uit de vruchtboompjes, in hun mystieke gratie van heerlijken takgroei, geheimvol neigende standen, als spraken ze ’n taal van zachte tinten, gebukt onder het zware, vrucht-sappige leven. De boomen en boompjes, van noot, morel, peer, appel en pruim dààr, harpten in bruidswit, bloesemsneeuw, in blankste gamma, overwaaid met goudstof dat er van kapellenvleugels poeiert, blank-ijl, in het dansende dronken geurlicht. De bloesemen erop, breed-uit in takwiegeling, als stille glans-ruikers van heilige pracht, toch beschroomd in hun overvloed, teer in hun maagde-adem, als verblankte bruidszielen, omstraald door de Meitoortsen van goudglans.

Verwrongen de takken, de kleine verkromde stammetjes gebukt, ernstig van vol leven dat ze droegen, stonden andere pereboompjes weer als geheiligde kommuniekinders, in gewijde schittering, stil nu en hoogblank, in het zachte groene land, roerloos. Tusschen die in weer, op ’t doordauwde grasgefonkel rijden òp, zacht-rose sneeuwige appelboompjes, als hooggegroeide boeketten, in zacht-wadend goud; stammetjes, bescheiden teruggekrompen, als in angst voor de zoete purpering van bloesemweelde. Weer andere, kleiner en ranker, gebogen in bidhouding, heilige bekoring van groei, stil gebaar van schoonheid, toch overzegend met lichtende bloeseming, ònder de hoogeren, in luisterend leven. En overal van de paden, op lichte koele wuifjes, zoelde ààn, geur van linden, kastanje en sering.

In wondre verjonging praalde het stugge grauwe winterstedeke weer, van goudschemer en groen. Langs de weggetjes, woest gestruik bij slooten, zeefde Meilicht, stonden hoogslanke, wilde waterboeketten, fijnrose koekoek. Teere zilvering blankte langs de greppeling, woest doorgroeide oeverbeekjes, hoog belommerd, met zilverend pluimgras, riet, goud-gloeijende brem en doovenetel. Felle boterbloempjes glansden als gepolijst; en overal [293]rondom, hooggele toetjes en vlekjes van roze koekoek, even paars getoorts van hondsdraf, laag gekruip van madeliefjes en akkerhoorn.—Soms in de blanke Meimaand, uit de fijne darteling van lichtende glanzen en deinende, brooze tinten, schoten òp hoog-roode papavers, kopjes-wiegelend op slanke stengeling.

Ook de straatjes van Wiereland, nauwe kronkel van arbeiderswijkjes, zwommen in bloeseming en geur, groenden in boomenpracht, waaiden vol Meihoning en doordrènkende grasgeur. Overal waaide ’t vol lichtjes en zonneflitsjes, vol goud-gevonk en lommering, zoemde gevleugel van insekten en goudhaantjes, die aandreven als vurige arabeske, in slingerende lijn door de lucht, vliegjes met groenstalige schijnseltjes en goud-beschubde lijfjes.

Zoo bleef de Meiemaand rondgaan in ’t stedeke en dorpjes-zeeweg. Door de tuinen en uitgebloeide bollenvelden, vergeurden de seringen hun weemoedsgeur in avondrood, kwam ’t schemergoud in nog heiliger nimbusval glanzen, roodblond en gloedloos, droom-teer, als van bijbelschen boschbrand, niets verterend. ’t Licht verstierf over de kleine, stille dorpshuisjes, even néervloeiend voor de raampjes, plintjes, kozijnen, ze bewasemend vol rooden goudglans, als staarden ze òp de ruitjes, naar de Zon, die wijd-plechtig verzonk, in wolken van wond’re violet, en staartglans van pauwendauw.

[Inhoud]

III.

Loom slofte Kees den weg naar zee af, met doffen klomp-schuur, zandwolken voor zich uitpoeierend. Eindelijk dan was ie bij de sekretarie van Duinkijk, doodop van verveling en lanterfanterigheid.

In de zoete lenteavond-scheemring van weibrok, achter Van Ouwenaar’s landgoed, vaagden vorm-fijn, twee stille, peinzende paardjes, grazend in halslagen kop-hang. Avond was aangefloersd in heilige rust. Overal rond droomden wazig, in duister dampig violet, tonige bosschages, en hoog aan een zij van den [294]weg, dromden dennen, donker op zwaar begroeide glooiingen, waarachter ver, woeste duinstreek schemer-mistte, tusschen jachtgrond van Van Ouwenaar, tot aan zee. Waziger in rust, dommelde andere tuinkant, vlak-bewerkte moestuinderij, met ver, teer paars verschiet op duingolvingen. Uit de pastorie, schuin over Kees woning, glansde avondlampje op ’n kamer, roodzacht kapje, in goud-oranjen lichtkring. Stil zat dominee in mijmer, in ’n rieten tuinstoel, aan den weg. Sigaren-rook krulde wolkerig loom om z’n in schemer verduisterd gezicht. Loome koe-gestalten, in de wei, vlak vooraan, stapten over donkerend avondgroen gras, in loggen gang, stap voor stap. Onder hun koppenduister raspte graas-geluid òp, ritseling in de avondstilte, zacht als eerste haperende zeisslag van maaier.—

Kees voelde niets om ’m van de weirust. In ’m gromde wrok, driftige lust om iets uit te schreeuwen. Hongerdrift was ’t die ’m wrevelde, en verveling dat ie nog overal z’n kop stootte, wààr ie vroeg naar werk. Tegen pluktijd, hooitijd, zou ’r misschien wat voor ’m zijn. Koortsige drift jeukte er in ’m, om iemand te pakken, te ranselen, als ze ’m maar een woord in den weg zouen leggen. Hij voelde, dat ie ’r gek van zou worden, overal teruggestooten en tòch lachjes en schampere lolgezegden over z’n niks doen. Op ’n bulterig brok duinweg, uitgegraven voor tuinderij, vaagde ’n gestalte op de akkers, donkerend.

Dat most kweekertje Reeker zijn.—Zou sain d’r nog erais veur ’t lest vroage.

—G’noafed Reeker!.…

—G’noafed.… Kees nie?.… joa! Kees!.… zei Reeker. Zangerig-klaar galmde z’n stem van de akkers in de scheem’ring.

—Mooi weer hee?.…

—Daa’s net.… fierkant somer.… wá’ doe jai nou?.…

—Ikke hep sien noa ’t onhail.… se hebbe d’r gister hier drie honderd muise pakt.… da tuig.… freet wortel en bol op.… je sou se kroàke!.…

Kees luisterde niet meer, stond even droomerig te turen ’t veld òver, met een been op prikkeldraad. Boven een wijen [295]akkerhoek vloeide nog wat geel hemellicht, met rooie teere sikkelveeren doorwuifd.—De nacht dekte donkerder, al donkerder land en boomen. Reekertje was opgeloopen, stond stil onder het gelige luchtbrok, in het avondgedroefde, verzonken akkergroen, toch in duistering van gestalte. Vol klonk Kees’ stem door avondstilte.

—He je t’met gain kerel noodig Reeker?

—Spait main, moar t’met ke’k nog mi main jonges besti of.… In de pluk.… op tuin.… dan is ’t wá’ aers!.… Bai de groote hoal.… dàn m’skien.… Moar nou.… ’t is niks daàn, hoor.… f’r wá’ hei je selfers nie ’n lappie hee?.…

Kees stond te turen, in één houding, schemer-akkers op, waar stilte wijd-om staarde.…

Wá’ nou.… vroeg die kerel naar de bekende weg?.… Wist ie nie dá’ t’r veur sain geen grond was?.…

—Wá’ nou?.… je wee tog suiver, dat t’r hoast niks niemedal grond is.… en daa’k niks kraig sonder borg.… al ses.… wá’ ses?.… al tien keer bi’k weest bai netoàris en bai alderlai volk hier.… moar vast niks hoor!.… vast niks!.… d’r is nie één die goed wil stoan.… ka’ jai d’r nie wá’ op finde?.…

Kees had nog wat ouë vriendschap met de Reekertjes. Vroeger had ie veel vooral voor hèm gedaan bij strooptochten. Nou dacht ie, dat dìe vent nog wel es wat helpen kon.… Maar „’t speet” Reekers weer duivels. Stil wrokte de tuinder in zichzelf, dat ie d’r mee begonnen was. Wat had ie te klesse mit soo’n hongerlijer.… die skooier!.… Nou ja, vroeger,.. vroeger was vroeger! Toen most hai ook stroope.… Hai borg?.… dá’ kon ie denke!.… Pas d’r self indroaid.… en dan ankomme mit soo’n lid!.… Ieder most moar veur s’n aige sorge.… sien dat tie ’r boven op kwam!.…

Zoo had ’t even stil, in z’n hoofd geredeneerd..

—Neenet Kees, aarzelde z’n stem in de starende schemerstilte van akkers en straatweg.… dá’ wee je, aa’s ’k je pelsiere ken.… mi d’een of den aêr.… groag!.… duufels groag!.… Moar borg stoan.… dá’ kennie.… Main waif sou me van veure d’rin, van achter d’ruit trappe!.… Eenmoal [296]andermoal.… ik hep selfers kooters.… ikke mó’ main aige rekenskap gaife!.… Eenmoal.… andermoal.… aa’s ’k je pelsiere ken.… mi d’een of den aêr.… Groag!.. ik erinner main nog bestig, dá’ je main vroeger.… veul vroeger.… te freete hep gaife.… da je main op stroop.… wel van de twintig beesies.… tien hep loate.… eenmoal andermoal Kees.… tjonge.… aa’s ’k wa hep!.… moar.…

Kees tuurde weer in den akkerschemer, die stiller staarde, verder naar duin.… Niks zei ie, maar ’t wrokte heet, heet van binnen.

Dá’ tuig! niks had d’een voor d’aêr over, of ze motte wete dat ’t vast goed gong.… dan.… dan ha’ je je man.… Moar ’n kwinkwanker aa’s hai, hellepe mi ’n lappie.… ’n skorem sonder rooie duit.… dá’ gong nie.… Veur d’r aige siel en salighait poere.… Verder kon ieder d’r krepeere.… wá’ tuig.… nie een die d’r noà je omkeek!.…

Baloorig was Kees doorgesloft, rhytmisch in klosgang langs de wegstilte.—Stiller droomden de verdonkerde boomen in de scheemring; ’t gele luchtbrok, boven den tuinder was verbleekt in groenige vaalheid. Zoele geurtjes wuifden op windefluister aan, door hakhout en gras. Zachter verzonken de akkers in ’t wije geduister, en overal rondom ruischte het groote avondzwijgen van land en lanen. Doodstille huisjes, ver van elkaar, verdoften in sluimerrust, glansden in teer raampjesgoud van lamplicht, zacht droomrig, als heilige kluisjes. Voor ’m lag de lange wilgenlaan naar zee in boomschemer, waar dunne luchtstreep boven waasde, teer-groenig, heel ver.—Vogeltjes kweelden en weedomden rondom, in zoete zangetjes, zaligdroeve murmel van vleiende fluitertjes. En nu en dan zeilde ’n zwaluw, vlak over z’n hoofd naar den grond, de duindonkering in.

Angst en wrevel kwam in z’n hart op, nou ie Wimpie ging zien. Wrevel om de geloofsfratsen, al begonnen met de Vasten, en de Maria-maand, Mei.—Woedend was ie geweest dat ’t mannetje den goeien Vrijdag puur droog broodhomp had geslikkerbikt en niks meer!—En dàn, dat snikken om z’n kruiske [297]op Asch-Woensdag.… van stof mòakt.… tot stof sel je weerkeêre.… Netuurlik!.… Skoàp!.… Wat ’n Paschen en Hemelvoartsdag ’t feur ’t manneke weust was!

Was de pluktaid d’r moar;.… de oarebaie,.… de peule, de vroege groentes!.… Wa sou die se smere!.… Femorge had ie Wimpie op ’n poar kiste mi s’n bedje in ’t sonnetje set.—Veur ’t huisie!.… Wa’ ’n lol dá’ kereltje had hep!.. Enne.… wat ie bleek sien hep? godskristis.… kon die d’reis selfers ’n lappie grond kraige?.… Soue se sain nou moar feur los wille!.… Wa’ da kereltje invalle was!.… een-en-al been!.… die f’rekte vaste.… bai ieder feestdag! ’t skoap! f’morge hep ie lache en songe.… mi se ooge knippertje speult teuge de son!.… In joàre had ie gain licht soo sien.… stakker!.… Enne nou Ant weér mi’ d’r swangert laif.… Dat tie nou tog nie van d’r afblaive kenne hep.… Had soo duivels s’n aige sait.… Had ie moar ’n hoekie.… ’n lappie.… Snof’rjenne wá’ sou die poere!.… Tut ie d’r bai neerviel!.… Nou niks.… veur ieder kon ie krepeere.… D’r woàre wel meer aa’s hai.… veul, veul meer!.… moar die krege d’r nog es los werk!.… die gonge stiekempies noa kerk.… likte pastoor of dominie.… of dokter of netoaris.… Nee, da gong sàin nie af.… dá’ bleef sain in s’n keel sitte.… Nou stroope dààn.… ook gain freete.… wá’ nou?.… Dá’ rooit ná’ niks.… ná’ niks.… aa’s tie nou erais poere gong, ergens wait hier vandaan!.… kon die d’r moar is de wereld in.… Moar wie holp sain.… wie?

Enne Wimpie?.… hai sou ’t vast besterrefe.… enne tog.… ’r moar van komme ’t most.… Waa’s tie nou moar knecht! Se konne ’m veur sain part soo veul bloedsuige aa’s ze woue.… aa’s tie moar wa had.… kaik! d’r was ie ’r.…

Tegen ’n duinhoogte, woest naar voren dreigend uit vlakken grond, diep in ’t pad, lag z’n huisje, donker, met geel lichtje, uitprikkend achter naakt ruit. Avondlucht, wijd en geheimvol groen-teer schemerde wijd áán, van de duin-zee.

Angst duizelde in z’n hart, nou ie instappen ging met leege handen, eeuwig met leege handen.… En woest, met wrevelgevoel, [298]kwam ie zichzelf opporren! Wat donder! wá’ kon hai ’t helpe!.… Aa’s s’n waif ’t ’m zuur moake gong, sou die d’r van mekoar splintere.… En aa’s d’r moer wá’ sai sou die d’r ’n kruk op d’r test stuksloan.…

Gram-zwaar in barsche-zwijg, stapte ie in, kwakte zich op bed, zonder ’n woord, zonder Wimpie zelfs te durven aankijken.—

’n Week later klompkloste Kees weer in den avond, den weg naar zee àf, opgeruimd en veerkrachtig. Dirk, z’n broer, had ie gesproken.. Hij kon meehelpen. Ouë Gerrit had gegromd, en bang-strak gezeid, dat als Kees op ’t land stond er ongeluk kwam over ’t huis. Maar Dirk, Piet en Guurt waren vóór ’m, hadden geantwoord dat ie hongerde, dat ’t zoo niet langer blijven kon; dat ’r te veel werk was voor hun handen, dat ’r anders toch ’n vent gesteld moest worden, daalder daags.… En Kees was al heel blij als ie zeven pop kreeg voor de heele week.—

Nou liep ie rustig naar huis, blij om Wimpie, dat ie eindelijk, eindelijk heel stil kon zeggen, dat ’r wat was, dat ie ’m ààn kon zien, en z’n wijf ’m nou es niet kon uitschelden, waar ’t kereltje bij lag.—

Zoet woei lenteavond licht z’n longen in, en telkens even rekte ie zich de spieren, spande ie z’n kracht, om vooruit te weten of ie ’t nog wel uithouen zou, of ie nog wel wieden, kruipen, hurken, harken en spitten kon in den grond.—

Volgende week stond Kees op de Beek.—Z’n vader had ’m niet gegroet, niet aangekeken zelfs. Ouë Gerrit wist dat Kees kon aardwroeten in de tuinen als de beste, maar hij had gruwelijk ’t land aan ’m, was bang voor z’n spullen en Kees’ geloer; geloofde stellig dat ’r ongeluk op ’t huis lag, als hij in z’n nabijheid werkte. Toch, Dirk wou Kees hebben, hield wel van den kerel, zonder vast zich rekenschap te geven, waarom. Blij was ie, dat ’r ’n paar flinke handen meewerkten, nou de Ouë maar weinig meer hielp. En Guurt had Kees ’n gehavende broek van Dirk gegeven, met schoone kiel. [299]

Kees, aan ’t wieden, rustiger nu in z’n arbeid, schoof handig z’n peulenschoffel tusschen de boonen. Dirk werkte af, rond de rijzen in, met z’n handen nawiedend, waar de schoffel niet bij kon.

De zon stond al hoog, en hitte dampte er òp uit de zweetkoppen der werkers, die gloeiden, pal in ’t zonnegesteek. Dirks blonde kop stond in glans, en de rossige vlekken er in, brandden als schedelvlammetjes achter z’n petje. Kees, reuzig, met ’n vuil-gelen strooien hoed, schonkigde boven de rijzen uit, die knoesterig en kaal-vermergeld, in het sappige gewas en kleurlicht, dorden. De lichtgroene aardbei-bedden, akker aan akker, omrasterd van prachtkleur verglinsterende hagenwanden, als ingesloten tuinen, dampten uitgestrekt, met warrelende witte bebloeseming. Overal op de akkers rond de werkers, vlekten kleuren in ’t sappige groen, rood, wit en hoog glansgeel gespikkeld van bloemen en bloesem, licht-blij daverend in ’t zonnegevonk.—

Vijandige oom Hassel stond ’n greppel verder met z’n zoons, zwaargebouwde kerels blauwkielen, bedrijvig wroetend in de aarde. Ouë Gerrit kromde met den rug naar z’n broer toe, dol jaloersch, zwellend van gift op al wat oom Hassel had en deed, glunderig loerend naar z’n akkers, die met sla en aardbeien voor waren in groei. Ook frischte al ’t diep-groen sier-loof van wortelen bij ’m op.

Dat maakte Gerrit helsch. Hij wou ’t zijn kerels wel wat uit den grond zien trekken, zoodat ’t gauw, heel gauw ver boven teelt van z’n broer uit zou staan.—Toch was ie blij dat bij hèm ten minste ’n hoek rhabarber al hoog in stengel en blad bloeide, prachtig jong, vlak voor den neus van z’n broer, waar die op kijken moest, terwijl bij dièn de rhabarber, laag in ’t blad, kwijnde.—Telkens loerde Gerrit stilletjes en voorzichtig, om te zien, glunderig of broer Hassel niet naar z’n rhabarber keek.… En telkens ook keek z’n broer naar hem, of Gerrit niet naar zijn aarbeien en wortels loenschte. Dan stootten ze op elkaar in met hun loer, keken ze weer tegelijk, strak voor hun uit, met woedende gezichten, omdat geen van de twee wou [300]laten zien, dàt er haat, jaloerschheid tusschen hen was, ze iets om elkander gaven.

Oom Hassel stond te schoffelen, groote magere vent, in gelig werkhemd.—

Drie kerels, buiten z’n zoons had ie al in dienst voor rooien en wieden.—

Z’n oudste Willem, keek uit naar de rooiers, die hurkend, diepe geulen slagwielden in ’t zand, met hun knieën. Gretig graaiden hun handen in den stuifgrond, in zware rukkende, klauwige scheuren de aarde omwoelend, om de bollen met wortelfijn draadnet er uit te graven.—Een rooier zong dronkemansliedje, onder het wroetend uitstuiven van den heeten zandgrond, in klauwigen grabbel. Piet Hesse, naast ’m, klokte gretig koue koffie uit z’n kruik, naar binnen.

—Hesse, wèrk! nijdigde Willem bazig.… dá’ lange suipe van jou kost geld.…

—Nou seg!.… aa’s je me nou! verontwaardigde in woestdriftigen kijk daggelder terug. Maa’g ik nou nie suipe?.…

—En jai kerel, jai skreeuwt de heule buurt op ’n klus.… ikke sou main stroatje d’rais dichtknaipe ’n uurtje.… is dâ singe?!.…

Nijdig had Willem Hassel z’n bazig praatje uitgeschamperd, negeerend ’t brutaal kijken van Piet Hesse.—Kalm geweerde ie z’n schoffel op schouder, liep ie heen en weer, en stil-bedrukt keken de andere werkers òp naar de blinkige staalstreep van z’n schoffelmes. Angstige, kruiperige valschheid zat er in hun plotselinge stilte. Niet één van de groote kerels, die iets tegen durfde zeggen, of ze moesten ’n prop in d’r lijf hebben; dàn barstte opgekropte woede van vernedering los. Maar nou! koesjt! Want de ouë oom Hassel was nog veel erger dan de piep-jonge Willem.

Alleen Hesse was loom met z’n knieën in de kuil-voren gezakt, woelde en groef voor zich uit, zwaarstoffig, gromde naast den ander, die ’n standje beet had over z’n zang.

—Potdorie, nou mag je nie meer drinke … hei je main ooit!..

—Hier-op-pan!.… enne ikke mó’ m’n bek houe!.… da [301]weut je ommirs van joàre.… wee je nie?.… die Seeuw van lest hier!.… wá’ die veur hupla’s hat.… dat ’t bai hoarlie nog tienmoal erger is.… op ’t land!.… Dá’ sullie doàr puur de groaf op d’r kop kraige.… of de skoffel in d’r sielement.…

—Nou.… wa.… Oùww!.… jemichkrimi!.… donderjenne!!.… kromp Hesse plots in van pijn, afbrekend z’n zin. Met z’n hand was ie, diep en woest, op ’n steen ingegraven, die z’n nagel afgescheurd had. Bang nog voor loerblik van Willem, bleef ie doorwerken toch, zei ie kreunerig wat van pijn.

—Nou wa!.… bromde de andere rooier, ik seg moar dá’ die ouë rakkert van ’n Hassel main al drie keer ’n graof noà’ main harses mept hep!.… toe’k ’n kwetiertje te loat maffe hep!.… en sain naif.… uit de polder.… ranselt puur s’n rooiers mi de staikvork in d’r pinse.… aas se effe wá’ segge.… onder hoarlie.… werrik!—

Bij elk woord, rukten z’n dof-groene klauwen den grond in, kluiterden aardbonken voor ’m uit, sprak ie afgehakt en hijgend.

—Nou, die ken veur main, sain buik verliese.… giftte Hesse, z’n zandhand in den mond uitzuigend, waar de nagel onder ’t vleesch losgescheurd was.

—Jesis.… wá’ jai main ’n roer-menietje bin!.… lolde de ander.… f’rleje joar he’k main duim afhakt.… hier kaik.. mi de moker.… op de schee.… scheeringpoaltjes.… ik hep sain d’r soo moar anplak.… hep effe moar bloed.…

—Nou.… ik f’rrek weer van de dorst.… ik sit éé.… effetief te broaje!.…

—F’rjenne main strot brandt m’of.… ik naim ’n urretje.. benne jullie kerels.… wegsture.… hai ke main nie misse!..

Weer was ie opgesprongen naar z’n kruik, die blinkte bij nog niet gerooid bed-end, slobberde gretig z’n lauwe slappe koffie.—Zweetvet drupte ’m langs z’n rooiige gezicht, den bronzigen hals in.

Willem Hassel had geloerd, maar durfde toch niets zeggen, nou ie zag dat de kerel ’m wel wat mans leek.—

Kees was van z’n boonen aan ’t wortelen wieden gezet. Zweetzwaar en paf-heet ploeterde ie hurkend, met stekende lendepijn [302]van ongewoonte. Driftiger grabbelde z’n hand tusschen ’t gewas, en telkens brandde ie zich aan netels. Boordevol werkdrift zat ie. En giftig, heftig, was ie op z’n neef Willem, nou ie gehoord had, hoe bazig ie ’n stakker, die daar te druipen stond van zweet, had afgebluft om ’n slok drinken in de hitte. Wat ’n branie! Nou dat ze’r ’n beetje bovenop gekomme binne! Eerst toch net zoo arme skooiers aa’s sai.… en mi gelukkies en gapperaie bai de bolle.… en bloedsuigerwerk!.. nou leeke ’t heere.… Je sou se ’n skoffel op d’r test sloàn.… ’n mestvork in d’r pins steke!.… die skarre!.…

Vlak voorbij ’m schoof Willem Hassel, langs greppelland.—Heerig voelde de jonge kerel zich en tartend wou ie dat volkje ereis toonen dat hij mocht luieren als ie wou en zij niet. ’n Kwartier bleef ie rondkijken, zonder ’n hand uit te steken. Jaap z’n jongere broer, die te poeren hurkte als de meest ondergeschikte rooier, lollig royale kerel, hinderde ’t bazige doen van Willem.

—Seg, sou je je aige nie rais afprottetaire.… je stoan net soo mooi te kaike hier.… Hee! foader!.… hai staikt t’ met gain poot uit!.…

Kees groeide van lol. Hij had Jaap wel de hand willen drukken, al sprak ie uit gewoonte, ook al jaren niet met ’m.

—Lá’ sain s’n gangetje, zei norsch oom Hassel, wien bestig ’t stramme van Willem beviel.

Overal rondom dorde en rotte in den warmen Junidag, verstorven blad op bollenakkers, geel en groen-fletsig bruin, kleurfijne nazang van loof, op tulpendood. De lucht stond strakblauw, wijd licht. Van den Lemperweg geurde en dromde zware boomgordel, in groene pracht. Laag kromden de takken, met bladerdos op bollengrond, hooge boomendrom, in ’t lichtgoud geheven, stil, met nu en dan windruisch door ’t pluimige groen-goud, zwaar-wiegelend als met moeite, glanzen en licht verwuivend over de verre stille akkers en werkers. Een boomhoek, teruggedoken als poort, waar lichtglans op bladranden nog éven afzilverde, schaduwde in diep donker groen, leek één bladerdrom, zonder zichtbaren stam, neergewolkt [303]groen op akkergrond. Op het zalig-wijd, rustig bollenland, hurkten klein de blauwkielen, ingebogen met kop naar de aarde, wiedend-zoekend tusschen nog lichtend hyacintenloof, naar ziek loof. Om hen ademde in diepe rust, de groote trillende stilte, ruischte ademhaal van het licht over de velden. Orgelende geluidjes aeoliënd, doorzilverden ’t hemelblauw neerregenend over de akkers, in snoertjes trillenden zang. Verzwakte straatgeruchten van den weg af, woeien éven nog, vaag-klankend áán. Overal gooiden de blauwkielen de zilverbeflonkerde rooischalen voor zich uit, was er zwaar geploeter van werkers met bestoven zakken en mandjes bollengoed, naar het pad sjouwend op handkarren. Naar alle kanten uit, van de zondoorstroomde akkers, kropen de wieders in fellen goudbrand, blondden de groote stroohoeden van enkele ingehurkten uit, bòven verdord goud-brons loof. Wat witte hoeden stipten blank in ’t licht. Eén groepje kruipende aardwroeters, net achter de haag van ouë Gerrit’s akkers, werkte met kleine petjes op, dat ’t zweet ze van ’t gezicht gutste, kropen tusschen ’t groen, in hun kielkleur als blauwe voortschuivende vlekken, die afdropen in zonnebrand. En prachtig, over nog groenende, puntig-neergekrulde tulpbladen zeilde en moireerde zilveren forelleglans van licht, en fijn sidder-golfde ’t loof in áánfluisterenden windsuizel, droom-zacht, àl méér en méér; week geruisch, rond gréép en donkere wroet, van zwart-verbronsde werkhanden; geruisch om de lijven, in lichtgewiegel van glanzen door ’t loof; loom gezang van de aarde, naar ’t lichtende, groeiende leven. In hooger groen, uitgebladerd, stonden in stille aandacht de akkersingels, met goudstof bevonkt op dwars-uitstekende blaadjes, hier en daar gloeijend als enkel wit vuur. En langs de padkanten van akkers, waar de karren donker wachtten, in geduldstand op lading, in ’t naakte licht, fonteinde ’t siergras in beverige straaltjes, zilveren glansdrup tusschen den roesttint van zuringwild, sprietend zachtelijk over den fijn-rossigen zandgrond, vervocht in ’t dampende akkergoud. Boterbloempjes schaterden in glans, paardebloemen, uitsterrend als zonnetjes, wielden goudkringetjes [304]rond, en in wemeling dartelde tusschen boeketten van akkerhoorn en madelief uit, gonzende vurige streep-glans van insekten. Telkens in ’t wilde grasgroen donsde koekoek met z’n rose-fijn behaarde knopjes tusschen de zilverende drup van grasbevertjes, vlekten ze open-gegroeid, lilarood rond ’t goud van boterblom en sierwit van schitter-blanke waterster.

En veel verder op akkergroen in het wazende lentelicht, éven schroeiend de aarde, als voorspel van laaienden zomerbrand en werkroes die te komen stond, kleurden òp werkers in zaaigebaar, even ingebogen ’t lijf, in rood hemdenbaai, dat warm donker-bloedde tegen den goudglans van groenen singelendrom.

—Die soaie nog kool en wortele, bai Rommeloar, bromde Gerrit tegen Dirk.

’n Paar dagen later kwam ouë Gerrit op ’t land, achter zijn huis.

—Hai manne! ik hep ’n daik gras kocht.… hoho!.… ho!.… in de polder, achter ’t fort.… jullie kenne t’met aa’s droog blaift op hoope steke.… de moaier he’k sproke.… ’n poar doàge is ’t overend set.…

—Dan mog je hier nog wel ’n kerel stelle, Ouë.

—Nog ’n vent? en Kees dan!.… d’r blaift t’met niks of’r.… An Peters van de Baanwaik hé’k femurge twee hoek oarbeie f’kocht.… en drie hoek an De Gauw.… veur Duitsloànd!.… sloffies, mi en sonder doppies.… half raip an de pluk!.…

—Nou Ouë!.… la de soete fransies veur Amsterdam!.… da lief ik!.… dà wee je!.…

—Netuurlik, gromde de Ouë, ken ie beterder suipe.… sonder daa’k sien!.…

Tegen den middag werd ’r ’n kwartiertje geschaft, lagen de werkers, wellustig-vadsig uitgerekt op d’r buik, met handen onder de kin ingehaakt, luiig-lekker, soezend in schaduw van haagjes. Lichte dagschroeiing was afgekoeld wat, en blond glansde ’t licht over de velden. Hommels streepten van allen kant fluweelige kleurtjes door de lucht; zoem-zoem zongen de bijen. En brom-zwaar gonsden de staalschittervliegen gouden [305]glanswieltjes om de nu even stille hoofden der werkers, neerplakkend op hun zweetgezichten, dat de loome kerels, woest met de handen om zich heen sloegen, zonder de zoemers te raken.—

Kees had ’n dikken broodhomp met roggebrood uit z’n stukkenzak getrokken, en gretig hapte z’n mond in ’t blanke kruim.

—Gaif main ’n bonk uit je koartesak, riep Piet naar Dirk, die juist ’n stuk brood, dat ie te veel had, weer in z’n vuilen stukkenzak wou wegduwen.

Kees, in wije kakensperring, hapte door, gretig. Ant had weer wat op den reutel gekregen, nou ze zagen, dat Kees aan ’t werk was. Goedig en rustig zat de kerel, lekker zichvoelend in de zonkoestering, blij dat ie wat kon meenemen voor Wimpie. Zelf wist ie niet goed waarom, maar hij voelde zich zóó bestig en tevree, nu ie zwaar-ploeteren kon en wat verdiende, dat ie den Ouë wel wat wou zeggen, al loerde die nog zoo stug-angstig naar ’m op.

—F’rdroaid aa’s t’met ’t gewas opskiete wil.… d’r waa’s te veul kou.. tussche.… nog gain oarbaie.… t’met half Juni!

—Watte? duwde Piet, met zwaren kouw-mond, volgepropt met brood, er tusschen door, kaik die spersies!.… die boone hé’k ’r veur vaif doàge in de grond douwt.… en nou kaike se puur d’r al boofe uit.…

—He-je-me van-je-laife!.… verbaasd riep Dirk.… daa’s hoast bai!.…

—Murge moar an de Beek.… raise sette bai de boone.… kwam ouë Gerrit door ’n greppel voortsjokkend, weer invallen,—ik mo wâ tullepies op stelling droàge, veul te vroeg rooit.… sien nog puur wit!.… en loa t’r wá’ tussche de oarebaie anharke.… hee?.…

Ouë Gerrit, zonder antwoord af te wachten, sjokte de greppel uit, ’t erf op, in huis.

Vrouw Hassel zat op de punt van ’n stoel voor potdicht raampje, met ’r neus achter ’n groote blompot geranium, die vuurde tegen ’r grauwe kop, en vochtige aardlucht uitwasemde. Geel-grauw stond ’r rimpelig gezicht. Ze had zich weer driemaal [306]bevuild. Nou was ’t uit. Guurt wou niet langer blijven, als de Ouë er niet Dokter Troost bijhaalde. Nou, in ’n half jaar was ’t zóó verergerd, dat ze de heele boel bedierf.

Dat zou ie nou moar erais doen … Nou moar weer es op stap noar dokter. Dat die vervloekte kerel sain niet in ’t ziekefonds wou naime.… kostte sain zoo de hoaren van z’n hoofd. En noar een aer loopen kon ie ook niet. Want de notoaris waa’s dokters zwager, die sain veurskoten had.… En van ’t winter most ie miskien weer bai sain ankloppe veur mest!.… mi vaif persint? Neenet! hai sou moar stiekum morge er op afstappe.… ’t waif vroage gaf tug niks!.…

Den volgenden dag vroeg, stond Gerrit in ’t duffe apotheekje van dokter Troost. Vol dromde ’t ’r van ziekenfondsklantjes, armelijke vrouwen met klierhoofdige kinders, jongetjes en mannen. De apothekersbediende, dunharig grijs kereltje met groote bril, stond drentelig-langzaam van gebaar, achter z’n toonbank, wat fijn te stooten. Dof dreunde z’n stamper in den glans-prachtigen, rood-koperen vijzel. Z’n scherpe neus, ompoeierd van rooiige sproetjes, haakte òp, dat de reuk-gaten wijd-open holden in ’t gezicht, en nijdig bitste gespannen z’n mond, kwaadaardig, als hield ie strak, spoelsel tegen kiespijn-schokken in. Telkens zei ie wàt, achter z’n toonbank uit, tot een van het ziekenfondsvolkje.

—En jij vrouw, wat jij?

—Nou.… sien uwes mehaier!.… nou.… haa’k groag dokter.… d’r saitje.… sien uwes.… d’r saitje,.… d’r heule saitjes t’met één pain!.… enne.…

—Seg vrouw, ik ken me tijd anders gebruike.… draal niet zoo.… kort! wat heb je?.… bitste ie af, barscher spannend z’n mond, met drift-stoot z’n bril bij de ooren vastdrukkend, in ongeduld-gebaar weer grijpend naar z’n stamper. Verward en geschrikt, stotterde tuindersvrouw er nog wat uit, duwde ’n kindje, dat laag aan ’r arm hing, naar voren, snauwend in drift-verlegenheid tegen stumpertje, dat ’t maar zelf zeggen moest wat ’t had. Ouë Gerrit, wrevelig, dat ’m zoo veel volk [307]voor was, stond ingedrukt achter ’n paar breeë vrouwenruggen, te staren naar de bruine kastjes, waarin de witte zalfpotten rijden, blank-beglansd in hun wit steen, met hun scherpe zwarte titeltjes. Zacht voor zich uit las een voor ’m, naampjes van de potten af.… haperig spellend, wezenloos:

—U.… ung.… a.. a.. aci.. aci.. ci.… Bor.. Bor.. Bori.. ci!..

Gerrit hoorde ’m brommen, begreep d’r niks van.… niks. En angstiger staarde ie òp tegen de eikenhouten zuiltjes, waar de standflesschen, met bruine en rooie vochten ingerijd tusschen flonkerden, op de mahoniehouten plankjes, netjes en ordelijk.—Te jeuken begon ’t ’m. Zoo’n glad prêchtig fleschje.… tjonge.… tjonge.… huhu!.… hu.… sou mooie woar weuse.… Moar hoe komp je doàr bai?.… Godskristis sou faine woar weuse!.…

Eindelijk had de vrouw, voor de toonbank gedrongen, duidelijk gemaakt wat ’t kind scheelde.—Vlug ratelde ze af, kordaat, aan ’t end nog in bijdraai:

—’t Skoap hep sekers koors.… se kwailt puur van d’r pain in d’r saitje.…

Assistentje stond ernstiger van z’n stamper naar ’t kind te kijken, dat met blond krullebolletje net even boven apotheekbank uitkeek, ’t klein bang gezichtje sip òploerend naar de glanskopering en ’t rood vonkwerk van al kleinere stampertjes, die voor d’r neusje uitgestald stonden, naast weegschaal.—Wasem van kruiden en benauwingslucht van warme smerige lijven, zoog door ’t winkeltje. ’n Jongetje achter de toonbank, op ’n trapje, verrinkelde tusschen medicijnfleschjes ’n licht schoonmaakspel. Zoete valeriaan en jodiumstank drong benauwend door, uit den kelder.… Stil, versuft en beangstigd van eerbied, stond ’t fondsvolkje, glanspotjes, fleschjes en schaaltjes te bestaren, luisterend in ontzag, naar de woord-afhakkende stem van assistentje.

Vrouw met kindje was geholpen door den grijzen, grimmigen bediende. Van ’t geval had ie geen zier begrepen. Zou wel wat larie zijn. ’t Wijf wist zelf niet goed wat ’t kind scheelde. [308]Toch voelde assistentje zich kregel, dat de dokter hem iederen morgen met dat vieze fondsvolkje opscheepte.… Nou ja, dat heette wel, gewone gevalletjes. Maar d’r kwamen zooveel rare zaakies bij, waar ie geen spier van snapte.… en waar ie toch raad moest schaffen!.…

Weer was ’n dikke vrouw, kordater dan de eerste voor de toonbank geschoven, had bediende z’n stamper neergelegd en z’n bril vaster op de ooren gedrukt.

—Wel.… wat had jij moeder?.…

—Menaijr.… waa’k op haide hep.… is skrikkelik!.… daa’s puur moar duisel op duisel.… en aldegoar sterretjes veur m’ooge.… ik bin d’r puur daas van!.…

Ze had gesproken in vuur, met grove harde stem, en ’r dikke knuisten maakten voor nijdigen wipneus van assistentje, beverig snelle gebaartjes, om ’m haar sterre-wemeling voor te stellen.

—Soo, soo, zei strak-wijs en peinzend assistentje, zich krabbend tusschen z’n grijze dunne haren, van z’n kruin tot in den nek, met zwaar raspend nagelgekras.

—Soo.… soo.… ga je goed af?.…

—Nou menaijr.… mit uwes pirmissie.… nie soo aa’s ’t.…

—Soo.… soo, onderbrak ie ’r, duwend nijdig op z’n brilmontuur.

Maar door sprak de vrouw:

—Aa’s ’t.… aa’s ’t mot.… ik hep oambaie.… sien u.…

—Soo.… soo! onderbrak ie norsch, weer stuitend uitleg, steek je tong ereis uit!—

Wijd lapte dikke vrouw ’r tong uit den mond, waarop wijs-geheimzinnig, grijs assistentje staarde, zich telkens den bril kwaadaardigjes op den neus vaststootend.

Zenuwachtig bleef dikke vrouw d’r mond sperren, dat ’r wangrood schminkte van kongestie, ’n kreungeluid ’r rooie holte uitkermde, terwijl ’r handen op de toonbank pianoden in vingerdrift.

—Soo.… soo! zachter zei assistentje.… Nou moeder.. je bin wat volbloedig.… Als je ’n trap opgaat.… heb je ’r dan ook wel last van? [309]

Niet goed wist ie wat anders te vragen, dan juist, dàt, wat ie dokter zoo dikwijls had hooren zeggen. Dikke vrouw stond weer klaar, met gretigen uitleg:

—Seg ’t uwes dà wel!.… aa’s ’k ’rof mot.… enne aa’s ’k er òp mot.… Veur ’n waik ston’k bai de smitse.… uwes weut.… main man is Storp.… de smit.…

—Soo.… soo! onderbrak weer assistentje, dof geluiden stampend in vijzel, die roodkoperen gloedjes afvonkte door duffe apotheek.… Nou.. ik zal je ’n poeiertje geve.… vier maal daags.… vanmiddag klaar.…—En jai? vroeg ie in-één door, dikke vrouw negeerend, die nog wat zeggen wou.

—Moar menaijr, kaa’k nie wachte.… ’n uurtje.… ikke kâ gosonmogelik terugkomme.… ’n uur wait hier hain.…

Ze drong weer naar voren de dikke vrouw, wegduwend met armenvet, andere patient. Nijdig keek assistentje ’r aan.

—Heb je geen oore.… van middag.… geen minuut eerder!

—Moar.… main kindere.… dan kaa’k nie weg.… twai legge d’r siek.…

—Heb je geen oore, schreeuwde ie, bleekig van drift, dat de dikke vrouw bedremmeld wegbukte door de achterstaanders, de deur uitschonkerde.

—En jij, vrouw?

—De klaine hoest d’r aige deur twaie.… hai leg te rille aa’s ’n oal.… en aile datie doen.… aile!!

—Steek je tong eris uit jonge! bitste ie kort-strak weer.

Roodharige moeder lichtte, bullig-zwaar kind, met inspanning ’n end boven de toonbank. Als ’n gaper sperde ’t de kaken, krijschte ’r angsthuil uit z’n vertrokken mondje, bang, dat de brilleman ’m iets doen zou.

—Nie bang sain me-jonge.… Mehair doen je niks.… puur niks!.…

—Bà-à-ng.… bà-àng, gilde in krijsch-angst kereltje, dat zich hangen liet, nauw wringend en trappend met z’n onderlijf naar beneden, tegen de bank, in gesmoorde voetstooten, dat moeders gezicht vuurrood stramde van inspanning.

—Hou je bek schreeuwleelik!.… ja vrouw, als je de jonge [310]niet stil krijgt.… mo je maar wachte tot ’n andere keer.… En jij?.…

Weer schoof patient vóór, de roodhoofdige vrouw met den spartelenden schreeuw-jongen, die zich vastgehaakt had aan ’r schort, opzij duwend.

’n Donker behaarde kerel was ’t, hoog boven wijs brilgestaar van assistentje uitkijkend.

—Joa … klonk dreig-zwaar z’n stem, ik.… ikke kom veur main waif.. an ’t end van Duinkaik.…

—Soo.… soo!.… en wá’—

—Nou.… seg.. wacht erais effetjes!.. hep jai d’r puur effe geduld mee.… loa me rais denke.… kaike?.… wá’ hep se tog weer said.. ’t waif?.. je ken ’t moar nie in je kop skraive!.… Ojoà! se hep puur al.… vaif nachte pain hier.… doar.… bai d’r bui-j’k.… se hep ’n deureloop.… saa’k moàr klesseneere hee? en uitskaie ken se nie.… vat je?.…

—Soo!.… soo! dan sal.…

—Nou wacht erais effe!.… hep nie soo’n hoast smakwammes! hée?.… Sien je.… nou wou’k dokter sellefers spreke.… Hep ’t waif sait.—Z’n stem intoneerde Wierelandsch spraak-zangerig, boven assistentjeshoofd.

—Dá’ ken nie.… Dokter is t’r nie.… Of ze mot maar zelf hier komme.…

—Dá’ ka’ je begraipe! Se ken puur gain kippestap doen.. nee Ouë.… se haigt in malkoar van swakkighait.… Neenet.. ik mo dokter hebbe.…

—Soo.. soo.. nou als je d’r op staat, zal dokter late wete wanneer ie komme kan.…

—Daa’s net.… moar.. moar gaif jai d’r nou vast ’n drankie mee.… hée smakwammes!.… daa’s aêr krek of ’k nie weust bin.… Sai.… sai ken kwoalik stappe.… enne.… sai loopt puur laig.… soo slap aa’s ’n tieme is ’t waif.

Luidruchtig sloeg z’n stem door ’t kruiperig fatsoen van ’t vrouwenvolkje, en de drukkende stilte. Achter lachten en kakelden wat vrouwen, waar vrijer nu ’n kerel vuile grapjes verkocht. [311]

En telkens drongen anderen naar de toonbank, liet grijs klefferig assistentje ze de tong uitsteken als ze zelf wat hadden, scheepte ie ze af, met ’n medicijnbeloftetje.

Een vrouw, nog ’n beurt vóór ouë Gerrit, kwam aansukkelen, mank.…

—Mehair.… nou kaa’k tòg nie mair.… da’ wachte!.…

—Soo.… soo; en wat had je?.…

—Daa’s te segge, nou bin’k al dertien doage, omme de doàg hier hainkomme, mit.… main klaine maid.… Enne nou kaa’t skoap.… tog nie en mair.… Se lait te haige na d’r oàsem.… D’r kail is aa’s ’n krop.… soo.… meroakel dik! en nou deur al d’r laije!.…

—Soo.. soo!.. steek je tong d’ris uit!—Verstrooid, niet luisterend had assistentje z’n peins-vraag gedaan, met den stamper nog in z’n hand, woedend op de meid dat ze ’m nog geen thee kwam brengen.

—Nainet moàr! nainet moar! da’ he’k nooit nie van main laife an de hand en had!.… drift te ’t vrouwtje verbaasd uit, ’n sleurige sleep aan ’r been gevend, dat ze laag-ingezakt aan één kant met ’r woedend vraaggezicht ouë Gerrit kon aankijken.

—Wa’ mot ie van main tong!.… aa’s skoap thuis te krepaire lait.… soo sout hé’k nooit-nie.…

—Soo! soo! Och! nou ja.… ik bedoel je maid.… heb je ’r tong gezien? is ie beslage.…

—Nou aa’s ’n lairelap.… mehair.… ’t slaim stoan d’r ’n duim dik op.

—Soo! soo! gaat ze goed af?.…

—’t Mogt wá’ mehair.… ’t met de heule doàg an ’t perse.… nai.… moar ik zou d’r dokter nog aiges-sellevers bai hebbe, sien u.…

—Soo, onderbrak assistentje weer met z’n droge korzelige stem, en nijdiger toonklank.… maar dat gaat nie, dat weet je. Laat t’r nou nog maar wat keere hierheen komme.… dat dokter ’r hier in de apteek onderzoekt.… Dokter ken nie voor elke kleinigheid klaarstaan.— [312]

—Sai hierhain? moar menair.… ik swair u.… daa’t skoap insakt.… se hep ’n hoest van ’n aisbair.… ’t is t’met ’n uur loope.… op ’t end van Duinkaik.…

—Soo, soo, ja maar, je mot ’t toch maar probeere.…

Achter Gerrit was ’n slank blond meisje, dochter van ’n notabele uit stedeke ingestapt, luchtig. Luid-lachend groette ze vriendinnetje op straat, die ’r gebracht had.

—Dag Daan, familjaar klonk ’t tegen assistentje, van blond meisje in korte rokken.

—Dag jongejuffrouw, onderdanigde ie, stem-beduusd, moet u dokter hebbe? Dokter is an ’t ontbijt.… maar wil ’k ’m effe waarschuwe?—

—O nee Daan! dank je.… ik kom om de poeiers van grootmoe, zijn ze klaar?

—Zeker, jongejuffrouw, zeker! Hier zijn ze.… asjeblieft!

—Best Daan, dag Daan, en wild jolig in jeugdige stemklaarheid, sprong ze luchtig weer den winkel uit, in losse straatjongensbewegingen, frischblond leventje.

Mank vrouwtje, nederig en scheefgezakt aan een zij, had schuchter gezwegen en opgekeken, naar ’t blonde bakvischje. Gerrit stond beduusd ’r na te kijken op straat, mijmerend bij zich zelf, of ie ’r wèl of niet kende,—of ’t niet was de dochter van den rijken Zuivel, ’t raadslid.

Mank vrouwtje stond, nòg triester in ’t gezicht, voor toonbank, half verdrongen nu door ouë Gerrit, die wrevelig begon te worden van ’t wachten. Maar nijdig, bang toch, brak ze los.

—Nou mehair.… Ik mò dokter hebbe!.…

—Soo.. soo!.. dus je wil nie probeere met ’t kind? Strak drukte ie z’n bril in neusgleufje, montuur tegen z’n ooren.

—Dá’s gosonmogelik.… se lait mi de koors op ’r laif.… en ’n hoest.… se loop mi de dood an ’t touwetje.…

—En ik heb ’r jood-ijzerstroop gegeve.… Heb je dat?..

—Seker, moar holp niks.… was niks doan d’rmai.…

—Soo, soo! nou dan sal ik dokter zegge.… mo’ je maar komme hoore, wanneer ie komme kan.… maar je weet ’t, tachtig sent de visite.… was anders voor de Zeekijkers ’n [313]gulde.… maar voor jou, omdat je zoo lang in ’t fonds bent, tachtig cent.…

—Tachtig sint? zei verbleekend, mank vrouwtje … schuiner afzakkend ’r linkerschouder naar één zij, tachtig sint mehair?.. huilde ’r stem na.… moar daa’s godgekloagd!.… m’n maa’n lait al acht waike krom van de rimmetiek.… en wai.… wai binne tog in ’t fons.… en dokter komp nooit-nie bai main.—Enne ik betoal tog vaiftig sinte ieder waik.…

—Soo.… Soo!

—Enne.… veur de klaine twai sinte.…

—Soo, nou vrouw, jij bent lang van stof hoor! Maar ik heb je vooruit gewaarschuwd.—

—Trillend ging de deurbel en smerig kereltje stapte in, bedremmeld.

—’n Sint kattedroppies!.…

—Wat, schreeuwde woedend assistentje, donder op! wordt hier niet verkocht.—Bedremmelder en geschrokken ’t kereltje àf.—

—Moar ’t is tog godgekloagd mehair!.… doar stoan mîn f’rstand van stil.… ikke betoal tog in dá’ fons!.… enne ikke vroag tog allainig dá’ gaine op waa’n mins se rechte hep.. en in de feregeleminte stoan tog.… veur Wiereland en veur omstraike.… Veur wá’ betoale wai aêrs vaiftig sinte in ’t waikie!.… aa’s.… aa’s wai nie siek binne?.… foàder, moeder.… drie soons.… enne nog twai kinders, en ’t skoap is an ’t uiterste mehair.… se kan.… kan puur nie mair!.. mi de dood an ’t touwetje.…

Haar stem kermde, ’r lippe beefden, onrustig joeg ’r kijk door de apotheek, van assistentje naar Gerrit, van Gerrit naar assistentje.

Er lag schreiklaag in ’r geluid, die niet hooger-op durfde.… Maar assistentje begon ’t gelamenteer danig te vervelen.

—Soo.… soo!.… maar ik zeg dat ’t nou genoeg is, barstte uit, z’n nijdige stem; woede-doorschokt dreigde z’n gezicht.… Kort en goed.… of ’t wel of nie in ’t reglement staat.… daar heb jij niks mee noodig.… Wou je mij hier de wette [314]stelle?.… Al die buite Wiereland woont, betaalt.. Dat weet je, dat wil dokter zoo. Dan wou jij zeker, dat als jij naar Lemmer ging wone, dat dokter dan ook maar van omstreke sprak hee?.… kort, en goed, ik heb je ’t gezegd.… En nou marsch!.…

—Joa, moar mehair, schrei-klaagde weer ’r stem.

—Is ’t nou uit, donderde ie giftig, als jij nie dokke ken, kom jij met je kind hier.… kort en goed!.…

—Moar aa’s ’t nou hailig nie loope.…

—Vort wijf! daar is ’t gat van de deur, ben jij belatafeld! En jij Hassel?—

Mank vrouwtje stond te beven met bleek-grauw gezicht. Wat woorden lagen te sterven op ’r lippen, van angst. Ze durfde niet meer tegenspreken. Van alle kanten, hoorde ze achteruit, geloop rond matglazen tuindeur, waar ’t licht, goud-groen, doorheen glansde; zag ze de meiden, blank beboezelaard en bemutst, met kleedjes en klopper in en uitgaan. Telkens nog dacht ze dokter zelf even te zien, voor wien ze sidderde, maar hij kwam niet.

Zwaarder in heupsleep was ze eindelijk de apotheek uitgewaggeld, met huilgezicht, stille biggeltranen op ’r wang, niet wetend wàt te doen, verstompt van zorg en bangheid.

—Heb je me ooit, bromde assistentje, nog in nawoede, tegen ouë Gerrit, zoo’n schooierswijf.… Wat ’n bedil! Ze wou natuurlijk dokter graag voor niks hebbe, dat ’r man weer beter zuipe kan.… Nou hunkert ze naar ’n bewijs van onvermoge.… Ze heeft zich al voor drie weke opgegeve an de sekretarie.… Maar kà je begrijpe.… Daar is dokter baas over … En jìj Hassel, wat jij?

Gerrit had verlegen staan luisteren, bang al, dat ie straks dokter Troost zou zien.

—Nou Weimer, daa’s nie best mi’t waif.… mi de doàg ergert sai.… dâ laikt puur toof’rai.… hoho!.… hoho!.. wá’ da’ mins skeelt.… hoho.. hoho.. ik wou juustemint dokter effe spreke.…

—Goed hoor, ga maar effe hier in de wachtkamer! Ik zal dokter daadlijk zegge dat je ’r bent.— [315]

Stijfjes en onrustig was ouë Gerrit, met z’n pet in de hand, onnoodig afslaand z’n kleeren, en lacherig-verlegen, duf-klein wachtkamertje ingestapt. Stijf, in een hoekje bleef ie staan, strak op den prachtmoestuin van dokter uitkijkend. ’n Paar meiden, wit-geschort, stonden daar warm-blank, tusschen het goudgroen boomgewas te lachen.—

Niks op z’n gemak voelde ie zich, beverig, bang dat dokter iets aan ’m zien zou van eigen gedachten aan z’n spullen en steelgenot.—Na vijf minuutjes strak tuin-ingekijk, rinkelde ’n schelletje langs den wand, kwam grijs hoofd van assistentje deuropening in, dat ’m wenkte te volgen.

In angstige beklemming voelde ouë Gerrit zich door assistentje vooruitgeduwd, de marmergang in, naar dokters kamer.

—Hassel! kondigde assistentje kloppend áán.

Dokter, in z’n ontvangvertrek achter, zat met tuinramen wijd open, waardoor goudene schaduwkoelte aanwoei. Geurzoete stamrozen stortten wellustdamp rond, en licht gesuizel van windgewuif, kabbelde zoetjes tegen rooie veranda-gordijntjes aan, met zachte zomer-blije tikjes.

Gerrit durfde bijna niet de kamer instappen, bevangen van vrees voor rijkdom en geleerdheid, hield z’n adem in, draaide z’n petje snel rond in de grove, vuile handen, kuchte en schraapte alsof ie ’n graat uit de keel wou stooten.

—Zoo Hassel, ben jij daar, joviaalde zwaar-gemoedelijk dokter Troost, van z’n stoel opveerend, naar ouë Gerrit toe; ga zitte man, ga zitte, je wijf weer niet al te best?

Ouë Gerrit voelde zich in schemerkoelen hoek op ’n stoel neergedrukt, door joviale groote handen van jovialen dokter Troost. Neergeboomd, in ’t weeldevleeschvet, stond z’n zwaarlijvig lichaam gezakt vóór Hassel. Gerrit’s neus raakte bijna hagelwit zomervest op spanbuik van dokter Troost, als ie even voor ’m uitstapte, heen en weer. Deftige rijkelui’s-geur ademde ’r uit dokterskleeren. Telkens bleef ie in lichten waggelgang van vettigheid, voor Hassel staan.

Zakkerig kwalden z’n wangen, kort donker bebakkebaard, in z’n hoofd, en zakkerig plooide z’n onderkin dubbel, op laag open-gepunte [316]boord, loerden z’n half dichtgeknepen oogen, kleintjes-bijziende, rond.—En joviaal, baste z’n stem, diep, welluidend:

—Allons donc! Ouë wat is t’r! vertel op!

Ouë Gerrit was door vriendschaptoon van dokter altijd overstuur. Hij wist nooit goed, wat ie met hem voor had, en hoe ie z’n antwoord moest aanleggen. Was ie vriendelijk terug, dan keek dokter norsch. Bleef ie stijf, dan lachte dokter ’m uit. En nou, zoo heelemaal diep in dat prachtige huis. Van verlegenheid trok ie zich aan de baard, haakte ie z’n handen door z’n zilveren lokken.

—Joa.… kaik es dokter.… ’t waif laikt puur daas! se hep.… wullie hewwe.… vier en vaif en nie.…

—Zoo-zoo, zoo-zoo, is ’t zoover!.… Allons! en verder,.. kuchte ie uit z’n hoogen stand, strak-kippig in loer, met z’n lichte oogjes op Hassel neerkijkend.

—Ikke hep soo.… bai main aige docht.… aa’s da’.… hoho.… aa’s dá’ ’t waif miskien bestiges in ’n gesticht sel konne.… sai bevuilt d’r aige.… Guurt,.… Guurt.… hoho.…

—Wat Guurt? gretig vroeg dokter!

—Guurt f’rdrait ’t langerst, wil d’r aige bereddere.… en niks.… heulegoar niks blaift d’r meer in d’r kop.…

—Kom-kom! dat proatje van ’t gesticht is ’n bêtíse vriendje, ’n stommigheid.… Jullie leeke, jullie zègt máár; ’t wijf mot hulp hebbe, voila tout! En jullie kijkt misschien niet heel best naar ’r om.

—Joa,.… aa’s dokter.… aa’s dokter.…

—Ha.… ha.… ha! schaterde vettig zinlijke dokter, jullie bent me ’n volkie, jij ouë schooier! Daar net had ’k er nog een hier van den polder. Die had zes kwartier ver geloope,.. Ze klaagde van koorts.… Is me daàr ook ’t landje! Allons donc!.… ça ira!.… Ik vraag of ze pijn heeft!.. bliksems!.. ’n donders aardige meid.… met ’n fraîcheur! prachtig!.… Ze zegt, nee.… dokter.… Nou is daar alles.. hm! hm!.. malarialand! alle duivels wat ’n streek! Ik zeg tot ’t meisje. Klee je maar uit meid.… Ik zal je buik es onderzoeke.… [317]„Uitklaiie”.. gilt me ’t lieve mensch!.. „Nee maan, dan is uwes an ’t verkairde ketoor”.. En, verdomd! wild staat ze op, rent de deur uit, trappe af.… op straat.… Ha.. ha-ha! wat ’n volkje, ça m’en fiche!.… ha! ha ha!

Ouë Gerrit half maar begrijpend, lachte gemaakt mee. Hij had ook wel gehoord, dat dokter Troost, al jaren weduwnaar, niet één meid met rust kon laten; dat had ’m Guurt nog pas gezeid.… Mos s’n aige skoame.… soo’n ouë rot.… Niks voelde ie zich op z’n gemak nog.

—Nou, moar aa’s dokter nou erais wil komme!.…

—Met alle genoege vader!.… ik zal er vanmiddag zijn, tegen drie uur,—maar vertel eens.… hoe staan je zake?

—Mi’t waif.… maint uwes?.…

—Ajakkes kerel nee! jou eige zake. Jìj.. had laast dat stuk grond motte neme.… kuikens zijn jullie.… je had al veel eerder van de Beek motte weg zijn.… zet je hoeke vol aarbeie, dàt is winst.…

Gerrit voelde zich altijd stikbenauwd, als dokter over tuinderij begon, en over grond. Wel twintig tuinders uit de streek, die hij kende, had dokter ’r met alderlei aanraadsels op die manier ondergebracht. En aa’s dokter ’m zoolang ankeek.… was ie nog banger.… dat ie alles in z’n oogen merken zou van z’n spulle, z’n gannefe.… je wist nooit wá’ soo’n man an je ooge sien ken.… puur soo’n geleerdhait.…

—Joa.… joa.… moar.… viere en vaif.… en nie genog, schuchterde ie verlegen.… ikke hep de loodpot nie, dokter?.… ikke nie!

—Zoo-zoo, nou, zijn jullie kerels, d’ris nog meer land, voor je zoon Dirk.… ’n prachtig lapje.… van mìjn.… ik hep ’r mooie huisjes bij gezet.… voor jullie.… twee kamers gelijkvloers.… twee bove.… zolder.… schuur.… ruim.. maar mooie.… jonge koopies!.… Maar apropos.… hoe zit ’t met m’n rekening vader! Ik mot nou vange man! Je weet, nog ’n paar dage,.. of als de aarbeie ’r zijn?

Ouë Gerrit had gevoeld, angstig, dat ’t daar op uitdraaien zou. Daar had je ’t gedonder al. Wa nou.… Wa-nou! [318]Angstig in z’n stoel gedrukt keek ie van z’n paarse kousen, naar Troost òp, die met ’t vet van z’n onderkin speelde, in plooien-wellust.

—Joà.… hoho!.… hoho!.… kaik uwes d’rais.… uwes weut.… slecht joar.…

—Ha.. ha! zeg vader! Kom nou niet met die praatjes.… ken ik waarachtig àl te goed.… dat is met iedere rekening zoo.… nee vadertje,.… we zulle nog eens ’n hypotheekie klaarmake … van ’t lapje achter je huis … bij m’n zwager … Dat kost je van akte opmake niet veel, ’n vijfentwintig poppies.… jij heb dan vrij spul.… en ik hoef niet tot de aarbeie te wachte.…

Ouë Gerrit werd groen-bleek van schrik.

—Moar dokter.… uwes runiweert main!… ikke sit t’r puur in.… de rekening is te hoog hoho!… ’n gulde per siefiete!.… en honderdseventig pop.… en nou nog van akte vaif.…

—Papperlepap vader! dacht je dat ik je voor jullie plezier hielp.… en de medicijnen die je van me hebt.. verkoop jij je boel voor niks? ik zou maar wat koest zijn als ’k jou was, he?.… Door mìjn blijf je dit jaar nog op de Beek, anders hadde je d’r al lang afgesmete.… Je weet dat ik kommesaris voor kerkbestuur ben van weiland.… je weet dat ik je je grond onder je voete kan wegtrekke, als ik wil.… dat weet je àl je grond! En nou zou je mijn rekening niet willen voldoen. Niet een die jullie volkje zoo netjes behandelt als ik.… En stank voor dank.… Natuurlijk! Nou dat aktetje komt morge in orde, ik heb ’t m’n zwager al gezegd.… anders gaat je boel eran.

—Moar dokter.… had u main.… nie effe eerstig kenne vroage.… ik sit ’r soo kras in, dâ.…

—Wàt?.. ik weet toch, dat je niks hebt.. Soo is ’t goed hoor vader.… best.… Allons donc! Wat zit je daar nou of je geen tien kan telle.… Nou.. je wijf zie ik van middag, adieu! adieu! ’t beste hoor!

Ouë Gerrit was langzaam opgesjord van z’n stoel, voelde, dat dokter ’m kwijt wou zijn. Troost had uit de bovengang [319]z’n hoed van den kapstok gelicht, was Hassel voorgegaan naar beneden.

Dokter’s rijtuig stond klaar.—In de apotheek groette ie vluchtig wat menschen, die recepten halen kwamen, en eerbiedig voor dokter uit den weg schuifelden.

In livrei-glimsel, stond vóór z’n koetsier, met knop van portier in de hand. Voorzichtig kippiglijk stapte dokter in. Voort ging z’n rijtuig, waggelde ’t zware lijf van dokter op de makkelijke bank, tegen de fluweel-donkere kussens van den kaprug.—

Wat ezelstom volkje, vrolijkte ’t in ’m. Die denken maar, dat je voor niets werkt, dat je ’s nachts voor ze klaarstaat, als ’t een er maar invalt je te laten roepen. Wat zal ik ’m krijgen.

Van alle kanten, uit z’n open rijtuig, groette joviaal-doenerig, dokter Troost. Met z’n log bebakkebaarden kop, kippig enkelen nakijkend, deftigde ie door de tuinderswijkjes, in z’n lichtgrijs pak, z’n blank schittervest, met z’n licht-grijzen hoed, geheel doortrokken van rustige, rijke zomerweelde, heerschend in z’n stedeke-notabelheid over allen.

[Inhoud]

IV.

’s Middags zat dokter Troost bij Gerrit, tegenover vrouw Hassel, die ’m wezenloos bestaarde, niet begreep, waarom die man ’r telkens vragen deed, wat ie van ’r wilde.—Met z’n rug naar ’t raam zat dokter, zich peinzend wrijvend onder de vetkin, vrouw Hassel vlàk voor ’m, twee vingers van ’r blauwig doorpeesde stekelhand, in ’r kwijlmond versabbelend. Haar steekmuts plakte slonzerig scheef op ’r uitfladderend vuil-grijs haar, oogen doften star. Om ’r kwijlmond groefde in stillen kreun ’n droefnisrek, waar d’r verstand al niet meer aan mee deed. Soms heél even, flitste ’r angstlicht in de oogappels, dofte daarna weer haar wezenlooze kijk, erger. Gelig-smoezelig magerde ’r hals, met ver-uitstekenden beverigen keelkrop. Uit ’n vies-zwart jak, van boven knooploos afflodderend, propte ’n stuk van smerigen borstrok òp.— [320]

Dokter Troost bleef ’r stil bekijken, schudde soms even zwak, z’n log hoofd. Dirk en Piet waren op hun kousen, met wasemende zweetgezichten de kamer ingeloopen, en Guurt met handen op ’r zij geoorkruikt, stond naast den dokter. Ouë Gerrit zat beverig en angstig tegen over Troost. Op tafel bij ’t raam, vonkte uitgeschulpt karafje met konjak, kristallig, in groen-rooie lichtspatjes, op dofrood boersch-stug blaadje en deftig-stil ernaast, pronkten wat grove kelkjes, rustig glanzend in zonschijn.

—Nou moedertje, zwaar sprak Troost, en zeg nou eens wat verder.…

—Wâ.… wâ?.… schrok ze op, wâ segt u?.… gansch vergeten wie voor ’r zat.—

—Sacré nom, quelle misère! bromde dokter voor zich uit, ja.. wat? wat?.. Heb je nog zoo ’n drukking hier?.… hé?..

—Joa.… joa.… beefde ’r stem.

—Hier, an je slape ook? en hier, op je achterhoofd, en daar bij je neuswortel, en.…

—Joa.. joa.… wâ?.. wâ?..—Niets wist ze meer wat dokter gevraagd had.—

Dokter keek juist òp naar Guurt, toen ouë Gerrit ’m aanzag, dìe juist snapte, dat ie z’n meid lievige knikjes gaf.—

—Niks an te doen, brommerig gromde Troost’s stem.… is in ’n half jaar schrikkelijk verergerd.… kollega Zwanke heeft gelijk!.… beroerd.… beroerd.…

Stiller bromde ie in zichzelven, dat niemand ’m meer hoorde, noch storen durfde met vragen in z’n diagnostisch gepeins.… Beroerd.. dementie.… nou mooi! afgedaan!.. jonge.… jonge wat ’n meid die Guurt! dat was er nou eens een, daar had je wat an.… jonge.… die most nou eens zijn huishoudster worde!.. kijk.… die schape je angape.… Nou.… dat wijf gaat kapot! oud-nieuws!

—Ja, ja! hm! hm! klonk uit z’n zacht gebrom scherper òp. Ja Hassel, is in ’n korten tijd zeer, zeer verergerd.… ’n droevig geval, zeer, zéér droevig. Houd je maar taai, want dat is noodig! En jij Guurt, jij mot maar de huishouding heelemaal [321]op je neme.. hoor beste meid! En laat moeder vooral met geen petroleumstel omgaan.… of met geld.…

—Joa.… zei Guurt.… wai hebbe ’r vast ’n kluif an!

—Soo! soo! nou laat ’r geen dinge doen, die gevaar kunne veroorzake.… doe jij ’t liever.…—Guurt had ie schijn-ongemerkt ’n knijpje in arm-dik geperst, met vriendelijk-zinnelijk lachje.

Vrouw Hassel sufte, wezenloos in ’r staar, niet beseffend wat ’r gebeurde, ziend de menschen om ’r heen, telkens weer ze vergetend, tòt ’r stemmen opklankten. Ze hoorde wel, maar zoo erg was ’r bewustzijn geslonken, dat ze nog sneller vergat dan ze hoorde. Even soms flitste ’r angstlicht in ’r oogen, keek ze bewuster, alsof ze ’n stoot kreeg in den rug, of ’n prik in ’r lichaam. Kwijl slijmde langs ’r mond, glom morsig over ’r natte kin. Armelijk ingehurkt en verzakt, zat ze op puntje van ’r stoelzitting. Niet één der kinders, die besefte, iets van ’r verkwijning en angsten. Ze zagen ’r vergrauwen als ’n half-verrottend meubel, dat in elkaar getrapt en opgeruimd moest worden, dat in den weg stond. Haar doffe staar verveelde, beangstigde hun, verlamde vroolijkheid en stoeilust soms. Haar angstige opspringing vond ouë Gerrit malle aanstellerij en Guurt vooral nijdigde bits van zich af, als ze zich bevuild had, en geen besef meer toonde om ’r eigen lijf te wasschen. Godsliederlijk lui en gemakzuchtig, heette ’t Guurt, en ze wou ’t wijf niet langer in huis hebben.

Gevoelloos in z’n rauwe wellustnatuur bleef Troost nog wat plakken, paf van Guurt. Even broeide in z’n heet brein ’n plan. Als ie ’t wijf eens onderzocht, haar liet uitkleeën, die gapende stomme kerels verzocht heen te gaan, voor ’n kwartiertje hem alleen te laten met Guurt, voor hulp. Maar luidruchtig, midden in z’n stille, heete bedenkingen over Guurt, die Gerrit en de jongens aanvoelden als ernstig bepeins over zieke moeder, kwam geklop op straatdeurtje, en stemmeklank rumoerend:

—Is dokter hier?.… Ja he? Ik zag juist z’n rijtuig buiten staan.. hm! moet ’m effe spreeke..—Onder rijkelui’s-keelrumoer, [322]stapte ’n meneer in, kassier, geldleener en bankman; Stramme, zwager van Troost.

—Donders, daar had je z’n zwager, da speet ’m nou donders, roet in ’t eten.

Guurt was naar meneer Frans Stramme geloopen, komplimenteerderig, deftig doend en lacherig. Ze wist wel, ze voelde ’t, dat de heeren ’r mooi vonden, om hààr kwamen, en heerlijk vond ze’t zoo bekeken te worden, gevleid, toegeknipt en beknepen, met lieve handdrukjes. Ze had ’r zich voor opgedirkt vandaag, zoo’n uurtje vóór dat dokter komen moest. Ze konden ’r beschateren de jongens, maar daar gaf ze niks om.—Zij zou hèn uitlachen als ze eenmaal ’n kerel met duiten had aangehaakt.—En nou, zingen kon ze van de pret, dat de rijkdom van Wiereland zoo maar in ’r huis stond.

—Toe goan u sitte, meneer Stramme, dokter blaift nog.

—Ja zeker.. beste meid.… kuch-stemde ie, en negeerend den stoet om ’m heen, tot Troost,—’t is goed dat ik je tref, ik moet je daar dadelijk spreke.…

—Ja, ja! ik kom, ik ga mee..—Nou moedertje.… hou je maar goed.… zal wel betere eer je ’n kerel wordt.… Sacré nom, quelle misère.… perste ie, met gemaakt-versteld gezicht naar zwager Stramme eruit.

Hij had zich van z’n stoel met paf geluid, als kraakte z’n zwaar lijf, opgeheschen. Z’n zwager was niet gaan zitten, stond brutaal rond te kijken, uitdagend en machtig zich voelend in dat duffige tuindersgezin. Vlak voor ’t gezicht van Dirk had ie zich neergeplant zonder excuus, wiebelend op z’n teenen naar hakken, hakken naar teenen. Blufferig hingen z’n blanke manchetten half z’n mouwen uit, fijn grijsde z’n zomerpak en onbescheiden loerden z’n oogen achter gouên lorgnet, met fijn zwart koord vast om z’n hals. Lust voelde ie om te schateren, toen ouë Hassel, beverig, op ’t stugge boeren-presenteerblaadje ’n konjakje kwam aanbieden, dat ie joviaal weigerde. Dokter stond nog wat te bedisselen met Guurt, die fijntjes lachte.—En òver de hoofden der stille, landlucht uitwasemende kerels heen, die stonden in één houding, in ’t donker [323]van ’t vertrekje, sprak meneer Stramme weer z’n zwager aan: of ie klaar was en meeging. Jaloersch ’n beetje ook, dat Troost de mooie meid daar vóór hem stond te bekneuteren met zoete woordjes en lievige stem-lachies.

Vrouw Hassel, in ’t licht met ’r stoel, had ie nauwelijks gezien, maar toen ie in-één op ’r suf gezicht keek, en ’r natte oogen zag die staarden, huiverde ie van afschuw en viezigheid.

En Troost, sluw en doortastend, beuls-brutaal en heerscher bij z’n tuinderslui, wist wel dat z’n zwager ’n stommeling was, alleen veel geld had, vertrouwde hem niet alleen met Guurt. Hij kon ’r wel voor zijn neus wegpikken. Guurt zelf stond te gloeien, hoog-rood van opwinding. Die prachtige kostuums van de heeren, die manchetten, die hoeden, dat witte vest van dokter, die grijze pakken.… Groote genade aa’s sai d’r is soo één uit de deftighaid kon inpalmen. Ze kon maar niet afblijven van den grijzen vilthoed, dien ze, onder ’t spreken, in de hand hield, drukte en aaide.—Van Guurt eindelijk was dokter Troost nog even naar ouë Gerrit geloopen, stond daar voor ’m, met handen achterwaarts, in lendenen gesteund, z’n wit vestbuik vooruit. In bangelijke houding, krommig gebukt, stond Hassel aan te hooren, al maar knikkend met z’n hoofd, dat z’n baard danste op z’n kiel.

Dokter had ’m ’n recept gegeven, voor drie soorten medicijnen.… en spuitgereedschap, alles in zijn apotheek verkrijgbaar. Meteen had ie gezegd, dat ’t hypotheekje door z’n zwager, notaris Breemsma, was klaargemaakt, dat ie maar gauw moest komen „teekenen,” al kon ie niet schrijven en de getuigen voor het aktetje door hèm waren besteld. Nog drukte ie ’m op het hart vooral de vijfentwintig pop direkt mee te nemen omdat z’n zwager geen lust had, z’n hypothekair erbij te rekenen. En ouë Gerrit schudde maar met z’n angstig bedremmeld gezicht, doodelijk benauwd, zonder kracht tot verzet.

In drukkerig stemgeraas en onder liefdoenerige geleiding van Guurt, die hoog-rood wang-glansde van genot, waren de heeren uitgestapt, en weggereeën.—Met gloei-gezicht stapte Guurt de kamer weer in, naklank van streelerige, zinnelijk-kirrende [324]lokkerijtjes van dokter nog in ’r ooren, zich licht bedwelmd voelend, als was ze begoten met eau-de-cologne, als rook ze niets anders, den ganschen dag. Vriendelijk keek ze zelfs naar ’r moeder, die hààr bestaarde, maar niet zàg.

In de kamer, na dokters vertrek, loomde stilte.—Ouë Hassel keek verachtelijk naar z’n vrouw, die in één houding, stil op ’r stoel te sterven zat. In stommen Dirk giftte wat ingesmoorde woede op branie van meneer Stramme, die zonder ’m zelfs te groeten, pal voor z’n neus was gaan staan, in de kamer. Kees, vreemd alleen blijvend op ’t land, niet begrijpend waar de kerels zóó lang bleven, was ook even ’t vertrek ingestapt. Guurt had meteen de mannen ’n bak koffie voorgezet. Ouë Gerrit slobberde gretig ’t dampige, slappe afbaksel.—

—Jai ook ’n boakkie, hee moeder?—vroeg Guurt, met trillende stem, van napret nog.

—Wà’.… wá’?

—’n Boàkkie? zeg-wees ze naar ’t komfoortje.…

—Joa.… joa.. gulzigden ’r handen al vooruit. Dat was ’r troost, gaf ’r lekkere, zoete hitte.—Beverig zette ze vollen kom aan ’r mond, zoog ze òp in gulzige slobbering, ’t bruine sopje, zoetig smakkend, met dorre tong tegen lippengrauw.—

—Nou, en nou bi’k aife wais hee?.… zei ouë Gerrit plots stug, met ’n bonk z’n kom op tafel stootend.… hoho! wa nou?.…

Kees keek beteuterd op ’t ingeslonken kopgrauw van z’n moeder. ’n Minuut was ie ’r stil van. Zoo had ie ’r tijên niet gezien. Vandaag was ’t den eersten keer in jaren, dat ie de woning van z’n vader weer ingestapt was.

—Dá’ kost nou je duute,.. stugde die voort, iederder besoek ’n pop!.… morrege komp ie terug hep ie sait.… huhu.… en of’rmorrege!.… en of’rof’rmorrege.… hoho!.… en soo goan ie veurt.… sel je sien.… En Guurt mot twee drankies en poeiers tegelaik hoale.…

—Moar stommeling! sprong Kees inéén woest op, zien jullie dan nie da die skoelje d’r ’n sloatje van moakt?.… Jullie bin ommers ’n vetje veur sàin, ’n kalfkoetje.… ’t is netuurlik [325]s’n aigeste oapeteek.… hai skraift moar roak.… Morrige komp ie t’rug.… skraift ie weer. Snôf’rjenne.… ik sou sain d’r uuttrappe.…

Ouë Gerrit was van ’t raam, op z’n arm-stompen gemakstoel gezakt, starend de lucht in, zonder nog ’n woord te zeggen. Duifje uit hoekje, stil, in glans van veertjes, koerde zacht, vèr, klagelijk.—

—Daa’s net, gromde driftig Dirk, daa’s net.… dá’ wai dâ nie docht hebbe.…

Maar Piet was ’t niet ééns.

—Nou daa’s ook ’n mooie.… sel dokter soo moàr gaife aa’s je nie noodig hep?

—Jou skoàpskop, lachte nijdig Kees, dá’ hoor je t’met of’ral eenderlai, dá’-tie altait en altait vaif keer te veul gaift.… en dá’-tie komp, dèur komp, aa’s de minse al lang weer bestig sain.…

—En hai gaift moar, hai skraift moar, gromde Dirk mee.

—Netuurlik! viel Kees weer in, tut ’t aêre joar.… kraig je je print aa’s tie tog selfers s’n oapeteek hep … hep tie ommers soo langest aa’s tie wil.… hai is tog nog de eenigste mi oapeteekie.… is tog ofskoft!.…

—F’rduufeld g’laik, driftte Dirk opgewondener, t’met van de heule ploas hoor je dá’ de kerel nie van de grond is of te dwaile.… hai plakt aa’s ’n klomp in ’je hai.…

Ouë Gerrit hoorde onrustiger toe, staarde door naar de lucht, wel voelend dat Kees gelijk had. Maar dat juist maakte ’m woedender. Want hij kòn, kòn nooit ofte nimmer àf van Troost, zooals ie niet àfkon van z’n zwager, den notaris. Die hadden ’m in d’r klauwen, ijzer, ijzervast … Sàin nie allainig, allegoar!.…

—Enne veur wá’ goan je nie nà dokter Zwanke, die hep s’n arme-rotsooi van gemainte pas an dokter Troost of’rdaan.. dá’ komp Zwanke!.. verduufeld ’n jonge dokter.. pas ’n poar joar hier, moar ’n bliksems-rechskoape kerel.… en ook mi’ sonder aige oapeteek.. en nooit komp ie ’n keer teveul.… je kraigt puur nies niemendal drankies van sain … en frindelik.. [326]sien je.… gesmaird.. fain.. netjes.… netjes!.… of goàn d’r noa dokter Moas.… se kukkerint.… nog altaid bestiger aa’s hai.…

—Daa’s net, zei Dirk weer, verbaasd kijkend om Kees’ spreekradheid, hij die anders nooit wat zei.

Maar de Ouë was opgesprongen nu, driftig, bleek van gift.

—Wa’ jai?.… wa’ hai jai d’r mee van noodig? wá’ mo’ jai je bek d’r in? Van sàin af?.. ke’k dâ! ke’k dâ?.… Si’k nie an sàin vastspaikert.… netoaris is hèms swager.… die kraigt.… seker paa’s ’n joar sain losgeld?.… nooit nog ’n sint afdoan.… die hep al main pachtaktes, main koopaktes.… nooit hep ie die main wille afstoan.… die hep main hiepeteek! aa’s ’k van Troost noar Zwanke goan.… stuurt ie main rekening tuus.… Die hooge goàste.… sitte t’met allegoar an malkoar vast.… hoho! viere en vaife en nie g’nog!.. daa’s één klus.… sel ’k moar segge.… enne al wa dokter sait komp ’r deur.… woar je komp.… sit ie in.… en s’n swoager is d’r wethouër.… rechterhand van burgemeester.… aa’s je an d’een komp.… bran je d’aêr.… hu! hu! viere en vaife en nie genog.… sullie hewwe main vast.… vàst!.… stikkevàst.… aa’s ik main roer.… stoan ’k op stroat!.…

Z’n stem sloeg over in gillerige stoot-woorden. Driftig heen en weer ging z’n lijf door de kamer, bochelden z’n schouders meer òp, rukte ie aan z’n baard en lokken.

Driftiger beende ie voorbij vrouw Hassel, die achteruitschoof op ’r stoel, met bang oogenlicht dat opflitste, telkens als Gerrit d’r voorbij donkerde, alsof ze voelde, met woestig angst-instinkt, dat ie haar wel slaan wou.

De kerels slobberden weer stil uit hun koffiekoppen, door Guurt volgeschonken. Ja, ze wisten wel dat Troost heerschte in Wiereland, als ’n god, dat van hem alles afhing bijna. Dat ie met al wat landheer was op besten voet stond, dat één woordje van hem, genoeg was om ze in alles te bemoeilijken. Dat ie ze ook bij die heeren in bescherming kon nemen, en kleine vooruitgangetjes voor hen aftroggelen, als ie wou. Ze [327]wisten ’t wel, maar ze beseften ’t maar heel zelden en dàn nog met angstigheid in ’t hart.

’t Hoorde nou eenmaal, met ontzag naar dokter, notaris, bankman, op te kijken, dat moest zoo maar blijven. En gretig heerschte Troost, met z’n familie-vertakking, over Wiereland en omtrek, ’t sterkst onder arbeiders en pachtersvolkje. Vooral notaris heerschte mee, waar ze nog grooter angst-ontzag voor voelden. Want die baas-speelde nog direkter over hun wel en wee, over hun grond en pacht, hun schuld en rekening, aktes en hypotheekjes. Die kon ze wat voorgoochelen met cijfers, waarbij ’t hun ging duizelen. Die deed in hun koppen angsten ontstaan, van allerlei soorten. Angst voor landheer, angst voor borgstelling, voor pacht, voor koop en verkoop. Die kon ze laten wachten op zaken en afhandeling van akten, dat ze de heele boel bedierf, verliep. Die kon ze bevoorrechten, weer achteruittrappen, sarren en de noodschroeven aanzetten, al naar ie bliefde. Flauw beseften er enkelen, dat notaris, dokter, bankenman hier rijk werden, van hùn arbeid. Want luider ging ’t gemompel, dat dokter arm gekomen was in de streek, voor veertig jaar, en nou rijk pronkte, schatrijk, z’n equipage uitstalde, zoo goed als notaris Breemsma; dat hìj, in z’n praktijk uitgezogen had de pachterskliek en kleine burgertjes; dat hij zwol, vetter wier van hùn sappen. Er ging soms onderdrukt gegrom. Ze wisten wel, maar durfden niet spreken, dùrfden niet. Ze likten liever zoo’n man met macht, ze aaiden, paaiden ’m, bogen, kropen voor ’m, belasterden, bespogen hun makkers om wit voetje bij notaris of dokter. Godsdiensthaat barstte los op kantoor, bij notaris, die er stil van profiteerde. Alle nieuwtjes van elkaar kwamen ze hèm brengen en voor loon, zoog ie ze uit, nog meer. Ootmoedig groetten zij rijkdoorvoede, geurende kinders van notaris, dokter, notabelen-familie. Alleen, in dronkemansbuien, onder het schoremst werkstelletje barstte opgepropte haat los tegen dokter, notaris, burgervader. Bij kermisopstootjes en vechtpartijtjes op feestdag-avonden, schroeide en woelde haat en scheld-woede tegen notabelen rond, jeukten de knuisten om ’r op los te hakken, ging er een [328]stroom van nijd en afgunst, verzet en dierlijk gegrom door het zuipende, lollende volk rond, ’t lagere, verschooierde, werkelooze, dat notaris, dokter en burgervader zèlfs, bangelijk uit den weg ging, toch wel wetend, dat ’t maar bij wat stuiptrekken bleef. En als één tuindertje of kweekertje waagde driftig te worden, wat te schelden op dokter en notaris, werd ’t overgebracht, stond de heele kliek tegen ’m als één man. Waar ie kwam, stootte ie dàn z’n kop.… voelde ze zich verlamd en geknakt in z’n handelsrelaties, tot ie weer kroop, excuus maakte, likte, likte, zich loenschig vernederend als geen ander. Kleine, schuchtere werkstemmetjes van onmondig, stomp stoetje ploeteraars en aardwroeters werden gesmoord. En in den Raad, stedeke-raadje, middeleeuwsch kliekje van boerige, bekrompen verstandjes, waartusschen ’n enkele scherp kijkende en sprekende, die listiglijk ontzien werd, of uitgestooten, troonde burgemeester, burgervader, achterlijk stompzinnige, gekroond en versierd met adellijk naampje, waarvoor gekniebuigd werd, hoedjes en petjes gelicht. Van hèm ging onderdrukking van „welvarend” plaatsje ùit, koel en wettelijk. Enkelen pruttelden wel over barre stommiteiten van burgervader, die met z’n officieel, nooit-glimlachend, strak-leelijk gezicht, door de straatjes en wijken liep, zich voelende als ’n afgezant Gods; enkelen joolden wel om stumperige kleinheid en bekrompen brein-nietigheid van dit mannetje-één, uit de burgerij; enkelen gierden wel in stilte, om z’n malle airtjes van politiehoofd en stedeke-heerschertje, die alles te leeren had van z’n scherpzinnigen gemeente-sekretaris, praktijk en theorie. Maar zóó, in ’t openbaar, boog men voor hem, man van adel, man van dubbelen naam.

En Kees heelemaal vergroeid en verwoest, kon niks zeggen. Hij schooier.… wat wou hij?.… hij die te hongeren lag om ’n cent.

Maar diep, diep in ’m brulde, gierde wild-woest verzet, tegen ’t stelletje dat ie verdoemde, in z’n wraak-borst, zonder dat ie ’n letter zeggen, spreken kon. Als ie aan Wimpie’s gezicht dacht, dien stumper daar neergesmakt, begon ’t al erger in ’m [329]te gieren, voelde ie ’n onrecht, hem, hèm alleen aangedaan; dacht ie, dat de rijken nooit dàt, die ellende hadden. Nooit nog had Guurt es gezegd: „laat ik Wimpie ereis zien”, of een ander uit ’t vuile nest. Hij wist, dat Ant ze verboden had er te gaan, bij die ketters, en dat zij Ant verafschuwde om ’r vuilen, valschen nijd. Maar ’t griefde ’m, griefde ’m diep, dat niet één van zijn bloed, naar z’n Wimpie ooit vroeg. ’t Griefde ’m, hij kon ’r om uitbarsten, zwaar vloek-hameren van nijd.

In stikwoede was ie mee opgeloopen met de kerels, naar ’t land. Door z’n werk zou ie zich koelen aan den grond.

Tot ’t late licht ze verschemeren kwam, wroetten ze weer in de zandaarde, met gezichten in één donkeren buk naar den grond, in haastenden arbeid en werkjacht, als krom-gegroeide beesten, voortschuivend tusschen het rondom wijd-weg-drijvend, diepe goudlicht van lenteavond, pracht van glanzen en lichtspel. [330]

[Inhoud]

ELFDE HOOFDSTUK.

Met wilden schrik in z’n oogen kwam ouë Gerrit ’n paar dagen later op ’t land, achter z’n huis uit, op Dirk en Piet àf die tusschen de boonen schoffelden. Kees hurkte op ’t paadje, met z’n groote handen snel tusschen het sierfijn uitgeknipt wortelenloof, wiedend.

—Nou maa’ne, klonk ontsteld Gerrit’s stem, daa’s ’n bakkie! Hoho.… hoho!.… ’t raip in de heule keet oarebaiê.… op ’t Duin bai de oarepels!.…

Z’n stem beefde. Meer kon ie niet uitbrengen van ontroering, keek ie pal in verbaasde oogen van Dirk.

—De heule keet!?.… tien aggele?.… donderejenne.… komp gain duut van t’regt.…

—Wà hoek, vroeg Piet suffig na, die al broeide in de warme zon, en kreukeltjes trok in z’n gezicht, als om beter te verstaan.

—Nou de heule hoek in ’t Duin.… hoho! heule blad f’rvrete!.… aa’s kittels stonge de vruchies.

—Main kristus, riep Dirk, nu pas angstig bewust wordend de schade, daa’s ’n bakkie, dá’ mo’k sien!!.… da’ mo’k hoàring of kuit van hebbe!.…

—Sien?.… sien?.… huhu! d’r is niks te sien.… en wait òp sitte de slakke hier duimdik in de kole.… Rooit noà niks! noa niks!

—Moar, komp ’r t’met rege, schreeuwde Piet, bestig veur ’t raip!

Bezorgde klank zat ’r in ’t gepraat. Dàt was oogstverlies! Ouë Gerrit voelde dubbele benauwing. Voor zich uitstarend suffig, stond ie te berekenen hoeveel ’m dat schelen kon.… [331]Most ’n meroakel-slechte oogst worde.—En midden in z’n gepeins en onrustig gereken, schoot knaging, dat ie zich dat zelf gelapt had.… Hai was ommirs ’n dief.… ’n gannef!..

Star stond ie, met rooien kop van angstigen bloed-aandrang te rukken aan z’n baard. Stil, met iets van bang ontzag, bleven de jongens, de schoffels in de hand, ’m bekijken. Dat maakte Gerrit onrustiger nog. Hij voelde, dat ze wisten wat ie dee.. aêrs souë se sain nie soo ankaike.… godskristus.… Wà’ stonge die kerels dà’ f’rsloàge noa sain te loere.… noa sàin..

Nou saie sullie niks, om Kees.… moar ’t sou komme.… Jesis! da’ skeulde sain t’met ’n poar honderd pop!.… dà was nie bai te rooie!.… nooit nie.… nooit nie!.… Hoho! die kerels.… dà kaike noar sàin.… Ja nou, da’ voelde ie.… sullie hadde dokter ook sproke.… die hep ook sien.… en sain waif.… en Guurt.… en alderlai volk!.….…..

Angst, zware angst, klauterde weer naar z’n strot. Van de heele vrije lucht om ’m, kon ie nog maar heel kleine teugjes inademen. Rond z’n keel, schroefde benauwing; lichter luchthaaltjes gingen er nog net even door, met moeite, als of ie stikken moest.—De manschappen waren langzaam weer aan ’t werk gegaan. Met groote passen liep ouë Gerrit tusschen de regels en bedden in. Bij de put op ’t erf, zag ie vrouw Hassel staan, met kousen in ’r handen. Haar grauw-suf gezicht maakte ’m woedend.… Dat waif was z’n armoe.… en dá’ die vervloekte Kees op ’t land werkte; ongeluk lai op ’t huis!.… Dá’ waif kostte sain geld.… En sai.… sai.… sai hep sien s’n spulle.… dà’ loeder!.… da’ loeder.… nou sou die ’r de kop kenne splaite.… aa’s tie moar mocht!.… mi’ de skoffel op ’r pins hakke.… want sai hep loert.… sai hep f’rteld.…

Razende drift kwam in ’m opduizelen.… Tien aggele honderde guldens kwait, mit de koole.… puur kwait!.… En niks om te betoale!.… nou most ie poere en teekene veur s’n dokter-skuld,—veur ’t waif.… veur Piet’s been.… veur drankies!.… ho! ho!.… daa’s Kees op ’t huis, dá’ komp ’t al uut!.… dá’ komp ’t al uut! [332]

Dirk en Piet keken naar de driftstappen van den Ouë. Nooit hadden ze ’m zoo bleek en woest-vertrokken van gezicht gezien, bij ’n oogst-tegenvaller.

—Nou Ouë.… wá’ hai je? Je sien puur ’n laik! hou je kalm! aa’s ’t eene teuge loopt, loopt miskien vaif mee, goeiigde Dirk.

—En de sinte!.… de sinte!.… de dokter hep weer ’n hypeteekie nome op main grond.… veur skuld van moeder en Piet.… en de sinte.… aa’s d’r strak-en-an de landheer komp!.… bai màin hoale sullie de sinte.… jullie suip moar.. suip moar.. hep lol in Amsterdam.… ho! ho!.… ho! ho! jullie gokt d’r op los.… moar ikke.… ikke stoan d’r veur.… aa’s de boel veur de wereld lait!.…

Woest staarde z’n vergramd kindergezicht de kerels áán. Nijdig, ingekrampt, met grauw-bleeken kop, liep ie ’t erf op achter-end in, om wat te drinken.

Guurt met ’r rokken de hoogte ingesjord, in knoopsel achter haar schortbanden, klomp-kloste drentelig en druk op ’t beklinkerde erfstraatje, sjouwde met kommen en waterbakken heen en weer, bukte telkens,—met één been stevig neergeplant op den grond, het andere, wijd opgelicht in kuitstrekking,—over put heen, in rammelige bonken wateremmertjes òpbeurend en leegspattend in klettering over ’t straatje. Om ’r heen klaterde en bruiste ’t water. Ze schrobde in zwaren boen, forsch, met d’r dik-bloote armen in heftige stooten vóór- en achteruit, dat harige bezemborstel griste, siste en schuurde, ’r zwaar lijf te waggelen stond van drukke doenigheid. Den Ouë had ze net zien aanhollen, bleek en haastig.—

—Wa’ is dur? zong met Wierelandsche intonatie ’r stem.

Gerrit was doorgeloopen, zonder antwoord, recht op ’t achterend af, met verblufte achterlating van stomp-neuzige klompen tegen drempeltje.—’t Maalde en draaide in z’n kop, of ie zoo ’n beroerte zou krijgen. Vast en seker gong ie noar de grond. Nou mòst ie dood.… dood!.… Daar had ie nou juist angst voor, schrikkelijke, klemmende angst, die vastschroefde iets in z’n keel, dat ie geen lucht kon krijgen; die zwaar plette op [333]z’n handen, z’n armen, z’n beenen.—En tusschen z’n angst, zalig verlangen toch naar z’n spullen.… Nou ie zooveul had kon ie s’n aige nog betere.… Kort maar bleef ’t gevoel voor z’n goed. Gauw overrompelde ’m weer wilde angst, nauw keel-toepersend gedreig om ’m heen, van allemaal dingen waar ie vroeger nooit ’n minuut aan gedacht had.… Waar z’n spullen zouën blijven, als ie dood was? of onze lieve Heer ’m zou ranselen, dat ie ’r bij neerviel?.… of Dirk, of Piet ’t eerst z’n spullen zouen zien?.… En of slechte aardbeien met rijp nog wat konden opbrengen.… En of ie met z’n baard voor onze lieve Heer verscheen?.… Zoo, dolle gedachten duizelden door z’n kop, en benauwings-toeschroeving van z’n strot, erger, stikkender. En overal holde dreig-angst met ’m mee, wààr ie ’n stap deed. Angsten, als ’n altijd omringende macht van zorg-schimmen, waar ie naar greep, die ie wou wegduwen, maar vervloeiden in z’n handen, door z’n vingers; toch strak-zwijgend weer om hem heenstonden, als ie keek. Of ie z’n oogen sloot of open deed, dat hielp niets. Altijd bleef ie ze zien, met oogen dicht, nog duidelijker en zwarter. ’t Bangst maakte ’m de angst-beklemming op z’n maag, dat ’r noodzweet op z’n gezicht klamde. Dat was doodskramp, benauwde ’t in ’m, druk van den duivel. Z’n hoofd voelde ie woelen in iets lauws, vochtigs, dat àl sterker verhitte, tot ’t ging gloeien, koortsen, branden op z’n huid, wangen en hals, en dan plots afkoelde om nà ’n paar minuten weer áán te gloeien.

Maar hij zou wel bedaren, suste ie zichzelf weer, rillend in kakebeving. Nooit had ie ’r toch om gegeven.… Veur wá’ noù wel?.… aa’s sullie moar niks wiste.… aa’s tie sullie moar beet had.… aa’s tie sullie allegoar moar ’n loertje kon droaie.… God ook’n loertje.… want gekkighaid.… die kon nie overal te g’laik saine.… Dá’ was puur malligheid om je bang van te moàke … aa’s hai ’s nachts in de kelder was gonge.. had ie puur pal ’t luikie veur ’t roampie set.… hep onse lieve Heer vast nie sien kenne.… moar aa’s God.… aa’s God nou erais sàin die sorge had toebedeeld?.… Kon die moar skraive.. en lese!.… hoho! kon die moar.… Dan sou ie sien.… [334]of dá’ in de baibel stong .… enne of d’r vroeger ook sulleke minse weust binne aa’s hai!.. Nee.… tug nie lese.… miskien stong dur, dat ie nog meer, nog meer onhail kraige most!.… Bai s’n broer stong alles goed.… tien voet van sain of.… Dá’ was woarskuw van God.… Moar.… moar.… huhu! aa’s tie nou es,.. bai Grim keek.… da’ stong alles in ’t raip.. sou die.… sou die ook soo gannefe aa’s hai?.… Sou die?.. Moar die had wel de duufel in, moar.… tug nie bang aa’s hai!.… Nie bang.… sel ie moar segge.. en niks niemedal gain angst in s’n strot.… soo klam.… soo in doôssweet, aa’s hai. Enne bai Reeker.… hewwe muise.… twee bed bolle affrete!.… En.… kaike?.… hoe stong die d’rbai?.. Joa.… woedend aa’s die was.… netuurlik.… Enne bai de Grouw.… oarepelestruike doodvrore.… Hoho! Neenet!.… hai was ’t puur nie allainig. Nou had ie nie allain.… nie koorakter!.… Nou.… hai sou moar bedoàre.… ’t was puur niks! kaik.… nou was ie weer kalm!.… Enne nie bleek ook … Nee.. moar aa’s tie dá’ gevoel had.. dá’ bai s’n moag.. hu! wà benauwd!.… aa’s tie nou erais dood most.… En was d’r nou ’n hel?.… Godskristus, dá’ ’n mins op die deele heulegoar gain vastighaid hep.… ’s Nachs.… ’s nachs wist ie ’t altaid vàst, dat ie d’r was.… Moar op dag, gong ’t weg!.. Kaik da’ ha je se weer.… Nou stonge se weer om sain.… ’n heule bende swarte kerels!.… En nou stonge se weer an s’n strot te trekke.… kaik!.… soo weer aldegoar sterretjes veur s’n ooge.… huhu!.… pal d’r veur.… Enn.… nou.. kaik!.… wá’ donker ’t word.… hoho!.… enne.… enne.. tùg dag.… was ’t strak-en-an!.. Sou die in de hel komme?.. enne.… Spulle waa’s nooit van sain.… nooit had ie wá’ f’rkocht.… nooit sou ie s’n spulle weer anroàke!.… Enne.… hai sou weggaife.… teruggaife.… alles.… alles! Aa’s ie nou moar nie dood hoefte!.… Jesis wá’ wàrm om s’n hoofd.. begon ’t weer te gloeie, om s’n kop.—kaik!.… nog donkerder.… veur s’n ooge.… Jesis waa’n benauwing!.…

Zitten, doodstil, bleef ie ’n poos, verkneed in hijgenden lucht-snakkenden angst, met z’n handen woest-grabbelend aan z’n [335]kiel, of ie iets wou loswringen dáár. Langzaam eindelijk zakte weer gloeiing van z’n kop, begon ie weer te peinzen, stil.. Nou sat ie nie meer in donker.… Moar kaik!.… de kerels.… die swarte kerels van sain, woare weg! Moar tug most ’r ies skrikkeliks beure mit sain. Da’ was vast woar!.. vast woar.. hoho!.… Net of d’r swoare onweer in de lucht sat.… soo bangelik, beverig en angstig, gejoagd, en keliekig voelde ie s’n aige!.… Hai wou wel loope.… loope.… Want al die swoare wolke.… satte op sàin kop.… dá’ voelde ie puur. En nou kwam ’r weer donkerte veur sain ooge.… donker wier ’t.… heul donker.…

Schuifelend was ie in den leegen koel-beschaduwden stal, in ’n duister hoekje op ’n steen neergezakt, met z’n hoofd tegen ’t rem. En z’n handen, slap en trillerig, hingen langs z’n lijf.

Nou mostie moar bedoàre.… stilletjes.… sain gangetje goan.… dà konne.… de wolleke soo op s’n kop drukke.… en.… aa’s d’r bliksem kwam.… kon die nie bai sàin.… nie sien.… want veur sain ooge was ’t donker.… stikke donker.… heulegoar puur nacht.… nou most ie bedoare.… puur nacht.… stikke benauwd.… puur nacht!.…

[Inhoud]

II.

Hooge zang van werkers galmde uit, achter stekjes en rijzen, den Juni-ochtend in. Prachtige zangklanken, die zeilden in sonore trilling door diep luchtenblauw, uit de overal dichtgegroeide en omzonde groente-tuinen.—In kleur-klatering goudde de aarde, en overal uit de gaarden, van singelgroen en hagen ingesloten, dampte ochtendgoud van jongen zomer, nevelvroege dauw, die vonkvuur schoot en paarlen spatte tusschen grashalmen en bladeren. Achter de hagen, als groene sierwanden tusschen elken akker òpgegroeid, schemerden blauwkielen door, werkers die hurkten òver het lichtverstuivend prachtgroen van aardbeibedden. [336]

Jonge, zoete geuren-hitte trilde uit de gouden aarde en lichtelijk schroeide de zon Wiereland. Tegen den middag alleen, beefde zwaarder hitte boven het groengoud van velden, flonkerde diep ’t licht tusschen de bladeren, stond stil de zanglust van werkers, wèg in zwaren zwoeg.

Dirk en Kees werkten in ’t paarse schaduwlommer, bij Gerrits aardappelengrond. Aan één zij achteruit, lag hun akker begrensd door woest, reusachtig tuinbrok van rijken, stillevenden kweeker Waarmer. Tot vlak achter de meidoornhaag van beukenlaan naar ’t duin, liep diens tuin, groot en wild. ’n Lompe, nijdige heereboer, stil-levend en kwaadaardig, was Waarmer. Z’n huis in ’t tuinbrok, lag er stil dicht-gegroeid en belommerd in groene schemerkoelte, tusschen reuzige olmen, eiken, beuken en diep gepoort van pracht-wilde lanen. Voorstuk met ijzerdraad afgepiekt keken de werkers in, schemerwoeste diep van den tuin, die nu in den Juniochtend te wonderen groeide, in sproke-atmosfeer van groengoude scheemring en kleurrankende bloeipracht. Glans-statige kippetjes liepen los, rond te kokkelen en te kukelen druk en jolig door het gras, doken glans-schuchter, met punt-wiegelende staartjes wèg in ’t hooge, blanke waterster, dat er neergesneeuwd wemelde in vonkschitter bedauwdrupt, broos en wiegelend op teeren, slanken stengel; hooge boeketten van blank licht, tusschen diep scheemrend goudgroen. Jonge abeeltjes stonden in wilden stammekronkel te sneeuwen met hun witte donsblad, te zilver-wuiven tegen luchtglanzen. En weeke luwte-schuifel zong om ze, als koelende zingende zomerregen in ruisch-tuin.—

En laag in ’t wilde boomgroen, stond, in oud-goud rood baksteen, teer-tonig, verzakt en ingeslonken, ’t stalhuis achter sierdans van gouden regen, slanke stammetjes, met hun gouden trossen, trossen in prachthang, als lanen waartusschen zonnewebben te verglanzen ragden, in trillend waas. Midden in tuinbrok kringde open, schemering van groen grasvlaktetje, goud-zonnig uitduikend onder woeste beuken. Blanke ganzen waggelden ’r rond, teer ’t oranje van hun bekken, en om hen dribbelden jonge blonde, kale kuikentjes, veerloos en druk, wegzakkend [337]in de grashalmen, in eeuwig eetgepik, kopjes-golvend door ’t pluimgras, achter elkaar, in waggelend rijtje.—

Hoog, hals-gerekt, in zij-lingschen oogstaar, waakte vadergans, in blanken waggel achter de pikkende kuikens áán, soms even stappend in natten zonneschitter, dat er licht van z’n blanke veeren droop; drentelde moeder-gans méé, achter beschermd jeugdje, in het schitter-zonnige, zoete grasgroen. Oud bemenied hekwerk, stond in rood-felle schittering, half bezond, in sier van vuurlijnen voor ’n gedrochtelijk-uitgeholden boomknoest, monster dat gaapte, met nijlpaarden-muil, aan ingang. En heel diep, in half-bladerduister, blankte zacht òp, ’t witte huisje van Waarmer, beluwd onder koelend-groen uitgeurende kastanjes. Rondom, in ’t wild, danste kring van reuzevarens een woesten horlepijp, fijn in rankte spitsen hun krullende toppen, als vingeren slank ver-strekkend. En heel naar achter lag de woeste tuin dichtgegroeid, brak het lentelicht er in, tot zilver-koele glanzen, mat-blauwig, dampig licht onder blader-donker, in al gamma’s van schaduwdiep, geheimvol verruischend ’t lied van de lommerstilte. Als boven graf van gestorven saizoenen, zoemde er stil, in zilverblauwig waas, gebroken licht, al ijler uitgezeefd en onderschept door weer ander boom-groen en struik; dreven daar rond, geheimen van natuurleven, zalig in eenzamen groei, poëzie van het stilste, zwijgendste lommer.—

Groote heesters bogen in ranken wiegel òver naar wilde graspluim, en fijn ruischte ’r koele suizel rond van wind, ruischende eolusharpen, in fluisterenden zangespraak met bloemengroei en boomleven. Op ’t koele woningmuurtje, vermarmerd blank, ging in schaduwsier van varen en takjes, geheimvol leven rond van silhouetten, waartusschen rondgestrooide goudlichtjes en tril-vonkjes flitsten, verpijld door hooge tak-kronkels.

In de stille, omlommerde vensterruitjes, droomde koel licht van tuin, teruggeglansd in zachte vegen van gelen gloor, dof en heimelijk. En naast ’t hekwerk, brokkelde scheef verzakte, donker bemoste, roestige kringmuur, verweerd en duister, als ruïne van oud kreunend leven, waarop pauwenpracht uitwaaierde, [338]bronzen goudscherm van veeren, groenstalen, kijkende schitterings-oogen van glans alléén. Zacht hondengeblaf dofte soms òp uit den stillen, binnensten goudschemer van roerlooze lanen.

In den hoek waar Kees en Dirk werkten, lag achter hagedoorn, ’n plek als leeggehakt, openend gouden tuinhart. Bleek-schoone, lila-seringen als jonkvrouwen in biechteenzaamheid gevangen, slankten plots òp uit gloeiende zonneplek, in lange rijen achter elkaar. Fijn, hun geurige kroonselen zoetten reuken door de lucht, en boven de rij van bleeke lila’s, dromden verdonkerend bronzen beuken, als wolken rood-violet licht, hooger òp doorvlamd van zonnegloed, felle zang van smachtend rood, tegen het bleeke lila, dat èven er onder uitgeurde, z’n fijne droomtonen, ijl in bedwelmende sfeer. Telkens zoo éven, schoot, uit de groen-gouë koelte van tuinwoesten groei, ’n plek open in zon, blankten wat rijtjes narcissen áán, of vruchtboomen in nabloei, purperend en sneeuwend, met zwoelenden geur-adem. Gloed zong van kastanje-kroonselen, die te geuren ijlden in ’t teer-heete Junigoud. En sterker kwamen uitranken verderop, zangerige lila-trossen, en kranzen hooger. En enkele seringen buiten de zon, slankten verbroosd in vochtigen wasem van gebroken zilverende lichtsfeer, koel.—

Op zoog de beukenlaan, vóór Van Ouwenaar’s landgoed, geurzwijmel van woesten tuin, die ijl te ademen hijgden. Seringen-adem en jasmijnen, dennengeur, en vochtige boschzoetheid, stoof in zacht en zwijmel naar de lichtgrot, tusschen al hoogzingender groen van jong geboomte uit jonkheer’s landgoed.

Als laatste dagpracht van lentefeest, geurde de beukenlaan, volgedronken van zwoele arooms uit tuinbrok, zwommen in gons, zang-teer de bijen en vliegen rond, ging lentezwijmel ten offer aan het licht, het licht dat gloeien en koken wou, naar de gouên grot, aan ’t laan-eind. In zalige weelde, glansde en praalde ’t daggoud, vonkte ’t licht, klaterden de kleuren van bloemen, rond grond en boomen, lag Wiereland honing te zwelgen uit gouden bloeme-schalen, in geuren-zoet te zwijmen, in rook van licht en vocht. En overal juichten en klaroenden de vogels hun zilveren zang door het groen. [339]

Kees was wat later opgehouên dan anders. Er waren karren met bakken van de haven teruggehaald. Piet had gevent, goed verkocht, en Kees had van Dirk ’n gulden boven z’n zweetloontje gebeurd. Noodig voor z’n hongerend nest van dertien, waar ook nù nog, gevochten werd om broodkruimels.—Voor ’t eerst, met wat geld in z’n zak, stapte ie naar ’t duinkrot. Stil laat-lichtende lanen liep ie door, blij met ’t groen, dat ie eerst niet gezien had. Nou was ’t net, of er iets in z’n ruw leven, z’n driftziel, verzachtte tegen alles. Er woelde een geur om ’m heen van zoetheid, ijle reuk van bloemen, en er was iets blij’s in ’m, als hield ie toch van ’t leven.—

Luidloos, in prachtstralende zinking van licht was de vroege Juniavond om ’m, aan ’t sterven.—Jonge popels lichtelijk bebladerd slankten ver in avondrood, zachten gloed die als reuzige glansschild d’aard kwam overdekken.—

Rag en éven groen-verdonkerd lijnden de twijgen in ’t rozerood en stille murmeling van zoet landgeklank ruischte van akker-verten àf, als fluisterde nachtleven rond z’n beenen.—Zalig en zoet geurde bezonken dagzwijmel na, de aarde glansgroenend en glansvergouênd in droom-rozigen luchtbrand van zonnezink, madonna-gouïg en heilig ver-aureolend door laantjes en boomblâar.

Dennetjes, licht-groen gezoomd aan donk’re takkransen, stonden dwars doorlicht in rooien gloed, als heilige kandelabers in reuzige kathedraal zacht te branden, met de jonge kaarsjes tot den top in vlam geploft, zacht-glanzend, roereloos kaarselicht, aangestoken in ’t wonder-teere avondgoud. Aan wegkanten van weiland en glooiigen duingrond, bloedde éven doorvlamd fijn rood gepunt van eiken hakhout, teer als bladknipsels, looverig rood getintel, dat arabeske lijntjes droop van zonnig rood door ’t struikgroen. Fijn paarse hondsdraf toortste, lichtelijk gekringd in stoetjes, in ’t avond droom-fijne glanslicht, levende wezentjes, zelf bestarend den zonnezink. En rond, in verre kransen, kroop bijéén in ’t lokkende goud-zachte gevlam de eereprijs, heel teere blauwe lichtjes, dwaalzwammetjes in ’t grazend innig-schitterende weigroen.—Als weggewaaide [340]kleurvedertjes van zwaluwstalig licht, stipten en trilden ’t blauw-zilverige avondgebloemte in de glanszonne, maar lichter, weeker van wéérgloedjes, tusschen de blanke boeketjes van geel-kransige madeliefjes en akkerkoorn, die heel broos, heel blank kuste ’t licht.—Teer wit, in blank gevloei van licht, al teerder en fijner, zilverden de witjes-madelieven òp tusschen het schitter-fijne vergelend gras. Van alle kanten staarden uit den wond’ren lichtstroom van ’t goud-doorzeisde grasgroen, de bloemgezichtjes. Overal zongen laat licht, en laat doorgloeide kleuren in den volstijgenden lentetooi, en ’t diep violet, ’t purper, ’t rood, vloeide en deinde tusschen ’t dauwende avondpaars. En ’t landschap zong in avondvergouïng, met keeltjes van duizenden harpenaren.

Tusschen wilgenzilver en abeelensneeuw ging suizeling, die fluisterde dat lente sterven moest, ging laatste tril nog, in zoete koortsigheid van grondgeur en jong gras. Hoog, uit de boomen, van kruinen en dieperen avondglans, zong jubel plòts van nachtegaal, afscheidszang aan lente.

Tusschen de zoete zomergeuren van wei en tuin en lichtval, die tooverde roodgoud rond de struiken,—overgoude stof die verwasemde de avondstille wegjes, rood-zandige kronkelpaadjes en nauw-door-elkaar harpende boomen,—zilverde neer hun lyrische jubel.—

Laag op wilgentak, grauwde klein lijfje van nachtegaal. Z’n oogjes glansden nog van avondrood geluk, en staar en stil, luisterde ze naar triolenden lokzang, uit eigen wond’re zilverkeeltje, lokzang opgroeiend in de heilige landstilte, tot zuiltje van parelend kwinkeleer en zoet tierelier.—Teer verhaperde eerst nog z’n lokkend vleiend fluitkeeltje, z’n kristallen gorgeltje, wat zangerige weemoeds-neuriing. En telkens brak z’n liedje, verstomd stil-staand in de vergoudende avondrust.

Dan plots borrelde zilveren tremolo, ’t kristallen keeltje òpzwellend in klank-zoet vleiend streelewijsje. Oogjes glansden rooder in gloed, z’n kopje luisterde zoet. Weer zette dierke in, kwam er smachting in ’t streelewijsje, spoot ’n trillenspartel [341]jubelend hoog, borrelde voller, klare zilveren toontjes in ’t kristallen gorgeltje. Al luider en zoetvloeiender beefden de slagen òp uit z’n keeltje, kristallige spartel en fonkel; al passiënder zwòl de jubel.

Zwijmelende zange-wellust van minnaartjes-drift stortte uit, een kristalweb van zilveren trillers, en hoog in de lucht sloeg áán een golf, ’n zoet, zacht, rillend, weemoeds-deinend, jubelend, spartelend scherzo, klaar als tingelden en klingelden klokjes van kristal, eind’loos hoog in den hemel rond.

Dan stilte plots; ’t dierke, wèg in eigen jubel, de oogjes rood in zonnetoover, een takje lager huppelend rond wilgenzilver.

Van verre ruischte hevig-zacht nu, zangestem van aeolus uit serafientje, een ruischend gevloei van lichte aanslagwijsjes, héél roffelend-teer, in de diepte van andere keeltjes.—En sterker parelde ’t ààn, kristallen golfjes-ruisch in gouden zomeravondstilte.

Als in druisch van regenkristalletjes, stortten tegen elkaar in nachtegaal en merel, zanglijster en leeuwrik, zang en kweel van allen kant.

Sterfhymne aan de lente.

Uit hun donkre, grauwe nachtegaal-borstjes bleef klinken de snik van ’t minnen, ’t zoete lieven; door hun grauwe stille borstjes ging één kramp van uitstortend jubelgeluk. En engelenkeeltjes filomeelden in zoeten jubel mee, hoog, van uit ’n hemelschen toren.

Avondschemer donkerde neer over de zoete murmelende landstilte. Rond het laatste luchtenrood weefden de kristallen vogelen-gorgeltjes hun webjes van minnebegeerten. En donkerte rondom zonk uit, de schemer. Als zachte streken op violenkwint, fluweel-streelde, weende in ’t duisterend groen hun zanggekweel na. En als kinderkoortjes vèr, in gewijd lied, doorhuiverd van heiligen klank, tremoleerden terug, uit andere avondlijke schemerboschjes, broozer en reiner de vogelenkeeltjes, weenend van weemoed naar God.

[Inhoud]

MENSCHENWEE

MENSCHENWEE

ROMAN VAN HET LAND

HAARLEM
DE ERVEN F. BOHN

Derde Boek

ZOMER.

[1]

[Inhoud]

EERSTE HOOFDSTUK.

Zachte vlekjes rood, donkere en lichte purpering, schemerden tusschen de vèr-groene, licht-verstuivende aardbei-akkers, onder laag blad uit. Door veld en straatjes van Wiereland en Duinkijk, dampten overal geuren, kittelend-arômig en reseda-zoet, van aardbeivrucht; zingende aroma van jonge groenten en frisch-kleurige doppers. De grond, doordrenkt van pas gevallen regen, wasemde aardvocht uit, verschen grondgeur, als was er mijlen in ’t rond geploegd. De lucht koepelde in zilvering van wolken en zonnebrand. Overal op de akkers was druk jagend gezwoeg. Kerels in rooidrift, groeven de aarde op, voor zich uitwolkend damp en zandig stof. Hurkende grondwerkers en wieders stramden in buk en knieling, dat hun lijven radbraakten van hitte-uitputting en ploeter. Geuren zoete rook van pieterselie en jonge selderie, vloeiden áán uit den grond, woeien door ’t land, de tuinen, en alles zacht, kwam in bloei en ranken groei de aarde uitzwellen.

Grove werkershanden, verbronsd, verklauwd, asch-groenig van aardewroet, graaiden door het jonge leven, dat bevloeide hun vingers met sappen en aroma’s van al soorten teelt.—

Geldersche maaiers, in donkere kleeren, met klein zwarte hoedjes op ernst-koppen, stapten al vroeg uit de goudbevonkte paadjes, met zeis op den rug, den polder in, of havenkant òver. Langzaam in gebaar, enk’len met uitgebogen beenen, de zenboomen vastgehaakt bij langen dol, ging hun rustig-rhytmische stap vlak langs het aanhittende akker- en havengewoel, streepte hun zeis-staal goudvlammen door de lucht, hoog, tegen prachtgroen van gras en boomen. [2]

En telkens weer doken donkere ernstige maaiers, zwijgend in stap, naast elkaar, stille, goudene weggetjes uit, laantjes met paars-zandigen grond, in zonnegloed kleurhoog verhit; vlamden boven hun donkere schouders de zeisen, als droegen ze verzonken in extaze-kijk, zonnetoortsen rond, door vrome stedeke-plek.—

In hoogen zonschitter en diepe luchtblauwing trokken de dagen één na één over de velden, met soms snikheete gloeiing, op middag-uren.

Drukker en woeliger werkjacht begon er áán te koortsen in Duinkijk, Wiereland en rondom tuinders- en kweekersdorpjes.—

In de avonden, door de rood-goud doorzonde schijnsels als van brandende kathedraalglanzen, trokken van alle kanten òp, werkers uit verren omtrek, met karren vol kisten naar de haven van Wiereland, waar alles heen moest, in laten zomeravondzwoeg.—In rateling bonkten en dromden de hoog-beladen karren en wagens door de stille straatjes, waar knussige renteniertjes in lieve voortuintjes, van dagsloof en arbeidje uitrustten. Laat dromden de kerelslijven áán, in zwoegenden hijgduw, zweet doorzogen en kreunend achter hun kleur-felle hoog geladen vrachtkarren, twee mannen vooròp, met snoerende touwen over rugkromming gesjord, trekkend aêmechtig, doorvloekt van gramschap, van hevigen sjouw en woest spierzwellende inspanning. Hun zweet-druppende gezichten gloeiden rood-brons tegen het zonnezinken in, den haven op; hun afgemartelde zweetlichamen verstonken in rottende plunje.—

Een volle werkdag lag al àchter hen; nu kreunden hun borsten achter d’r karren.—Angstig keken hun oogen uit, tusschen de breed-uitgestapelde sappige kleurweelde van hun geur-versch, jubelend groente-groen en pralend wortelen-rood, bang ergens tegen aan te bonkeren. Zoo, met hun doormodderde verzweete kleeren, doorstoofd van schroeiend zonnevuur, als wroetende dieren, besmet met korsten van grondvuil, doorzogen van zweet, uitgegrauwd van dag-zware ploeterramp, stapten ze tusschen hun fleurige kleurschaterende waar, boot [3]op, boot af, langs de haven. Van den polder uit woei zoelzoete hooigeur aan, en soms al, waggelden goud-matte wagens in langzamen stap van schonkig werkpaard, door de kleine drukke zomerdagstraatjes,—in hun geweldigen opbouw boven de huisjes uitzwellend, als versleepte duinruggen, mat goudgroenig nog van gras-verschheid.

Heete drang koortste rond, onder de landwerkers om elkaar vóór te zijn op de markt, met groenten. Enkelen, vroeg met wat bakken werkend, vervoerden in stillen trots wortelen en tuinboonen, en hier en daar stonden al wat mandjes met aardbei uit de zon, zoet te purperen, zangerig rood, koester-diep karmijn, in al verspringende gloedtinten, van geranium-vuur naar dahlia-purper.

Ouë Gerrit was naar de grasveiling en ’t etgroen geweest. Hij had twee dijken hooi gekocht; te duur, veel te duur, maar ’t moest. Nijdig nou op zichzelf was ie, dat ie twee dagen lang daar geloerd had, om ’n kandelaartje, in de zaal machtig te worden. Z’n heele zaak had ie ’r voor vergeten. Zoo had ie op ’t end ’n veel te duur dijkbrok gekocht. Toch praatte ie zich in, dat ’t nooit goedkooper zou zijn gegaan, omdat ’r zoo bar prijzig weer gevochten was. De boeren en tuinders op de veiling hadden elkaar met haat en woeste afgunst, de hoogte ingejaagd, zoo erg, dat de landheeren lachten in hun vuistje, de bode listig knipoogde tegen notaris.

Voor tuinders nu ook, werd ’t vroeg hooien. Dreunvol en zwaar klonk er klomp-geklos overal. Druk gedrentel van blank-geschuurde, gloed-nieuwe en vuile klompen op klinkertjes, weerhalden.—Ouë en nieuwe karren verwemelden in gezwoeg met trekhonden, vermartelde, woeste, bloedoogige beesten, heen en terug van haven naar tuin.

En vròeger, iederen dag poerden de tuinders al op hun akkers, met zenuwjacht en koortsige werkdrift in de handen, niet wetend wàt eerst te doen, zóó, in woesten overvloed kwam groei van al soorten gewas op woekeren.

Iederen dag drentelde Gerrit ’n beetje mee op ’t land. Maar morrend giftten en bitsten Dirk en Piet tegen ’m, als ze den [4]Ouë strammig zagen sjokken zonder dat er iets degelijks uit z’n handen poerde.

Kees lei paadjes om, tusschen gerooide bollen, en klein helpertje wiedde onder de tuinboonen en erwten. Overal graaiden bronzige geweldige handenparen gekromd in arbeidsstuip.

Dirk liep met schoffel van de aal- en kruisbessenboompjes waar ie rondgeschoffeld had, naar kapucijnders, sla en kool. En ook bollen wachtten, om op stelling gebracht en gepeld te worden. Dat zou ie den Ouë toch eens ànsmeeren.

Ouë Gerrit was overstuur van ’t kwaadaardig grommen en bitsen der kerels. Nou had Dirk ’m weer gepakt. Hij zou nou maar wàt doen.—

Tegen zes uur ’s avonds stond ie op z’n rotduffe schuur, bollen op stelling te smijten. Door ’t open luik woei windstroom in. Uit zware zakken, waarin ’t rooigoed samenbroeide, wurmde hij ’t over in stortbakken, die Piet telkens op hoogste tree van schuurtrap, voor ’m neerschoof. Tusschen de duistere laag-stoffige stelling, vervuild en doorzaaid van klonterige spinraggen, grabbelden Gerrits handen op ’t hout geplank, rommelde ie de bollen met zwarte wortelenaanhangsels, gelijk. Overal in donkerig duffe hoeken, drukte ie de soorten plat, met z’n hoofd gekneld onder laag schuurdak. Even verduisterd, bogen zijn ooren uit jukken en donkere zijbalken van stelling. Te blazen en te zweeten stond ie.—Snikheet was ’t geweest, en veel had ie al gedaan, om de kerels wat vrediger te stemmen. Toch voelde ie, dat die loodzware zakkensjouw ’m den rug brak, àfploeterde, dat ie ’r bij hijgde. Dat kon zoo niet meer, kòn zoo niet meer.

Te zweeten benauwd, stond ie in de donkere vuile schuur, ingekneld tusschen de enge morsige doorloopjes. Stof sloeg ’m naar de keel van aardezand, droog en zurig. Telkens zat ie geknield de soorten in te deelen, zoog ie het heete zandvocht in z’n longen òp bij iederen vermoeienis-hijg, als ie heel in de diepte te rommelen had in hoeken, waar ie, àl elleboogstootend en lijfwringend z’n stortbakken uitleegen moest. Nog èven schimmig licht schemerde rond z’n gezicht en handen. [5]Telkens weer kwam Piet, met ’n zak de schuurtrap opsjouwen, in borsthijg blaasbalgend, zóó vermoeid en doorzweet, dat ’t vet ’m dikdruppelend van slapen en bronzen voorkop, nek en hals ingutste. Z’n hemd, bij den hals opengescheurd, dat z’n bronzige haarborst bloot-ruigde, zoog dóórnat op z’n lijf. Hij hijgde als kreeg ie ’n beroerte.

—Hee Ouë.… Wa’ si’ je?.… dofte afgebroken z’n stem.

—Hier.… joa.… hoho! ik kom, schreeuwde gedempt uit duisteren stellinghoek ouë Gerrit terug, klankloos en beverig.

—Nog drie sakke.… en dan.… is ’t daàn!.… zei hijgend Piet op de trap, met ’n smak de vracht van z’n schouers afsjortend tegen den grond, dat er zandwolken waasden voor ’t lichtluik. Stil bleef ie staan, met z’n bronzen, vet-bedrupten zweetkop net boven de trap uitloerend, starend naar het lichtluik.—Koel dronk ie den frisschen windstroom op, die ’m tegemoet woei.

—Nou kaik.… nou erais.… die dubbelneus!.… jai smait te hard!.… hoho! die hep heulegoar sain neus broke!..

—Wa’ sou ’t!… komp bai de huur t’recht.. doen ’t sellefers sel je ’n vrachie voele!.… Nou Ouë, nog drie.… dan is ’t daan!.… ’k mo nog sloa staike tû donker.…

—Bestig.… nou kraig ik nog wá’ imperoàters!.… wá’ leràine!.… wá’ gele prinse.…

—Enne.… wá’ ru.… rub’rum.… maksimoà! stotterde Piet, met z’n gezicht gekeerd naar de treeën de trap afstappend, dat langzaam rooie zweetkop verdween in schemerdiepte van trapgat.—

—Heè.… schreeuwde ouë Gerrit door ’t windluik naar beneden op den tuin, met z’n zilveren kop in lichtlijst, dat z’n lokken fladderden en stoeiden om z’n ooren,—hullie benne nog veul te wit.… soo nie leeferboàr.… die hewwe gain son had!.…

—Nou, dan láa’k die nog sitte, krijschte in kop-opstaar naar tochthoek Piet terug, z’n oogen dicht geknepen van zon, die er licht inlanste,—dan goan ikke nog wa sloà staike.… Kees [6]hep nog wá’ roapstele.… aa’s ’t weer soo opsloàt, hai je f’rjenne van alles g’laik.

Tusschen ’n boonenpad was Piet doorgeloopen en nog schreeuwde Gerrit na:

—Moar daa’s nie billek.… je mot ’t veurste soo goed sien aa’s ’t achterste.… hoho! hee!

Kees hurkte aan slootkant op rottig plankje, bezig nog wat heel late raapstelen te wasschen. Voorover gebukt, laag z’n kop, schonken in blauwe kiel tusschen het grasgroen, dat fluweelde glanszacht, slobberde ie bosjes raapstelen, met breeë vegen door ’t klare zacht-stroomende watertje, raspte met stalen haarkam ’t vuil gewortel schoon in rukken, als kamde ie ’n verwarde pruik los; verspoelde ie telkens zand en aardvuil, onder klossende krinkeling van waterspiralen. Groen en gelig-rein kleurden de raapstelen òp in z’n handen. De gebonden bosjes, schoongespoeld en gekamd, lei Kees voorzichtig naast zich in een bruin-beschilderden bak, waarin ie z’n groenten opstapelde, druppend, zilverbespat groen, dat koelfrisch en sappig fonkelde van waterparels. Midden in groen en zoeten kleurschommel van riet en gras, bloemige goud-gele toetsjes van rolklaver en walstroo, bleef z’n lijf tot donker gebukt, verduisterde z’n kielblauw in schemer-gouden avondval, rond beekjes-stilte.—

Dirk wiedde nog, staroogend op de jonge postelijn, die rooiig even den grond uit kwam kruipen.

Op de tuinders-akkers was nog laàt gezwoeg. Bij ’t zonnezinken, ratelden en bonk-schokten karren met groente naar de haven, waar joel was van kinder-sjofelen stemmenkrijsch, razend geblaf van honden, afgebeulde en geranselde werkbeesten, met schreeuw van afgebeulde kerels, in droeve klankenschorheid, dwars door den boot- en laad-scharrel heenkrijschend.—

Elken dag, elk uur, groende ’t sperzieblad sterker, en zwaarder kronkelden de erwtenranken wit-teer bebloesemd, als was strooisel van sneeuwige kapelletjes boven uitgestort, tusschen brons-grijze rijzenknuppeling en aardegroen. De tuinboonen, in teer-wazig bladzilverdons, bogen en pluimden onder de [7]werkhanden der wieders, die ze zuiverden van vuil. ’t Onkruid lag bij stapels te verrotten, op de paadjes, in de greppels.

—Da’ wort suinege Job, bromde Dirk in ’t voorbijgaan langs Kees, we motte f’rdomd ’n kerel stelle.… Nou mo’k vàn màin boone.… nog loof skoffele.… van die tullepehoek.

—Is tug nog nie g’nog besturrefe?

—Joa.… mot moàr.… snof’rjenne.… morrege mot ’t hooi overend, op de hoop, alles g’laik.… t’jonge!.… je hep gain tait van oàdemskeppe.… saa’k stikke!.…

’n Paar dagen later begon heeter gejaag, zenuwachtiger gegrom. Van wiedhoek hièr, trokken de kerels, nog krom en gekneusd van kniebuk, naar schoffelbrok dáár. Geen woord! geen asem! Ze vloekten dat ze ’s winters niet te vreten hàdden, zomers niet vreten konden; geen tijd, jacht! jacht!

Ouë Gerrit joeg mee, zette ze op, z’n zoons en de twee losse werkers.—Een Zeekijker, had veel te lijden als baas weg was. Hij liep met ’n Wierelandsche meid. Dat maakte ze dronken van gift en jaloerschheid.

—Wa’ mò die snurkert, die suinige Job hier, schreeuwden ze rond ’m. Zaterdagavond werd op de haven met ’m gevochten, kreeg ie duwen, ransel, klonk er stemgedreig, dat,.… als ie niet van Wierelandsche meid afbleef, niet behoorlijk ’n Seekaiker tollereerde, ie veur z’n laife d’r van luste sou.

—Tullereer jai ’n Seekaiker.… mermot! of blaif vraigesellekerel hei?.… jai kwinkwanker, wá’ doen jai hier?

Zoo raasde ’t om ’m, op de akkers, maar stil bleef ie in z’n lijfbuk wieden, of uitplanten, elken avond zeker van z’n stiekeme vrijagetje door de donkere laantjes, met lieve Wierelandsche meid.

Onrustiger joeg Gerrit op. Z’n broer had al aardbeien op de markt, hij nog pas puur ’n schraal mandje. Hij vloekte en raasde in stilte, keek soms loenschig naar z’n eigen rhabarber, die blader-breed en steelfrisch opschoot boven die van oom Hassel.

—Manskappe, morge is ’t noà polder! huhu! ’t hooi mot [8]moar overend.… aere week is ’t puur gain tait.… aa’s d’r rege komp sain wai vast!.… nie maa’ne?

—Kok.. kok.. kok?.… kokokok!.… moeder weer ’n ai! sarde Piet

—Nou joà! of jai nou gainigt.… dá’ skeel nies!.… ’t mot ’t mot, gromde de Ouë.

Overal was woeste jacht onder de tuinders, gezweet en gehijg van ploeter en sjouw, zonder opkijken. Alles stond gelijk in bloei, alles in één jacht moest gedaan. Dat ging zoo van half Juni tot Augustus, drie maanden van zwoeg, dat ze ’t bloed onder de nagels brandde, de hitte-zon ziedde en schroeide op hun lijven. Dat was de groote haal van aardbei, erwten en boonen, waarmee de centen voor pacht, grond, en winterwerkeloosheid er moesten komen.

De Ouë gloeide van angstige koorts, hoe de oogst afloopen zou.… Aa’s de boel soo stong aa’s nou, soo loat, kwam die f’rvloekte kermis net in ’t drukst van de boonetait weer; had je de kerels dronke en radbroakt van ’t pierewoaie.. en morrege most hai ’r bai, gong Dirk vente.… hoho! weer bestig daggie veur sain!

[Inhoud]

II.

Snikhitte schroeide door Wierelandsche polderwei, toen ’s middags Dirk, Kees en helpertje naar hun hooidijk stapten.—Oneindig in wijden kring van wasemend goudlicht, lag jonge bouwgrond aan een kant van den weg, omfloerst in vochtnevel naar horizon, doorbroken van stukken teelgrond. En ver, oneindig, aan andere zij, stil weiland, met gitglans van ’n eenzaam koebeest, ’t hoog behalmend gras, in roestige bevlamming van wilde zuring. Strakblauw, doortrild van zomerbrand, spande de lucht, wijd als ’t land, overstolpend den polder. Dwars door landerijen achter dijkige hoogte, ging glans-felle kabbeling van kanaalwater, naast ’n stuifpad, dat blank brandde in zonnige, heete zanderigheid.— [9]

Masten daar met, achter dijkgroen weggezakte scheepsrompen, schoven voort, als over de verre grasvlakte, tusschen fonkeling en wiegeling van riet. Blanke en goudbrons-brandende roest-zeilen met rag touwwerk, bewogen door de weien van groen-goue waas, vreemd-kleurig, in sprokige grilligheid. Aan alle horizonbochten rond, in oneindigen kring, trilde wazige hitte, nevelig goud-violette floersen, téér naderend lichter sferen van zonnebrand, die schroeide de velden in blauwigen damp. En snikkend, gloeizwaar, bazuinde ’t licht boven de grashalmen, sidderde ’t boven jonge, tooverteer grijsblauwe haver en rogge-akkers, vlamde en spieste ’t op de jonge goudene mosterdvelden, in lichtstuivenden gloed van bloesems.—Fel, als wit vuur, dat koorts-gloeide en in sidder van heet-brandende stralen en vlammen rondschroeide door de lucht; als bol van ènkel razende witte gloeiing, zengde de zon in het blauw, met z’n okerende kringen, z’n vlammig violet, waar niet tegen op te staren was; licht dat werkers-oogen verbrandde, als viel er heete kalk in hun appels. Overal rond, in den polder, ijlde en koortste ’t licht, sloeg ’t de dakjes van boerenstulp in vlam, hel hevig schaterend rood, dat ze trilden en gloeiden als vuur-vlakken in luchtblauw, ’t hemelvuur zèlf doorbevend van hittewaas.—

Polderweg, met z’n heet-zanderige keitjes en klinkers voorààn, lag geblakerd als reep wit vuur in blink-strakken zeng. Hitte dampte uit de steentjes òp.—Langzaam stoof rullige zandstof achter eenzamen boerenwagen aan, langzaam, in loome zwaarte weer neerpoeierend over grasgroen en riet. Nergens koelde schaduw. Hier en daar, in eng boomkringetje om boerderij, alleen wat blauwige korte silhouetjes op heetdampenden grasgrond, weer weggezogen half, midden in vuurkring van goudwit hettelicht.—

Al verder, wààr de kerels stapten, lagen brokken wei, doorvonkt van boterbloem, hoog goudgelen spat van lichtjes, tusschen grasgroen en zuring. Hééle hoeken ver, vervloeiden in bronzige zilvering van siergras, dat wuifde en huifde zacht. Licht wierookte daar zilverend uit, verderop plots doorvlamd van zuringzee, bronsgoud, waar roode glans over heenhuiverde, [10]als windestroom verwoei, en suizelende fluistergolving door heel den polder aanvloeien kwam, er droomgeruisch ging uit groei van halmen.

Op hooge dijken, achter verre forten, die groenend ophoogden in de vlakke stilte, figuurden groepjes maaiers, hoog in de blauwe, trillende hittelucht, achter elkaar, in één slingering, één rhytmisch-breed-uitwaaierende kring van armen, met even ingebogen lijf, goudoverstroomd van licht. En niets anders van ze te zien, heel in de verte, dan de kadans van hun armenzwaai, en fijne neig der beenen, als lichtend uitgehouwen in de oneindigheid van schittergroen en hemelblauw.—

Overal, aan alle zij, onder den polderhemel, wijd als zeeazuur, zalig en lichtend, figuurden de maaiers in pracht van gebaar. En dichterbij, op ’t vlakke land, zilvervlamden als verspringende en rondgeslingerde bliksems, hun blinkzeisen. Nu en dan klonk scherpe rasp van het mes door ’t neer-knikkende gras, in één rhytme-zwaai uitzwierend hun zeis, als drong er hooge maatgang in hun arbeid, rhytmisch in hun handen, tempo en zang in hun fonkelend gereedschap.

Als ze elkaar van ver iets toeriepen, verwaaide lichtelijk hun stemmeklank over de wei, zangerig in ’t zonnedronkene gouden polderruim.

Telkens van ver, één uit de maaiersgroep hief hoog z’n zeis, die stil dan stond te fonkelgloeien als zilveren vlam en plots, wen strijkers vlijmden langs ’t staal, trilde en zonbliksemde, weerlichten afketste in flitsen; zangerige galmen door de blauwe luchtzee verzwierven.

Op zandgrond, snikheet, met kittelsteen midden in, die te gloeien stipten als kogeltjes wit vuur, knerpte en knarste zware klompensjok van Dirk, klonk doffe stap van Kees, die aan stofkant liep. Achter de fortvuurlijn lag hun dijk, nog niet te zien in de wegkromming.

Verheiligd ruischte de stilte-muziek van de weien om hun sjoklijven en in schroeiblaker kookte zonne-oven z’n hitte-adem neer op hun gezichten, beenen, armen en rug. Ze konden bijna niet meer. Rug en hoofd dropen van zweet, en dòòr schroeide [11]zon, op den overal ziedenden polder, dat ’t bloed ze brandde onder de huid.

Eindelijk, na twee uur zwaren, loomen gang, met ingebogen knieën klompklotsend in stikkigen zandstuif, naast elkaar, hoogde hun dijk in ’t zicht. Vlak daarvóór, wiegelglansden de jonge korenhalmen in huivering van leefgenot, groenig grijs, in toover van lichtdauw beplengd; ging er vloeiende golving door de halmen, koelend in zachten fluister, suizend rond de verre stilte, groeizang van de aarde, fluisterzang en suizel, stem van de stilte, heiligend boven het eindelooze vruchtbare werk der boeren.

Vlak naast den dijk waar de Hassels hun hooi op hoop gingen zetten, stonden vijf maaiers, met één kleintje, knie-diep gezakt in de hooge, golvend blonde graszee. Gelijk’lijk, in gevoelden maatgang neigden hun ingebogen beenen, vlijmde en raspte hun sissende sneeslag, door ’t blond-hooge gras. Stap voor stap drongen ze voort, zich zelf zettend in den goud-lichtenden kring van hun arbeid, één rhytmus, de zeis scherend langs den grond, naast elkaar, als doorvlijmde en schoren zij de aarde. Vóór hun borsten de sidderende grashalmen, zee van goudbronzen golving, doorvlamd van zuring, neerknakkend in één vlijmsnee, getroffen plots, door flits en fonkel-slag van zonnesikkels.—Mannetjes klein, naast elkaar, met even slag van zeis-ruimte tusschen de lichamen, de gezichten doorbronsd, met schaduw van kleine hoedjes op bloot-bronzen nekken. Mannetjes klein, vóór de graszee, met heet hemd-rood van uitproppende mouw onder kiel, hun pilo en zwarte broeken, half verzonken in ’t blonde gras, tusschen zilveren bevertjes en weeldetooi van groei; of naakter ten voeten uitstaand, op ’t kale afgeschoren lichter gemaaide weigroen,—zóó ging hun stap, hun rustige gang, ’t gegolf tegemoet, borsthoog. En vol, door trillende hittelucht en hoogblauw azuur, klonk zeisenzang. Telkens van meer dan één zen, fonkelstreepte wit bliksemlicht àf door wei-oneindigheid, leken de maaiers overstroomd en verzwolgen in kokend, neerschroeiend zonnevuur, en sidderde golvenvloei van graszee. [12]Maar aldoor weer, in al andere hoeken, de zee ebde terug, onder den zonne-sikkelenden slag der maaiers, vlak onder hun warme voeten uitgroenend in hoogeren gloed.—

Achter den dijk nu, waar de Hassels werken gingen, aan linker polderzij ver, rondom, rondom, rijde weer maaier naast maaier. Eén groepje in pracht van diep-rooden baai-brand van hemden, gloeyend traag-bloedend in ’t zonnegoud, stond daar, de linkerarm verbogen om kruk, rechterhand om korten dol, èven rechterbeen gratievol en zachtkens geheven, in lichten kadans en meezwenk van linkerdij, ver de armen tèlkens in àchterwaartschen zwaai, en rhytmisch in schommel naar vòren weer, vlammende cirkels van zeisslag rondblinkend in wijdbeenschen trèk.

Halmen zwikten voor borst en beenen, in golvend zwad van goud, achter hun brandende hielen aan. Zoo, in zeilend gebaar van hoogste pracht, figuralen gang van zeisen, klonken ook uit dièn polderhoek op de flitsende zens, in cirkelende scherpte, met vonkende booglijnen van ’t mes, trillende bliksems weg-slangend van flikkerende zeispunt tot zeispunt, heen en weer; ging er ritseling en schuifeling als gloeiende sissen door ’t gras. Ook dààr braken de maaiers de golving, keerden zij de deining, de eeuwige, van ver aanvloeiende graszee, ver-zwaden ze de neer-gemaaide kringen, stapten ze voort, vaster, al verder, al vèrder en kleiner in het zengend heet rood van hun hemdbaai, naar den geweldigen horizon, die doorwaaid nevelde van gouen vochten, dampend violet, omvlamd dan en weer door den wit-blauwen bliksem van opgeheven zeis; verechode den zoetluidenden klank-zwier van hun strekels. Prachtig in gouen golving bleef achter hen aanrijen ’t gemaaide zwad, groenden fel-heet en glanzig-moireerende laaggeschoren hoeken, waar spreeuwen-wacht uit òpzwermde, tuk op omgewoeld aas.

Dirk had ’t eerst z’n kiel losgerukt aan hals, pafbenauwd en hijgend van hitte. Gretig greep ie naar drinkkruik die ’t helpertje op z’n rug droeg. Heet, uit ’t verzengende blik, zoog ie ’t lauwe vocht op.—Met genot was Kees ’n endje tegen koeltewindje ingeloopen op den dijk, dat nu en dan over den schroeigrond luwde. [13]

—Nou moste wai moar ophoàrke Dirk, en nie beginne woar jai stoan, riep Kees.

Bestig vond Dirk dat. Die Kees, wâ die kerel tog werke kon. Allegoar knapte ie hullie op. Verduufeld aa’s tie nie twee Piets en twee Dirke veur sain rekening nam. Dá’ most ie tog eerlijk segge!

Onder ’t neergemaaid hooi haalde Dirk twee steekvorken uit.—Kees was langzaam den langen hoogen dijk, die doorstoofd gloeide van hoogovenhitte en hun voeten ver-blakerde, afgestapt; begon aan slootkant, vlak bij het soms doodstille, dàn plots kopjeswiegelende riet, te harken. Dirk en helpertje werkten aan anderen dijkkant in de laagte, naast teeltbrok velderwten en boonen.

—Wá’ nat nog in soo’n hette hee?.… schreeuwde Dirk naar Kees, onder het hoog uiteenzwaaien en opslingeren van ’t hooi, met witblinkenden houten hark de lucht ingraaiend.

—Daa’s net, sel f’doag wel nie waier komme aa’s keere.…

Laag aan Kees’ kant lag niets dan weiland, waar op alleen figuurden donkere en in licht-zwemmende maaiers, zwart-brons, in kiel-fèl rood of wit-bekleerd.

Alles beheerschte hun zwierkringen, tusschen het gesuis en gehuiver van halmen, het blondgoud geglans van stengels en riet, de diepe oneindigheid van hemelblauw rondom, de reuzenkom, met z’n eeuwige stilte-druisch en lichtgespeel.—Den ganschen dag bleven Hassel’s harken woelen in ’t broeiende hooi, in lichte opslingering en uitristeling der afgevlijmde halmen, dat ze in hitteschroei al drooger kraakten onder den stap der mannevoeten. En pal op hun nekken en koppen, die dropen en parelden van heet zweet, doorzengden de gloeiharpoenen van zonnebol, weerhaken met giftpunt van kokend licht in hun lichamen priemend, dat er dolle gloei bruiste binnen in hun aderen.—Zonnevuur bleef uit ’t diep azuur, trillend heet blauw, neerschroeien, piekend en martelend hun vel, terugkaatsend in zeng van den grond op hun beenen, handen, oogen, als werkten ze in vlammenrijk van cyklopen, in hellestraf overal ingesloten tusschen hoogovens, die uit hun [14]schroeiende muilen, lava en kokend licht verkraterden.—Als blaasbalgde daàr, achter zonnevuurbol, een demonenmuil de zonne-brand òp tot hoogeren helwitten gloei; als ging de gouden aarde vervloeien in hemelsmidsen waarin de zon vuur neerlekte, z’n vlamkronkels, z’n vlammebliksems van rood-wit, geel-wit, groen-wit licht. En stiller na elken windluw, dorstig in snikhitte en zomerbrand, stond roerloos ’t gewas, de brandende, goud-hevige mosterdakkers, in schallend blakergoud, de jonge koornvelden, dampig blauw-grijs van zware hette, de blank pluimige karwij, week geurend door zoetige hooilucht, in broeisfeer van warmte-nevelen.—

Den volgenden dag om tien uur, stonden de Hassels weer op den dijk. Verspreid op de hoogte, hooide ’n groep tuinders, die den boel haastig moesten binnen hebben. De vroege zomerhitte was afgedreven. Polderhemel, ontzaggelijk in wijdheid, wolkte zwaar betrokken. Weer vreesden de mannen voor onweer en regens, eer één hooi binnen kon zijn. Vandaag moest ’t op hoop, en als ’t kon, de dorsch ingereeën. ’n Week later, zaten ze gesmoord in aardbeien, erwten, kwam de zware ventdrukte. Dan kon er niks meer gehooid. De boeren, kalmer in arbeid, hadden tijd, werkten rustiger aan hun hooibouw. Kees harkte weer, en Dirk met helpertje zwaaide uitpluimende hooislierten de lucht in, als blond gewolk. Zwaar paars-grauwe zwerklucht dreigde boven hun hoofden, in ontzaglijke ruimte. Vèr, aan wazigen horizon, nevelend verzonken, droomden torenspitsjes, vaag violet en donkerrood gedak van dorpjes en boerderijtjes. Altaarstilte trilde wijd over het donker schaduwend weigroen. Nu en dan wiegde zoet-lief gefluit òp van leeuwerik, de lucht inzwierend hooge jubel, die uit de zilvergrauwe hemelzee neerzegende in zwellenden klankenval, vervlietend over vlakte-eeuwigheid.—Even soms geelde zon, ijlde schaduw in vlucht van adelaarswieken over de kleur-treurende weien.

Lichtgroen, kortgeknipt kaal, vlekten en hoekten de gemaaide brokken, tusschen de donkere, malsche sappigheid van uitgroeiend gras. Diepe zwijmel van zoeten hooigeur woei [15]uit, over polderzee, alle windkringen mee, zoelde in prikkeling dàn als week-warme reuk van versch gebakken brood, dàn als rozen-aroom en honingdauw.—Geurprikkeling vloeide over de werkerskoppen, rondwentelend, verwaaiend en weer terugvloeiend in de oneindige hemelkom en graszee van polder. Groot en geweldig uit verren horizon stoetten áán, verbrokkelde wolkpoorten, waaronder wierookvaten en zilveren wolklampen wazige glanzen te dampen brandden.—Goud-dof geelden de mosterdakkers, en grijsteer vlekte karwij-sier tusschen donk’re klaver en erwtenranken.

In wissel-licht van zwerkzwaar hemelruim, stonden de hooiers en maaiers, dàn duister, als silhouetten, dàn oplichtend in stroomen zilverig geglans, uit blauwe hemelgaten onder poortendrom neerspuiend.—Breed hun machtig gebaar zeilde door de lucht, in rhytmischen gang van zeisencirkeling, als dwongen ze de aarde tot baren. En inniger, de naklank van zeiszang, galmde door de kloosterheilige weistilte, als strekels vlijmden langs ’t staal. Telkens donkerder, verreuzigden nù hun figuren in dreighemel onder wisselspel van licht, en breeër wiegden hun kringen; stonden ze hoog, bezwerend in devoot maaigebaar, wat met onvruchtbaarheid de velden sloeg.—

Dieper en heiliger, elke minuut méér naar den avond, staarde de stilte boven de vroomheid van hun zwoegkoppen, stiller en in siddering weer, zweefden de handen in geheime kringen van arbeid, schuifelden hun stappen, hieven de zeizen zich, en woelden òp de harken hooi, in den onmeetlijken unisonen stilte-ruisch van aarde- en hemelzee.—En telkens op àndere dagen, in ànder licht, stonden de hooiers onder woest paars wolkspel. Nachten van paarse angsten, gedrochtlijke wolken trokken voorbij, bòven hun hoofden. Plots daarachter uit, éven weer trillend zomerlicht, blauw-bloeiend en jubelend. Dwars daar doorheen weer, stille jacht van aanzilverende wolkdrommen, optrekkend, heel van verre horizonbrand, opjagend, in verduisterende dreiging en rond-donkerend de reuzige polderkom. Niets beefde in de stilte dan de raspige, rits’lende vlijmsnee van de zeisen, de maaiers plots reuzig bijéén op dijkengroen, donker [16]en ver, in duisteren heersch over het onrustige aardleven.—

Dan het ritselend, krakerig gestoei van opwolkend hooi, dofblond geslier door ’t luchtangstige zwerk; dieper en plechtiger daarin, de groote werkzwijg der zwoegers, eenzaam in ’t zilvergrauw van stille hemelzee.

In aandacht sloeg Kees z’n hark òm, werkte Dirk, en verderop, al de hooiers slierten geuren in den wind, met de woelige lijn van blanke harken door de lucht. Plots brak sterker zon door, dampten de wolken wèg in zilverige zoomen, kleurde feller òp karwijbloei, sneeuwig; fonkelde de mosterd, hoog schallend-goudgeel, dampten de akkers in diep-groen, vloeide, stoeide en dartelde ’t licht weer over de werklijven. Zeisen bliksemden weer in de lucht, en glans van heiligheid vloeide weer over de geweldige werkdaad van maaiers en hooiers.

Dagen aanéén bleef ’t hooien op de dijken, in zonnedavering of zilvergrauw, de kerels in zwijg, tusschen de eeuwige stilte van eindloos land en hemel. Sterker stoeiden en wiegden de glansen, gebroken en vernevelend, gedrenkt in hooigeur, in diep zalige reuken van bloeiend jong zomergenot, dat zwijmelend en luchtig leefde vóór broeihitte en zonnevuur hèviger neerschroeien kwam op polder; laaiende zomerbrand die voeten, oogen en lijven van werkers moordend neersmakken zoû, in aêmechtigen hijg. Groot-machtig van gebaar stonden de zwoegers in de vochtige, volwasemende lichtkom, hijgend en sliertend, verstomd in hun arbeid, in hun stillen staar naar de aarde, geweldig in hun koortsige jacht, die verbronsde, de bazalten ernsttronies, onder gloeiende uitdampende hette van grond en hemelruim. Daar midden in stonden ze, in pracht en hoogsten òpbloei van zaad en gewas, tusschen de éérste uitvloeiing van zomerkoortsende groeiwellust der aarde, die uitstorten wilde, uitstorten moèst, haar vrucht-zware zwangerschap, brandende baring, onder luchtstolp van onèindige breedheid. Brons strakten de werkkoppen, als in donker bazalt gehouwen tronies, bestoft en grauw-rood doorvlekt van zweet, en hóóg in gang, sliertten de zware gereedschappen. In eindlooze tragedie van lucht en lichtspel, in koorts-strakken jubel [17]en zonnebrand, stonden ze en zwoegden door, blind voor de pracht van ’t leven, ’t zingende groen, het heete blauwe vuur van de zengende lucht.

Hoog boven hun hoofden stroomden geurselen rond van zoetste welriekendheid, geuren als van vruchten en rozen, bruisend appelensap en druivenaroom, dronken-makende wierook van wei- en aarde-wijn, vervloeid uit wond’re gouden hofjes van ’n zonne-paradijs. Graanloof en hooi, karwij en klaver, graszwaden en bloemenhoning, stortten zoetste stroomen geurenwellust uit, diepste kern van geur-heerlijk aardleven, in onstuimige opborreling en bruis van sappen. Hoog boven hun hoofden waasde de honigdauw uit flonker-gouden lichtschalen, dauw druppend op hun handen, hun oogen, verstroomend tot waar de blink-helle zeisen vlijmden, ònder het zoete gras. De aardgeuren rookten in ’t licht als zichtbare adem van heliotropen. Dáár, in die ontzaglijke groene wereldkom baarde de eeuwige stilte, werkdaad der maaiers, hooiers en planters, heiliging van hun arbeid; stonden rond hen geschaard, àlle gestalten van bevende, warme, trillende aardevruchtbaarheid, doorgloeide passiën van aardbestaan. En midden in hemelpracht en aardewellust, sloeg de daad van hun goddelijken arbeid òver, in neermartelende afbeuling en hitte; werd woesten weedom en weenende eenzaamheid om hun lichtende gestalten uitgestort. Dáár, in de verste verlatenheid van het jagende leven, ging hun zwarte zweetzwoeg, hijgden hun borsten, werd de pracht van werkgebaar, de zwelling van hun nooitzinkende krachten, tot martelende aêmechtige zwijmel, naast den koortsheeten weelde-opbloei van rijpend gewas. Heet geurleven stoof, spatte, sapte, gistte òver, òm hen heen.—Glanzing en kleuren brandden triomf van zonnegloei rond hun voeten, en de alkleurige bebouwde aarde in baring en in weeën, stortte uit in geilen zwijmel, haar vruchtheerlijken rijkdom. Hun handen maaiden en zaaiden, hun oogen keken, hun lijven zwoegden, zuchtten, zwollen, krampten onder den werklast. En stilte, eeuwige stilte bleef trillen onder oneindigen luchtewelf.—En stiller daarin nog, koortste en verschroeide hun lijfzwoeg, dorde [18]en droogde hun leven op, stonden ze neergebeukt in bronzing van koppen en gloei van prachtlijven, in één kramp van arbeid versteend; voortzwoegend tot den avond, zwijgzwaar, geradbraakt in pijning van elk lid.

Volgenden dag weer stonden ze op de lichtdaverende zonne-velden, als ingesloten tusschen hoogovens en kraterende hette; stonden ze stom, met rondom orgiën van licht, onder oneindige luchtendrama’s, geheel dood voor de lèvende godspracht van vruchtenland en wellust van aarde-groei.—Geweldig in lichtmacht trokken weer ochtend en avond over hen heen. Elken dag méér naar den oogst, dropen hun handen zwaarder van aardsappen, donkere en lichte, vloeiende en heetgistende; kwam zengende zonneharpoening, die ze verschroeide en martelde in hevig gesteek, dat hun huid klefte en branderig verhitte onder hun goed; kwam sjouw-vracht als gewichtenzwoeg ze verkrommen in gang, tot de avondzon wat koeling bracht; nimbus-rood damplicht omzeefde de avondweien. En zoo, in de vroege zomerhitte voelden ze áán de werkers, dat komen ging, elk uur nàder, de hooggroei van polder, de goudzang van ’t graan, de davergloei van tarwe, rogge, haver, als maaierszwaai was weggesikkeld, en àchter hun arbeid, ’t land in gouden korenbrand oplaaide; vloeiend goud, dat zingen kon. Als de oogst van golvend levensrijp, uit alle aardhoeken kwam opjubelen, in feilen hoogen goud-brand, en vogelenkweel over hun koppen verwaaide. Als in de oneindige stilte van ’t land, opengebarsten vruchtzwijmel, in heete baring van leven, de zaden uitstortten; één fluistering er suizelde van halmentaal, de ziedende geboorte van korrels en zaden luidloos gebeurde in de stille oneindigheid van lucht en grond. Als uit de zwel-aren en verwemelende strooiing van levend zaad bij elken windestoot, groèi de aarde doorstroomde, doorschokte, in krampigen sidder van hevig, levenbarend genot. Als er ging, groot unisoon fluistergeheim, koor van arengeruisch, òver den geheiligden arbeid van handenzwoeg, die gezegend daar stond, in groei en goudkoorts van ’t licht. Als de heete, felle jubel van hun zwoeg, de aarde uitgewellust [19]was, brandend gekust, en wèèr razend overgekust door passie-schroeiende Zon; hun heilige arbeid omwaaid lei van winden, de zangerigen en gierenden; omzwijmeld en bedronken van geuren, dóórschroeid van kleuren. En ’s nachts, verkoeld weer door wijd-om fonkelende sterrenwemel van polder, diep donkere blauwing van hemelkring, met z’n goud lichtenden wondren flonker van nachtglans, onder dàn nog oneindiger transen die arbeid stil duisterde; onder ’t stille lichtgepleng van de zilveren sterrenlampjes, die flonkerden boven de duistergroene aardewei. ’t Land dàn weggevaagd droomde in wazen van nacht, immens en sidderend van stilte en roerlooze verten.—

Doorgeharkt was er dagen, in zwijg. Kees was naast Dirk gaan staan.

—D’r mot nou moar op hoop set hee? wá’ d’r stoan, stoan d’r dan.

Zon was uit zilverdrommigen wolkenstoet doorgevlamd in kringen van violet vuur, begon priem-strak te steken op hooierskoppen. Witte hoeden en strooien kiepen lichtten en blondden in de wei. Naast Kees zat ’n maaier te haren, in hoogrood hemdsbaai, als stil bonk vuur op ’t dijkje, met z’n brons-gladden kop, lichtelijk gebukt, starend naar z’n zeis, lichte klankjes vertikkend op ’t messtaal. Blinkende ringetjes aan groote oorlappen, in verlichting van haartjes, schudden mee, zachtjes, bij elken klop. Dirk harkte aan, naar plek waar Kees te wachten stond met groote steekvork, die fonkelde tusschen ’t gras, als stilsidderende, kromgebogen bliksemstraal. Telkens als Dirk wat stapeltjes aangeharkt had, lanste Kees in geweldigen priem, z’n scherpe steekvork ’t hooi in, ruischte en kraakte ie met lange slierten ’t begin van den hoop bijeen.—Dirk rondom, harkte bijzij den dijk, naar zich toe, en hooger in ’t krakende hooi lanste Kees z’n vork telkens in, met z’n knie in ’t heet-gouden gestapel, z’n bovenlijf gebukt, inrukkend tegen de hoopjes, dat dieper de staalpunten priemden en vastboorden ’t hooi op de tanden. In trage kracht heesch ie zich terug [20]aan den vorksteel, dat òprees de vracht, en plots in forschen zwaai hief ie de vastgepriemde stapeling boven z’n kop, dat z’n kiel, onder de armen spande en ritste, wilde hooiharen z’n gezicht inwoeien.—Langzaam, en waggelend éven met den gouden hooiklomp boven z’n weggezakt hoofd, droeg ie z’n vracht dan naar hoogeren berg.

—Onder de poàrepluu! lachte helpertje, die in kleine, zwakke zwiertjes, Dirk hielp anderen dijkkant aanharken.

—Poà.. re.. pluu, hijg-sprak Kees, die juist weer ’n geweldigen hooiwolk opgeprikt en vastgeboord had, met heftige knie- en lijfrukken, er mee aansjouwend in gestrekten armhef boven z’n hoofd, dat vuurrood gespannen stond van krachtzwel. Rondom, wilder ruischten en sliertten hooihalmen weg; in z’n oogen, haar en mond. Diepe geur zoette rond. De grond onder hun voeten kraakte en ritselde in trilling. Van alle dijkkanten en op weihoeken wuifden wolkslierten, blond gestrooi, met de dansende beweging van de blanke harken, die opstapelden. Zwaar uit te hijgen wachtte Kees even, verzwelgend en inzuigend den zoeten hooistroom, waar ie tusschen te adem-drinken stond. Rondom kringden windkoelingen sterkere hooigeuren áán, dat de kerels dronken duizelden in den zoeten walm. In Kees’ hals prikte ’t hooi, in z’n haar en ooren piekten heele dotten. Rondom, nog wachtend op aanharking van klein-gouden stapels bij z’n voeten, keek ie in ’t groen, zag ie naar, in ’t licht weer opkleurende maaiers, met hun zeiszwaai beheerschend oneindigheid van luchthang en grasgolving. Grijsblauwig en zilverig dampte van verre ’t wolklichtspel en overal vlindertjes wiekten rond, in den stildroomrigen zwier van hun kleurenmanteltjes. Fijner in lichtgezeef, boekette op, uit de bebouwde polderbrokken, bloesem van erwten, kapucijners en tuinboonen, wittig en rozerood, als blank-treuzelend gefladder van kapelletjes en klapwiekend gespartel van vastgeprikte vleugeltjes op bronsstekelig rijzenhout. Akkerhommels in rood en brons fluweel kringden in zangerige gonzen over hun hoofden, en kikkerkwaak, vroeg-zomersch, in zwelling en uitsterving weer van geluid, verdreunde [21]uit teer-groen bekroosde slooten, hun eentonigen broei-zang van zonne-leven. Doodstil in stommen moord, ging door de eindeloosheid van groen, en zwier van zoete geuren, de worsteling van insekt op insekt, in den zoeten dronken koester en zwijmel van licht en glansen; bloedde de hartstocht van den vraat, de stemlooze marteling en prooi-vernieling van zwak en sterker leven; bleef dreunen de kikkerzang, landelijk monotoon zwellend en verstervend; bleef gonzen de hommel, vonkglinsterde de goudvlieg in glanzen van pauweveerig licht, als vredigde er heilige rust in de graszee, paradijslijk, zonnekoesterend en kleurestreelend.—

Werkers sliertten òp hun hooi, àl hooi in één staar naar hun arbeid. Kees had ingeboord weer ’n hoogen opgeharkten stapel en stootte toe, met z’n knie hevig persend, als priemde ie den dijk mee aan z’n vork, drie, vier keer, telkens heftiger inboomend, dat z’n steel trilde en veerde in z’n geweldige werkklauwen. In één zwaai weer zwierde de zwaar beladen vork boven z’n hoofd, dat diep wegzakte z’n zweettronie in de hooiwolk, kwakte ie ’t kruipende, krakende gehalm neer op den al hoogeren berg, waar het als stortend watergeruisch goud-heet overheen vloeide.

—Aa’s die hoop daan is, sal t’met tait sain Kees, zei kalm Dirk, voortharkend rond z’n broer, die even angstig keek of z’n hooge hoop ook helde.

—Nou.… dà dotje nog hee?.… ’k mô nog sluite!

In ’t rond liep Kees met nieuwe zwaar-bevrachte vork, hoog in de lucht, òm den grooten hoop, zoekend ’n plekje waar de stapel neergeruischt, meteen ’t best de kop afgesloten kon worden.—Langs en om z’n hoofd en lijf fladderden en sliertten al grooter losrafelende hooidotten, als vlokken licht, die gouïg door de lucht zwierden en omkronkelden de zwoegende werklijven.—Diepe geurscheuten al stèrker zwoelden rond, in zonnigen zwijmel, als vloeide er koorts van heete mirre uit ’t zwaar-bevruchte land. ’n Laatste stoot nog boorde Kees in, dat de vork sidderde in z’n klauwigen greep, met hevigen zwoeg van z’n kronkelend, inbukkend en krachtuitzwellend [22]lijf en dampende hijgborst.—Hijg-zwaar zwaaide blonde wolk boven z’n kop, sloot ie de hoop, blond uitbergend boven z’n reuzige schonken en hooggeheven armen. En overal nog in fijne verschuiving van halmen op den hoop, ging wit-gloeiende schittering van steekvorktanden tusschen den goudklamp, voorzichtig, als tastten daar lichtende, stalen vingers in brandend goudhaar.—

Kees’ lijf dampte van zweet en z’n rood-paars hitte-gezicht verdroop nattig vet. Zwaarder blaasbalgde z’n borst van moeheid en hitte, en door z’n kop hamerde ’n bloedstroom, als zou ie te barsten springen. Wezenloos wat minuten, bleef ie doodop staren voor zich uit, in den kleuren rondstrooienden wolkenhemel van paars en zilvering, zonder dat ie lucht en aarde zag.

’n Half uur later stapten ze naar huis, met vorken en harken op schouêrs. Rondom dreunde kikkerzang, afbrekend inééns, dat plots stèrker de stilte op ze aanviel; dàn weer zwelkroppend aanklakkerend in zangdeun, verinnigend de doorzonde zwaarkleurig bewolkte geur-lucht. Het licht, lager al, zeefde schuine glansen over de rijzen, die berkenzilverden en bronsden in halve schijnsels, tusschen het weigroen knoesterig inknuppelden. Zeisengalmen van heel vèr woeien áán op ’t wegpad. Sonoorder nog in zaligen fluister van wei-avond, zong de zachte, toover-fijne ruischmuziek, geheimvol van ’t gras en koornhalmen uit. Stiller schoven en spreidden de glansen tusschen vonkgroen en goud-gele bloemekelkjes, en rustiger in stommen stap gingen Kees, Dirk en helpertje naar huis, op ’t nog branderige zand en kei van hoofdweg.

Achter hen aan, wat later stapten telkens tuinders van ’t land op de klinkers, stil naar hun kluis, uren vèr.—

[Inhoud]

III.

Ouë Gerrit keek grommig, toen ie hoorde, dat ’t hooi nog niet heelemààl overend was gezet. Maar de kerels raasden [23]en vloekten op den Ouë, want hij wist toch, dat ze zich tot ’t hemd toe in zweet gezwoegd hadden. ’s Avonds stond ouë Gerrit ’n pijpje te smoken, in uitgezwoelden zomeravond.—

Met woederig gevoel in ’m, van allerlei opgepropte nederigheidjes en teleurstellingen, bleef ie wat drentelen voor den dorsch van Janbuur, die al aan ’t òpsteken was. Daar stond ie nou, smokend voor schimmig verlichten dorschingang, naar de duistere stolp wat afgehakte bitse woorden, met onzekeren stemmeklank, tot Jan Brakel opgooiend, die boven op den berg, met z’n kop bijna tegen de pannen schoof, verdonkerd tusschen balken en binten. Daaronder groezelde, meer in ’t weifellate licht, hooiwagen met ’n kerel erop, die zware vorken naar z’n baas opstak, met forsche rukzwaaien ’m begravend in een graf van halmen, onder de duistere pannen. In druiping van zweet op z’n mager, uitgebeend gezicht, stond de daggelder op uitgespannen wagen in schemerenden dorsch, te hijgen, telkens met meer rukken en tragere stooten de vork vastpriemend in ’t hooi. Achter z’n, met grillige schaduw schuw-verduisterd hoofd, bonkten donkere doffe stooten en stampen van paardpooten tegen beschot, walmde uit, zoetige wasem van strooiigen stalstank. Even telkens, in buk en wrong van z’n lijf, als ie inlanste z’n vork, kwam z’n rood bezweet gezicht wat meer in ’t licht schimmen. Donkerig-grauw rood van uitputting, smalden z’n kaakhoekige wangen beenig vooruit.—Ver boven z’n hoofd, in de duistere diepte der stolpzoldering, hapte ’n vierkant klein glas-pannetje ’n lichtgat in ’t donker, waarin soms plots bij ’n zwakken harkhaal, brok gezicht van Janbuur op den berg vagelijk òpschemerde, en weer snel wegdonkerde in de geheimzinnige stolpdiepte.

Zwaar van klank en natrillend in ’t duister, klonk Janbuur’s stem uit de zoldering, tusschen het zachte geruisch en geritsel van z’n gehark.—Ingebocheld aan ingang, bleef Gerrit luisteren, z’n kielblauw droevig verpaarst in den schemer.—Onrustig had ie z’n pijpje mondhoek ingebeten, nu en dan optrekkend reutelenden zuighaal, vernevelend z’n hoofd achter rookwolken. [24]

—Hai je je boel dan nog nie te hoop?.. wa’ luie broàsims die jonges van jou tog-en-binne, dolde Janbuur, uit berg-duister.—

Ouë Gerrit voelde zich nijdig worden, hoorde dol-klank maar half.

—Ho!.. ho!.. wa’ saa’k segge!.. vier en vaife en nie genog.… aa’s je wa’ forrekies hooi allainig neudig hep!.. bi’ je gàuw kloar.… huhu!.… huhu!.… de kerels hewwe nog wá’ meer aa’s hooie hee?..

Bleek vaalde schemering op de vuil kalkwitte muren van dorsch. Al donkerder zwartten wielen, voorkrat en dissel van den hooiwagen, tusschen de donkere hooge gebinten en ’t verduisterd gevaarte van stolp. Donkerder kromde en zwoegde gestalte van werker op den wagen en angstiger onder z’n verdonkerende gebaren kermde, in de lugub’re dorschstilte, z’n zware hijg-borst.—Z’n kop wasemde in ’t zweet en voort ging z’n vork in het ruischkrakend hooi, hieven z’n donkere armen stapel op stapel naar den stolp, waar ’t neersiste, op den al hoogeren, duisteren bergrug. Z’n beschemerd lijf schimde er verkromd en vergroeid als schimmige karyatide, waggelend op de lager-zinkende vracht, in krampige worsteling met het droog-wilde veerende hooi, dat onder z’n voeten uitsprong en tegenspartelde als levende aren.—

Z’n schimmig gezicht, bij vastboring van hooi, grauwig-rood alleen even te zien bij beenige kaken, in den omhuivenden schemer van ingang, draaide telkens donkerend wèg naar den baas, en stom sloeg z’n stille late avondzwoeg door het afbrekende gepraat van ouë Gerrit en Janbuur op den klamp.—

—Kaik ke’rais die Kerkvoarter doár.… die is d’r puur van f’morge halfdrie an ’t gangetje! en nou.… sel t’met naige uur weuse hee?.… één skoffie hep ie had.. daa’s doenig hee? één skoffie van ’n kwertier t’met! daa’s doenig hee?

Janbuur blufte op ’t werk van daggelder, alleen om ouë Gerrit te hinderen.

—Moar da’ mot sait.… hai hep dan ook ’n fesoenlik duitje.. doàr sit ’m alles in Blommepot.… daa’s ’t geheim vat je?.. [25]wa’ jài nie kwakkelt.… mi je blommetjes s’murreges knippe!—’n fesoenelik doàggeld.—Zwaarder griste en kraakte ’t hooi onder hooiers kousen, en even uit stolpduister kwam lijf van Janbuur naar voren bukken, z’n donkere kop, turende laag in den dorsch, die volgegrauwd diepte van schaduw en schemer.

—Hee.. Joap!.. schreeuwde ie, naar den wagen, hoeveul vorkies nog, ’t wort main puur te donker!

—Nog drie, dan is ’t daan, kreunde dof stem van daggelder. Z’n donker lijf ging voort in zwoeg, lanste en vorkte ’t laatste hooi òp. Z’n armgebaren vaagden nog schimmiger, verdiept tegen ’t weifelende dorschduister van achtergrond, geheimzinnige hal van verdonkerde binten en kruispalen. Soms vréémd, lichtte oogenwit om appelkrans, nog èven schichtig onder hoedrandje en verduisterd gezicht uit, als ie opzij keek naar den berg.

Ouë Gerrit, leeg-wrevelig, niet wetend meer wat te zeggen, zei zacht goeien avond, klompklotste wèg, loom, vol kregel naar huis.

Den volgenden ochtend schommelden bij hem twee wagens hooi van één dijk in, die de jongens uit angst voor regen, maar opgestoken hadden.

Op balkvoeting stond ouë Gerrit in ’n erfhoek, achter bollenschuur, klaar. In open lucht zou daar ’n berg neergebouwd worden. Regen spatterde en windrukken stootten òp uit oprijlaan, waar de voerman één wagen ingereden had.—’t Geurde over hun hoofden. Kalm, als onder zonnegouden en blauwenden hemel, vorkte voerman ’t hooi van z’n wagen. Piet stak òp, naar den Ouë. Met vertrokken rimpels in z’n gezicht, stond die omsparteld van regen en windgeslier, bangelijk ruggekromd en beverig de opgeworpen stapels naar zich toe te rollen en op te bossen.—Diep zonk ie in broeihooi, dat z’n enkele blauwe kielromp krommig tusschen ’t matgoud gehalm uitbochelde.—

—Wa he jai ’n mooie vork, lolde Piet.… jai lait d’r ’n borrel glad, moar de bulle binne tog in orde.

—Joa jonge, ironiseerde terug voerman, afvegend zweetgezicht [26]met mouwvest-end, en neerharkend hooihaar langs wielen en raambalken. Joà jonge, dá’ f’rboast jou hee?.. jai hep kwoalek ’n goed stuk gereedskap sien hee?.…

Lachend en sneller vorkte ie af, dat Piet wegzonk tot de borst in de stapels.

Ouë Gerrit, in strammen buk, hijgend en puffend op de voeting, doorstriemd van regen, schuw van nattigheid, waggelde hooger, al hooger op hooiklamp, woelde, struikelde en verstrompelde tusschen het broeische gehalm, wreef telkens één hand tusschen lokken en baard. In zichzelf gromde ie, waarom ie maar niet, nà de pluk, wat hooi gekocht had.—Zou ie niks te maken hebben gehad met gemaai en gedroog, net als verleden jaar, al was ie ’n beetje bedonderd met de kwaliteit.—

—Wa hondeweer hee?.. f’rduufeld aa’s ’t droog is.… mot tug droog saine aa’s ’n hart saa’k moar segge!.…

—Je ken.… die jonges ook niks.. late doen.. droog-komiekte voerman weer van den wagen, lager beenend den karbuik in, onder al zakkende hooivracht, snel-rustig stapels neervorkend rond Piet’s lijf. Piet lachte van zenuwachtigheid voelde wel dat voerman ’m nàm, met al haastiger afwerping van z’n vorken. Geweldig in werkdrift lanste Piet z’n vorktanden trillend vast, in de krakende, ruischend-blonde woeling om ’m heen, duwde ie dieper en gejaagder den steel in ’t hart van de nattige stapels, dat ie grootere vrachten vastpriemde en in woesten zwaai boven z’n kop sloeg.—

Heviger zwollen z’n slapen en aderen, en vlug, als kon ie geen til meer uithouên patste ie z’n vracht tegen ingebukt achterlijf van ouë Gerrit, dat die schokte op z’n voeting en voorover strompelde.

—Ho-ho! main kristus.… waa’n drift!.… is da hooie!.. je laikt puur daas!.…

Piet hoorde niet, wou niet achterblijven. Regengespat en windgeruk splinterden en joeg om z’n warm gezwollen zweethoofd. Hooibroei verhitte z’n lijf en springende stroo-sprieten priemden in z’n oogen en hals, jeukten in z’n ooren.

Zoet dampte hooigeur rond, op ’t zwoel-smoezelige erf, over [27]den natten glimmerigen moestuin, onder de grauw-wazige lucht. Hooigeur honingde rond, rookte in Piet’s beregenden mond. Woester en driftiger werd ie van binnen. Dier-zwaar hijgde z’n borst, en geweldig in werkstilte lanste z’n vork in de zwoele stapels. En hooger om hem, in kalmen sar, begutste voerman ’m met gouden golvensmak, als moest Piet stikken.

Erger, èrger giftte ’t in Piet. De zwoel-warme geur maakte ’m woestiger, duizelig, de regen plekte natter op z’n handen, jeukerig en piekend, en de wind joeg ’m op, lawaaide in rukken om z’n fladderkiel. Vloeken kon ie. Al drie maal was ’t gekeerd, en nou wèèr regen! Heeter broeide in de nattigheid ’t blond gegolf om z’n lijf en polsen. Hij trapte er op, woelde, wankelde, stampte en spoog er z’n pruimsap in. Hoe meer ie weg rukte, hoe sneller voerman stapels op ’m neerdrommen, neervloeien liet. Heftiger en veerkrachtiger, als in helsche spanning van al z’n spieren, nagelde Piet grootere stapels aan z’n vork, nauwelijks meer te tillen, hief ze langzaam, in heupwringende kracht-ruk boven z’n kop, en kwakte ’t woedend neer op ’t lijf van Gerrit, die hem niet meer bijhouden kon.

—Da goan soo nie.… je laikt hooikoors hewwe.… wa skeel jou?.…

Paarsrood van uitputting bleef Piet hijgen éven. Zweet en regen, glibberden natte kringen om z’n neus en mond, die glommen als met boter ingewreven.—

Het balkraam, boven de wielen van hooiwagen, kwam al bloot, zoo snel-zeker had voerman af gestrooid, toen Piet nog in den om hem héén gebouwden, uitheupenden berg stond te woelen met z’n vork, niet wetend meer waar ’t eerst de stalen tanden in te harpoenen.—

Stiller was ie gebleven, want zonder woord òpenlijke ruzie had voerman ’m klein gekregen, in zwijgenden krachtworstel.

Na uren kreun-stillen zwoeg eindelijk, stond de berg overeind, voelde Gerrit zich blij dat ie in den regen, toch doorgezet had. Dadelijk, met zwart zweetig vervuild gezicht, hooidotten, tusschen z’n haar en nek gepaveljot, doorzogen van regen, was Piet weer den tuin ingeklomp-klotst, om te rooien.— [28]

[Inhoud]

IV.

Vroèger in den ochtend, kropen de werkers op de akkers, làter bleven ze wroeten, donkerend in den schemer. Van alle kanten onder de tuinders, joeg werkkoorts, onrustten oogen en handen. Kees was drie avonden in de week, om nog ’n extraatje te verdienen, bij ’n ander aan ’t sla-steken, voor ’n baasje, die wat akkers kroppen van ’n grooten kweeker gekocht had.

Van Beek achteraan, waar ’t werk tegen half negen klaar was, liep ie òver naar den avondpatroon, om de sla uit te dragen, te bakken. Baas Booker zelf werkte mee, tusschen de nog helgroene lange krop-regels, stak snel de sla met klein mesje van den grond, ze zuiverend, en handig afscheurend ’t rot zanderig blad. Zoekend loerden z’n oogen tusschen de regels in, wáár de grootste propten; en telkens in buk, zonder opkijken sneed ie àf, keerde snel elke krop òm, nekte met scherp mès ’t vuil er van, smeet ze gestoken weer néér op den grond. Zoo ging ie voort, in één buk, de oneindige groene regels langs, springend dan hier, dan daar tusschen de kroppen, waar net èven plaats bleef voor z’n klompen om te staan.

Kees, met drie andere nazwoegers, vulden de bakken, sjouwden drie vier op elkaar, voor d’r buik, langs de greppels en loopkanten van bollenpaden naar de karren, aan ’t eind van de lange akkers. Hun lichamen kraakten en persten van zwaren sjouw, telkens als vrachtbakken afgedragen moesten worden naar ’t eindpad. Achter Kees hijgde aâmborstige kerel, kuchend en vloekend de kisten voor z’n buik tillend, in zwaar moeë armenstrekking.

—Wa’ dá’ goed nog donders swoar is, kreunde zwak z’n stem. Bij elken vrachtsjouw hing z’n tonglap ’n end z’n zacht-kermenden mond uit, als van bezweeten hond.

—Wa’? die poar bakkies, blufte ’n ander, sterke knoest, toch zwaar hijgend onder ’t tillen en versjouwen. Jai kâ d’r nie uitdroage.… loà ’n aêr die sinte hebbe hee!.… [29]

Aamborstige kerel zweeg,—Hij kòn niet spreken, z’n stem was wèg.—Hijgen alleen, hijgen deed ie, met ’n gevoel alsof er wat brak onder z’n zij en borst. Den heelen dag in zonhitte verploeterd en nou nòg z’n na-avond verzwoegen … nee, hij zag ’t nou.… hij kon ’t t’met niet meer houên. Vanavond voor ’t laatst. Zoo bromde ie in zichzelf, zwijgend voorttillend en versjouwend met ’t zweet op z’n moe lijf vergloeid, kuchend en ploeterend in de greppels.

Avondgoud was in wonderen rooden gloed over hen heengedampt, had hun koppen verbronsd, de velden van stervend loof, pastèltintig fijn beglansd, en de groene boomdrommen en hagen, laag langs de aarde doorgloeid in laat goud-vurige pracht; verstillend ’t land, de groei-zware akkers, vèr-zaligend ’t zachte geruisch dat nauw hoorbaar, als lichtste fluister uit ’t loof aanzwoelen kwam.

En laat, nà zonnedamp en rood-brons lichtgevloei, bleven ze nog stapelen en steken, laden en afrijen, tot de aarde, zwartdonker onder hun klompen wegduizelde in ’t nachtduister. Van alle kanten bonkten karren van sla-stekers aan, trokken de kerels in de avondkoeling naar de Haven, waar sjacher-rumoer hurriede, en davering raasde van wegtrekkende en aanratelende vrachtwagens. Uitgeput en gebroken van hitte-marteling en vermoeienis, duwden de werklijven achter hun karren áán, sleepsleur van loodzware vrachten, duwend met armen, buik en beenen; wat kerels, bij elken kar vòòrop, met hangtouw striemend gespannen over hun doorgroefde ruggen. Zoo, in rijen achter elkaar, ratelden hun vrachtkarren heen en terug door de zoel-koele lucht, door den heerlijk-neerdauwenden zomernacht, met overal ’t azuurfluweel van de hemeldonkering tusschen erfjes, tuintjes en gevelbrokken; ging hun laatratelend kargeploeter door de stille, deftige straatjes, waar burgers en notabelen in hun opgepronkte tuintjes thee dronken, lachten en babbelden; groote kinderen nog joolden en sprongen. En nu en dan, tusschen donker belantaarnd dennetjesgroen van villátje, vlamde een rood-bekapt cierlampje op, vèr uit tuinduister perspektief, tooneelvreemd, in rood-diepen gloed, als [30]’n vurig fantoom van sprookje, droomrige glanzen rondom verwazend, den fluister-duisteren tuin-nacht in.

Van de duizend laantjes uit, òm Wiereland, zwoelden warm-zoete geuren áán, van bloeiende meidoorns. Ook de zijwijkjes tusschen de deftige Reekerstraat in, wijkjes van werkers, zoelden en zwommen in geuren van meidoornzoet, schemerden donker en zwaar volgegroeid met hoogkronende kastanjen en lindeboomen, duistere reuzen in den avond, daar opduikend voor de kleine raamruitjes, die stil opstaarden tegen stammen-machten.—Geluidloos, als karren voorbij gerateld waren, vroomden de werkwijkjes in avondrust, ging zwellend en stervend boomgeruisch, in zoete wiegeling en week gefluister door ’t zware duistergroen; vaagden de krotjes laag-gevelend achter de reus-boomen, neergedrukt en gesmoord onder hun boschweelderigen takkenhang. Vóór de verdonkerde deurtjes, aan weerszij van de smalle straatjes, duisterden wat rompige, hurkende kerels en vrouwen, platzittend op de steenen, in spraakloozen zwijmel, genietend na zwoèg, van meidoorngeur en bloemenzoet, aanwaaiend in zachten windruisch en koele luwte, van allen kant.

Kees sjokte, doodòp, van de Haven terug door de achterwijkjes. Enkele kleine raampjes lichtten gouïg-mat in lampglans, uitlijstend achter boomdonker. In valen groezelschijn van klein petroleumlicht, sjofelden achteraan wat winkeltjes òp, met vervuilde magere uitstalling van blauwe en rood bemantelde heiligen-beeldjes, kruisjes en goud-kransige moeder Maria-plaatjes, strak-hard van kleur, verteederd en getemperd wat in armoedig-valen lampglans. Begijntjesachtig, tusschen de beeldjes, achter ’n winkelraampje, geelde uitgeputte gapende vrouwe-kop, armleunend op toonbankje.

Hoog, de overal uitstekende toren van Katholieke kerk, donkerde uit verren boomendrom òp, overheerschend in geheim-zwarten ernst, de armoewijkjes. En ruischvoller, in zachten huiver golfde uit, bòven de ingezonken donkere krotjes, boomenzang van kruinen, zachte suizel zuchtend door de avondstraatjes, volgevloeid van zomergeuren en gekruid meidoornzoet. [31]

Kees’ gezicht, even opgelend in schamele lantaarn, de éénige in ’t diepe straatje, schoof voort op z’n donker lijf. Hurkende kerel had in ’t voorbijgaan z’n gezicht gezien.

—Nog òp de klompe Kees, schreeuw-vroeg ie, in hurkzit vóór z’n donker huisje.

—Da’ sien je.… hee? moar nou smeer ik sàin, zei Kees afgemat,.… van half drie in de kous.… daa’s t’met twintig uur, an één stuk,.… ke’ je je aige voele in die hitte!

—Nou, ikke van drie tut naige.… main waif hep vinte waist.… moar sai is d’r tut op haide, f’rdorie nòg nie.… hep jai d’r nie sien?.… hep puur al twai kair an de hoafe waist.… lag d’r aêrs al langerst in.… ikke si’ puur te wachte mi’ de sloap in main lampies.…

—Tog is ’t nou paa’s lekker hee?.… je sou d’r f’rtoetert soo sitte blaive aa’s je ’t kòn lappe, mi’ je kin op je knieë, hee? zei met zwaar-volle stem, een van overzij, uit ’t duister ingehurkt, z’n rug tegen z’n huisje opjeukend.

—Kè’ je nou nog effe mi’ f’soen doene, moar wacht, erais, maàn, aa’s de groote hoal d’r is, he je om half elf nog nie daan,.. Lap jai ’t dan erais?.… aa’s je om half elf kloar bin!.… enne.… je mo, je mô.… om half drie weer persint! je sloap dan krek vier uur.… en dan.… aa’s te weerlig d’r uit!

—Nou vroeger he’k sloape aa’s ’n os.. schorde ’n ander, moar nòu.. ikke bin d’r al van de sestig, tog gain hufter hee?.. Moar f’rdomd.. aa’s ’k sàin in soo’n hitte pakke-en-weut!… ikke kâ nie en sloape..! main poote brande op ’t bed hee?… se gloeie puur!.… da’ kook je nie goar van hee?.… Krikf’rdorie.… ikke kâ d’r nie inkomme.. ik droai ’t met aa’s ’n knain in de sprenkel.… en main ooge brande aa’s vuur hee?.… En main kop.… tjonge! daa’s doar ’n roar soakie.. da’ kloppe sullie of se d’r spaikertjes in main test sloàne … Neenet, ’t heule soakie is mis mi main!

Van overkant, waar Kees stond, achter zwaar boomdonker uit, was de klacht uitgeschord. In trilling en snikzucht van vermoeiing had ’t geluid geklonken, beverig door ’t verstilde [32]avondstraatje en plechtig ruischten boomkruinen nà, hoog boven de donkere stomme zwoegers, in geheimen fluister.—

Weer brom-beefde z’n schor-moeë stem nog tegen de krotdeurtjes en ruitjeskleine vensters òp naar de duistre kerels, die hij zelf alleen kon zien in vaag rompdonker, toen naast ’m plots een inviel:

—Da’ he’k nooit last van,.… aas ’k en leg, sloap ik t’met.. main waif hep main te kaire aa’s ’n pannekoek.… aas ’k uit mot, wá’ jai Kees?.… Veur jou mog ’t t’met winter weuse hee?.… dá’ stroope is tog bestiger werk hee?.…

Kees hoorde stom áán, bleef rondturen op de hurkende kerels, mompelde plots zacht genavend en sjokte weer voort in sleepgang, met ’n vracht moeheid aan zijn beenen, als rukte ie bij elken stap, reuzige gewichten voort.—

Nog drie kwartier gaans eer ie thuis was! In geweld-rateling bonkten groentekarren ’m voorbij, de Beekerstraat op, terug van de Haven, weer naar de akkers. Achter ’m áán, klonk zachte meisjesstem, zwak huilerig geroep:

—Foàder!.… foàder!.…

Kees bleef staan, keek om. Dientje was ’t, z’n dochtertje van negen, met groote mand poonen voor d’r lijfje. Sleeperig en vermoeid stapte ze uit ’t duister op ’m àf, bleef kleintjes-stil naast ’m staan.—

—Nou pas van de hoafe!.…

—Joà, foader, ikke hep.… hep veur vaif en sestig sinte f’rkocht,.… enne.… enne ikke hep.… hullie selle.… sellefers van Kerkfoart, hoalt,.… mi’ Jans.… hain en weer foader!.…

—Moar wá’ duufel! je hep veul vroeger thuis kenne sain.. D’r is nou niks meer van doene op de hoafe!.…

—Joa.… moar.… moar moeder hep.… sait.… hep sait.… daa’k al de herreberge.… in mos.… toe heppe.… heppe.… enne sien u.… toen heppe manne.… main woar opfraite.… enne.… enne.… se binne dronke weust.… enne.… se heppe d’r vaif opfraite mi-sonder betoale.… toe hep de kastelain sait.… enne.… hier.… [33]

Haar stemmetje snikte en hijgde. Ze had zoo bar gehuild van angst, dat de kastelein ’r de vijf poonen vergoeden kwam, verzekerend goeiig dat ie ’t wel ’n keer met ’r vinden zou. En nou kon ze haar verhaal niet eens eindigen, zoo ontroerd en vermoeid was ze nog.

Kees voelde de uitputting in ’r snikstemmetje, kreeg meelij ’n beetje met ’t kind, hield z’n groote stappen in, dat ze’m beter bij kon houden. Want zóó liep ze zich uit ’r adem. Maar vertrouwen toch deed ie ’r geen zier. Dat kreng van nege was al soo duufels valsch vroom aa’s d’r moer.—

—Gaif main je mand moar hier!.. Nog negotie in?.…

—Nog vaiftien poone.… enne … enne … agt bos skarre … moar moeder mo’k de sinte gaife.…

Angstig gesmoord klonk ’r stemmetje. Ze dacht dat Kees ’r wat wou afnemen, in ’r schuwheid niet begrijpend dat ie ’r ging ontlasten van vracht.

—Hou je bek, snauwde woest-driftig Kees, ik vroag je sinte nie.… Hep je moer seker-en-sait.… dâ’ je noa je foader mot-en-soeke in de kroeg.… hee?.…

—Neenet! vast nie!.… vast nie!.… stotterde Dientje, bangelijk-onzeker. Maar Kees, uit ’r ontdaan stemgebeef, voelde dat ze loog. Hij zou maar niet verder vragen.

—En hoe hep Wimpie ’t daàn f’doag?.…

Ongemerkt, had ie weer aangestapt in lange passen, dat ’t kind hijgend en zuchtend weer àchter ’m aanliep, met ’r handje in ’r pijnende zij gedrukt.—Zoelte woei ze van den weg-naar zee, in ’t gezicht. Geur van meidoorn wellustte zoeter rond, den kant op naar Duinkijk, al zoeter, als lag in ’t duinduister een rozenhof uit te ademen. Diep groendonker azuurde de lucht, met bleek sterrezaaisel, en suizel-droomrig zoelde boomgeruisch van alle zijpaadjes áán. Zacht ging er fluisterkoelte door geblader. Langs de reuk-zwangere hagen, trilde vochtig-zoele aardgeur, vloeide uit, wijd uit, in de verzaligde avondrust.

Dientje, bangelijk, gejaagd, slecht ziend op duisteren weg, voelde hartkloppingen en duizelingen van onrust. Haar vader had ze niet eens geantwoord.— [34]

—Nou! schreeuwde Kees barsch, dat ze opschrok uit ’r angstmijmer. Niets voelde ie meer van meelij voor haar kinderzwoeg.—

—Ikke.… wa?.. ikke.. wa?

—Wá’.… wa’.. bauwde ie na, grimmig. Hoe hep Wimpie ’t daan?.…

—Ikke.… bin tog nie … tuis-en weust … F’morge.. vroeg bi’k mi Jansie na Kerkevoart-en-goan.… enne.… enne.… so wee’k nies.—Kees zweeg. De mand schuurde en kraakte langs z’n arm als Dientje in waggelgangetje er tegen opbotste. Nou rook ie alleen vischstank van scharren en poonen, die ’m wee maakte. Gejaagder stapte Dien beensnellend mee, zonder te durven zeggen dat ze’m niet bijhouen kon.—Ze had vreeselijke angst Dientje, en hartkloppingen. D’r vader wou ze ’t wel biechten. Van de zestig poonen die ze meekreeg van d’r moeder, had ze in den avond één vette opgepeuzeld, zoo maar van hongerigheid. Ze wist dat zóó iets ’r moeder dol maakte van woede. Eens was ze er mee thuisgestapt, had moeder ’r half lam geranseld in woeste nijdigheid.—„Jai poone fraite en wullie hongere, dá’ sel dur ’n mooie worde”, had ze uitgekrijscht en d’r al maar heviger dooreen gerammeld, dat ’t bloed ’r in de oogen vlekte. En nou had ze ’t weer gedaan. Heel vroeg in den ochtend, naar Kerkervaart loopend, had ze’n paar hompen brood meegekregen, voor den heelen dag.—Tegen den middag, toen Jansie naar huis was gegaan, had zij wat bij den weg gebedeld en pompwater òpgezogen uit d’r klompje. Maar toen ’s avonds, heel laat, aan de donkere, woelige Haven, tusschen al het gerij, gehos, geschreeuw en geratel in, voelde ze zich zoo wee en hongerig, dat ze ’t niet langer bedwingen kòn.

Eer ze ’t goed wist, had ze ’n poon, ’n klein vettertje van twee cent uit ’r mand gescheurd, angstig omgekeken, ’n beet in z’n kop gegeven en zoo smakkend en zuigend, tot de glimmige vette velletjes toe, afgezogen en òpgeslikkerbikt. Reuk van groenten, geur van vruchten en drankstank hadden ’r geprikkeld en beduizeld. Maar zoodra ze’m òpvoelde begon [35]angst en berouw in ’r te woelen. Want èlke cent moest ze verantwoorden. Moeder telde precies alles àf. En nou had ze ’t weer gedaan. Ze durfde niet, durfde niet naar binnen. Razende angst deed ’r beven.—Haar hart klopte en hamerde in ’r keel. Niets voelde ze meer van beenenmoeheid, van snellen sjok en uitputting. Alleen maar angst, zenuwangst voor ’r moeder, ’r grootmoeder, die er zich ook in bemoeien zou. Toen ze Kees wat zeggen wou, vooruit al eigenlijk twee centen vragen om bij te leggen, stonden ze vlak voor ’t krot, kon ze geen woord meer eruit krijgen van bevende, stikkende benauwing en bedremmeling. [36]

[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK.

De aardbeipluk was ophanden. Nog wel niet in één de groote haal, maar toch, als ’t ochtendgloorde, ’t land nog in grauwen dauw dampte en langzaam, brandroode nevel boven de verre, vaal aangroenende akkers uitkleurde, morgengloed door doodstille luchten sintelde,—dan hurkten, vóór zonnebol zelf òpvuurde, de tuinders al tusschen de nauwe paadjes, omkringd van kinders, jongens en meisjes; was er al druk gesjok en gesjouw van één naar anderen hoek, om arbeid te verdeelen tusschen eigen zwerm en vreemde plukkersknechten.

De eerste haal zette in, met zware zonnedaverende hitte. Na de kleur-orgie van tulpenbrand en òpbloei van hyacinten, was nu plots bij hoeken hier en daar op Duinkijksche akkers, even vóór den pluk, wondere zee van hoog-gele en paars-blauwe irissen, goud-geel beschubd, komen aangolven over ’t land. Klein was de teelt, op ènkele akkers, maar hoog de pracht van den in licht-dauw omzeefden paars-blauwen irissenbrand.

Graanhalm-hoog moireerden in golving van stengels, akkers weer, als in herbloei van hyacinten en tulpen, paarsblauwe en goudrandig geschubde. Achter en tusschen de hevige paars-zee, bloeiden helgouden pronkbekers van licht; welde glans, hooge brand als van graanvelden, duizelend, spartelend, kokend-hoog goud met brokken ertusschen, moireerend naar geelgoud, tegen de diepe golfzee van schitter paarsblauw, in ’t groene akkerland.

Als mythische stad in zonnedroom, met één slag door Satan neergetooverd in duivelszwaai van bloedrooden mantel en vampiergebaar van z’n armen, was herrezen dáár, uit eerst [37]groene, stil-mijmerende aarde, een lichtfeest, een tooi, in woesten kleuren-wellust; herrezen een mythische stad, volgestort van sprokelicht, van nevel en vonken dooréén; stad, met wegjes van enkel stralend vuurgoud.—Zoo in wondrengloei, rankten en slankten de irissen, op ’n vloer van bevende glansen.—Uit de stille grasaarde, tusschen het nog dorrende loof, drong een òpstand van vreemd-starende bloemwezens, zonnedronken onder de warme uitgeuring van hun kleur-heete zielen.

Als in hemelspraak met ’t azuur, gedrenkt in ’t blauw van uitspansel, bleven ze daar wiegelen de gekleurde zielen, de vreemd starende bloemwezens, samengestald in hun mythische stad van licht, stralend paars en goud, in daverenden zonnezang van akkers.

Boven hen wisselden de luchten, groeiden en stapelden òp de wolksteden in zilverende lichtglansen, verduisterend de bloemenpracht, verbrokkelend den zonnedroom. En fijn schuimde er doorheen, ’t zilte zilver van den polderhemel, wazig en gebroken in glanzende neveling. En weer later, in satansgebaar neergetooverd, rankte en wiegelde op andere akkers, rond de irissen, dooreenwemelende bloei van kleur-wisselende anemonen.—Eén dans van kleurebloempjes, op rank-teere stengels, kopjesknikkend en wiegelend in windspel. Eén kankaneeren van donkerdiep dahliarood, rouw-fluweel met paars-purp’ren starren. Eén rondedans van korenblauw met zonnegoud, één sliertige omhelzing van roze bloemekopjes met goud-rood en oranje wezentjes.—Eén regening en zegening van doorééngewaaide kleurtjes, lichtjes, vlammetjes en brandjes, in vurige kleuren-kelkjes verfonkelend.—

Zoo gloeiden de anemonenbedden, tusschen de simpele teelt van erwten, wortels, sla en rhabarber, als een hageling van zomerkleuren, verpurperend en vergouend, verpaarsend en verblauwend de akkers, in jubelenden schitter en diep-geurende gloeiende zonnigheid. Zóó, als voorspel op den aardbeihaal, tusschen de vruchtjes in, bachanaalde ’t dronken iris- en anemonefeestje, in toover van licht, in zwijmelenden zonnedroom.

De hoog-groene aardbeiakkers, zilverend in lichtglanzen, [38]overal ingesloten tusschen de goud-groene doorzonde hagentrofee van bladeren, doordarteld van glansen en vonkjes, juichten in den opbloei der vruchtjes.

Overal gloeiden in warme purpering de spitsige kogeltjes op zandgrond, die paarsig brandde van hette, naast heele bedden onrijpe amazonen, als beschilderde vruchtjes, flauw aan éen kant roodgevlekt tusschen het lage bladerdiep.—

Op de akkers hurkten neergezwermd, plukkers en pluksters in ’t woelige kleurgewiegel van hun kleeren, en overal was druk gedrentel en mandjesgesjouw, overal volgepropte bakken die verdragen werden uit zon.—Naast de akkers van Ouë Gerrit, hurkte in halven kring, kinderenzwerm van oom Hassel, in vale, voddige kleeren. Al z’n gespuis, tot ’n meisje van zeven, had ie aan ’t plukken gezet, in zwijmelkoortsige jacht, om te halen, te hàlen, hooger prijs te maken, anderen voor te zijn met goed, wel wetend dat de sterke werkmacht van al die rappe handjes, snel in pluk en grabbel, hèm niets kostte.

Werkroes koortste door Duinkijk en Wiereland. Elke minuut van langen ademhaal, rustend, was verlies. Koopers joegen, bemiddelaars joegen, bazen joegen hun kinders, los volk en vaste plukkers joegen elkaar.

Oom Hassel schreeuwde naar ’n troepje meisjes, dat inhurkte tusschen de nauwe aardbeipaadjes, in felle gloeizon:

—Denk d’r’an, jullie niks aa’s soete fransies!.. en Emmetjes.. mi sonder doppies.. en f’noàfed éers de halfe raipe in sloffies! De kinders stemmedrukten en joelden uitgelaten terug, dat ’t goed was, nog vroolijkend in ’t vroeg-landelijke ochtenduur, blij niet op de schoolbanken te zitten, den heelen pluktijd door.—

Vóór ingehurkten kniebuk uit, grabbelden hun handjes tusschen de groen-zilveren lichthuivering van bladeren, zoekend en tastend naar de rijpe vruchtjes, die bloedden in vochtig fonkelrood, puntig doorspikkeld van gouden spatjes. Licht purperden en hoogrood glansden in speelsche gloedjes en vonken de aardbeien in de brons-zanderige kinderknuistjes; handjes vol zoet-geurende vruchtjes, gloeiend in zonneschitter. Telkens, [39]de palmpjes volgeplukt, kogelden ze de vruchtjes voorzichtig in de brons-teenen mandjes, donkere zuiltjes, volgestapeld in speelsch gebaar, met vuur.—

—He’ je nog mandjes doar? schreeuwde ’n plukker.

’n Kleine meid, in rood verflodderd en gescheurd kort rokje, losgehaakt op den rug, dat wit ondergoed en baleintjes er door heenschemerden, smeet mandjes door de paadjes àchter plukkersklompen, in joligen zwiep van ’r kinderarmpjes. Ze speelde er mee, gooide maar òp, te veel, dat de broers om ’r heen vloekten. In krommen hurk schoven de plukkers voort, op de knel-nauwe paadjes, die zandig-heet lila-paars schemerden tusschen het groen, elk klaargeplukt mandje opgestapeld met „kòp”, achter hun hielen neerbouwend.—

Tusschen al de paadjes van de verre akkers slangden de donker- en lichtroode vruchtjes in lage mandzuiltjes, zoetelijk geurend en vervochtend in de grove plukkershanden, die doortastten maar, onder ’t loof, telkens òpdiepten met de vuile vingers de vuurvonkende kogeltjes. Zóó, achter de ingehurkte plukkende lijven, vlamden de volgepropte mand-zuiltjes in karmijnen brand, in donkere en licht-gloeiende omzooming van de hèl-groen bladerige bedden; lange roode zuil-gangetjes, vurig van lijngolving in heet zonnegoud, in trillende hittesfeer, omzeefd van dampig licht, nevelig van rooden gloed, overal tusschen het frisch-joelende jubelgroen en ’t zilverspatten van zon-natte bladeren. Geuren van grond en vruchten, zwijmelden en wellustten rond uit den blank-gouden, blauw-diepen hemel; zwijmel van reuken en sappen. Rood bevlekt en besapt graaiden overal de geweldige barsche plukklauwen der werkers, vervuild en doorgroefd van aardwroet, tusschen het jonge heete aardbeienbloed. En nat van sappen, walmden zacht de kleine zonnig verbronsde kinderknuistjes tusschen lichtrood en dieprood, tusschen vuur dat laaide en vonkte, en karmijn dat sintelde, lekte, smeulde.

Door héél Duinkijk en Wiereland vonkte, spatte en purperde ’t rood van aardbei, tusschen de groen-flonkerende omhaagde hoeken; spartelden de handjes gezwollen van greep en pluk, [40]ging één zoet-zalige stroom van rooden geurdamp zwoel over de akkers.

Guurt en Dirk plukten gelijk op, aan één bed, Kees, de Ouë en Piet, ’n anderen hoek uit. Ouë Gerrit had al heel vroeg gedaan bij de nieuwe familie op ’t plaatsje. Nou zat ie gretig mee te plukken. Z’n rug brak ’m wel, pijnde en stak als werden er naalden ingeboord, maar daar gaf ie niks om. ’t Moest, moèst nou. ’n Daggeldersloon viel er zoo wel uit te winnen. De kerels zouden ’m ook anders te lijf gaan. Z’n knieën tot op de borst ingehurkt, bij de kin wegknellend z’n baard, grabbelde ie met twee handen te gelijk, trillerig in z’n beenen, ’t loof omwoelend, de vruchtjes vlug neerkogelend in z’n mandje, zonder ze te kneuzen toch.

Hij gromde stil, dat ’r van z’n vervreten hoek rijp geen eetbaar vruchtje terecht was gekomen. Schade van honderden!.… Dá’ stopte ie zoo nooit.. hoho! hoho!—Woedend was ie ook dat z’n rooie kool zoo slecht stond.—Nou had ie op ’n lekker sonnig hoekie soaid, van s’n swoarsten grond, bestig bemest, en nou stonge se krek aa’s stokkies, deurvrete van oardevlooi.… En nog meer!.… s’n uitjes.. stonge slecht.. tedicht op malkoar soait.… weer skult van Piet.… hep ’t soo wille.… enne.… van de somerandaifie.. kwam ook nie veul.… most nou al ’n beetje gele kop hewwe!.… skuld van die f’rekt slechte woàteràfvoer.…

—Hee Ouë, denk ’r ’an, dá’ jai strak-en-an die hoek overnaimp! Ik mó’ nog bosse veur f’nòafed.… hai hep de mande, veur àftetarre an de hoàfe.…

Ouë Gerrit had zich naar Dirk gedraaid, die ’m uit erwtenpad toeschreeuwde. Schroeiend begloeide de zon akkerruim, dat hette uitdampte. In één bukkenden hurk, van knie op knie, schoven de werkers voort tusschen het prachtgroen, vervuild van zweet en martelenden pluk, met den steekbrand van zon op nekken en ruggen. Boven de aardbeibedden stond de lucht, blauwe jubel van uitspansel, stil van zoete geuren. In wierook gedrenkt, zwangerde de aarde van reuken, heimweevol en zalig. Met moeite zwierven klankgeruchten van straatjes [41]en lanen òver naar akkers, door de geurnevelen héén.—

In één kniel- en bukstand schoven ze voort, werkers en kinders, zonder òpzien. Met wat vluchtige happen was de voorschaft gedaan, en dadelijk weer stonden ze klaar, opgejaagd met ’t broodpaffe nog in hun maag; liepen ze uit schaduwluwte, koelend groen van ’n haag, naar de gloeibedden terug, kniegebukt weer, op heet-zandige paadjes.

Ze voelden wel, de werkers, dat ’t nu ging om hun rust, hùn bestaan. Als de eerste haal maar voorbijbroeide, was er van zelf weer ’n dagje kalmer pluk uit de onstuimige aankolking van werkhaast en ploeterjacht.

Elken dag kwam zonneschroei heeter neerdaveren over de akkers, die droog-stoffig smachtten naar lafenis, en vroèger in den morgen wroetten de tuinders op de zengende vlakte, onder ’t neerkokende licht, in opjagender grabbel tusschen hun aardbeien; de handen voller van vuur-fonkelende vruchtjes, die al dièper of hoòger kleurden in zonnelaai, donker bloedden of lichter bevlamden de aarde, in stil-ziedend rood, verstapeld in de vurige zuil-mandjes, als vloeide boven de akkers ènkel heet spel van purper en goudgroenen vochtigen weerschijn.—

Eindelijk was de groote haal ingevallen. Ouë Gerrit had van z’n berijpte akkers niets gehaald. De vrucht was niet gezet, stond er wormstekig en puisterig flauw-rood. Tòch zou ie ze beet nemen.—Maar z’n andere jonge hoeken, ’t vorige jaar pas ingerankt, stonden mooi vol, maakten dat ie niet al te zwaar gromde. En gelijk-áán werkte ie met de jongens op ’t land, gelijk ging ie met ze heen.—De hitte deed ’m zich plezierig, lèkker voelen en ’t geld dat inkwam gulzigde naar meer.

Z’n steelzucht begon wat te koelen in de hitte van den werkroes, en z’n eigen gebroken karkas, voelde ie alleen ’s avonds verschroeid op bed, als z’n vrouw naast ’m lag te puffen en te snorken met ’r lippenblaas. Even, nu en dan, bromde er wel wilde lust tot gannefen in ’m, maar de akkers stonden vol werkvolk, overal had je oogen nòu. Zoo temperde z’n begeerte [42]van zelf in de plukjacht, in de zekere opstapeling van de centen, dàn in die, dàn in ’n anderen kasthoek, dat de jongens niet wisten wààr. Alleen Guurt mocht ’t zien.—

—Manskappe, f’doag allainig ònraipe!.. in de sloffies.…

Gain raipe hoho!.… die naim tie puur nie.… had de Ouë, om half vier uit huis, in den ochtend ’t land opstappend, gezeid tegen de jongens.

Vroeg al zengde de zon, dat ’t zand onder hun heete, van strakken zit gekneusde knieën brandde.

Guurt, met ’r zwaar lijf tusschen de bedjes geperst, in ’n oud-blauw jak en dof rooien onderrok, smeet de goudlichte slofjes vóór haar de paadjes in, achter de hielen van de knielende plukkers. Haar strooien breed-gerande hoed, hoepelde scheef, met ’n zwart bandje, gesnoerd om ’r blanke kin en los rond de ooren, spinragde fijnste goud van ’r harenkrul uit.—Ouë Gerrit keek nu en dan onrustig rond of ’r wel achtereen gewerkt werd, naar Guurt en Piet en naar twee nieuwe plukkers, die hij nog met moeite gekregen had.

Oom Hassel plukte in mandjes met z’n kinderzwerm rondom in kruip en hurk tusschen de bedjes. Eén kerel liep tusschen de paadjes in, gaarde de mandjes bijéén, stapelde ze in groote houten bakken op ’n kar, aan den wegkant. Eerst nog moesten ze naar huis gereden en in den avond, naar de haven gebracht. Bak aan bak dáár op de kar, hijgde rooden adem uit, zoeten wierook. Bakbrokken, hàlf nog in zon, met de bronzen, hooge mandjes-opstapeling, gloeiden fel-rood, vloeiende bloed-glansen, in ’t groen geblaar verdoken. Andere uit zon, in luwte-haag van schaduw, verdampten karmijn, in gesmoord passie-rood. Daartusschen in, schakeerden de bakken in zangerig purper, diep en vroom, waarop weer nieuwe kisten neèrgesmakt werden, met zwaren adem, rood van opstand; vruchtbakken inzuigend ’t licht, rood-donker en diep als het smarte-hart van duister-fluweelen dahlia.—Telkens meer plukkers stapelden kisten òp, onder en naast hagen, met sla en wortelen, maar alles weer overstapeld door aardbeigloei, dat ’t klaterde en smeulde, hel-daverde en zong, ’t rood, ’t goud-doorvonkte [43]vruchtpurper, tusschen het rondom dringende uitwasemende groen, het goudgroen van boom en hagen.—

Overal verspreid, langs de akkers, zetten kleur-kleeren van plukkers, sjofel en gehavend, maar in pracht-koloriet er toonhoog in versmeltend, warmte en diepte tusschen groen en hemelblauw; waasde er zeef-fijn, gouddampend licht, een sfeer van bevende uitwisselende glansen òver den pluk-arbeid héén, die de werkers verheiligde in den geweldigen ernst van hun ploeter; wiegden en wuifden ’n licht-brio rond, die vèr, heel ver wègschoof wat dichtbij lag, als week ’t landschap, in de trilling van lichtdampen, geuren en glansen, onder den zonnedaver en hittenevel telkens meer en meer achteruit, àl achteruit.—

Drie kleintjes van oom Hassel, tengere meisjes, lagen ingekneld met blond-strooien hoedjes, verbogen als leger-des-Heils-kiepjes, met witte bandjes om blanke kinnetjes gesnoerd, stil te plukken, ’t kokende zongesteek en lichtgegolf op hun kleurige bradende ruggetjes.—Ze hurkten, knielden van knie op knie, en kreunden soms van pijn.

—Ik kâ nie meer van main stuut, kermde één, pijn-vertrokken rechtòp spannend ’t lijfje in ’r rood jakje, dat de borstjes zwollen, ’t kleine gezichtje even uitdook onder hoeddiepte. Suffig bleef ze uitkijken, een knuisje in de rugstuit gedrukt.

—Nou seg, mô’ je main knieë voele.… die binne heuldegoar deur t’met.

—Seur jullie tog nie!.. de son is ’n kwoaje veur ons.. en d’r is nog ’n heule doàg, zei wrevelig de oudste, ’n ruk naar beneden gevend aan den rand van ’r zonnehoed, de twee klagenden met gebaren opporrend te werken.

Zachter wrevelde ’r stem na:

—Kaik! Willem loert al.… aa’s ie jullie in de goàte kraigt.. bin jullie d’r bai.… bai foader!.…

De kleine, die ’t eerst geklaagd had over rugpijn bleef droomerig ’t bedje afstaren, ’r knietjes verhit en pijn-zwaar onder ’t tengere lijfje, speelsch de vuurlijn van purperende mandjes, vòòr haar padje, met ’r knuistje voor de oogen, brekend.—Gedachteloos [44]at ze wat aardbeien uit ’r hand òp, plukkend onderwijl door, zonder ’r naar te zien, nog speelscher in kinder-luimigheid òpkaatsend snel achteréen, wat vruchtjes boven ’r hoofd, roodglanzende kogeltjes, vurig de luchtblauwte in, dat ’t vochtrood spiraalde boven ’r schalks gezichtje. Als vlammige kurketrekkertjes puntten de vruchtjes nèer op ’r smoezelige blanke handjes, die dropen van aardbei-bloed. Maar gauw, met ’n angst-woesten duw in ’r rug en ’n snauw van ouder zusje òver ’t bed naar ’r toegebogen, hurkte ze weer in, grabbelden ’r pootjes tusschen het groen van ’t bladerengewoel, telkens vòller van fonkelend roode vruchtjes, ze voorzichtig neerkogelend in de mandjes.

De groote plukkers, mannen en meiden, knielden en hurkten, telkens wisselend van knie en houding, in gloeipijn niet meer wetend, hoe te graaien; schoven voort, zwijgend in koortsigen arbeid, in stommen worstel tegen de kookzon, die doorzengde, brandend op hun koppen, nekken en rug, dat hun goed heet verschuurde op ’t naakte zweetlijf. Vèr, òver hun dampende gemartelde koppen, bleef blauwen zalig azuur, tot achter zwoeg van verste plukkers. Gestalten in buk, kruipend over de akkers, vernevelden daar in hitteviolet, floersig en barnend. En tusschen hen in, joelden geuren en kleuren, in de klare zuiverte van het eindloos hooger en hooger vertintlend blauw, doorschijnend en rein als albast.—Tusschen het groen ging paars-korte schaduw op den grond van werklijven, die bewogen of sjouwden, bak ààn bak àf; ging licht wiegel en gouden heete trillingen van losse groenteranken, pal in ’t zonnevuur verterend, smeltend weer in zilveren afkaatsing, vergloeiend op kantblaadjes van hagen. En telkens ànders weer lag ’t land geblakerd en schroeiend gezoend aan de kanten, als spel van windkringen door boomkruinen heenwuifde, verblindende warreling van waterval-goudgespat tusschen bladeren-bogen neerstortte òver de paars-dampende hitteaarde. Telkens uit andere hoeken, vervluchtigde kwinkeleerende jubel van vogels, tierelierende zangers op lucht-fluiten, met cierfijnen fladder, donker scherend ’t hemeldiepe, blauw-roerlooze in. En soms, [45]beefde zachtjes en fijn, als enkel cierkronkelig lijntje van geluid, klaar kinderstemmetje òp in zang, achter hagengroei, ontroerend en dartel tegelijk.—

Achter Kees en Piet in pracht-roode rijen kronkelden de slofjes áán als blank gevlochten goud, ’t vruchtenvuur brekend in gloed, tusschen groen. Gaterig en bleek vlekten de onrijpe aardbeien ertusschen. Voorbij de vuur-omzooming van de groen-glanzende bedjes, tusschen ’t gevlam en geknetter van ’t doorzonde karmijn, liepen de kerels drukker met bakken áán en af.

—Snôf’rjenne Guurt, jai plukt te raip, schreeuwde Dirk onthutst.… sullie naime f’rdomme soo nie.… motte onderweg puur-en-raipe.… ’t is veur Duijtsland.. hep de Ouë nog soò sait.…

—Dà’ te raip?!.. Wel neenet! Hullie binne.…

—Debies! seg moar heé? Kaik dan sellefers.… kaik die!.. kaik diè!..

Dirk in rood-driftig zweetgezicht òvergebukt naar Guurt, wroette met z’n grove vuile handen in d’r mand, perste driftig wat aardbei fijn tusschen z’n vingers, dat ’t sap ’m langs de polsen droop.

—Nou.. daa’s ook alles.. moar kaik.. die!.. die!.. sain puur groene buikies.…

—Daa’s net.… f’rjenne, je knaipt hoarlie t’met tû moes! paa’s tog op maid.. blaif d’r òf.… ikke lief dá’ nie.…

—Wá’ ’n hupla’s die hep!.. sou je nie!.. sou je nie!.…

—Seur tug nie Dirk! lá’ ’r dur gangetje!.… gromde de Ouë van z’n bed af, bang dat Guurt er den boel bij zou neersmijten. Elk jaar nog had ze verdraaid te plukken. En nou, in ’n gril, gewillig deed ze mee, om wat extra centen voor de kermis te beuren. F’rduufeld, nou gonge de kerels ’r koejeneere, bromde ouë Gerrit.—Dirk had naar ’m omgekeken, zonder te antwoorden, z’n rood bevochte vuile handen, loom op z’n knieën afhangend, z’n gezicht verzengd pal in zongepriem. Roode vlekken dropen van z’n blauwe kiel en z’n blond-wit haar [46]plakte op z’n stompe voorhoofd in zweetkrul, onder de pet uit. En telkens even, in lodderigen oogstaar, probeerde ie òp te kijken naar de zon, maar dadelijk knipperde ie z’n oogen dicht, paf van ’t felle gepiek dat er inboorde, voelde hij zich blind gegooid met kokend licht. Z’n vuile broek stonk van smeer en zweet, zurig tusschen het geurzoet. Voort maar schoof ie weer in zwijg, niets begrijpend meer van den Ouë, waar die pas ze toegeschreeuwd had, vooral geen rijpe te plukken. En stiller den werkmiddag rond, schoof ie verder, voelde ie ’t woestijngloeiende zand onder z’n knieën schroeien en branden, verbukte en verwisselde ie telkens van knie, als er één, gekneusd en vergloeid, z’n zware paffe lijf niet meer dragen kon.

—God f’rdorie, geeuwde Piet, daa’s ’n kwoaje.… die son f’doag! main nek stoan puur in brand!.…

—Dá’ sou’k denke, je weê puur nie meer hoe je kruipe mot …

—Debies! main knieë sain deurmidde.… aa’s ’k katteliek waa’s lie’k main stempele! galgenhumorde een plukker half schuin naar ’n makker, die meezong Zondagsavond’s in de kongregatie.—

Dirk, in den winter nooit sprekend van den zwaarsten zwoeg, morde, giftte nou, in verhitte worsteling tegen de zon, die ’m roosterde en martelde, waartegen ie ’n woesten haat voelde. Z’n rug stond den heelen dag in brand, z’n nek stramde verlamd in steekpijnen van voortdurenden buk en z’n branderige schonken schuurden jeukerig tegen z’n vuil heet afgesjokkerd baai goed. Guurt schreeuwde dat ie moar s’n laif d’rais most boene, mi’ wa’ woater.…

—Da’ doe’k f’noafed t’met bai de put! da’ selle wai hebbe.

—F’noafed is d’r gain tait.… hee!.. Joanse, scherpte Piet voort tegen den katholieken plukker,—nou bi jai stempelt, hee?.… moar hè je nou puur gain pain in je donderemintje of peseer je ’t kerrikie.… mi je skietgebedje.… G’loofd sai Jaisis Kristus.… en de hailige sekreminte des oaltoàrs?.…

—Laileke duufels-toejoager, bromde die terug, hoor je main kloàge?.… [47]

—Nou ikke stoan t’met dertien uur te plukke.… ik bin d’r hard stikke-dood van.… main stuut is deurmidde.. ha’ je nou moar je maid hier Janse.… veur ’n f’rsnoàp’rinkie!

Janse zweeg, giftig op Piet, dat ie met z’n geloof begonnen was en z’n dochter. Dat kreng had schande over z’n huis gebracht. Had ’n tweeling van ’n los werkman, die zich dood zoop. En zij werkte nou op de Wierelandsche fabriek van ingelegde groenten, tusschen ’n hoop van dat meidenschorem. Vier maanden geleden had ie ’r de deur uitgetrapt, met ’r dikken buik, en nou begon die kerel er weer van te klesseneere..

—Wat ’n gesoànik, schreeuwde ouë Gerrit naar Piet, al kon ie bijna zelf niet meer van pijn, toch voortploeterend in heete werkjacht.… wai doene ’t allegoar.… jai mi’ je stuut en jai mi je knieë.

—Nou? watte?.. allegoar ke’ je hoore skraiwe?.. die is f’rduufeld ’n meroakel.… mó’ je main of main jassie? dolde Piet geraakt toch.

—Hoho!.… hoho!.… wá’ sou da’ t’met hain? vier en vaife en nie genog aa’s.…

—Hain?.. Welneenet.. aas ’k moar wa’ neusiesverf had, sou ’k main vast.. ’n kwassie smaire!

—F’rdomd! sel nie beure! sel nie beure! krijschte de Ouë, bleek grauw van schrik en hitte,—òp ’t land komp gain druppel, hoho! hoho!

In langzame optrekking van z’n linkerknie, met z’n handen steunend in ’t gloeiende zand, had ie zich uit z’n strammen hurk opgericht. Z’n rug voelde ie vlijmen van pijnen en z’n beenen stonden heet te trillen onder z’n lijf, als zou ie instorten. Piet gromde kwaadaardig:

—Skreeuw moar nie.… set ’t nie op je heupe.… maan! moak goàr gain relletjes.… aas ’k ’n urretje likke wil soa’k jou nie vroage!.…

—En jai Kees? vroeg Dirk, hep jai ’t lekker?

—Kees, Kees, bromde Piet weer, die hep gain rug, gain stuit, gain kop, die hep niks!.… goàr niks!

Stil zwoegde Kees door, ’n endje van hùn bed af, zonder [48]omkijken, in strakken loer op de aardbei, met uitgolvenden slag z’n manden vullend, tweemaal sneller dan zij.—En telkens àchter z’n hielen, draaide ie ’n gouden slof neer met trillend vuur.—

Op àl de paden, achter de akkerhagen, stonden groote bruine, rauw-groene en roodbemeniede handkarren, zwaar beladen met goud-glanzende sloffen en bronzen mandjes.—Van allen kant tegen den middag, kwamen de plukkers aansjokken met bakken, sloffen; geurde en smolt ’t vruchtenrood en sap inéén met gras en groentearoom, als wierook door de lucht uitvloeiend en verwaaiend. De hemel wiegde zwijmeladem en bruiste zonnedronkenschap door ’t stedeke. De luchtkoepeling stond gespannen in prachtglans van blauw, hoog boven de kruipende plukkers en pluksters. Overal, in de paadjes nu, achter de hagen, slangden de purperen regels in gloeiende zoomen. Kielblauw en kielrood, ademde hoog de zonnehitte in, en strooien hoeden blondden al meer in ’t jubellicht. Tusschen de doppers, kronkelden fel-groen, de duizelig lange slakroppen-regels, blank beschubd, en de jonge erwten glansden naast de bladzilvering van tuinboonen. En woester, gelijk met zomerroes, zonnedronken van licht en kleuren, ging ploetering òp, jagender. Alle handen koortsten rond in den grooten haal. Ze waren besteld de tuinders, door ’n paar groote afnemers uit stedeke, die in Engeland en Duitschland hùn waar met flinke verdiensten van de hand zetten. Duizenden op duizenden kilo’s moesten geleverd worden, naar spoor gedragen door de werkers, dààr gewogen en verzonden.—

Iederen dag làter in ’t saizoen, kon de prijs van kilo’s dalen, als van alle kanten te groote oppropping en aanvoer kwam. Daarom, in woeste jacht, met zwarte afgunst onder elkaar, heet op voordeeltjes, plukten ze in koortsige haast, om anderen vóór te zijn, als ’t kon; anderen er uit te smijten en op moment dat aanvoer ’t minst nog leek, nieuwe bestellingen bij te krijgen; al was er in den winter al kontrakt gemaakt voor vaste levering, met iederen gast die wou.—

Dirk had van ’t doorloop-pad àf, op den akker ’n groote [49]kar met verlengboomen, om breeër op te laden, volgestapeld met sloffen en manden. Wat bàkken daarboven òp, versjouwde ie mee naar de hàven, de mànden naar ’t spoòr. Jan Hassel de minst-vijandige neef, reed mee den weg op naar ’t station. In zweetdamp, met bemorste kielen, geurvracht hoog opgestapeld en wijd-uit geladen van achter en van vóór, tot op de handkruk, zacht zwiepend op de verlengboomen, verduwden ze hun loodzware karren, met borst en armenspanning, pezig-gestramd, ’t lijf in rukkende stooten, Wierelandschen straatweg over naar ’t station.

Zonlicht zoog heet in ’t vruchtenrood. Over de manden lag bladgroen van tuinboonen, fluweel-zilverend er om heengestrooid, tusschen het purper, dat glansde als koralig licht-glimsel.—

Achter Dirk en Jan Hassel áán, ratelde een stoet van karren, geduwd door tuinders, gelijkelijk optrekkend in lawaai en gedrang naar ’t spoor.—Bij ’t zijhek werd halt gehouden, zwenkten om beurten ’n paar groenboeren de karren àchter de gele, schroei-zonnige omheining.

Van Lemperweg, haven en zijstraatjes, ratelden en woelden meer karren áán, gloeide ’t karmijn en purper, al naar aardbeisoort, in de gouden rietsloffen of blank-gele ronde manden; wierookte al zoeter, dieper vruchten-aroom heet-zomersch over ’t plein; vuurden en vonkten de aardbeien van alle kanten, zonnedronken in blaker, onder trillenden zonneroes.

Kerels met vermoeide, grimmige koppen, paarsig vergrauwd van zweetvlekken, uitputting en zwoegdrift, duwden òp, woelden, zwenkten, trokken hun karren, schreeuwden en vloekten tusschen gedrang, geratel en gedonderbonk van karren en manden. Trekhonden, afgemartelde beesten, verwoed van hitte en dorst, blaften gillend en bassend, stonden of lagen tusschen de kleurig-donkere kar-assen ingekneld, met riemrepen over neus, bek en nek gekneld, ademstootend in snellen hijg, woest schuim verkwijlend.—Van vier uur al ratelden en bonkerden wagens en handkarren áán. Bergen manden stonden opgestapeld naast wagens, apart voor aardbeivervoer, vastgehaakt.— [50]

Op ’t station, aan achterkant van ’t zijpad, zat ’n man vóór gewichtstoestel, verzweet en gejaagd, in ’t ratellawaai en schreeuwrumoer om ’m heen, tusschen treindrukte, loop van passagiers, kruiers en zwellenden aanvoer van waar, met z’n bonboekje in de handen, afrekenend wat ieder leveren kwam. Telkens achter ’t hek, als ’n tuinder klaar was, zwenkte ’n ander uit al sterker aangedromde, woelerige karmassa, schuin tusschen de latten-omheining, op grof-bonkerig gekei, ratelde de leegte achter ’m dicht; stond ook diè weer met ’n berg nieuwe manden en vruchten voor den kontroleur. Voorzichtig zette iedere tuinder z’n rood-vochtige manden met aardbei op de èven boven den grond zwevende schaal, netjes op elkaar inschuivend en voegend al meer en meer, tot de heele vracht van hun kar afgeladen was.

De kontroleur, met z’n zweethoofd, z’n gezicht doorgroefd van zorgtrekken, overspannen arbeid en vreemde zenuwtrilling van lippen als geluidstroom en herrie watervallen over hem uitstortten van haast en jacht,—woog af, trok handvat van weegschaal achteruit, loerde intusschen naar kwaliteit der vruchtjes.

—Naam! vroeg ie kort, met moeë stem, ’t zweet van gezicht onder oogen en om neus uitwrijvend met rooien doek, waarop ie bang keek, na elken zweetveeg.

—De Kaiser!

—Wie?.. Piet of Willem?

—Willem!

—Achterweg?

—Welneenet!.. Slangetje!

—Slan-ge-tje herhaalde ie brommerig, zich zelf dikteerend, onder snel geschijf, afscheurend in rakettige karteltjes het geperforeerde reçu.

—Hier anpakke!—Weer schuurde z’n zakdoek langs z’n zweetnek en hals, veegde ie met nijdige rukken ’t vette nat onder z’n hemd weg. Dirk en neef Hassel konden met hun karren ’t zijhek nog niet in. Achter hen áán, dromden al meer paardwagens en karren met de hijg-sjokkende en duwende [51]kerels er vóór, in al sterker áánstroom van aardbeien, purperende neergestorte wolken van rood licht, fijn-prikkelend doorgeurend weibrok, paden, stationsplein. Gevloek en geharrewar van rauwe vermoeide stemmen, krijschte òp uit woesten sjouw en gedrang.—Doffe blaffen basten tusschen hoognijdige keffers en kermende hondestemmen òp,—dwars door menschengeschreeuw en ratelgeraas, dat hooren en zien verging. Kisten en manden, leeg en uitgehaald, keilden rond achter ’t hek, waar ’n geholpen groep afzakte, en overal dromde gegrom en driftig geworstel der zwoegers, tusschen hun geurende stille vruchten in, hun roode bergen van geur en vonkpracht.—Op elkaar hitsend, afgunstig en nijdig, wou de één den ander voordringen. Plots kwam er lucht in worstelende ploeterende bende, konden ’n paar wachtenden inzwenken, met hun wagens en verlengde zwiepboomen, ratelden er karren wèg, dwars tegen aandrommende massa in.—

—Nou debies! Ik ke’ nie langerst wachte, krijschte éen uit den karrenstoet vóór ’t hek, met grauw zweetgezicht, vette kerel, paf van hitte, uitblazend van vermoeienis, gekneld z’n dikke lijf tusschen andere wagens in.

—Hulp d’r sain effe eerst, gil-schreeuwde één achter ’t hek, tegen kontroleur, die nu op ’n ouë mand zat, met z’n bon-boek op de knieën gedrukt, rondloerend overal heen, of ze’m niks bestalen, alles goed verstapeld werd in de donkere wagons.—’n Blauw potlood stipte ie telkens nat tegen z’n mond áán, dat z’n lippen paarsten als zou ie plots ’n beroerte krijgen. Van ’t toegeschreeuw, de rumoerige hurrie en onrustjacht achter ’t hek, maakte ie zich niks hooren.—Vóór ’m stonden de tuinders, hun waar verladend op ’t breede, lage, met stof-vuil overwaaide weegtoestel.

—Acht honderd kilo van?.…

—Joapeke!

—Jaapeke uit?..

—Lemperweg!..

Snel kraste z’n potlood, stonden de tuinders voor ’m ingebogen te loeren, naar de koortsige krabbeling van blauw puntje [52]op ’t blanke schitterpapier, waar ’t licht op beefde. Bij ’t ontvangen van reçu, hielp de tuinder z’n waar van de schaal laden. Twee smerige kerels, vergrauwd in zweet van zware werkjacht sprongen òp en àf uit de binnen-in-donkere wagons, half volgestapeld. De mannen rukten Jaapeke z’n manden en sloffen uit de handen, grepen ze van de weegschaal, klauterden met de aardbei wagons in, dat de purpering kwam te dooven tusschen de morsig bestofte houtwanden, waar àl hooger en duisterder de geurvrucht op elkaar gesmoord, in verdook.—

’n Twintig meter van den kontroleur af, op ’n weghoogte van grove keibestrating, àchter omheining, propte nòg ’n drom karren, rumoerde landvolk met waar en manden, bij ’n konkurrent-kooper, ’n Duitscher, die onder geeldoekig tentje, waar zonnebol gloeiheete lichtschaters op néérproestte,—aardbeivrachten innam en verzond in andere wagens weer.

’n Ontzaglijk dik wijf met reuzinneheupen, en magere dochter, langhalzig en beenderig geitengezicht, zat achter ’n klein kleurig tafeltje onder ’t brandende tentdoek te schrijven, reçutjes en kopietjes, terwijl zwaarbuikige Duitscher afwoog en loerde naar de vruchten, met z’n glimvettig bollig zweetgezicht.—Achterover, op z’n kruin geplakt, blankte ’n wit-stijve automobielpet, glansfel beklept.—Met iederen tuinder rumoerde en streed ie kort en stemsnauwend-krasserig, over gewicht en waar. Moe’, niets begrijpend van z’n Duitsch gebrabbel, stom en dorstig in de hitte van d’r zwoeg, kregelden hun ruwe gezichten, vervlekt van zweetvet, streken ze hopeloos en zorgelijk in angstig spiervertrek van zenuwmonden, handplat langs hun voorhoofden en monden, losten ze verder, zonder ’n woord verweer, wachtend op reçu.

Aldoor weer ’t oerige moederwijf brabbelde wat tusschen het gebrauw van den zwaarlijvigen mof. Lacherig en spottend, gromden eindelijk de kerels in vloek wat terug, verlegen onder ’t niet verstaan, òpkijkend telkens naar bemiddelaar, die naast ’t zengende tentdoek stond te schroeien in zonnevuur, allerlei zure grapjes uitlolde tegen langhalzige geelmagere dochter met den geitenkop en enorme, vetdijige moeder. Onder geschrijf [53]en overgereik van bons aan tuinders, schoot zij,—onder fluisterend gekonkel van bemiddelaar in ’r ooren,—om ’n haverklap in proestlachen uit; schommelde ’t moederwijf van gierpret, ’r logge boezem lang nog nàbevend achter klein tafeltje, dat meelachte in lichten sidder tegen d’r schuddenden vetbuik. Toch, ieder keer duwde ze den kerel met ’r vette worsthanden soms midden in ’n grap, ruw buiten de tent, loerden zij en ’r dochter naar de weegschaal, of d’r niemand bedroog; gingen d’r sluwe klein-grijze oogjes in ’t pappig opgeblazen maangezicht lichtend rond, in kring der sjouwende werkers, die doorlaadden en losten, in stommen zwoeg, donker, morsig en vergrauwd, tusschen ’t schittervuur van hun vruchtjes. En stapel op stapel, purper leven slurpte op, al meer, satanisch-gesperde muilen van donkere wagons.—

Kleurigste hurrie daverde rond den kontroleur, verder op.—

Eindelijk was ’t Dirk’s beurt om te lossen, zwenkte ie vóór, met z’n zware kar, wrong en schuurde ie door engen hekingang, in giftduwen tegen de kruk, dat z’n kop te barsten stond, zwellend van spierspanning. Zweet droop van z’n wangen in de sloffen, toen hij mand voor mand van z’n kar op ’t weegtoestel schoof, berekenend, nauw passend en insluitend de manden, onder ’t opstapelen.

—Van?.… vroeg kontroleur, al klaarstaand met potlood op de lippen, tongpunt er tegen aangedrukt.

—Hassel!..

—Welleke Hassel?.…

—Gerrit!

—De Blommepot, gromde ie voor zich uit, veerend op z’n mand, blauwe krullettertjes op z’n papier krassend.

Dirk in zweet en zon, stapelde dóór van z’n kar, rustig op ’t toestel.

—Hee, hield plots kontroleur z’n arm in, met ruwen schreeuwstoot, van z’n veerende mand opspringend,.. wa’ is dá’? die mand dààr.… en die?.… daa’s drek!.… ke’k niet gebruike!.… [54]

Dirk hield op, keek verstomd met z’n koeienblik den kerel aan, die weer was gaan zitten.

—Wa nou?.. wa’ bruike?..

Hij wist eigenlijk wel dat ie twaalf sloffies met vuil goed had meegekregen. Ouë Gerrit wou, woù nou eenmaal van de berijpte vervreten hoek wat pluksel verstoppen ònder de beteren, om zoo nog wat te beuren van z’n teelt, denkend dat in de drukte geen sterveling ’r op letten zou. Drie tuinders hadden ’t er op die manier al door gekregen, waarom kon ’t hèm ook niet lukken?

—Droal nou nie soo Hassel, donderden achter ’t hek wat kwaadaardige stemmen, van ongeduld barstende tuinders, wai hebbe ook ’n kilotje!

—Stik doar, schreeuwde ie terug. Woest nijdig begonnen plots z’n koeienoogen te werken, en kwaadaardig te schamperen van wreed licht.

—Daa’s d’Ouë s’n skuld, bromde ie zacht voor zich uit, die hep main d’r làte inloope.… da kreng.… en nou opelik betroàpt.… ’t foàrke sou je kefuus moàke.…

—Nou! nijdigde kontroleur uit de hoogte.. Stapel die rommel nou maar weer weg, want neme doen ik ’t nie.…

—Moar maa’n! je laikt puur daa’s, se benne bestig, loog Dirk, om zich te redden.… allaineg ’n baitje stainderig meskien!.…

Kwaadaardiger vertrok kontroleur z’n zweetmond. Hij was weer opgesprongen van z’n mand, die knarste en kraakte onder z’n lijf.

—Als jij hullie nie van de schaal neemt, donder ik se fierkant tege de wage an, jou drek!..

—Stik! dá’ bi’k tog sellefers bai, hee? Daa’s f’rdomme twee doàg kromplukke weust.… twee doage!.… dâ je je donder deurmidde barstte.… en nou veur niks werkt!

—Al had je ’r ’n beroerte an gekarweit, ik neem se soo nie.. en fort nou, gauw ook! d’r blijve nou alleenig die veertig mande daa’s.… kijk!.… zes.… honderd.… kilo kijk! kijk!

De gewichten langzaam natellend, ingebukt en waggelend [55]op z’n veerende mand, krabbelde ie de vracht op z’n boek àf. In dralende weerspannigheid had Dirk weer z’n twaalf manden van de straat op de kar geladen. Achter zich zag ie neef Hassel staan, klaar met z’n waar, in schamperen lollach op sarsnuit dat Dirk z’n rot boeltje terug gekregen had. Prachtig glansden neef Hassel’s manden, rond en hoog, op de handkar. Z’n bruin eikenhoutige wagen, met lichtblauw beschilderde wielen, als azuren raderen, waarin verflitsten de spaakjes in zongespat, kleurfel òpkringend tegen de daverend-oranje bemeniede assen, gloeide in zomerbrand, met z’n hel-roode aardbeistapels, rondbroeiend geurende warmte van glansen. Op elken mandrand, goudvlechtsel in zonnegloed, had ie groene bladerenkranzen geslingerd, tusschen het zingende warmhooge rood, en half beschaduwd vruchtenvuur, dat ’t frisch jubelde bòven de karkleuren.

—Daa’s siek veur niks, lachte kontroleur, se gaan toch de kist in, wees ie spottend op de wagens.

Dirk stond nog achter z’n neef, woedend neer te kijken op kontroleur. Die vervloekte Ouë … Most.. ie sain da lappe?.. hai sou sàin t’met de mande veur s’n skainhailige tronie sloan.… Sóó hep hai nog sait daa’t goàr nie gong.… nie gong.… f’rdomme!

Maar kontroleur, begraven onder nieuwen werkdrom, zag niet meer naar ’m om, loerde alleen rond naar vervoer, gewicht, wacht op reçu’s.—

Onrustig keek ie telkens achter zich, of alles wel vlotte en niets gegapt werd; of de kontrabons klopten, de wagens zuinig genoeg bestapeld werden.—Te zweeten, te zuchten zat ie van ’t aandrommende werk, rondom z’n overal kijkend lijf, in ’t geraas van treinen en dreungesmak, getier van ’t landvolk, dat van ongeduld sterker schold en trampelde voor hun karren. Nu en dan, heerig en afgemeten kwam patroon van kontroleur even kijken of de boel liep, stond ie dwars in den weg dat de tuinders ’m omver boften met hun karren en manden. Gauw had de heere-baas ’m gezegd, dat kontroleur zich niet moest laten beetnemen door ’t goochelend sluwe volkje; [56]dat alle vergissingen en terugzendingen voor zijn rekening kwamen. Dat wist ie wel, en gejaagder loerde, zweette, vertilde ie de zware gewichten.—

Dirk had zich àchteruit door den drom wachtenden met z’n kar heengewerkt. Achter ’m laaide ’n roode gloed van purper en karmijn, waartusschen ’t landvolk woelde, met ’r sjofele stinkende plunje, bronspilow broeken, zwart-fluweelen truien, vuil-blauwe en lakrooie kielen, grijs-bruine en goorgele hemden.—

Nou moest ie nog even, achter de Duitschers, om nieuwe sloffies.—Van ver zag ie al ’n troep tuinders worstelen en dringen bij ’n wagen op tweede rails, met leeg aangevoerde manden. Z’n kar zette ie vàst tegen ’n boom vóór weibrok, en wrevelig achter ’t spoorhek drong Dirk dwars door den stoet.—

Ze vochten in nijdig gedrang, rond den wagon.—De een duwde den ander achteruit. Met trappen en stooten, in furiënde werkkoorts, doken telkens ’n paar weer in den nauwen wagon, op geschreeuw van den grooten aardbeikooper en mandeigenaar, die aflas hamen van tuinders.

—Hulers vier pakke, dreunde z’n stem, z’n oogen strak in loer op ’t lijstje.

—Persint, schreeuwde ’n kerel terug, dook weg in den nauwdonkeren wagon, holde den anderen kant weer uit met ’n trits sloffen aan ’n touw, door de hengsels heengeregen.

—Daa’s meroakel gemain!, krijschte éen woedend, altait Hulers veur ’n aêr,.. daa’s puur de fint van de bestige woar!…

Een brutale, met roet-zwarten baard om geelbleek gezicht en smalle schuwe oogen, wenkbrauwen neger-donker, rukte ’n tuinder z’n mandjes uit de handen, vloekend dat ie al drie keer voor niks hier was, op die manier niet plukken kon, z’n boel verrotte op den grond. De baas, er bijstaand, mengde er zich in, maar ze snauwden, verdrongen den heerigen vent. Hij voelde dat ie in zoo’n geweldige, stuipige werkjacht, z’n meerderheid verliezen ging.

—F’rek jai skorum, vloekte en tierde de onthutste tuinder, verhit van zongepriem, dat z’n oogen in brand stak, afgejakkerd hijgend van uitputting en sjouw. [57]

—Ke’ main puur niks bomme.… ’k hep in twee doage al nie plukke kenne.… soo lait main oogst veur de waireld.

—Moar daa’s main.… skar! duufelstoejoager.… kabbeloebeloap!.… Doòr schold ie, wou op den zwart-baardigen kerel instormen, maar tusschen hen in drongen andere zwoegers, worstelend om sloffen en manden, den wagon òp en instormend, grijpend en rukkend wat ze maar krijgen konden.

—Jorisse!.. riep statig baas af, acht pakke.… om schijnorde in de bende te brengen.

Maar niemand die naar ’m hooren wou.

—Wat ’n janboel, bromde Dirk, die met z’n stiersterke boffende schoften door ’t gedrang en gewurm der half vechtende en razende kerels heen gestooten was, magere zwakkelingen op zij duwend. In de woeling en hitte van ’t gegrijp, gedrang, en geroep werden als verschoppelingen de zwakkeren vóór- en achteruit gemept. Bòven de koppen en kromruggen van ’n troep tuinders, die aandrongen op één plek, graaiend naar sloffies met armen vooruit, in woeste hebzucht,—deed Dirk z’n greep, met z’n granieten krachtarm naar één kant waar ie ’n lossen stapel in de gaten had gekregen.

—Daa’s jou beurt niet.… terug! schreeuwde ’n wagonknecht, luisterend naar den afroep van patroon.—Maar terwijl die bij één wagon-end aansjouwden en afweerden, ganneften ze aan anderen kant de sloffen wèg, in tierend kabaal en worstel.

—Ikke hep ses pakke, skraif moar roak! beet Dirk af, de rist manden over z’n schouers gooiend na ’t bindtouw eerst stevig om z’n hand gekneld te hebben, dat ’m niemand wat afnemen kon. Luchtig was ie den wagon uitgesprongen, lollig zich voelend, dat hij weer voor ’n pluk geborgen was met sloffen.

Honderden, teleurgesteld en woest, nijdig gromden en raasden tegen de kontroleurs en bazen, waarom ’r niet meer manden waren. Een, wachtte al drie, ’n ander al vier volle dagen.

—Ke’k niks an doen, laike puur roofers.… schreeuwde ’n kontroleur, morgeochend om vier uur.… stoan d’r weer twee woages, mo’ jullie moar ’n vroegertje moake!..

Zóó, in zwoegzweet vergloeiend onder schroeizon die ’t kokende [58]licht rond ze neerdreunde, doornageld van steken, gemarteld en vergramd, huilde in raas-drift hun klacht naar gereedschap, barstte hun haat en afgunst op elkaar uit, in woest gescheld en getier; steeg de koorts van hun werkjacht, hamerde de pols van hun arbeid heeter, hooger, onmenschelijker. Hun ploeterramp dáár, lag als ’n lijk te ontbinden, tusschen het gouden daggeluk, het jubel-geschater van licht, de wellustzwijm van geur, tusschen het groen en ’t hemelreine, wijdzalig azuur, waarin het leven bruiste, en de kleuren klaterden.—De wilde storm en donkere furie van hun arbeid, brandde en stuipte in ’t rood van hun vruchtenzee.. Verbitterd in stillen wrok, stond er verwoesting van leefrust op andere koppen gerammeid, driften van zorg en geld-haal, die ze razend maakte, razend.

Aan weirand tegen spoorhek, èven buiten den worstelkring van schreeuwers om sloffen en ronde manden, stond droef-verschrompeld in eenzamen staar, ’n blinde man op klein orgeltje te draaien, z’n kaal hoofd pal in zonnevlam, brandend op schedelnaakt.

Tusschen gebonk en geratel dóór, schoten melankoliek, triest-zachte klanken uit z’n ween-instrument, dat met ’n riem over z’n borst gesnoerd, vóór z’n buik hing, steunend op ’n kort schuinen poot in ’t zand.—Eén mager-gele hand lag te beven op ’t bovenblad van z’n orgeltje, en de andere dor-uitgepeesd, draaide, draaide! Wèg zonk klaagstem van weenend orgeltje in den tierenden werkroes van ’t land volk. Bloedrood vlamde ’t omlijste gaas van orgelkast, vurige poortjes in ’t licht. En stil, krombeenig ingezakt, magerde z’n schreiend-sjofele figuur, in groen-roode jas, als vastgenageld, gekruisigd tegen ’t hek, eenzaam in de drift-woeling van ’t worstelende werk. Vóór ’m, op ’t heete gras lag ’n verluisd vuil mandrillig kereltje te smakkeren op wat verkneusde weggeworpen rottende aardbeien. Stommer, pruttelden de dooie droge lippen van den blinde, angstig gissend waar z’n zwijgend geleidertje ’m neergeduwd, had. En lang, heel lang bleef zon, sar-heet priemen op z’n naakt schedelvleesch, op z’n mageren, smal-hoekigen kop, angstigden [59]z’n staar-oogen, als in luistering naar wat ze niet zien konden; draaide de hand, draaide, draaide uit, droef klankengeween, verdoofd wegvloeiend tusschen de furiënde aardbeienwoeling en felle glorie van zomerbrand, overal rondom.

Veel later, in den avond nog, dromden meér karren en wagens áán, lag ’t aardbeipurper en karmijn te koortszingen in ’t avondgoud, kwam ’r nieuwe vloed aanspoelen, aangolven, op de ratelhotsende karren, dampend nu in bovenaardsche zonglanzingen.

En van allen kant, de zwoeggezichten keken strakker, vermoeider.—

Op ’t stationsplein vóór en achter ’t hek, oproerde ’t nu, drongen en worstelden in beangstigend stillen drom, stóm van werkaandacht, de late plukkers. Wagons stonden in vreemd goudrooden gloed, in schijnsels van kathedraligen lichtdamp, overwazend de ploeterkoppen. Voor hun oogen verdroomde in nevelige pracht, ’t groene, eindelooze polderland, heel vèr, in ’t zinkende licht. De aarde dáár scheen te verdauwen, te drenken de verschroeide vruchten, en in zomermist zoelden de zoete grasgeuren en bloemenrook van de weiden en akkers òver naar den spoordijk.—

Sappig, in groen-zilverenden en aureolend rood-zachten zonneglans, vredig en hitteloos, verkleurde ’t weibrok vóór ’t station waar blinde man gestaan had.—Lemperweg, zwaar beboomd, groende in fijne lijngolvingen tegen goudregenende luchtverte.—Dáár vertintte donkerder purpergoud, in ’t al zinkende late licht, àchter de zwoegers, die verteerden in den dronken hartstocht van verkoop, de geweldrazernij van aanvoer en afname, niets meer zagen van ’t leven, rond hen heen. Van alle kanten stroomde nog áán zoete vracht, in wemeling van rood, róód, in al heerlijker schakeering, ’t zoetste purper, tusschen helsch vuur.—Over den karrendrang groeide de wondre avondzon, met z’n uitpralend madonnagoud zeefsel van broos-zinkend licht.—En hooger, tegen de scheemring in, stapelden òp de wagons, en zoeter rookten de vochtige geuren in den verdroòmenden lichtval.—

Tòt laat in den avond,—Lemperweg in boomenschemer al [60]te wiegen lag in zalige zomer-nachterust, heel Wiereland verzwelgde in geuren en zoete kweel-geluidjes van wei en weg,—bleef tuinderszwoeg àchter en vóór ’t hek drommen; bleef donkerder vonken ’t vruchtenrood, schonkeren en botsen ’t martelend geduw van atlaszware sjouw-vrachten. Al meer verduisterde de roode vruchtenzee in den zachten ruischgolf van scheemring, verduisterden de kerels méé in de azuren neerkoeling van nachthemel. Woest wrevelig staakte eindelijk de zwoeg, ratelden de karren terug naar krot en straat, akker en pad.—Te donker werd ’t om verder te lossen.

Stiller nu op ’t spoorplein daalde rust, vernevelde de polderwei in nachtelijk, droom-donker groen, in heilige stilte, als ruischte elke grashalm heilig nachtgebed uit.

Dieper nageur van vruchtenzoet bleef aromen over ’t plein.—Van verre, uit teere, avond-doorschemerde laantjes klonk vedelweeke stemmejubel van ’n meisje, avondklanken verluiend in den zomernacht, als heimwee-zoete herderszang.

En wijd, almachtig, in diep blauw, zaaide de nachthemel z’n sterrengoud uit; hemel als eindlooze fonkelkoepel plots in ’t duistere azuur gegroeid, waar geruischloos gaas-ragge engelenvleugels, zilveren glansen heiligend doorheenzwierden.— [61]

[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

Zonnezang daverde over de gouden akkers!

Zomer- en werkroes in Wiereland en Duinkijk, steeg, stéég.

Aardbeihaal werd op z’n hevigst. Alles in huis lag vergeten, verwaarloosd, vertrapt.—Elke lèvende hand moest graaien, elke rug moèst bukken, elk hoofd verzengen in zon. Nergens was volk genoeg. Geld van ontvangst kwam instroomen, verhitte de tuindersbazen, beduizelde hen, als ademden ze in tooverland. Kindertjes van twee, drie jaar, liepen tusschen wat ouderen, verwaarloosd als morsige honden, verstrooid in de laantjes rond; schooierden op zon-doorzengde erfjes, die rookten van hitte. Huishoudleven bleef in stàrende verwoesting, in de stille smoorheete krotjes achter.—Vrouw en kinders, die éven maar wat beseften, knielden en zwoegden in zonnegang van ochtend tot nacht, gelijk òp met volwassenen. Midden tusschen den aardbeibrand zwollen de doppers, de suikerraspers, zoetig en teer lichtgroen.

Tusschen den aardbeipluk kwam de erwtenhaal indringen. ’t Joeg, ’t joeg. Als ze nòu niet gehaald wierden, groeiden ze te dik, zwollen of verrotten ze in verpestenden honingdauw, die neerviel op de erwten en heele regels in gelig-kleverig vocht verschroeide.—

’t Brandde ze in de handen de werkdrift, en zoo kwam nù, tusschen den zwoeg van den aardbeipluk, de erwtenhaal.—

Zonnezang daverde rondom, elken dag heeter, schroeiender, uitdrogend de akkers, waar ’t zand op blakerde als heet paarsgruis, bij ander grondbrok soms, gelijk wit vuur, blink-hevig in stillen damp kokend. [62]

De eerste gouden zomerjubel van wei en boom was weggelicht; gras en blad verstoofden al zachtelijk in moordenden broeidag en overal langs zeeweg en lanen, wolkte zand, verstikkend terugzuigend op hagen en gebladerte, de nerven begravend onder dorre grauwe asch.

Barnende hitte in grijsblauwen hemel, grijs van warmte, wijd uitstralend in fellen zeng, trilde over de werklijven, stom in hun arbeid, nu zomer ging rondom branden en moorden.—

Hun koppen, vroeg al doorlanst van vuur, dat neerlaaide uit verblindend fellen zonnekring, in witte gloeiing,—vlekten en gromden verwoest van wrok en zweet, sjouw en inspanning. Hun lijven, doorkleft van zurig nat, voelden verlamd, verweekt onder den brandheeten lichtval, die dreunde en bazuinde om hen héén, in roostering van leven.—

In stil-sidderende Julihitte, stapte Kees om drie uur al z’n erf op. Wimpie had er om gesmeekt buiten te zitten, elken dag nu. In ’n krakend, gebarsten wagentje, dat Ant van ’n Wierelandsch notabele gekregen had, zat Wim lang buiten de dampige kamerbenauwing. Heel voorzichtig, terwijl Ant wat hompen brood sneed en de kinders, ontbloot en vervuild, nog snurkten in de stikkend-broeiende bedsteetjes, droeg Kees Wimpie naar ’t erfje, schoof ie ’t kapotte kinderwagentje met z’n lammen kap, tegen ’t goud-okerende muurtje van z’n huis. Groenig-grauw dorde Wim’s doodskopje, tegen de goud-paarse weerschijnen van wandkleurig vochtspel; lag ook z’n lijfje pal in de zon, schuin onder ’t hooge raam, waarvan de vuil-bruine postrand, den heelen dag doorzoemd kookte van groote, dikke razende vliegen, die kringden op ’t heete ruit, dat gloeide als smidse. Fijn, boven z’n steen-bleeke ooren, rankte lichtgroen, ciergebogen, de wilde wingerd.

Den heelen dag maar staarde ’t ventje voor zich uit, op den zandigen zeeweg, in ’t verre prachtgroene duister van diepe kastanjelaan, in tuin van Jonkheer van Ouwenaar, of bijzij, naar sparreboschjes en ’n paar angstig krom-gewrongen knotwilgen vòòr aan den weg, groeiend hoog in de lucht, met [63]wortel-klauwen bloot, in kramp-greep tusschen ’t duinzand uitvingerend.

Nou lachte ie, ’t zachtzinnige vrome kereltje, met z’n groote droomvrome, groenblauwe oogen, wijd open; nog altijd in allerlei variatietjes bepeinzend, uitroep van pastoor, dat ie gauw maar den geluksstaat moest ingaan.—

En vredig in z’n eigen zieltjes-rust, zat ie in de zon te blakeren, lekker en te kijken maar, roerloos, soms de vracht van z’n uitgemagerd lijfje, onder z’n zweetende handjes voelend als ie stil krampte van dijpijn.—Hij lachte tegen Kees, zachte, vreemd-ontroerende glimlach van smartmenschje, heel zacht en vroeg-wijs. Vóór ’m had Kees ’n bak met melk gezet, op ’n krukje, waar ie goed bij kon met z’n stok-magere armpjes.

Stiller iederen ochtend, ’n zoen drukkend op z’n kopje, ging Kees weg, voelend diep, dat ’t gedaan was met z’n Wimpie, z’n zoon, dat ie er èlken dag grauwer, zwakker en beroerder ging uitzien. Wild kwam er weer verzet tegen alles in ’m stormen, ’n woest blinde gift, ’n heete wrok zonder dat ie zich uitte. En Wimpie glimlachte maar. Als ie niet te vermoeid was neuriede z’n stemmetje uit ’t wagentje voor den zonnigen oker-gouden muur; kringden boven z’n steenbleeke ooren glansen en vochten op ’t prachtgeveltje, oud roodgoud, in groen-paarsen weerschijn, gesmoorde jubel van kleurtonen, er ingestreeld, door wond’re ragge stift van teedersten penseeler.—

Tegen vijf uur elken ochtend, ging Ant weg ná Kees, ’n uur den zeekant òp naar verre akkers, waar ’n tuinder ’r gehuurd had voor den erwtenpluk. Vóór ze vertrok, knuffelde ze Wimpie nog wat, bad ze koortsig in haast, vloekte en schold ze in driftige geprikkeldheid onder ’t wakkerschudden en opstooten tegen de andere kooters. Al de kleintjes, van één tot vijf, bleven ongewasschen den heelen dag rondluieren, schooierig en verklierd op ’t erf, of in de laantjes. Hun gezichtjes, korsterig, pukkelden, klierden en ’n paar, van drie en vier, met vuurrood haar, waren zóó bestrooid met groote sproeten, onder oogen en neus, dat ze bruin leken. Bedilzuchtig Grietje van zes jaar, kinderlijk miniatuur-moedertje, en vrouw Rams, [64]pasten op de kooters. Maar vuiler daardoor dwaalden ze rond, met bloote lijfjes en voetjes, in gescheurde vodderokjes, die hevig stonken naar vuil zand, scharlucht en poonen.—

Van negen ’s morgens tot ’s middags drie was Dientje aan ’t venten met visch. Dan dadelijk kwam ze plukken bij ’n tuinder tot zeven uur ’s avonds. Op marktavonden joeg grootmoeder ’r nà zeven weer naar de Haven, wéér met ’r stinkende poontjes en nog stinkender scharren. Dan had vrouw Rams de handen vrijer, bleef zij alleen met de kinderen over. Schooierig zwalkten die dan nog rond, kijvend, vechtend en grienend. Soms ’n uurtje, paste Jans op de kleinste, pàs van de flesch.—

Vermorst met zwart-modderig grientronietje zat ’t notendopje in gebroken mestkar op ’t erf, naast Wimpie, uren achtereen te krijschen, huilstootend in stuipende zuigelingsdrift, als spoog ’t d’r longetjes uit,—meestal niet gehoord, en verwaarloosd door half blinde grootmoeder.

Ouë Rams bleef den ganschen dag roerloos, achter ’t bij plekken fel-doorzonde cellige raam neergeblokt, in den kamerhoek waar zomers de poonen en scharrebosjes tegen den vuilen muur vastgehaakt, hun schrikkelijk rotten stank uithijgden. Bedorven vischlucht zoog door ’t lage groen-duistere vertrek.—Rams rook niets, zag niets, vervlijmde hoest-scheuren, slikte rochelslijm in, bleef na elke vlaag die z’n bovenlijf overeindkromde, in sidder éven vergrauwd-rood, nakrampen z’n armen en beenen.—Uitgerocheld, zakte ie weer wat lager terug in z’n stoel, schoven z’n oogen net onder raamrichel dat ie niets meer van ’t tuin-buiten zien kon, de koperen knoopen van z’n vuil rood jekkerkraagje alleen bleven zon-fonkelen, als twee gloei-gouden oogen.

Zoo hitten, kleurden of regenstroomden de dagen vóór ’m wèg zonder dat ’r iets anders in ’m bewoog, dan de zuigende pruim in z’n mond, met smakkende tongpunt van één naar anderen hoek overgewerkt.—Stil staarde ie, verloren in loomen leefgang van ’n koe, half bewust, versuft z’n tanigen kop na elke hoestbui dichter tegen venstermuurtje drukkend; muurtje [65]dat ziedde in zonnegloei; zoo vermummiede z’n neergeblokt krommig lijf in groenachtig kamerduister, doorschept reflexlicht van boomen; walmde de rotvuile vischstank van verterende scharren in de zomerhitte rond ’m heen, als lag in de schuwe donkere balkkamer ’n lijk te ontbinden.

Zóó, elken dag bleef Wimpie moederziel alleen, huilde hij soms als ie zonnetje zag wegduisteren en de groene sparrenboschjes, onder zwaardreigende, angstige onweerslucht, vóór ’m versomberden. Bij iedere regenbui kwam, tastend en stootend, vrouw Rams ’m wegrollen op z’n wagentje ’t achterend in, bij ’t pleehok, waar ie bleef tot de regen had uitgeruischt. Door smeek en huil verteederd, reed ze’m dan weer ruw en brommerig, onzeker en waggelend terug, tegen ’t muurtje buiten. Maar niets, op zulke dagen, zei hij ’s avonds van z’n leed tegen Ant of Kees. ’t Kereltje giste wèl, begreep goed, maar hield ’t stil-in-zichzelf, dat moeder weg moèst, om wat bij te verdienen, misschien ’n paar centen over te leggen voor de eerste wintermaanden, als vader niets om handen had.

’s Avonds, tegen half negen kwam Ant thuis. Nog morsiger dan in den ochtend, kringden de kinderen om ’r heen, doken ze allemaal een voor een òp, van allen kant, uit laantjes of erfje, alsof ze roken dat ’r wat te bikken viel. Maar Ant, half vermoord en doodelijk uitgeput van hette, ’t zwangere lijf als ’n zware vracht voor d’r buik, zakte op ’n stoel neer naast Wimpie, kleine hijgjes uitstootend uit dor vertrokken, heet-murvenden mond, zonder ’n woord te kunnen uitbrengen.—Ze keek niet om naar d’r kooters, had alleen oog voor Wimpie, dien ze stil toeknikte soms. Vrouw Rams, nijdig en duwerig in ’r kwaadaardige halfblindheid, kippigde om ’r dochter heen, nu en dan ’n donker kindergestaltetje van Ant afstootend, als ze ’t zag schaduwen of honger-stemmetjes hoorde drensen. Telkens stopte ze ’r éen ’n bonk brood in de hand, tastend met d’r zoek-vingers langs gezichtje en lijfje of ze soms al hadden gekregen. Voor d’r man, op raamrand, zette ze ’n bord waterige pap neer, zonder ’n woord te zeggen.—Jans had ze gepakt en toegeschreeuwd dat ze op de kleintjes moest loeren met bidden. [66]Eindelijk in armkrommigen tast, pasjes-schuifelend kamer in en uit, bracht ze ook d’r dochter ’n bord eten, warm groentekliekje van middagmaal. Maar geen hap kon Ant doen van uitputting. Eerst ’n uurtje rustig bleef ze zitten, kwam ze van zelf ’n handje bij, keek ze vrindlijker naar Wimpie, streelde ze ’m ’n paar maal over z’n doodskopje, dat ie weer neuriede uit z’n vereenzaming; vroeg ze’m, moe en kort, of ie erge pijn had gevoeld vandaag, of alles goed gegaan was. Soms, plots in woeste driftprikkeling, gaf ze ’n woedenden snauw naar ’n wurm dat ’r bezanikte, of barstte ze uit tegen krijschend dreumesje.—Dan vroeg ze weer, stil in onrustigen ademhaal, en zacht op-en-neer-beweeg van ’r hangbuik, d’r ventje wat. Om negen uur, soms tien, kwam Dientje thuis van de Haven, met ’r ventgeld warm gekneusd in d’r zweethandje; bracht ze terug overgebleven poonen en scharren. Walgelijke lucht, als van vuile bokkingen en rottend, zoet bloedstankig vleesch, wasemde van ’r lijfje de kamer in. Hevig stonk ’t kind-karkasje, d’r vunze kleertjes, en wat ze aanraakte luchtte mee. Maar niet éen van de Hassels die ’t rook, alleen werd Kees er nu en dan misselijk van. Soms als lekkernij, mocht Wimpie ’n poontje zuigen, waar ie meestal geen trek in had. Maar àt ie ’r één, dan hongerden de kleine zusjes, met sluwe Jansie mee, in ’n stil rijtje voor z’n bedje; loerden alle oogjes gretig naar z’n langzame eetbewegingen òp, als vuile hondjes die te wachten zitten, geduldig-roerloos op afval; tot ze plots ruw weggeranseld werden door Ant of vrouw Rams. Dan langzaam, na eersten schok, rijden ze weer áán, stonden ze met kleine schuine hoofdgebaartjes loenschig en gulzig voor ’t zieke broertje, stiller nog dan éérst; smakkerend op de lipjes, vechtend en trappend in worsteling op den steengrond, als Wimpie dan hier, dan daar, speelsch ’n stukje visch of vel tusschen hen ingooide. Zacht schaterde ’t ventje dan van pret, om hun driftige grimassen, grijp-woedetjes, zoek-stooten en wilde hebzucht.

Dientje alleen bleef zitten bij ’t raam, doodop, achter ouë Rams, met ’r mand half open op den vloer, tot moeder ’r roepen zou om af te rekenen. Maar versuft bleef Ant zitten, als [67]lamgeranseld in ’r stoel, niet opkùnnend met d’r zacht zwabberenden hangbuik.

Schemering duisterde de kamer in, waar duffe benauwing van versmoorde zomerlucht in rondrookte, tusschen vunzigen scharstank en poonenbroeisel. Telkens sulde Dientje met ’r slaaphoofdje tegen muur, zacht-ronkend in ’t zware kamerduister. Even voor Kees’ komst stak moeder Rams, beverig en tastend, ’t lampje op, begon Ant àf te tellen, stond klein-versmald ’t bleeke slaaptronietje van Dientje naast ’r moeder. Angstig-ingekneld had ze de centjes nog in ’r hand kleven; lei ze alles in treuzelige rijtjes op de tafel, dat Ant maar te tellen had, dadelijk kon zien wat ’r verkocht was. En al wist ze dat ’t uitkwam, al had ze ’t honderdmaal zelf over gerekend, toch ieder keer weer beefde kindeke van angst, dat ’r wat te min zou zijn.

Kindertjes rondom in de bedsteeën lagen al te snorken, hun lijfjes tegen elkaar verbroeiend.

Doodop nog, knielde Dientje met ’r bleek uitgeputte gezichtje naar den schoorsteen, òpstarend naar ’t krucifix, klonk dofmummelend ’r gebed, teemige gewoontewoordjes, half in slaapwegsullend van de heete dorstige lipjes. In dommel slingerde ze ’r handjes ’t wijwaterbakje in, boven Wimpie’s ledekantje, stapte naar ’t bedsteetje, waar ze ’n plaatsje opendrong tusschen drie naaktgewoelde, stinkende kleintjes.

Ouë Rams en grootmoeder waren naar bed gestapt in hun vuns gangetje. Daar broeide de hitte nog na, verduft als dampte er ’n warme bron open. Tegen half elf kwam Kees van de Haven. Z’n gezicht stond grauw van vermoeienis en verdroogd zweet. Hij beet zich op z’n dunne lippen, uit stillen wrevel. Geen woord dan werd gesproken. Alleen Wimpie, uit z’n donker hokje staarde levendig-angstig, van vader naar moeder, stil, met schraperig neusgeluidje van z’n zwakke korte ademhaaltjes. Op tafel lag ’n half tarfje met roggebrood voor Kees. Loom greep ie ’r naar, en loomer nog hapte ie ’r in, met breede sperring van stille kaken, lijzig kauwend, te vermoeid om te malen. Ingeslonken, z’n lijf gebroken van hitte en uitputting, bleef ie zitten, zonder klacht, stom. [68]

Geen woord klonk tusschen man en vrouw òp. Z’n brood-slikkingen en kauwgeluid alleen, ver-zuchtte in ’t krot.—Ant bleef hijgend-ademen, met ’r handen aemechtig op ’r gezwollen buik gekruist, in zacht duimgeschuif. Dientje lag in ’t bedje wakker, als was met ’r instappen de slaap plots verdwenen. Ze voelde zich naar in ’r hoofdje, maar durfde niets zeggen, blij toch dat ze eindelijk lag.—Heete handjes van zusje, in blind gewoel op haar neergezakt, brandden op d’r lijfje. Maar stil liet ze de pootjes liggen, te òp en te stikwarm om zich te bewegen. Stom rekte Kees zich van z’n stoel overeind, in arm-rengelenden gaap gooide ie z’n jekker en kiel in ’n hoek, dat z’n schouders in kale zeemanstrui uitschonkten, drukte ie z’n handrug nog even zacht op ’t klamme kopje van Wim.—In één sprong òver ’t kleintje heen, dat tusschen hen in sliep lag ie in z’n smoorheet slaapholletje, te beroerd, te gekookt en gestriemd van pijn, om z’n broek uit te trekken.—

Langzaam, met paffe gebaren, wrong Ant zich hijgend, zuchtend van ’r stoel. Zacht, bij elken pas wiegde ’r buik mee, holden ’r lendenen en telkens met ’r handen veegde ze tranen van ’t goor-mager gezicht. Altijd in ’r zwangerschap, voelde ze zich weeker en angstiger, zag ze altijd vizioen van ’n ongeluk boven ’r hoofd hangen. Zacht zoende ze Wimpie, nog eens, en nog eens, lei ze ’t kleintje, dat tegen Kees’ stinkende pilowbroek was afgezakt met z’n snuitje wat recht, en stapte na knielgebed voor krucifix, en in verplechtiging van wijwaterkruisje, geradbraakt van pijngevoel in ’r doorstoofd slaapkrotje.

Ze had trui van Kees nog moeten uitspoelen, zijn en haar hemd, en van Wimpie nog wat goed, maar ze vòelde dat ’t niet ging, dat ze ’r achter bezwijmen zou. Uitstellen maar, uitstellen en nou slapen, als ’t kind dat doorbrand was van zuur, d’r tenminste niet de ooren kwam volkrijschen van nacht.—

[Inhoud]

II.

Naast den aardbei- en erwtenpluk ging rond op de akkers [69]woeste rooidrift van bollenkweekers. Van alle kanten, in diepe voren ingekneld met hun knieën, schoven ze voort, de rooiers, ’t gloeiend akkerzand in klauwigen wroet opengravend, den heeten zandstuif naar zich toewaaiend, de longen in. Hun verschroeide bronzen koppen, strak en gebukt van ernst, dampten en zweetten in gloeistof, hun heele lijf ingehurkt, verteerde in drogen schroei van zand en lucht. De zon in z’n vroege Juliglorie daverde hoog in ’t eindloos blauw, ingeschroeid in kringen van roodviolet licht en gouden kransen, woelend de lichtende hemelzee rond.—En de lichtlansen harpoenden neer over de gloeiende akkers, die in dorre, schorre hette smachtten naar regen.—

Lèvende hitte trilde en golfde op de rooiershanden in den grond, als groeven ze in lava, en ’t zengende licht koortste en kookte zóó, dat de akkernevelen in ’t verre blauw wit en fijngrijzig vervloeiden van warmtewaas. De zandgrond, hoogpaars blinkend en heet, lag naakt in woestijnige zonnemarteling, met den opengegraven grond al heeter uitdampend onder hun knieën en gezichten. Van alle kanten uit breede hurkrij van rooiers, fonkelden schaalranden in ’t licht, rooibakken éven opschitterend fèl als scherven zonbeketst glas of schilferend metaal in brandgloed. Tusschen de bollenbedden bochelden in gedrochtelijke standen rooizakken, half of heel gevuld, als onthalsde kerels, enkele buiken en rompen, zonder armen, potsierlijke dans van wittig-bepoeierde karikaturen, die keken en lachten uit hun komische plooien. Kerels, in zweetzwoeg, sjouwden van en naar ’t pad, ladend de zakken op karren. Rijen rooiers, in brons, pracht-warm rood en blauw gekiel, ingehurkt verzakt in de zandvoren, knielden naast elkaar, in woesten grabbel rukkend met hun vingers ’t zand open, wroetend dieper den grond in, tot ze de bollen met heel ’t wortelennet, beklonterd fijn gevezel, er uitgegraven hadden. Telkens één uit de knielende rooiersrij, gooide de rooibakken en schalen, opgestapeld met bollen, leeg in ’n groote zeef. Van vijf, zes hoeken tegelijk soms, ging er schurend sis-scherp zeefgeluid over de akkers, rond kerels in zonnevuur, met de groote zeven [70]in de handen, waar bronzige stofwolken onderuit stormden, òver gekromde ruggen en ingebukte koppen van rooiers héenwarrelend in wilden stuif, dat àl de werkers, momenten weggedampt vernevelden in ’t bronzige stofgoud, langzaam weer bijtrokken als gestalten van ènkel licht.—

Het licht, in koortsige wellustgamma’s van kleurhitte, sloeg, schroeide, bazuin-dreunde om hen heen, tegen ze áán.—De laaiende zomerbrand regende z’n zonnevuur neer, rond en op de werkers, die groefden, groèfden en woèlden in den akkergrond; in de gloei-heete aarde die hen teisterde en martelde. Als bij rooversstoet in oostersche sprook, ging er ’n graafdrift onder de stomme werkers, kampend tegen ’t zonnevuur, om schatten te vinden, schatten op te delven, in koorts en jacht van arbeid, bàng betrapt te worden door anderen. Knieën stramden en pijnden als in zweer, polsen en handen kreunden stil. Gezwollen kronkelden klauw-pezen, in bange paarse benauwing, en kreten van werkersgramschap stootten òp dat zwollen kop-aderen en slapen. Hun longenhijg trilde door de lucht als zachte zuchten van machienzuiger. Maar alles toch van hùn ploeter smoorde tegen den grond, die uitbraakte brand van zand. Dieper graaiden hun pijnvingers, feller gloeiden hun polsen in de blakerende aarde, de aarde die zelf kreunde en kermde onder den zwarten zwoeg der mannen; onder de orgieënde voluptueuse lichtrazernij, den heerlijken, goddelijken almacht-brand van zon.

Doffer in den grond smakten hun klonterende bollen in de bakken en fonkelschalen en stiller schoven hun knieën vóórt door de heete voren, natrillend nog van hun lijfsvracht.—

Zóó, elken dag rondom den pluk van aardbei en erwt, lag het bollenland in den gloeienden zwijmel van zomerbrand.

Elken nieuwen dag om hen heen, met z’n uitzwijmelend bloemenvuur, gloeide in kleuren en glansen, bloedde in rood, goudde in warm geel als een reuzig goud-dampend kerkraam, vàn de aarde geheven, hoog en oneindig, tot in ’t hel-lichtende azuur. Elken dag in den brand van zijn eigen kleurengloed, verrees als ’n reuzig kathedraal-venster, met z’n scharlaken [71]bloeding van vitrails en rosetten, in ’t laaiende licht. Zóó zaligde de hemel in godlijk kobaltblauw, ’t azuur van middeleeuwsche vitrails, in den azuren droom van heilige figuren. Zoo kleurde de aarde in het zingende brons en extatische geel van z’n gloeiende glas-verven, omdampt in den aureolenden goudglans van altaarlicht.—

Zoò, in ’t bloedrood van ruitenbrand, als ontzàglijk kerkraam met z’n bogen en gierlànden, vlamden de bloemende zonnedagen in ’t azuur, gloeiend, kleurdampend en jubelend in de oneindige glorie van zomerleven.

En daaronder stom, de werkers, de geloovers van den arbeid, de zwijgende devoten van den machtigen zwoeg op ’t land.—Stommer en gekneusder elken dag weer, schoven hun knieën door de voren, ’t schitterheete zand. Dieper groeven hun klauwen den hitte-adem van de aarde naar hun longen. En geweldiger in de zonnelaai ging het schuurgeluid van hun zeven over de akkers, de wolkenstuif van het bronzen zand òver hun gekromde ruggen. Alsof de aarde, de stille rooiers nòg eens wou overstroomen met den trillenden zeng van haar zonne-lava.—

Verder op ’t land, naar den zeeweg, stonden de werkers onder de eindlooze hemelblauwing, met zware armhalen rottend loof van hyacinten en krokussen weg te schoffelen, hun lichtgestalten uitlijnend in de trillende hittelucht. Hoeken, in prachtigen kleurenschimmel, teer pastel, toonfijn, als tinten van doffe poeier, lagen tusschen gerooide bronzen akkers; loof dat zingend stierf in laatste kleurenkoorts. In donzig groen-dòf en goudlila,—als er op oud hekwerk uitvocht,—pastelden de akkers met rottend loof, verneuriënd ’n doodenzang van tinten tusschen ’t fel-jubelende zomergroen van boomen, hagen en pluimgras.—

Duffe lucht van rot geblaar, als vunze stank van aardappelenkelder, verstoofde in de zonnehitte, vervloeide tusschen de glansen van ’t oud goudleer-rood en bronsgroen, dat zacht golfde en moireerde soms in windwuif. Midden in den doodenzang van ’t bolblad, stonden de rooiers, wegsliertend in [72]woeste onverschilligheid de stervende bladeren, met harkende, breede halen van hun blinkscherpe schoffels, ’t loof als vuil ophoopend in de greppels. Van allen kant over de akkers, wiekten ààn, in droomerige zwiertjes, kleur-teere vlinders, in lichtcier bemanteld, fluweelen scheepkens van glansen, droomerig zeilend in luchteblauw, zonder richting wiekvleugelend door het hittewaas, plots rustend op zonnevonkend boomgroen van hagen, of verdwijnend tusschen getemperden pastelgloed van ’t stervend loof.—Van allen kant kwam aanfladdering van pauwoogjes, stralend prachtkoloriet van atalanta en goudvosjes, als toef sidderschoone kleurenveeren uiteengewaaid over de akkers.—Gloeinaakt schroeide ’t land, in wit-violette hette naar horizon vernevelend, waar vèr, vlinderwiekjes met hun kleurgloed loomer verzwijmelden in zoet rooksel van geurenden, zonnigen bloemendamp.—

Tegen half vier, op derde schoft, zakten de rooiers in hagenluwte neer. Even rustten de gebroken polsen, gekneusde handen, zeere toppen. Schuw van pijn, gingen de zwartgroene vermartelde klauwen, in gretigen hap, naar ’t brood. Groepjes rengelden slaperig van uitputting, in mat-zoet ledengerek. ’n Paar werkers wreven hard hun verstijfde knieën. Anderen weer, nog stiller en strammer in hun kort schoft, schooierden plat op den buik, in de half-schaduwende koelte van singelhoek, handen onder de kin gehaakt, kop éven op, als bezwijmden starend zonder te zien, naar akkers die vóór hen verblakerden.

—Daa’s ook ’n klus, kaik sàin te goàpe legge noà oàsem! schreeuwde er één, spottend wijzend op ’n kerel, die ’t zòò martelend benauwd had, dat ie van z’n rug telkens op z’n buik draaide, uit de schaduwreep wegwoelde, en eindelijk pal onder gloeisteken van zonnevuur, op den rug, met oogendicht gezicht naar den hemel, voor dood bleef liggen. ’n Ouë vent naast ’m zat recht òp, met z’n schouers tegen ’n haag, lijzig te happen uit stukkenzak.

Sarrende bromvliegen gonsden om hun zweethoofden, loerend op warmtewasem van nat vel. Drie kruiken gingen rond, en zwaar-gretig klokten slokken verkookt water de heet-droge [73]kelen in. Maar roerloos de kerel op z’n rug, ùit de luwte gerold, met z’n kop naar den hemel, armen boven z’n hoofd gerekt, lag daar dwars in moeë bezwijming. Hij kòn niet drinken, niet één verkoelingsslok. Hij kòn niet spreken, te machteloos zelfs om vliegendans op z’n dichtgeschroeide oogen en bezweet gezicht af te slaan. Stom liet hij zich maar bekletsen van lolwerkers, omzoemen van insektenwarrel. Stom bleef ie hijgen als half vermoord werkbeest, stom en uitzinnig van hitte.—

Van verre tuinen, de gouden vlierboomen vlamden als hooggele boeketten laaiend goud, hoog tegen hemelblauw geheven. Magere popels, wilgen in lichte zilvergrauwe ritseling naar duinkant, rankten star in de strakke hitte. Rietbergen op bollenakkers grauwden aschblondig. Naar den zeewegkant, achteruit op Duinkijk, groenden zware boomen, dichtgegroeide laantjes met eiken, beuken en wilgen, dooréén.—Soms poortten verschietjes òpen, als violette nisjes, ingediept onder ’t akkerbouwsel; lag er paarse nevel tusschen de kruipende halve boomschaduw te dommelen, loom van hitte.

Langzaam, wat laantjes achteruit, door dalenden zonnegang in brand gezet, ópenden zich als zonne-hofjes, dartelend en spartelend in schuinen zonnedamp, die overal onder zwaarhooge struiken dòòrvonkte. Langzaam week wazigviolette purpering van schaduw achter muren van licht, in sprookjesschemer.—Teergrijs en blauwpaars zengden òp de akkers wat schuurdaken.—Hel-roode stolpjes kleurschaterden fel in de gloeiakkers, vèr van elkaar. Eén leien schuurdak stond in zòò fellen zonschitter, zòò verblindend in uitstraling en fonkeling over de naakt-lage bollenakkers, dat ’t was, of dààr ’n aardebrok begon weg te gloeien, in ’t vonk-hevigste zilvervuur van licht. In helstrak hemelblauw vlamde ’t daar, straal-sterrelend; ’n uitbarsting, of de zon ’n stuk lawa-leven van háár leven, zengender en trillender, in helle fonkelsliert als woest goden-altaar van zilvervuur, op de verbaasde aarde had neergestort. [74]

En telkens uit de zijlanen, die in reuzekring van groen en schaduw om de akkers dromden, stroomde zoete reuk áán van waggelende hooiwagens, en meidoorn zwangerde z’n hartstochtaroom uit, als om Wiereland te verzwelgen in geuren.

Soms, van de akkers àf te hooren, bonkerde in loomen waggel, ’n hooiwagen langs de landhaag, nu en dan bij open plek, achter boomstammen te zien, in ’t goudgestroom van z’n haren, zoetste hooirook in den zonzwijmel van akkerbrand uitstortend.—Van boschkant uit, ergens diep verborgen, verklonk koekoekzang, eentonig, toch vreemd-verhalend van minne-romantiek. Eentonig ontroerend zong koekoek dóór, in de gloeiende middaghitte, vreemd-lokkend geluid; optooverend visioen van koel-groen boomendonker, waar, op dàtzelfde middaguur, nimfen gevaarlijk-angstig stoeiden met van-zinnen-geschroeide faunen.—Geluid dat òpriep, fantoom van koelend bladerenlommer, waarònder de nimfjes en satyrs speelsch plasten in waterzilver; met schaterjubel kringdansten, doorholden onder zilverende ruischfonteintjes, die kleurvonken rondspoten, koel, in hun druppels-plengende kristallenspartel; en waar al verder, al vèrder de nimfjes verzwierven, tusschen het lokkende schemergroen, verloren in jagenden zinne-zwijm.—

Hooger weer nà schaft, steeg werkroes, ging er sneller schalenfonkel over akkers.—Zwaar stonden de verbuilde karikatuur-zakken met bollenvracht, op den paarsen grond, sterker rookten de voren van hitte, sjouwden de kerels op en af de greppels naar de karren op ’t pad, in stommen zwoeg met al geweldiger lasten op rug en hoofd. Nergens meer ging één lang uitgehaalde ademhaal.—

Rooiers en plukkers, verbronsden in ’t late licht van avond. En breed, in kringen, trokken de kleurgloeiingen en glansen over de akkers, rond de werkers, die zwoegden tot in den nacht, in àl andere pracht en zwenk van lichtspel, onder zwervende, oneindige fantasmagorie van het ontzaglijke, stille wolkenleven.— [75]

[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

Zenuwachtiger jacht van werkdrift steeg, stéég. Ploetering waanzinde rond onder de tuinders. Alles moest geplukt, stond in vollen bloei.—Koortsend duivelde rond de pluk van aardbeien, doppers, kapucijners, tuinboonen, peulen, wortelen, postelijn.

Ouë Gerrit stond van drie uur met de jongens en twee helpers op ’t Beekbrok, naast Oom Hassel. Guurt kwam elken ochtend later, zorgde eerst nog voor de bedden en vaten, ging tegen elf uur weer weg om aardappels op te zetten en groenten te stoven.—Dirk stond nog vòòr het eerste schoft, doppers te plukken, tusschen de hoog-uitgegroeide rijze-paden, waar, tegen den middag, groen schemerlicht waasde, maar ’s morgens de zon op neerschroeide. Hij blies van puffe benauwing. Rond ’m rankten de doppers uit, de teere, dof-groene vruchtjes, mollig-zacht. Snel woelden z’n armen door de ranken, knakte ie vlug de schepseltjes eraf, z’n handen vol heet-zachte, week-geurende groentjes. Bij elken vollen haal smeet ie ’n vracht neer in z’n mandje naast z’n beenen, dat meeschoof bij elken stap dien hij deed, tusschen goud-groen zonnig padje. Guurt hielp mee, in ’n ander laantje, met ’n groot blauw boezelaar om ’r lijf gespannen, waarin ze vlùg de geplukte doppers oppropte. Dirk hoorde ’t trillend geritsel van ’r handen tusschen de ranken, ’t knak-geluid van ’r pluk achter ’t dichtgegroeide doorzonde groen, zonder dat ie ’r zien kon. Op goed geluk af schreeuwde ie maar achter zich uit:

—Guurt, denk ’r ’an, allainig de dikste, en dà je skòòn plukt,.… gister he’k nog ’n mandje vòl hoâlt, woar jai al weust wàa’s! [76]

—Daa’s net! most t’r ook vaif moal of.… heè?.… ’k hep nog boone sneeë, oarebaie plukt!.… sloà stoke.… wortel skoomoakt.… f’skeur dan je pampiere moar hee?.…

Dirk gromde maar wat achter z’n groenen erwtenwand, loerde tusschen de dichtbebladerde rijzen uit, of ie t’met ’n puntje van d’r jak kon zien doorschemeren; knakrukte, zacht rondvingerend, toch sekuur, z’n doppers van de fijn-groene steeltjes, dat z’n handen kleefden van vocht. Guurt vlak achter ’m, ook zonder Dirk te zien, stapelde òp, in ’r boezelaar, knielde in moeilijken hurk, laag-zoekend, de vruchtjes tusschen het bladerenkroes en de ranke kronkels in, verwrongen bukkend en tastend onder dicht inééngegroeiden warrel van groen. Haar schoot zwol en ’r paf dik lijf zweette onder de zwaar-afhangende doppervracht, eng bewegend op ’t gloeiheete zandpaadje, waar onkruid bij boschjes tusschen prikte.—Ouë Gerrit plukte met Piet, zacht-zoete fransjes voor de markt, die Dirk den volgenden dag mee zou nemen naar de stad. Twee kerels achter hen áán, wroetten en poerden van de aardbeien naar de kapucijners, wortelen en sla. Stapels kisten purperden en vlamden half uit en in de zon, telkens endjes verder versjouwd in zuchtenden til-zwoeg, naar de luwte.—Stom en geweldig in gesmoorde jacht ging de kniel en hurk van de werkers weer over de akkers en overal vlamde en purperde ’t vuur van de aardbei, in slangekronkels langs ’t lichtstuivende bladgroen van bedjes, heet rood en wond’re brandende kleuren in zonnigen mist, broeierig gouden warmtenevel.

Bij Oom Hassel, vlak langs Kees, kroop kindergoedje van zes en zeven, pas aangekomen van verren aardappelenhoek in ’t duin. Hun smoezelige rokjes en broekjes schooierden dof en goor in den kleurdaver en dampende hitte, tegen den fellen schitter van de frisch-dauwvonkende groente ààn.—

Aardappelenhoeken stonden in prachtigen òpgroei met d’r rose en witte bloeseming. ’t Zilver-zijïge bladfluweel van tuinboonen, lag blank stroomend tusschen ’t groen, in lange kronkellijn, aan één kant donzig bezilverd. En ’t loof, ruischte en wiegde daar heel zacht, telkens donkergroen en zilver, als regenden [77]’r, in zwierigen val, zwermen duiveveertjes door de lucht. Aan de dikke, schuin-hellende stengels zwollen de vruchten. Zwaar donkergroen, met donzige deukjes en lichtglansjes op wat plekken, builde de tuinboonen-vracht in zacht-donzen vacht.

Hier en daar, tusschen zwaar-bevruchten in, stonden groepjes nog in bloeseming als zilverend witte kapelletjes, met git-zwarte zijïge vleugelvlekjes, waar ’t licht òp zoende, stoeide en vrijde.—Roode koolen, slecht opschietend in den zandgrond, stonden prachtig, toch in bladwrong, bij Oom Hassel. Dofpaars-roode dauw, waasde in teerste druivendons over de koolbollen, die òpkropten uit geweldigen bladerenkring. Forsch, in rood, zacht-rozerood, tusschen teerst-groene nerven, vlerkten de bladerenschalen uit.—

In wondre lichtglansen wasemden de roode kolen, naast elkaar over de akkers. Heele rijen slangden in bloedroode schijnsels, nevelig doorzond, in paars en groene wazen, gekronkeld in schelpschalen van dof-rood kristal, geweldig uitschulpend rond de kroppen.—Zwart-roode dauw, verpaarste er smeltende glansen in; glansen van blauwig dons naar violetrood, dof satijn, als er opgeademd rag, met tintfijnste kleurpoeier.—

Daartusschen, op de pastel-schoone, kleurtintige dauwbladeren, fonkten fèl als brandende parels, vurig gloei-groen en gloei-rood, wat druppels trillend kristal, zwemmend in weerschijnen, rondgestrooid grillig, op dons-doffe, fluweel-vertemperde bladerenwaas van de goddelijke vruchten.

In lange rijen, tusschen het fel-lichte groen van losgeplooide kroppen sla, waaronder enkele al, torentjes-spitsig doorschoten, glansde in heerlijken kleurzang ’t krotenloof, stalig rood, violet-licht, weerlichtend in tintdamp van mahonias, dwars door zonschijn omgloeid, als brandde er langs den zandgrond rood-paars fosfor, speelsch àfbliksemend, zonnesprankels; direkt weer omsluierd in waas van èigen kleurfelheid.

Tusschen de selderie en peterselie, zoet geurend verwaarloosd nu met aardbeihaal, pluimde onkruid, fijn-blommig en stekelig-wild.

Jong groenden spersie- en snijboonenblad, om stokken en [78]latten gerankt, donker-groen, tusschen de fijne, licht smaragden kleur van doppers en kapucijners. Als vastgegroeide reuzespinnen, kroop ’t loof van de sjalotjes de aarde uit, tusschen wat snijboonpaden. En jonge savooie- en spruitkool stond in weelde-groei, doorvreten van rupsen, in angstige wacht op uitdunning, heet-droog in de akkergloeiing.

Hier en daar, hoekten heele plekken vervreten als zeeftige bladeren, in citroen-gouden wond’re pracht, sterfzang van loof, bloedrood bevlekt op stengels. In breeden kring reuzigde de rhabarber, zondoortinteld, om zich zelf ’n vleermuizigen schaduwmantel trekkend met ’t groen van z’n schulpend blad. Om vruchtboompjes heen, die stil-bloeiden in langzamen zwel van vruchtjes, bronzige peertjes, groenige appels en pruimen, kringden de bladzware rhabarbers.—Tusschen de rhabarberhoeken in, rankte òp, in rag-krulligen cier, als groene ruche de boerenkool, prachtig-donkere nuance van smaragd, tusschen het zeegroen van kroppen en doppers; tusschen de lichte kleuringen van savooie planten, gelig-groen, late victorias, spruitkool en zomer-kropandijvie in.—

De kleurige zomerprei stond uitgeplant, zuiver om de lange schorseneeren, fel-groene sprieten glanzend in ’t licht. In kleine zonnige hoekjes groende de fijn-wolkige fenkel, naast selderie en pieterselie, met z’n pijpige krulblaadjes als gefriseerd in ’t zonnevuur. En scherp kruidde fenkelgeur uit, tusschen den lagen groei van vruchtboompjes, lommerige plekjes, waar dicht opéén, in warmen zonnekoester bloeiden al soorten gewassen. Zoo, in heeten broei, stoofden de aanééngehaagde tuinderijen, warme lichtdampende glanzen uit, als kleur-klatering in diep-lanige oranjerie, waar de zon in rooden brandwalm doorheen vlamt.

Van alle kanten droegen de werkers wortelenbossen áán, oranje gloed op ’t fijne loofgroen, natgespoeld in de tobben en kuipen, en zilverparelend bij bergen op de bakken aardbei gesmakt. Tusschen wellustbloei van ’t gewas, groei en heete rijping, holden de werkers heen en weer, in angstige jacht.—Achter ’t groen verdoken, soms plots in ’t warme zonlicht uitschietend [79]op open plek, kleurden hoeien en beenbrokken òp, gekromde ruggetjes van kinders, als zwerm ijverige bijtjes purend over de akkers.

Net barstte Willem Hassel uit tegen ’n zusje, woedend dat ie ’r had zien aardbeien snoepen, ’t ruggetje gekromd, argeloos en droomrig starend op de vruchtjes.—

—Is da’ wond’r da’ die soo moager kaikt aa’s s’n tang, schreeuwde ie naar z’n broer,—die frait te veul oarbaie, sai kraig t’met veul te veul nuwt bloed hee?.… sloàn d’r de dinge uit t’r poote.…

—Krik f’rdorie, loâ hullie moar fraite, aa’s hullie d’r senie in hebbe, komp bai de huur t’regt.… wa’ jou?… goeiïgde Jan, de dikbullige jonge broer.—Nee.… die bai joù doàr, daa’s main ’n lekkere.… ’n happie.… da’ he’k f’murge van lust!…

—Wa’ noù dan! vroeg nieuwsgierig Willem.

—Nou, stootte Jan er stem-dof uit, handen vol roodvochtige aarbeien wegkogelend in de slofjes,—dâ baist is soo sels, hee?… Wâ he’k roepe om half vier!… krik f’rdorie! die was d’r mi’ de mestvork nie uit te staike.… en Trien òòk nie.…

—Há’ je moar ’n emmer woàter over d’r kop uitsmaite motte! saine sullie t’met wassche ook, grinnikte Willem venijnig.

—Krik f’rdorie.… jai kookt ook nie goar!… je skraiuwt van kruis en munt, wà’ jou?.. da sullie d’r t’met ’n stuip bai oploope hee?.… mó’ je màin juùstig veur hebbe!… Nee, moeder hep hullie ’t netjes lapt.… krik f’rdori!… se hep sullie mit d’r sloapkoppe en d’r ooge puur toe, hep sai d’r éen veur één op de natte stroatsteene set.… krik f’rdorie.… je ha’ hullie ’n smoel motte sien sette.… aa’s ’n kikker op ’n kluitje! se woàre wakker hoor!.… p’rdoes! en Trien.… die aêre.… nee.… die ha’ d’r slinger!…

Toos en Trien, twee meisjes, van tien en negen, gebogen over hun bedjes in jachtigen pluk, luisterden, deden toch net of ze niet verstonden. Elken ochtend had moeder verschrikkelijk met ze te doen. Ze konden maar niet uit hun zwaren slaap wakker. Als ze geroepen, met porren opgeschreeuwd werden, grienden ze van slaap en vermoeienis. Soms half gekleed, met [80]de kousen in de hand, vielen ze weer loom terug in de peluw, snurkten ze weer dóór, om in angstbui op te schrikken als plots stem van moeder of broer bulderde achter bedsteegordijntje. Van morgen was ’t bar geweest. Toos en Trien hadden er niet uit gekund. Moeder had ze geranseld, gevloekt, gebonkerd met ’r knuisten tegen beddeplank, ’t gaf niets.—Telkens weer waren ze ingesnurkt. Toen plots had moeder, éen voor éen, woest-nijdig in den nek gepakt en slapend, met de bloote voetjes op de koue stoep van de straat gezet, in d’r ponnetjes, dat ze huiverend grienden, niet wisten waar ze plots stonden.

Nou had Jan ’t verteld aan Willem, en Toos had willen antwoorden dat de meisjes van Straik en Toomaas òòk eerst om vijf uur opstonden en dat ’t bij die lui, niet eens tien uur wier, eer ze naar bed gingen. Maar ze durfde niets zeggen, bang dat Willem ’r nog ’n pak slaag zou geven. Toch schuchterde talmend, Trien uit, met ’n zenuwachtig huilgilletje in ’r stem.

—Nou.… bai Hulse en Toomaas magge de maissies.… magge sullie tut vaif uur.… vaif uur sloape!… enne wai binne doodmoei.… wai kanne nie woàkker om bai hallef vier.… ikke hep sukke bloare àn.…

—Hou je bek, hufter! snauwde Willem, ’n mand aardbeien achter z’n hielen zettend,—’t is altait vet in ’n aeremans pot hee? Morge pirsint, of jullie sel ’t weute.… snurkers!

—Krik f’rdorie!.. je sel veul van hullie hoale hee?.. Trek jai d’rais faire van ’n kikkerbil! lachte Jan, z’n dikke lijf goeiig schuddelachend en z’n kop inwrijvend met zweet van z’n hand.

—D’r sel t’met ’n onwairtje rolle, stootte zwaar-gapend ’n plukker naast Jan uit,—’t is broeis hai?… saa’k f’rbrande aas’k ’t ooit soo hait had hep.… ikke leg te swemme puur in main swait hee?

—Nou, onwair da’ sî nog.… bromde Jan, naar de lucht kijkend waar wolken paarsig samendrongen,—ik voel niks, heulegoar niks an main groote toon.

—Jou toon deug nie.… laa’k je nie in je nek naime.…

—Sou ’k je ook puur nie roàje hee! ikke waig t’met tweehonderd vaiftig pond!… [81]

Tweede schoft was snel afgejakkerd in hagenluwte.—Ouë Gerrit had loenscherig rondgekeken, wou niet dat de plukkers en de kerels lang kauwen bleven. Naast ’m, bij z’n broer, kropen ze al weer in de paadjes. Nou moesten de werkers wat opgepord. Hij joeg.—Er zat onrust in z’n handen, onrust in z’n lijf, omdat ie werking voelde in de lucht, waar zwaar gewolk doorheen grauwde.—

Tot vier uur bleef er stomme stilte onder de zwoegers. Plots van allen kant kwam er windwarrel opzetten, die gloeikolkerig zand over de akkers heenhoosde. Duisterende groening, angstig geel-donker wolkgestapel, stond rond den horizon gebouwd als grauwe vestingen en forten. Stug vreemd licht, met paarsgeligen glans in zonkant, kwam de akkers grillig beschijnselen, heele brokken in fellen valschen zilverbrand verfonkelend. In regenhel licht, groenden boomen, hagen en gewas rondom. Er zat benauwing, droog nog, en angstige werking in de lucht, en snik-heet doorstoofd, verstoft, slapte ’t lage gras en wild gestruik aan de akkerpaden.

De werkers, plots onder geweldig gelige wolk-zwavel verkleurd, tusschen het demonische fel-zilverend groen, voelden prangenden druk en smoorhitte in ’t hemelruim, woeste werking vlak bòven hun koppen en velen van hen, angstigden en beefden in de handen en beenen, als ging er ontlading en uitbarsting van onweer, kramperig en gejaagd, éérst door hùn lijven.

Ouë Gerrit vooral had zich den heelen dag al onrustig opgejaagd gevoeld. Onweer woelde in hèm uren vooruit. Angstig was ie van z’n plukbed versprongen naar Dirk toe. En aldoor keek ie òp naar de paarsgele luchtdreiging, ver uitgewelfd, geweldig boven de akkers, die heel ’t diepe luchtblauw weggeslurpt had. Heftige warrelwind, droog en stuivend in wilden loei, ging telkens door de boomen, uitgolvend zeegedruisch dat aanzwellen kwam sterker, al sterker over de akkers, ziedend uit ’t bange geel-groenige laantjesduister.

Al benauwder voelde Gerrit zich worden, banger, in wurgenden angst, als droeg ie boomen en luchtzwaarte op z’n hoofd; [82]als stortte straks ’t heele uitspansel boven ’m in, op zìjn kop neerdonderend, hem alléén verpletterend. Hij telde maar, z’n handen tot vuisten in z’n zakken gekneld: een-twéé, drie-víér, vaif-zès, tot tien, rhytmisch maniakaal, telkens heen en terug, van tien weer naar één, uit zenuwbange gejaagdheid, om ièts toch te doen, te doèn.… dat ’t onweer afleiden kon, die bange, nare, donkere lucht.—’t Verveelde ’m, maakte ’m benauwder, dat tellen, en toch bleef ie ’t doen … Hij moèst ’t doen heen en terug, in de benauwing. Plots voelde Gerrit,—bij dreigender hemeldonker, dat de akkers angstiger vergrauwden,—alsof ie in ’n wolkzee moest stappen en drinken, drinken, water, niets dan water. Hij lustte ’t niet en toch moest ie drinken, drinken, tot ie z’n buik voelde zwellen, z’n darmen rammelen, z’n adem weghokken en warmtewaas voor z’n oogen nevelen. Dan inéén weer, telde ie van één tot tien—heen en terug, rhytmisch uitstootend: een-twéé, zooals ie ’t eens een paar polderkerels had hooren uitzingen bij ophijschen van palen. En telkens voelde ie andere, angstige dingen. Nou weer alsof ze stroomen ijskoud water over ’m uitstortten. Hij rilde, snikte, z’n adem brak ’m in z’n keel, z’n rug verstijfde, net of z’n hart even bleef stilstaan, en hij stikken moest.—Hij voèlde zich bleek zijn, akelig naar bleek, en telkens dacht ie ’r aan, of de regen, die ’r nou kwam, wel ooit zou ophouen. Of niet alles verstroomen ging, de heele wereld wegregende, dooreenspoelde, de lucht, de aarde, ’t groen, ’t land in de wolken en z’n huisje, z’n spullen, alles wèg, alles door elkaar, één eeuwige, natte vuile warrel van verstroomende dingen.—

Heen en weer liep ie, dol-angstig als plots zoo vreemd z’n hart stil bleef staan. De kerels keken naar hem; dat voelde ie wel. Toch wou ie zich goed houên, zorgen dat ze niet te veel van z’n angsten zien konden. Dat kwam nou altijd weer terug bij onweer, dat jaag-angstige, wurgend-angstige gevoel, dat onbestemd bange, alsof ie ’n moord had gedaan.—Hoe donkerder de lucht werd, hoe langer regen en bliksem wegbleven tusschen den droog-donkeren woesten windwarrel en het waai-bange boomgedruisch, dat golfde, gòlfde door de duistere [83]middaglucht om ’m heen,—hoe benauwder ie werd. Nou wilde hij zich verschuilen, de luchtdreiging niet meer zien, die donkere wolkenforten niet. Nou wilde hij zich wel ergens ingraven, in z’n kelder met ’t luikje dicht, dat hij den bliksem niet zag en de bliksem hèm niet kon pakken! O! als de dood was ie ’r voor, als de dood! Te sidderen stond ie en ’t akelig-valsche licht maakte ’m bijna misselijk. Guurt was ook bang, heel bang voor onweer, en telkens keek ze naar den hemel, of er niet wat wegdreef van ’t donkere gewolk, er niet wat blauw òpklaarde.—

Kees bleef strak, in werkrust, als gebeurde er niets in lucht en aarde om ’m. Bak voor bak sjouwde ie met Dirk áán, naar ’t pad.

—Aa’s dur moar eerst op de boot is maane, veùr de bui, vibreerde angstig-klam stem van ouë Gerrit, goeiig tegen Kees, dien hij anders nooit aansprak.

—Seur nie, snauwde Dirk, komp’r aa’s aêrs, hee?

—Wee’k soo net nie.… wee’k soo net nie.… kaik de lucht hee?.. hoho! die is t’met vuil!.…

—Loop rond mi’ je lucht.… wa’ ken main je lucht skele, woedde Dirk achteruitgeduwd door Kees, met aardbeibak tusschen ze in, in sjouw naar ’t pad.

—Hier, neenet Kees, hier!.… soo … daa’s weer ’n aêre … boofe die bak.… Net soo!… ik mo’ nog main boome ansette!

Veertien bakken aardbei waren aangesjouwd. Breed raam van platte boomen, bonkte Dirk in hurriënden til op z’n kar. Al meer moest ie opladen, van vòòr, ver buiten de wielen, van achter, tot aan de kruk. Toen ie z’n raam op de kar geslagen had sjouwden Kees en Dirk bak voor bak aardbei òp, dof-angstig rood nu in ’t luchtdonker, sla-stapels en zakken met doppers op elkaar, en hoog boven de kisten weer wortelenbossen, nat nog, oranje bergjes op ’t groen van loof en kroppen.—

Vreemd schril, in woest-valsche lichtglanzing, fel goud-dampig, was zon achter paarse wolkbreuk plots doorgeschuimd. Blauwige gaten spoelden weer tusschen het dreigduister open. Ouë Gerrit luchtte òp. Er gebeurde iets in de lucht, waarop [84]ie niet meer gerekend had. Net of ’t onweer ging wegdrijven. Om de kerels had ie rondgedrenteld, ze in z’n tel-rhytme: een-twéé, drie-víér, precies afmetend toegesproken, loopend en bewegend op maat, en hun allerlei kleinigheidjes aangereikt. Als ’t niet uitkwam met z’n tel, had ie ’t precies weer overgedaan nòg eens en nòg eens, tot ie ’r zelf misselijk van werd. Toen plots de lucht inkijkend, zag ie ’t opklaren, ’n blauw plekje hier en daar. O! wat voelde ie zich lekker opluchten.—Z’n borst weer loosde ademen. Ongevraagd, uit blijigheid, hielp ie goed mee, sprak ie druk, maakte grapjes uit zenuwachtige volheid, zonder dat de kerels ’r iets van begrepen.—Tellen deéd ie niet meer, voelde ie niet meer te moèten, nou ’r niks af te leiden was, weg te duwen viel uit z’n wurg-angst.—

Hoog stond de kar opgeladen, met z’n druipend groen en wortelenrood op ’t weer eronder uitvonkend aardbeivuur, in valsch-fel lichtgoud en duister-dreigende wolkenhallen. De wind was gaan liggen. Dòf nog ruischten de kruinen.—Met stootduwen in geweldige spierspanning, schoften krommig ingedrukt, lijf schuin vóór bakkenvracht, hand om karkruk geklauwd, zuchtend en ademuitpersend, ’t hoofd rood gezwollen, z’n beenpezen in strammen span, scheef-jukkig de schouders naar achter gerukt,—zette Dirk de zware kar in beweging, bonkerde ie, ’t heele lichaam kreupel, ineengekrampt, kracht uitstootend vóórt, over ’t zandpad naar den weg, ’n jochie vooròp dat met z’n rug naar de kisten aan de verleng-boomen meetrok. Aan de krukhaak sleepte Dirk nog mee, mandjes met selderie en pieterselie, geurend rond ’t schokkerig wielgeraas.—

Vóór de kar uit, zwiepten lichtelijk de boomen, wiegden de aardbeibakken en telkens moest Dirk z’n kop bijzij de kistuitstapeling buigen, om te zien waar ie reed. Guurt wou ’t helpertje, dat even de kar zandpad had uitgetrokken, niet missen met den pluk, zoodat hij dubbel uit moest zien achter z’n berg-zware stapeling. Bij helling van den weg, leunde ie met gestrekte armen en kin, bloedloos uitgedrukt, òp de kisten, zwaar persend en hangend aan z’n kruk, loerend bijzij telkens, of ie nergens tegen opbonkte. Dàn weer kromde ie z’n lijf in, [85]stootte z’n klauwen òp, stond ie met één gestrekt achterbeen hoogten op te rijden, de heele karrevracht tegen z’n buik, borst en schoften gestut, in hevigen span van pezen, de nijdige chineesch-jukkige kaken beverig van krachtspanning, z’n tronie rood aangezwollen, langzaam duwend, dùwend.…

Dood van zweet en gebroken van hitte bonkerde en ratelde eindelijk z’n kar de Haven òp.—

[Inhoud]

II.

’t Was Vrijdagmarkt, tegen half vijf. Van enkele zijwegen en uit smalle, door zon verblakerde steegjes kwam áánrateling van karren; tuinders die hun waar vroeg opgeladen hadden. De havengrond bij brokken bekeid, lag vol koolstronken, aardbeirotte plasjes en groentenvuil. Eén brok weg, zwart, gruizig besinteld, rond rood-wit bemeniede lantaarns, frisch zomers opgekwast, lag bezaaid met kisten. De huizenkant van haven, met z’n gevel-trappige woningen van dominee, dokter en wat winkeliers, tot meer naar achter, waar ’n woelige oppropping van kroegen en pakhuizen samendrong,—koelden donker in zwaar uitgegroeid lommer van hooge kastanjeboomen, wonder-groene laan, ingeplant tusschen wal en stoepen. Het ruiten-licht van de oud-gevel-typische huizen in wazig-groene glanzingen, verschemerde ’r geheimzinnig ’n eigen bestaan; bestaan van diepe halfschaduwen, dwars door het aandroesemende lawaai en geraas van havengescharrel, geheim stil verwisselend achter zwaar lommer.—In ’t walletje kleurden achter elkaar, pas aangekomen booten, waarop dekknechten met oorverdoovende herrie kisten van ’n plank lieten glijen òp de steenen, langs de reeling, door ’n anderen kerel weer vèrder rondgeslingerd tusschen vuile stronken en groentenafval, sintel en kei.—Zoet-zwoele, tot stank verbroeide geur van aardbei vloeide wèg in vunzige lucht van duffe groenten. Heel de Haven zoog in, àl luchten en reuken, ademde weer uit, bedorven saamgebroeid zoet van aardbei, aardappels, sla en penen. [86]Telkens achter groene kroeg-gordijntjes spuiden de herbergen jeneverstank uit, scherpen prikkelgeur doòr den warrelenden damp en de stank-zwangere atmosfeer van verbroeid zonnig havenleven.—

Geweldig in wijdheid, doorwolkt van onweersgedreig en half in zonnigheid weer, welfde de polderhemel met ’t weiland eronder, afgelijnd door spoordijk; ’n hemel niet te zien, maar ijl te voelen toch in verte en diepte ònder de àlmachtige luchtruimte. Groen-prachtig, in fel-grilligen zonneschijn, lichtte de lange dijk òp, waarover lawaai herriede van aamborstige lokomotieven, hijgend en puffend, heen en weer, als in zweetbenauwing, drentelend en geduwd voor- en achteruit.—Vastgehaakt en voortgebufferd in stooten en dreunige stampen, donkerden vrachtwagens dwars door den uitkoepelenden polderhemel.

Onder kastanjelaan, vóór huizenkant van Haven, het doorrijpad van karren en paarden, kermisten zuurkraampjes en betentdoekte vischstalletjes met poonen en scharren, die walglijke stanken rondbroeiden in de hittesfeer van sjachering en half afgedreven zomermiddag-onweer.—Stijgender geratel en gerammel van karren en wagens, dooreen-klakkerende hoefslag van zwoegpaarden op keien, kwam dreunend òprumoeren uit steegjes en zijwegen, naàr en vàn de groentenvervoer-booten.

Heel de aardbeistuip van ’t land, de koorts van wroet en pluk, pakte zich daar saâm, in één woesten drang van laden en lossen, één jagende scharrel onder de ventende afbeuling van ’t landvolk. Al tweemaal op één dag was er door de booten in den drukken broeihaal van aardbei nù, op de groote stad afgevaren; al tweemaal geladen en gelost. Om vier uur in den ochtend, de heele week, waren er zes groote vrachtbooten, tot hoog boven de verschansing opgestapeld, weggestoomd, met allerlei groentegewas, stikvol van aardbeien, aàrdbeien. Om twaalf uur ’s middags, léég, heelemaal uitgeput teruggeboegd, weer gevuld, alléén met aardbei en weer leeg naar huis gestevend. Alles had de groote stad opgeslokt, gretig en woest; en nu wéér werd ingeladen voor den marktdag. [87]

De Haven lag gerammeid, begraven onder leege kisten met mandjes, en overal dreef rood sap, donker bloedend door ’t zwarte kolengruis, verkrinkeld in sporen en plasjes.—

Dirk had z’n zware kar met voorzichtige zwenkingen tusschen stilstaande paardjes ingewerkt, zoo dicht mogelijk bij de boot, waar ie z’n goed op te laden had. Telkens schokkerde ie ’n eindje verder, meer naar den wal, tusschen de dooreengezwaaide kistenruzie en manden, tonnen en planken.

Sterker kwam áánwemeling van groenboeren, vrouwen en kinderen, en oorverdoovend raasden de blaffen van karhonden, die daar woelden, rukten en huilden onder de donkere assen, jammerend tusschen hun bemodderden engen knel van spanriemen en treksels.—

Vervuilde, langharige kerels, met dronken-lacherige tronies stonden in overhemd, àchter d’r poon- en scharrestalletjes, hun eigen waar op te eten, schor futloos roepend: fèrsche poone.. fersche skàrre.… In kringetjes rond en onder ’t tentdoek, lolden wat venters en tuinders, poonen etend en uitzuigend, met hun handen de visch losbrokkelend. In nek-achter-over-zwaai, kwakten ze zich telkens stukken vettig vleesch ’t mondgat in.—

Zuigsmakkend en belekkend de goud-donkere poonvellen, plezierden ze, waggelend op de beenen. Stil stopte verkooper ze schar na poon in de handen, terwijl hij zelf smakkerend vrat, z’n mesje tusschen ’t scharrenvleesch peuterde, fijn reepje na reepje, achter de tanden vergoochelde.—

Zon, uitgloeiend achter weggedreven onweergewolk, brandde weer fel op tentdoekjes, die lichtstreepten rood-geel, onder boomlaan door, de smoezelige linnen kleuringen, warm-dampig verzonnigend.

In één uur tijd was de geweldige marktdrukte komen áándonderen in furiënd gescharrel en gesjouw, geraas, getier en roezemoezende stemmenbotsing. Paarden met karren, al méér, al méér, klakkerden en bonkerden onder de belommerde kastanjelaan, schurend langs de huisstoepen, zwenkend, tegen elkaar òp. Vrachtrijders verkrijschten: ho!.… ho!… hai!-daar!-geroep, [88]tusschen kerels, vrouwen en kinderen; tusschen ladende en lossende werkers, of dwars door rumoerige groepen, opgepropt òm groote groenteuitstalling van afslag, waar koopgierige schobbejakkige venters rond-kankaneerden in schor opbied-geschreeuw, als dronken duivels.

Van zijstraatjes uit, dobberde zwaar-stootend gedrang van karren, de eene al hooger achter de andere òpbergend, met kisten- en zakkenlading.

Tegen half zeven daagde van allen kant ’t landvolk òp, voortstuwend pyramiden van kleurdruipende groenten, als was aan akkerzij van Wiereland overstrooming losgebroken, de zee over de duinen heengegolfd. Als was daardoor ’n chaotische beroering, ’n opstand, dwars door paniekheen gescheurd; had zich ’n drom angstigen aanééngestoet, verschrompelde bemodderde kerels, reddend van hun zwaren ploeter àl wàt ’r op ’t land nog te halen viel. Eén wilde, woeste samenstrompeling van mannen, vrouwen, kinders, met kisten en manden en zenuwbevende handen, die meehielpen aansjouwen en wegduwen van kar naar boot.

Aardbeigloei, rood-fel en purperdiep, brandde weer in zonnelaai. Honderden en duizenden bakken met de roode pracht-furie der vruchtjes gingen van hand tot hand op de booten, van de karren naar de dekplaatsen, en van alle kanten losten de wagens uit, stortten een groentezee neer, in branding van kleuren, aanklotsend tegen zonnegolven; tegen broklijven van schuiten, kerels, karren, paarden en honden, één woeste uitgolving, òpzieding van groen, groèn, van zeng-rood, vuur, donkerend purper en hel prachtig wortelen-oranje.—

Hemel was blauw-diep weer uitgetinteld, tusschen zilverende wolktochten en in de koelender zilverglanzen van gloedroode, stillere zon, lag de kastanjelaan doorzeefd in wondren glansnevel, doorvlàmd en zonnemistig tegelijk. En de groenbemoste boomstammen, in flitsen grillig beserpentiend, kromden gevangen in gouden kronkels van glans-slangen.

Dampig gezeef van goudschemer, gloedrood, vloeide over de bronzen en roode kielen der woelende kerels, werkersstoeten [89]in sfeer van gouden lichtdamp en roode toortsentooverij bewegend.—

Midden in zonnetoover daverde ’t haventje van helsche donderbonkerende rumoering. Telkens ratelden van de zijwegen, uit smal-doffige broei-steegjes, nieuwe karren áán, waarachter angstig-verwrongen gezichten èven uithoekten, tusschen bakken en manden; monsterlijk gerammeide zweetkoppen, doodòp van zwoeg, benauwing en snikhitte.—Hun bakken overstroomden de markt, verzwolgen ’t licht. Uit àl andere weggetjes en spleetstraatjes, van rechts, van links, dwars, opzij, uit nog fel-bezonde achteraffe gaatjes en steegjes, flonkerend en dampend in verblindend schellen lichtgloei, bonkerden en schokkerden ààn, al meer paardwagens en handkarren, aardbeien en groentevrachten, rood en groen; felle uitbarstende gamma’s van purper naar papaver-vuùr, en al soorten smaragd, tusschen gelige goud-gloeiende kolen, al méér, al méér, als moest ’t haventje begraven, verzwolgen onder de bakken, manden, vrachten en vaten. Overal, de heete hartstocht van ’t gloeikleurig rood en oranje, de felle klater van ’t schelle en zingende groen, dook òp van alle zij, uit zon-overstorte zijweggetjes, blakerend, smal en vunzig verstoft in de Julihitte, met hun ordelooze wemeling van krijtwitte, bruine, fel-groene bekalkte geveltjes en rooddakig brio.—Overal doken òp, geweldig in drommen tusschen ’t kleurheete, zengende geveltjes-koloriet,—ònder de roodgoud doordampte boomenlaan uit,—al nader, àl nader, de wagens met hun lichtend groen en vruchtenpurper, tègen de hemelblauwing in; de huisjes al kleiner, verder wèg, de karren àl grooter en massaler, aanbonkerend op de Haven.

Later nog, de kastanjeboomen zeefden in zonnemist en de kruinen stonden weer uitgegloeid als was ’t goud er tusschen vervloeid.—

Hier en daar nog van boven schampte ’n flits, ’n gloeiende kronkel, ’n trillende spiraalglans; was lichtweb uitgescheurd en blijven hangen wat bevend spinsel van goud-gloed.—

Links van de karren zwenkten de tuinders hun paardwagens àchter paaltjes áán, op stiller gedeelte, ’n end van d’r [90]boot af.—Stil, tusschen rumoering, suften de paardkoppen, de voorste vastgetouwd aan paaltjes. Maar ook dààr, heel gauw, dromde ’t stikvol, schoven al meer karren in, stonden de beesten met de lijven op elkaar ingedrongen, koppen, droefmelankoliek naar beneden, in zorgelijke bepeinzing over ’t oorlogend havenrumoer, geraas en gekrijsch. Te wachten, roerloos stonden de beesten, d’r half-leeggeladen karren kleure-jolend in zinkenden zonnedoop, kermisjubel van helblauw, groen, hard-geel, bruin en menie-roode beschildering. Zacht zwiepten de staarten, knokelden schimmel-blanke, goudbruine en donker-bronzen ruggen, gloed-laag beschenen. Van alle kanten manoeuvreerden, tusschen ’t geraas van weggeslingerde kisten, de karren zoo dicht mogelijk bij boot waarop geladen moest worden, voor vertrek van den volgenden ochtend. Hoog bestapeld, van achter tot voordek, krioelden de booten in rij vóór den wal. Geen plekje kon onbezet blijven. Dekknechten en kapteins sjouwden gelijkelijk mee met de tuinders, droegen de bakken met vruchten en groenten ààn, in zwaren zwoeg, over keiweg en loopplanken. Handiger dan de tuinders wrongen zij zich tusschen de kisten, mand- en zakvrachten door, opstapelend in zwaren smak van uitputting, de nieuwe vrachten. Dwars door elkaar, bouwden ze òp, monumentaal, dat de groentebakken vèr boven verschansing, als ’n kleurig fort van ruw hout, neergeblokt stonden. En overal bij spleetjes, gloeiflitste ’t vruchtenrood tusschen het monsterbouwsel van kisten, levend monument van vruchten, gesmoord tegen orànjebrand van wortelen en groen.—

Op alle booten tegelijk, bleef de laatste stapeling aardbeibakken, langs heel den havenwal neergewolkt in vuur, en de gemeen-beschilderde kisten in ruig koloriet, dansten een kankan van helsche kleuren in ’t doorzonde, heete havenrumoer. Zwoele stanken drassigden in de lucht ’t zoet uit van de vruchtjes, zwoel-vochtig tusschen de groenten, die opeengebroeid, voozer verstonken. Over den drogen gloeiend-stoffigen sintelgrond verwàlmden geuren, dwarrelde rond, draaikolk van stanken, zoetige en ransige, kanteloeplucht en citroenen, sinaasappels [91]en bedorven uitwasemende poonen, scharren, zuur en eieren; gotenlucht tusschen ’t aardbeizoet, dòòrwaaid weer van kroegstank en spiritus. Alsof zieke reuzen ergens heeten stankadem uitbliezen over de Haven, zóó van alle zij wasemden de dingen hun luchten uit, vermengd en verbroeid in de hitte. En telkens gulpte van spoordijk, rook-roetige wolk-smoezel, in woeste vegen donker heendampend over ’t havengewoel, òver karren, vruchten en menschenoppropping, doorzond en verstoofd in kleuren en licht. Zóó, fel omklaterd en verbrand van kleuren, in de hartstochthitte der zwoegers, verdampten de geuren bevend licht bòven de karren, de mensch-koppen, kisten en manden dompelend in zichtbare sfeer, stralend-fijn van ijl stofgoud.—

Sfeer van trillend licht, als neergestroomd uit reuzige zonnelantaarns, in banen van damp en warrel. En tusschen de menschkoppen en koopwaar, grillig-verspatte nog zonnevuur kleurfelle vlakken, gooide vlammig spel op bevende kaken, òp handen, in oogen. Telkens nieuwe kisten sjouwden dekknechten met tuinders áán, in hijg-zwoeg, dood-af gewerkt van den ganschen dag landwerk; telkens in hun gang gestuit, teruggestooten, weggeduwd en verkneld, door andere werkers met vrachten op nek, hoofd en schouders, ingebukt en woest in d’r moeheid, terugsjokkend van de loopplank, achter elkaar, met de doffe, of kleur-felle kisten op de schonken, wat ruzie-schor verschreeuwend tegen de kerels die opdrongen of worstelden om plaats. Dan hier, dan daar holden en kankaneerden de sjouwers op zij, vòòr paardkoppen of langs geweldige vrachtwagens, die tusschen hen indrongen. Overal was gestruikel, gestrompel; dof-klankten smakkingen, daverde gebonker van verslingerde kisten en manden, gloei-stroom van jachting, verkronkelend in dol-botsende drukte. De kleurige booten, achter elkaar langs den wal, sloegen ’n branding in ’t hart van ’t levende haventje. Eén vloed en eb deinde er van duizenden verlompte werkgangers die òp en af, dwars en tusschen elkaar’s groen-waar heensjouwden en reden.—Zoo golfde bij den wal ’t sterkst, woeste stroom en tegenstroom, zich vertakkend en [92]verbrokkelend in zijwegjes, weer aanspoelend in kleinere hurrie-golfjes van andere kanten. Drang tot afdoen vloeide samen op één punt, bij al de booten, drang en jacht, die angst-steigerend, al hooger àànstortte tegen ’t forthooge bouwsel, kleur-heet monument van bakken en manden; stroom die plots weer àfrazernijde naar kroegen, dat er spuiing kwam en luchtiger rammeling van karren tòt in de afgelegenste, koel-uitgezonde hoeken, bij pakhuizen naar polderkant.

Langs de havenvaart, achter kastanjelaan, lag de kei- en sintelweg hooger met leege kisten bestapeld, teruggestrooide vracht van ’n boot, die al twee maal aardbei naar de groote stad had vervoerd. Nu ook van polderkant donderden en bonkerden paardkarren en ezelwagentjes ààn, met ’n geraas of ’r mijlen in ’t rond muren van glaswerk instortten, telkens één op den ander vergletscherend. Tusschen ’t lawaai van lossers en laders, gilden en joelden kinderen aan karkrukken, klauterend in stemmenschater over wagens, kisten, manden; hingen en wipten ze aan karhoeken, elkaar bejoedelend òprukkend of terugsmakkend. Beestig woelden ze rond, furiënd in de herrie, stremmend ’t gedrang en gesjouw, tot plots in woedevlaag van werkers, ze verjaagd werden naar andere hoeken. Maar ook daar woelden en klauterden ze weer als losgebroken apen uit dierentuin, òphitsend de honden die basten en jammerden gelijk schreiende gekken.—

Als wegratelde, met kar en hond, één tuindersgroepje, stortten nieuwe wagens rumoer uit, was ’r in enkele minuten weer kargedrang en gestoot op-elkaar-in. Achter boomgroen, waar goud-rooden gloed dampte, en scheemrig de laan lommer-glansde, keken vreemd de geheim-stille ruiten, nù onder half bladerduister, in haven-zonnerood vertooverd; bij brokken weerkaatsend ’t belichte gewoel, worstelzwoeg van tuinders, die er vóór sprongen en holden, tierden en hotsten als gestrafte misdadigers, kankaneerend op heete platen, met hun verweerde tronies tusschen eigen walmende reukwaar in. Geen sterveling in ’t stroomrumoer, die stààn kon blijven. Van alle kanten stootten de vrachten òp, mannen, vrouwen, kinders, [93]vloekend, scheldend tegen elkaar in. Méér dragers balanceerden bakkenstapels boven ’t hoofd, waar ze in angst naar grepen, als ze zich teruggebonkt voelden, in den karren-kronkel. Minuten lang werden lijven geblokkeerd, ingesloten, door dwarrelgang van andere sjouwers vòòr de booten, en eindelijk haastig strompelde ’n troep vooruit, als er spuiing kwam aan den walkant. Snel warrelden ze dooréén, aanschuivend en verglibberend op stronken en groenteafval, met één voet soms tusschen ’n opening ingekneld, de andere op bakken en manden neergetrapt. Elk bloot keiplekje lag dadelijk dichtgesmakt, als ’n werker z’n voet wegtrok, opschoof of weer naar z’n kar terugdrong om nieuwe waar af te laden. Angstig geroep en gekrijsch van ho!.. ho!.. hai-je-hee!.… verklonk opjagend de werkgangers.

—Kaik veur je!.… paa’s d’r-op-bout!.… hee doar je kop!—màin snuit ook nie!.… kruiste en spatte tegen elkaar òp, in rauwe ironie en spot. Bij de minuten nu, zwol áán de razernij, ’t gewoel, gedrom, gekrioel op havenengte, en wilder ging werkjacht onder de menschoppropping, de samengeknelde worstelende zwoegers, teelders van Wiereland, Duinkijk, Kerkervaart, Lemperweg, Lemper en van al de dorpjes rondom; moeë kerels, afgejakkerd door dàglangen landarbeid, met heeten wrevel in d’r lijven, tot laat in den avond opsjouwend naar marktwemel.—

Van de kroegen uit, tierde, raasde, ziedde rumoer. Als dampige holen, volgerookt met smook-blauwigen nevel, donkerde daar roezemoes van zuipende kerels, uitspattende drinkers en pijprookers, klodderend en spuwend op zandgrond. Flikkering en lichtflitsjes gloei-speelden ijl over karaffen en glaasjes bij buffet, onderschepte vonkjes en glansjes van verdwaald rood en groen-goud licht. Van alle herbergen stonden de deuren wagenwijd open, en achter de boomenlom’ring uit, verdrongen de werkers elkaar rumoerend, om eerder in haastigen slok ’t brandvocht, droge, moeë keelen in te gieten.—

Benauwend sloeg de stank van groenten, visch en aardbei de kroegen door. In woelige, opgedrukte kringetjes zaten groepjes [94]bijeen onder schor dronkenmanslawaai, en telkens schoot geschater uit, dat als jammerhuilen verklonk. Jovialig beklopten ze elkaar op de petten, schouers, of stond ’n troepje, bij ’n hoek opgedrongen, met de jeneverkelken in de hand, morsend en plassend over kleeren en polsen, d’r groen-waar te versjacheren, klakkend in handslag.

Vlak langs de huizen en stoepen schuurden de paardwagens, uitwijkend als ’t kon, voor groenteuitstallingen om boomstammen; ging rond, ’n gang van slenterende meiden en moeders met kinderwagens, zuigelingen, angstig verschrikt kermend en krijschend tusschen den jachtarbeid in. Telkens uit zijwegjes en onder boomlaan uit, doken de paardkoppen vlak tusschen de verweerde menschtronies in, joelde de havelooze kinderbent, onder paardenpooten, achter karwielen, vaten, zakken en bakken uitklauterend. En heviger, boven alles uit, furiede hondgeblaf, angstige huilgamma’s van verhongerde kreupel-getrokken beesten, dorstig, geranseld, in woeste razernij van klachten, òver heet werkersrumoer heen, met ’n ontroerend-menschelijken jammerhuil in d’r blaf, als verschreiden ze hun ellende, hun dorstgemartel in hitte; verklaagden ze elkaar hun slaag en driftschoppen van d’r bazen, waarvoor ze zwoegden, den heelen zomerdag door.

Tusschen het ketsende paardgetrappel en kargeratel, door dwarsweggetjes uitgestort en neergeworpen in den woelstroom van ’t donderbonkerend marktgeraas, bleven de honden blàffen. Eén jammerkoncert van droeve klaagklanken, van nijdig gekef, van gekerm, gejank; schor en dreigend gebrul van door kinderen gesarde dieren, tegen de wielbanden getrapt, aan de spanriemen vermarteld, met steenen besmakt, dat de schrei-blaffende koppen verkrampten tegen de assen òp. En àl meer karren ratelden ààn, met span van drie en vier beesten vóór en ònder de wielen, die dadelijk meeblaften in oorscheurend geweld.

Plots braakten twee hoekkroegen ’n stoet uit van krijsch-jolende kerels, in malle sprongen, hals-bloot, met slappe handjes naar elkaar toe kankaneerend. Dronken verzwollen koppen, [95]roode stropdoeken, losgescheurd op bloote borst, joolden ze èng en opgestooten onder paardkoppen door, waggelend tusschen kar-honden, die nijdig aanbasten, en in dol geterg, met hun woeste, kwijlige schuimbekken dreigden te happen. Voor de zuur- en vischstalletjes bleven de kerels staan, gretig grabbelend in de zon-bebronsde poonen, waarvan de vellen glansden als gloeiend ceramiek. En schor joegen ventersstemmen de kerels òp.

—Fersche poòne.… mooie poòne? faine skarre!.… fersche skarre!

Verhitte relletjeskring van arme tuindersventers, die onder elkaar wat bakken groenten hadden verkocht, niet op bootveiling en afslag hoefden te wachten, zongen rauw, in dronken joel:

—Oooaaw.… waa’t ’n skà-ànde!..

Hun vervuilde kleeren stonken en drank-asem walmden ze elkaar in de roode bakkesen.—Van rechts golfde ’n nieuwe zwoegstroom áán, die den lolkring terugdrong weer, in de smookige donkere kroegen, waar de zweetwasem verbroeide als zure vleeschstank, tusschen de scherpe prikkellucht van tabak en jenever.

Oorverdoovender buiten, brulde, loeide, raasde en kermde de hondenbent onder de karren; duizenden woedende en schreiende dieren tusschen ’t menschgekrioel in.—

Ze huilden als uit dwangbuizen losworstelende gekken, door brandangst, in ruimte zonder uitgangen, opgejaagd. Tegen elkaar in blaften de beesten onder assen, wielen of krukken, met bassende, dreigende, hakkende, schorre hoog klank-martelende razernij, onvermoeibaar in één krisis van kretensmart. En vonkwild, bloedbeloopen, gloeiden hun oogen zonder dat ’t landvolk omkeek naar de dieren, die ze verhongeren lieten, en versmoren van dorst.—

Aan linkerkant van Haven, waar menschen, paarden, karren, ezels en honden in één oppropping, ’t sterkst dooreenkrioelden, daverde zwaaibreed ’t kistengesmak; keilden tuinders, manden en bakken rond, klonk rauw gekrijsch, barstten vloeken uit, [96]giftig en grof, in heete stemme-botsingen.—’n Politieman, tusschen geraas en gedrang, verkrompen tot mager angst-gestaltetje, keek rond, hand op de sabel, dan hier, dan daar geschouerbonkt, tegen z’n rug, getràpt tegen z’ beenen, z’n kop, geen raad wetend soms, waar zich te bergen.—Aldoor sprong ie opzij tusschen karrenknel en hondgedreig, maar dadelijk weer ver-bonkten ze’m naar andere plekken.—

En overal om ’m, zwol ’t daverend marktgeraas, ontkraterde het heete onweer van zwoeg, de sjouwende kleurige opstand van marktkerels; deinde de zee van druischend woelgeweld, in d’r licht en kleur-golvend beweeg, geraakt nog door laten zonnebrand; in d’r klotsende schuiming overstroomend, vèr, al verder, de Haven, de booten, den polder, met daverend rhytmus van treinengang, dreunend in den lagen, snikheeten zonneval.—

Tusschen het geraas en de blaffurie klonk als ’n demonische hooge stemmenspot, plots bel van den afslag, uitrammelend z’n schellen schater boven de kleurig-opgepropte menschenmassa. Daad’lijk trok ’n bronskleerige tuindersstoet met straat-groente-venters, zonder eigen grond, rond den afslager, die bengelen bleef; tusschen de helle klank-strooiing dóórkrijschend, dat nieuwe omgang van afslag beginnen zou. ’n Helper riep naast den verkooper, met twee handen aan den mond als toeter gebogen, heftig dat ’t bloed ’m naar de wangen schroeide, ’t zweet glimmig van z’n slapen druppelde, den druischdonderenden warrel van ’t marktgeraas pogend te overschreeuwen. De schelle klankenrammel bleef luiend lawaaien en daaràchter de schor-verkrijschte afslagers-stem, onverstaanbare radde handelstermen uitbrabbelend. Op ’n hooge stapeling van kisten stond ie naast z’n helper, en rond ’m, de stom toekijkende beweeglooze, ingedrukte klomp brons-kleerige tuinders, loerend naar de uitgestalde groentewaar, den geweldigen kring van sla, groen-doorzond, als smagarden kwallen, geplooid en bekerfd; douwig-doffe doppers, platte peulen, rhabarberbossen, rooiig-groen, en korrelig blanke boeketjes bloemkool, op stapels dooreengesjouwd, in kisten en bakken. Eindelijk stopte afslager, satanischen klankstrot van bel dicht, kringden de koopers [97]nauwer op en achter elkaar. Kleine baasjes-pachtertjes stonden in den koopkrans gedrongen, met d’r sluwe kaal-geschoren tronies, loenscherig berekenend in klankloos lipbeweeg, wat ze voor de waar geven konden. Anderen, in gedachten, staarden als gekataleptizeerden naar de nu stille bel op kistenhoogte, die flonkerde bronzerig in zongloed, tusschen ’t groen. Lager gloei-glansde zon rond de kijkkoppen, rood-gouden toover sprankelend op tronies-brokken, de kerels vervlammend in toortsigen brand van d’r pracht-bronzende kleeren. Demonisch vlàmde er gloed, inbijtend op den kring, hier fel-licht verblindend op wit gekiel, daar goud-wolkerig verzevend op fronskoppen, bronzen ooren en handen, kleurige kielen en schonken.—

Venters die Wiereland doorsjacherden met wat groenteafval in hun verrotte schrompeling van kleeren, beloerden elkaar woest-nijdig, vooruit al bang, dat een den ander zou opjagen. Onstuimiger drong de stoet bijéén, scharrelkring van schorre kerels, in naakten drang elkaar met oogentaal vermoordend van afgunst. Snel, in woordratel van z’n kisthoogen stapel àf, had afslager z’n waren geprijsd.—

—Veur tachtig de duuzend,.… veur dertig.… die.… veur vaiftig die.…

—Main.… gilde één uit den kring, angst-ontzet als zouden ze ’m slaan.

Daar weerklankte helsche stemmestrot, van bel tingelingelinge! lingg!.… tin.… gelinge.… lingg-ling! ling! schel neerziedend in verdoovende vaart, in ’t rondomme geraas van karren, honden en menschen. Achter den afslager en kijkkring, was weer ’n ontzaglijke, aaneengekettingde rij aardbeikarren aangerateld, helrood tusschen de losgestapelde peenbossen. Als ’n geweldig fantomige opstand van plukkers en rooiers, was er ’n nieuwe stroom reuzige werkers en sjouwers uit den stationskant aangedrongen, dwars door de paardjes en ezeltjes, in ’n davering van ho!.. ho!.. hei daàr!!’s. Opstanding van titanische plukkers uit ’n heel anderen landhoek, tegen de paarden ingaand, die verhit, in pracht van trek-gang, trappelden en vernielden wat onder den hoef kwam.— [98]

Rond handen en lijven, rond oogen van dieren en menschen bleef razen een heet gewoel, een druisch-hevige energie van demonische jacht, één krioelende gang van leven, tusschen boomen, tenten, stalletjes indringend en weer uitgulpend met overstroomenden golfslag van rondfuriënden ploeter.

Pal in den zinkenden zonnedamp, làger verglanzend in sfeer van goudrooden brand, doken de woeste zwoegkoppen òp, uit al meer verdonkerd boomlommer. Dààr, onder ’t verduisterd bladergroen sjacherden de kerels, met d’r tronies in geheim-fijnen schemer van half-licht, groen-goud en bleekblond omzeefd, soms plots uitgesmakt naar walkant, in ’t roodgoud gewolk, tot de voeten begloeid in fanatieken worstel van glansen.—

Van alle kanten in de avondzon, duwden ze òp de kerels, pracht-gespannen de spieren van stuw, al mèèr groenten, heele steden overrompelend met hun monumentale warenmassa. Inééngedrongen dààr, op karren bij elkaar, geplukt en gerooid, lag de éérst mijlen verspreide zwoeg van hun land, om straks te zien verdwijnen hun waar, hun voedsel en zoete spijs, als offerden ze, in angstige, stomme biecht van arbeid, aan den donkeren grom-muil van groote geweldige stad, verslindende metropool, die maar slikte, slikte, elken dag meer van wat er brandend en zweetend uit hùn gloeihanden zich opstapelen kwam.—

Van heinde en ver trokken ze op, van de stilste afgelegenste akkerhoekjes, waar eerst hun waar in zonnebrand had te gloeien gestaan. Van heinde en ver de kerelsstoeten trokken òp in orgieënden zwoeg, omjoeld van laat hemellicht, dat schaduwde en zacht vervlamde in beev’rige, goud-roode vegen, aarzelend purper en nevelig hitte-brio, verdonkerd onder lommerlaan in zeegroenige zweefglanzen. De kerelsstoeten er in, tusschen hun nog half levend goed, met den sappenden streng uit den grond gerukt, in den zwijmel van landgeur, den frisschen zwelg van aarde-lucht, verbrandend, verstovend in de havenstanken. Kerels-stoeten als ’n leger van werkers, met hun kleurfelle, gloei-dronken schitter-spijzen van overal, worstelend en optrekkend [99]naar den grooten verren donder der stad, toestoppend den grommenden lekkenden reuzigen muil van het zwelgend, vraat-dolle, hongerige massa-monster, waar zij nu voor saamstroomden, met hun lèvende waar, doorzogen van hùn zweet; kerelsstoeten, onbewust van hun demonischen aanvoer, hun luidruchtige geweldigheid, en heet-koortsend kleurenbrio, hoorend in ’t kraterend marktgeraas, echo van den ontzettenden honger-grom van stads-strot.—Al maar, achter de kastanjelaan uit, van steegjes en weegjes, doken de karren òp, nu drukker in bedrijvig gedrang bij den molenkant van station. Ze waggelden de wagens, zwanger van hun vrachten, ratelden, hotsten heviger, alle door ’n blondroode baan van licht heenwadend, doortrilden gouddamp, die àchter hun koppen, hun waar, bleef hangen als ’n bevende nevel, laat zonnevuur waaruit ontzag’lijk, reuzige menschen groeiden. Eindelijk, hun lijven en karren, dromden buiten de lichtbaan, die zich achter hun koppen weer sloot als ’n wolkerig wonder van goud-roode glansen.… Al lager sloeg ’t zonnevuur de haven in tooverroes van kleur-vlammige schijnsels, als gebroken licht-vitrails, in scherven en brokken rondgestrooid over keien, sintelgrond, karren en vruchten, hout en steen; vlammige brandingen van ’n Juli-avond, waarin ’t marktgedruisch ziedde, kookte, in helle-sfeer van broeiing.—

De booten stonden al hooger opgestapeld, achter en òm de donkere pijpen en koelkast, bòven machinekamer. Gedraaf, hijgend òp en af de plankieren daverde en krioelde langs den wal. Te zinken dreigden de schepen van overvolle angstig-dicht opgepakte vracht. Burchten van ruw hout, in al woester koloriet, waar de late zon op neerlekte lichtvlammen. ’t Hoogst, bòven de bakkleuren uit, roest-rood, brons, groen, hel-blauw, goud-geel, bleven de aardbeien gloeien in hun ijl-zang van hel inkarnaat, purperend zonnegoud òpzuigend; de bakken volgedaverd van lichtende vruchtjes.—Daartusschen pyramidaalden bergen doppers, selderie, sla, postelein, wortelen, tuinboonen, bergen groen en oranje.—De bloemkoolen schaars aangevoerd van polder, stonken tegen de aardbei-zwoelte in, [100]en telkens, uit den kroeg-smokigen mist, doken kerels òp, doodaf, in zweetvet verglommen, den heeten asem van hun drank in sjacher verhijgend over hun vruchten.

Midden in het oorsuizend donder-dof gesmak van bakken, in jagender tempo, stond plots ’n Jood, moorsch-zwart, op ’n kruk, voor ’n hoog standaard-tafeltje, waarop wat vuile tangen met kromme snavels, dooréén lagen; grimmig roodroestig gereedschap als martelwerktuigen van middeleeuwschen kerker.—

Midden tusschen ’t gekrioel en den furiënden aanstroom van lossing en lading, was de Jood tweemaal tusschen karren en boot doorgedrongen, maar weer teruggesmakt van z’n standplaats. Eindelijk had ie z’n tafeltje bij ’n wat uitgedaverd walhoekje vastgemoerd, was ie spraakloos in de giftige woeling rondom, blijven staan. Vòòr ’m dromden handkarren, volgestort met felgele komkommers, goud-glanzend, bij punten gepolijst, en telkens daverden kerels met groentebakken voorbij, die licht rondsloegen tusschen ’t overal wolkende aardbeirood.

Moorsch-zwarte Jood, met vonk-donkere oogen, stond hoog en rustig eindelijk op z’n smalle kruk, boven z’n tafeltje uit. Onder z’n tasch, tusschen de tangen, greep ie naar ’n trompet, tamboer-gebarig voor z’n mond drukkend. Valsch geschal toeterde en stootte ie uit, ééntonig als bazuindreun op grooten verzoendag in synagogen, kreten van vermoeienis en uitputting verjammerend.—Telkens bonkten, in ruwen daver kisten en manden tegen z’n kruk op, dat ie waggelde, zich vastgreep aan z’n vastgesnoerd tafeltje. Maar onvermoeid, toeterde ie door, energisch fel klankgescheur, dat de karhonden rondom nog ellendiger uitraasden, grienden en blaften, en telkens stortte ie ’n heet stjing! stjing! van bekkenslag er tusschen in.—

Achter den Jood, op z’n kruk, koepelde ’t geweldig polderluchtruim, doorgloeid van glansen, waartegen donkerhoog z’n gestalte oproer herautte, in ’t rondomme gebarrikadeer van manden, kisten en karren. Donker vonkten z’n oogen, en strak, taai-energisch, bleef ie toeteren en heete tjings van bekkenslagen [101]afpauken in ’t geraas. Hem voorbij, in nijdige onverschilligheid, donderde ’t gewoel en gedraaf, gebroei en geschroei der zweetzwoegende kerels. Geweldige lasten voortzwoegende paarden zwenkten schurend langs z’n hoog standaardtafeltje. Ezeltjes huilbalkten achter z’n rug, en in loomen luister naar z’n getoeter en getjing-sjing stonden paardkoppen rondom, vlak tusschen het tuinders-gewoel, met heftigen tril van hun oortjes.—Wèg bleef ’t luistervolk, nog gebukt in sjouw, en sterker toeterden en dreunden de moorjood trompetscheuren, heet als schuimflitsen van golflicht, hooggoud en brandend rood, òver ’t woeste hurrie-rondkolkend marktgetier.—Eindelijk wat jongens en kerels, gedaan met sjouw, bleven hangerig en landerig staan voor z’n tafel, lacherig of in stompen staar bot òpkijkend naar den trompettenden Jood.—Grinnekend scholden ze ’m uit, krijschte een roomsch-nijdige kop, fel-spottend en dik-tongig.

—Enne.… ààpramm.… gewòn Isaak!… enne Issaakh!.. gewon Sjàkop enne.… Sjàkop ’r.. gewon.. heè! rot-smaus, appie!.… d’ur is d’r ’n goàtje in je trepetter!—

Maar Jood bleef star-kalm in z’n donkere figuring op de kruk, z’n vonk-zwarte oogen, hevig suggereerend in z’n hoofd. Stil had ie op z’n tafeltje de trompet en tsjing neergelegd, groote toortsen papier gerold en in brand gestoken, dat ze rookvlamden in z’n handen. Zachte kringen van vlammenlicht, zwierden hoog om z’n zwart hoofd, donkerend tegen den laag-stralenden zonschijn in. Walm-rook dampte blauwige mist rond z’n hoog-staand lijf, dat reuzigde tegen de polderlucht. Telkens als toortsen bijna uitgebrand waren, rolde ie met linkerhand nieuwe, zwaaide ze in kringen, dan één, dan twee, geheimzinnig om z’n gelaat; stak weer andere áán, wierp wèg de uitgebrande.—Nu en dan bazuinde ie tusschen het smokige, roetige gloed-rood gewalm, in den mist van z’n mysterieuze goochelsfeer trompetklanken uit, dat angstiger, burlesker, z’n omdampt-moorsche kop scheen te zwellen tegen ’t hemel-rood in.—

De jongens schaterden om mallen Jood, maar kerels nu bleven [102]lijzerig staan kijken, bot, den mond van loome verbazing opengegaapt.—

Dirk was uit de kroeg, op ’t walmgerook toegesprongen in den kring, verbluft òpstarend naar den kwakzalver, als zag ie ’n wonder uit den hemel tusschen ’t havengewoel neergestort.

Onder de kastanjelaan woelde marktgescharrel, ’t drukst nu, rond de kleine tentjes en groenteuitstallingen.—De groote huisramen gloeiden rood in ’t zonnezinken, vreemd flonkerend, fel in gouden mist, onder den zwoel-duisteren bladerenschemer uit, rooden gloed, die diep, dièp, ’t marktkrioelen in bloedende gamma’s òverleefde, àchter de trillende boomschaduwen. In den geheimvol verwaasden ruitenbrand, mysterische vensterstaar, onder ’t scheemrige perspectief van havenlaan, stak zonnezink telkens andere ruiten ààn, die vlamden in lichter en donkerder gloei, tusschen het lommerig duistergroen dóór. Daar onder, en vòòr, joeg wilder gedrang en gedraaf òp en neer van kerels en vrouwen, in gekrijsch, geslikkerbik en ruwen klinkklank, òm de poonen- en stinkende scharstalletjes. Meisjesgegil joolde, tuinders lolden, dronken, in woesten stoei. En dwars door den brandgloed van ruiten, titaanden ze òp, naar ’t vlammegekring en getoeter van den Jood, met z’n makaber trompetgekrijsch en rossig-rookige toortskringen. Onder ’n oppropping van goud-gele, bronzen en bruine tentwagens, vóór kroegen en huizen uitgespannen, wiel- en rug-beflitst, holde ’t landvolk naar den trompetter, in gejaagder tempo.—Nieuwsgierig, verhit en afgebeuld, trok ènger en meer rijend achter elkaar, ’n kijkkring om den Jood. Telkens kwam karrendrom dwars door achterste loerders heendringen, in gesnauw, gevloek, geraas, verbrokkelend den stoet, maar aldoor vulden de gaten, propte zich voller de kijkkring.—Jood had goed rondgekeken, sluwigjes zich neergezet op plek waar de booten ’t hoogstmurend al volgestapeld stonden, de sjouw aan ’t afloopen was. ’n Tuinder had ’m gezeid dat ie doodgegooid zou worden met bakken en manden, als ie eerder begon. En stil, taai-rustig had ie gewacht, rondloerend met den heeten gitglans van z’n oogen, berekenend wanneer ie z’n slag moest slaan. [103]Grooter werd koppengedrang om ’m heen, en telkens nog scheurde ie trompetgalmen de lucht in, tusschen het marktgewoel, dat soms plots woester langs ’m raasde en tierde; ontstak ie rustiger, z’n groote grauw-papieren toortsen, vlam-kringen boven z’n hoofd zwierend, als derwisch in godsdienstextaze, vreemd-woest in z’n moorsche, dreigend-suggestieve donkerheid. Nu en dan galmde ie wat woorden uit, die wègkreunden in ’t helle-geraas. In aandacht gespannen, verkuchten de kerels papierstank, brandlucht en rook; stonden ze op elkaar gewurmd en verdeukt van lijf, als menschenpròp vastgeslibd, saâmgeklonterd in de woelende aderen van dóórstroomend marktlawaai.

Eindelijk had Jood genoeg van z’n toortsen en toetering, lei ie z’n trompet neer, verschoof ie z’n papier, rammelend tusschen z’n trektangen en groote zwart-verlakte tasch. Stil-donker stond z’n lijf, hóóg op de kruk tegen ’t late zonlicht in, rug-beglansd, en schouers èven geveegd van goud-rooden glans.—Stil-donker, verduisterde z’n gezicht al meer. Z’n zwàrte flambard, breed model, dofte op z’n zwàrten kop, even boven z’n zwàrt-moorsche brauwen, als met kool-stift in z’n rimpel-hard voorhoofd geëtst. En z’n oogen, diep vergroefd in zwarte wallen, gloeiden vonkig, fosforig tegen ’t licht, als van ’n hond. Z’n snor, zwàrt en breed uitgekruld, en z’n baard, koolzwàrt, verdonkerd, vrat weg z’n smal geel-bleek gezicht, dat alléén oog en háár leek.

Sultan-achtig, èven ingebogen met rug en schouers, verdraaide ie hoofdsche gebaren, gratieus overdreven, met potsierlijk eigen-waarde-gevoel van hoffelijk markt-kunstenaar. Zwaar kuchte ie, èven beleefdelijk hand voor den mond, zette eindelijk in.

—Als hèt.… hooggewaardèèrdèn.… pùbliek.… eens èènèn.… oogènblik.… nààr mij.… luistèrèn wil.… zou ik mij.… bèkend willèn.… makèn.…—

Elk woord stootte ie uit, in breede sperring van den mond, optrekking van wang en lip, dat z’n prachttanden, hagelwit, òpblankten tusschen z’n donkeren snorbaard. Door vreemd-trillenden òphaal van z’n mond onder ’t spreken, leek ’t of ie [104]bij elk woord dat ie uitstootte, duivelsch grinnikte, in samenfrons van roet-zwarte brauwen, boven satanisch-gele groeven van z’n voorkop.—Z’n stem klonk schor-vermoeid, als van iemand die walgt van eigen praat. Smart lag er in, schorre, angstige, stil weenende misère. Soms onder ’t stoot-fel spreken, verdofte de vonk uit z’n oogen, stààrde ie over de luister-koppen, kwam er lusteloosheid in het donkere rumoer van z’n anders felle kijkers. En dóór bleef iets weenen in z’n schorre, àffe stem. Geen van de drieste, in zweet afgebeulde werkers, in de havenhitte, broeiig opééngepropt als groote verbaasde kinderen, loerend, loerend,—die iets merkte van Jood’s vermoeienis. Z’n handgebaren gingen mee, moè, afgetobd, met z’n stem, elk woord afhakkend, om duidelijk te zijn, verstaan te worden, vreemd-zangerigen, verkeerden klemtoon-druk op èlk woord neerdreunend.—

Boertjes, tuinders en meiden stonden te dringen, te zweeten, te blazen in de hitte, maar al meer landvolk propte zich dichter, vaster om z’n tafeltje, gevangen door z’n schijn-gratie, z’n zeg-vuur en opgewektheid.

Van alle kanten begluurden ze den Jood, klaar om ’m te steenigen als ie hen bedroog. ’n Paar jochies zwierden òver koppenkring heen, palraak, hem vuile groentenstronken in ’t gezicht, en kinders gilden plots, boven ’t marktgeroes uit: smaus! dief!.… rotte joòd!

Even keek ie naar de kereltjes, gooide de koolstronken, die smoezelig op z’n tafel neervlerkten, achter z’n kruk, lachte stil, ironisch-droevig.—

Plots lichtte ie z’n grooten donkeren hoed, beleefd van zwartkrulligen kop, groette in tooneelbreed gebaar, schreeuwde uit, woord-afstootend in zangrigen dreun vervolgend.

—Hooggè.… wààrdeerd pùbliek.. Ik heb.… den bijzonderèn èèren mij-zelffers ààn Uw.… voor tè stellèn.… Ik ben.… tandhéélkundigèn … mijn naam is … Jaack Ròzel … woonàchtig.… sedèrt.… drie-en veertig jàren.… te Rottèrdam.… nùummééroo zès-en-zèstig.… alwàar ik.… prakkiseer.… sedert veertig.… jarèn.—Ik ben.… dèn zoon [105]van dèn.… èx-èx-professor.… te Montabilie, gènaamd.… Jaack Ròzel, seni-or.… waarvàn ik.… den eer heb.… den èchten, den eenigèn afstammèlingg.… tè-zijn.… Ik represènteer.. zijnen.… nagedàchtenis.… en verkondig den volken.. zijn sàluut!

Even rustte z’n stem, doodop, als stervend in z’n schorre keel. Rond z’n luisterkring lawaaide herriestroom van karren, kisten, kerels, gierden honden.—’n Paar boeren met goudrooiige kaasjes op grooten wagen, duwden tegen den kring in, schreeuwend en roepend, òp van inspannenden sjouw. Gevloek en getier sloeg terug, over kerels en meiden heen, opzij gedrongen uit kijkkring. Duw-kerels raasden en spogen naar den Jood, die deed alsof ie niet hoorde. Even zacht, sloot ie de oogen, mijmerend in zichzelf. Plots sperde z’n mond weer, ging uitgekrulde zwarte knevel in lippendans heen en weer, op den burlesken donkeren kop; stootten z’n woorden weer in zangdreun, met den angstig-schorren klank-moeën stemmebeef:

—Mijn bèroep, geàcht pùbliek is te zijn tandheelkùndigèn.. Ik.… genees.… àllen tant-, àllen mond-, àllen kies-, àllen keel-, àllen verhemelten-, àllen reumatièken pijnen.… Ik.. gènees àllen zinkes.… àllen koòrtsèn, àllen aandoèningèn.… en … stòringèn.… gèlijk gij dat.… ondèrvindt.… van profèssèuren.… gèlijk gij mààr.… wilt.… luistèrèn!—

Plots daalde z’n stem tot zacht-vibreerend gespreek, doordringend, duidelijk te verstaan toch, in den doodstillen kring, waarachter de markt raasde, tierde, smakte en donderde, àl verder, met heet geluid van duizenden mokerslagen op aambeeldstaal.—

—Noemt mìj.… éénen.… leugènààr.… noemt mìj.… éénen.… bedrièger.… éénen galèiboef.… indien ik.… ù niet … den geëèrden argumènten … toon … Maaààrrrr!!.… stootte in één, ùit de zacht-vibreerende spreektoon z’n stem plots hevig òp,—àllen profèssèuren.… àllen doktòren.… àllen tandheelkundigen, àllen verlòs-, àllen heèl-, àllen gèneeskundigen.… kènnen.… Jaack Ròzel, Jaack Ròzel, den éénigen.… en èchten.… afstammèlingg vàn.… Profèsseur.… [106]Jaack Ròzel.… Senì-or.… zijnèn vàder.. te Montabilie.… begràven.… mèt mùziek.… en militairen eèren.. Allen kennèn.… Jaack Ròzel.… Juni-or!.… wien ik.… dèn eèren heb.… hièr tè zijn.… Voor wièn ik.… Hedèn.. mijn beproèvingen.… zal amploi-jèèren!.…

In kring van luisteraars en loenschige kijkers, bot en verbaasd òpstarend naar den kwakzalver, was groote stilte-spanning gezakt. En achter den aangroeienden menschprop, in kring vastzuigend een aan den ander, zwol het hondengeraas als hellegekerm; ratelden en hotsten de karren, rauwden in krijsch en hurrie kroeggangers en sjouwers. Vreemd in bleeker goud, stonden huisruiten achter boomlommer uitgebrànd. Er vòòr krioelden nog tentwagens, karren, paarden, ezeltjes, vrouwen en kinders, scharrelaars met kippenmanden en lichtbekleurde vogelenkooitjes. Aardbeizoet bleef zwoelen, overal rond. Telkens uit de kroegen doken koppen òp, onder ’t lommergroen uit,—waar ’t nu dampte van stanken en broeinevel—opdringend in woesten stoei naar den Jood.—

In strammen staar bleef kring om ’m heengepropt, loerig wachtend op z’n proeven, maar voortschorde, scherp, droog, z’n stem, gemarteld van moeheid.—

—Ik.… Jaack Ròzel, woonàchtig te Rottèrdam, gènees U.… van àllen pijnèn, àllen wervèl-, àllen gezichtspijnèn, van kràmpèn.… zoòwel àls van kolièkèn.… van klièrèen.… zoòwel.. als.. vàn verzwèeringèn.… van spierpijnèn, van pèèspijnèn, van likdoòrnpijnen.… van gezwelpijnen, zòòwel als van abscespijnèn.… En ziet toe!.. Hooggèwààrdeerd.. pùbliek.… zièt toe!.. Ik gènees allès met hèt.… kostbàren vocht vàn.… Valura.… in dezèn fleschjès.. saamgèperst.—

In groote omzichtigheid tastte ie met één hand in z’n tasch, haalde er flakons, in vloeipapier uit. Hoffelijk buigend weer voor z’n gehoor, ironietrek verborgen om z’n breeën donkeren mond, nam ie gratielijk z’n hoed af, stootte schor-rauw uit:

—Mijn gè-acht.. en hoog-gè.. waàrdeerd.… pùbliek.… met dit.… vocht.… van Valura.… geneès ik.… wondèren!.… Met dit vocht.… heb ik reeds.. genèzen.… dèn [107]kòning van Itali-en.… dèn koningin van Spanje.… dèn oud-kroonprins van Groenland.… den princes van Montàbilie.… den èrfgraaf van Havana.… dèn rèsident van Djòkjo.. kàrta.… dèn dekens.. èn dèn.… bisschoppen van Ròmana.. Mèt dit.… duurzàmen.… vocht.… mijnèn.… geëerden hoordèrs.… verricht ik.… geneesingen.… dien gèèn.… doktèr.… gèèn tàndheelkùndigen, gèèn chirùrgein.… gèèn àrts.… gèèn profèsseur, gèèn spiritist, gèèn hypnotiseur, gèèn fàkir, gèèn Bedouien, gèèn Arabier, gèèn Israelièt.… gèèn Christèn.… gèèn Moor, gèèn Zweed, gèèn Spanjool, gèèn Fransch-, gèèn Duitsch-, gèèn Engelschmàn mijn kunnèn.… na-verrichten!.… Maaààrrrr!.… mijnèn vrienden.… Eenigèn.… druppèls, van dit.… duurzàmen vòcht.… in dèn mond.… eenigen roersèlen in dèn gehemèlten gehoudèn.… daarnà hèt vocht.… uitgespògen.… dèn mond.… nagèspoeld met koud water.… èn wèg.… èènsklaps zijn àllen pijnen, àllen koortsen, àllen zinkèns.… Maaààrrrr! aanstonds mijnen heèren!.. en mijnèn damès.… aanstònds.. zàl ik.. onder.. uwèn.… geëerden.… aanwezigheid.… dien er.… mààr wil.… den proef laten nèmen.… Ik bèn.… Jaack Ròzel.… Juni-or.… woonàchtig te Rottèr-dam.… Reeds sedert.… veertig jàren.… trek ik.. zònder pijnèn.. en zonder geldèn!.… graties!.… voor-niets-niemèndal!.… Alleen vòòr dit.… flèschje.… betaalt gij.…—Dat-wil-zeggen.… Ik ben.… hier niet.… gekomèn.… om wat.… te verdiènen.… maar.. òm dèn.. menschèn.. te bewijzen.… een weldààd.… Maarrr!!.… al zoudt.. gij mij.… vijfèn.… twintig guldèn.… willen gevèn.… ik zou dezèn.… niet akcepteeren.… Ik bèn hier.… òm ù.… van dienst tè zijn.. Alleenig daarom!—Dit vocht.… van Valura.… spéciaal.. bèreid van gè.. heime sappèn.… òntdekt.… ten tijdèn.… vàn het.… middernachtelijk uur.… door mijnèn.… vader.. profèsseur te Montabilie.… door zijnèn.… handèn.… den handèn.… van Jaack Ròzel.… Seni-or.… dit vocht.… met zijn.…. geheimen sàppen.… kùnt gij.… krijgèn.… Maaààrrrr! nièt voor.. dèn prijs.… van vijf-en.… twintig.. [108]gulden.… Voor gèèn twintig.… gèèn vijftien.… gèèn tien.. gèèn negèn.… gèèn acht.… gèèn zevèn, gèèn zes.… gèèn vijf.… gèèn vier.… gèèn drie.… gèèn twee.… gèèn één gulden.… Maaààrrrr! dit vocht.… waarmeè ik.… genees.. àllen zinkèns.… àllen koòrtsen.… àllen keèl, àllen tant.. àllen maàg, àllen ingèwandspijnen, dit vocht.… kost slèchts.. dèn prijs vàn.… vijf-èn-twintig centen.… En al.… woudt gij.… mij nu gèven.… na te hebben.… gèzien.… den wondèren van mijn wèrken.… op hèt lijf en den ledèn.… den pezèn en den spierèn van iederèn persoonaadjen.… al woudt gìj.… mij betalèn den blootèn sommà van vijf-èn-twintig.. guldèn.… ik zou.… hèt.… niet.… aanvaardèn.… omdat ik.… een weldààd.… voor den armen bèdoel.…—

Even hijgde ie uit. Ronddaverend geratel was achter z’n kring heengedonderd, dat ie sterker z’n stem moest uitzetten.—Z’n gezicht glom van zweet, stond grauw van vermoeienis. Toch probeerde ie door te spreken met cier, hoogdravend in zinwending, langzaam, als uitrustend bij elk woord, overdreven in hoflijke geaffekteerdheid, alle woorden afstootend met zware „’n”. Weer had ie deftig z’n hoed van ’t hoofd gelicht, sprak ie ’t landvolk toe, meiden gapend van verbazing, kerels loenschend en heet op proeven.—Hier en daar, midden in en vooraan in den kring, stonden jongens en kerels met hand aan den mond gedrukt, zacht-kermend van pijn, gloeiend in hoop nu, van hun smart verlost te worden. Er begon wat bangelijk geloof en verschrikte suggestie in den menschklont rond te gaan. Dat voelde de Jood, zacht-triomfeerend met ingehouen ironielach.

Zon, al lager, verfde gouïge glanzen nu op de luisterkoppen, en tèlkens drong nauwer òp de groep, om tandentrekker.—

Zachte, plechtige verschuivingen van lijven en gezichten, armen en rompen, wurmden paffend in den kring, waar tusschen snikhitte dampte. Gezichten stramden strak, van vrouwen en kerels, nek-achterover, in òpstaar naar den al sterker suggereerenden Jood, in luisterspanning; koppen staarden, van jongens en kinders, waarop ’t late licht wondere schijnsels weefde in legendarischen gloed. [109]

Karren ratelbonkten nu al verder van den kwakzalver af, die al breeder omsloten stond in kring, en sterker stootten z’n woorden òp, schorde z’n moe geluid, afgetobd en bevend:

—Maaààrrrr! nu.. Hoogè-eerd.. pùbliek.… Is er.… een-ònder u.… die soùffreert.… aan pijnèn.… ’t zij zinkens, ’t zij koòrtsen, ’t zij rheumà-tiek in dèn mond.… het strottenhoofd.… hij komèn.… tot mij.… opdat.… ik hèm.… òp slag gènees.… onmiddèlijk.… Ik ben.… Jaack Ròzel.. Juni-or.… heeren en dames!.… zoon vàn.… profèsseur.. Ròzel.… Seni-or.… woonàchtig tè.… Montàbilie.… Maaààrrrr!.. ieder.. dien nù.… lijdendèn is ààn pijnèn.… ’t zij oòrpijn, ’t zij.. wàng- ’t zij keèlpijn.… hij komèn.… tot mij!.… Mijnèn.… vriendèn.… en ik.… zal hèm.… dadèlijk.… genè-zen.… zonder smàrten.… met dit.… geheimen.… wondèr vocht.… van Valura!.… Laàt u.… hèden.. niet terughoùden, door.… àngsten of.… valschèn.. schaamtèn’s.… Want ìk trek.… zònder pijnèn.… en zònder àngsten.…

Twee opgeschoten slungels en ’n knecht-tuinder wrongen zich uit den knellenden prop los, gingen bleuerig en gemaakt-lacherig voor de tafel staan. Een blondharige jongen had onder elken arm ’n dik kaasje gekneld.—Uit z’n jekkerzakken bochelden goud-glanzende punten van komkommers. Met suggestieve kracht keek de Jood van z’n kruk op hen neer, door-oreerend toch tot publiek, zonder de patiënten iets te zeggen, manouvreerend den kring rond met z’n fleschjes. En donkerder figuurde z’n mager lang lijf tegen het late luchtruim, hoog-eenzaam op z’n kruk, in de afzakkende havenherrie, in den zwoeg van karren naar booten.

—Hei Jansse, hai hep ’t op sain ruijker!.… t’met stol ie.. je koàsies.… kaik de fint se klietere onder sain oàrreme!.. schreeuwde Dirk, telkens aan z’n wang voelend of ie ook t’met geen kiespijn voelde. Dan kon ’t nou toch beure feur niks.—Maar de Jood zangdreunde voort.

—Nièmand.. mijnèn vriendèn.… behoeft dit.. te koopèn.. àls hij.… niet dèn.. proevèn.… heeft gèzien.… gelukkèn.. [110]Komt ééns hier.… gij vriend.. ja!.. lèg u.. kaasjès.. mààr neder!

—Komp nou op de koffie hee?.… die bi’-je t’met kwait, schreeuwde één heesch, uit de menschenprop.

—Leg.. uw.… kaasjès.… maar hier.… nèder!.. mijn vriend.… Hun zal.. gèèn leed u geschiedèn.… Neen! kom niet.… àllen drie!.… tegèlijk.. Gij àlleen.. ja.. laat ùw kazèn.. mààr los!.. weès niet.. zoo bèvreesd.… Gij.… àlzoo!.. juist.. hier!.. maar.. op dèn straat.. jongèn vriend.

Wat schèèlt u?… en waar mààkt gij.… u bezòrgd ovèr? Zeg hèt mij gerust.

—Nou?.… joa kaik.… doàr.… achteràn.… in main bek hee?.… aarzelde bleekig van angst en verlegenheid de slungel, die bangelijk z’n kazen op de straat had gezet, er telkens naar glunderend, of iemand in den kring ze ook vergoochelde.

—Hoe is ùw.. naam.… jòngèn.. vriend?.. èn waar.. woònt gij?.…

Van z’n stoelhoogte had tandentrekker zich voorover gebukt naar den beschroomden slungel, die met open mond, wijd gesperd, wat terug stamelde op z’n vragen, terwijl de Jood, ingezakt, beenen gekromd, ’n vies tangetje tegen de rottig-groene tanden van den jongen aantikkerde.

—Hier zit hij.. niet waar vriènd?.. juist.. dèzen.. juist dèzen.… dien doet u.. pijn? niet jongèling?.…

Harder tikte ie tegen ’n bovenkies áán, en de jongen, beverig van pijn en benauwing, met z’n kop in den nek gedrukt, z’n schonkige schouders van angstigheid hoog-scheef opgetrokken, oogen duizelig hemelruim instarend, schokkerde, kwijlde op Jood’s hand, stotterde wat woorden, achter gerommel van vuilroestige tangetje, dat z’n mond inwoelde.—

—Hier hèbt gij.… pijn nièt?.…

—Nou.… nou.… auw!.… ik f’rek puur fé’ pain!.…

—Zekèr.. vriend!.. stil moàr! Houd ùw hoofd.. wat hoogèr!.…

De twee andere patiënten, bleven gejaagd kijken, van den [111]jood naar den slungel. Spannende angststilte hijgde door heel de menschenprop.

—Geef dit, tangètje ééns aan, gij vriend!

—Hoekke motte ’t weuse?.… stamelde de gevraagde verlegen.

—Dutte! dutte!—krijschte ’n andere er zenuwachtig schreeuwerig doorheen. Maar de Jood had zich, ongeduldig, zelf teruggebukt achter de tasch, z’n halven vuist in den gaapmond van den slungel stekend. Handig, uit z’n vuile rommel greep ie ’n kort-dikke tang, met roestige snavelkromming.—

—Kaik.. dat is weer ’n aêre!.. schreeuwde bang één uit den kring.

—Wá’ he’k main slinger!.… dá’ kost ’m sain heule stal!.. lolde zenuwachtig ’n ander.…

—F’rskeur nou je pampiere moar.. Joap Jansse!.. gilde ’n meid.

—Kom bai màin op de koffie Joàp!.…

Maar Jood bleef kalm, hield z’n tang op de tong van z’n patient gedrukt, keerde zich deftig naar het publiek, dopte weer hoofsch, met sierlijk groetgebaar, liet den slungel gapend, den kop diep den nek ingekrampt en sprak:

—Hooggè-waàrdeerd pùbliek.… gèachten.… vriendèn.. Ziet toè! gètroost uwèn.… geëerden oogèn.… den kòst.… te gevèn.… ziet toè … hoe mijn … vocht vàn … Valura.… wondèren.… uitrichten.… zal.… Dezen jongen vriend.… ùwen vriend, heeft.. hevigèn kièspijn.… koortsèn.… en zinkès.… van wegèn.… den verròtting.… èèns kies.… nièt waàr vriend? Gij lijdt.… gij hebt.… duldeloòzèn.. smarten.… in dèn ochtend.… wanneer gij.. u ten rùsten bègeeft, òp ùwen.. legerstedèn.…

—Nou furt dan.… furt!.. furt!!.. ik f’rek fè pain.… stamelde woedend de slungel, ’t hoofd nog achterover gebukt, klein gesuggereerd in houding, roerloos, als zou ’m de Jood, bij kleinste beweging, begoochelen. Maar kalm weer, boorde blik van den kwakzalver op z’n angst-slachtoffer neer, en dòòr stootten z’n afgebroken woorden: [112]

—Gij hoort hèt.… gèacht pùbliek.… ùw vriend lijdt.. pijnèn … smàrtèn … zièt toe … hoe ik … dezen.. jonggèling.. éénigen.… dròppels.… van dìt.… gèheimèn.… vocht toèdien.… zièdaar!.. mijn jeugdigèn vriend! neemt èèns, een slòkje en spoelt u, op dèn plek.. ùws pijns.… Maar houdt hèt.… geheimèn sap over.. uwen gànschen.. tong vèrspreid. Zoò juist! En nu.… ter exploiteering der kràchten.… vàn mijn … geheimen Valurasavochten … blijkt dit … koelen vocht saamgèsteld.… uit bestanddeèlen van wònderen.… dien ik niet.. zeggèn mag!.… Maaààrrrr! waarmeden.… ik allen.. pijnen.… gènees.. bij koningen en princen.… gravèn.. en baronnen.… tot bij den vòlken.… van dèn.. laagsten ràng..

Ik zeg nù.… tòt u.… gij jòngen vriend! neemt dit.… koelen vòcht van Valura.. en laat hèt één oogènblik liggèn.. in den hoèken uws gebeentens, op dèn plek.. ùws pijns.. en gij zult nièts meer.… voelen. Dèn pijn.. zàl zijn.. verdwènen.… en nooit wèder.. kèèrèn.… Alzóó.… spuw nù uit.. mijn jeugdìgèn.… vriend.… het speeksel.. ùws monds.… Schaamt ù niet.… voor ùws.. gelijkèn.. èn uwèn mindèren.. Zòò juist.… Drink nù eens.… één slok.… vàn dit.… ijskoud heràldisch wàter.… dat is heraldischen spijzèn.… vàn oòrsprong. Egyptisch.… zòò juist!.… spoel daarmèden uit.… den ònreinhèden.… uws lichaams.… spoelt dàt.… àlles, dat meèleed aan uwen.… spieren.… en pezen.… gewrichten.… en gebeènten.… laat uwèn … mond verkoelen.… èn wèg.… wèg.… èènsklaps.… zijn àllen pijnèn! Spreekt vriend.… spreekt.… hoe.… voelt gij.… u? Waar is ùw.… pijn?… Waar?… zoo éénsklaps verdwènèn?.… Sprèèk!.… sprèèk!.…

Slungel, met uitgespoelden, smakkenden mond, stond beteuterd, keek sip rond, als zocht ie naar de pijn, verbluft … Angstig ’t eerst, greep ie naar de kaasjes op de straat, voelde in z’n zak naar z’n komkommers.

—Welnu.… jeugdigèn vriend.. sprèèkt—bid ìk u.… spreekt tòt u.… gèlijken.… tòt uw naasten.… vriendèn en maagdèn.… en zèg hèn.. dat Jaack Ròzel Juni-òr.. woonachtig.. [113]te Rottèrdam.. Wagestraat zes en zestìg.… uw eensklàps.. heeft genezèn.… van àllen pijnen.… àllen smarten.… àllen zinkens.… àllen rheumatismen.… waarmedèn.… uw aangèzicht.… bezwangèrd wàs.… Spréékt!… Hebt gij pijn? nù nog?

—Nou f’vloekt.… nou hè’k puur main droai … dut is d’r tùg ’n meroàkel!.. ikke voel puur niks meer.. niks!..

Verbaasd drukte ie z’n hand op z’n kies, om te voelen of ie ’r nog zat. Triomf vonkte er in oogendonker van zwarten Jood. Deftig z’n hoed lichtend van den kop, met ciergebaar, vèr groetend en buigend lichtelijk voor den kring, krijschte plots z’n stem, heftig:

—Maaààrrrr!!.… nu zièt gij.… dat hèt wònder.. heeft plaats.. gègrepén.… Dezèn jeugdigèn vriend.… door mij àànschouwt.… begeeft zich tòt mij.… zoekend.… naar genèzing.… van dèn martelingèn.… des kiespijns.… Hij komt tòt mij.… uw allèr vriend.… met dèn hand.. aan dèn mond.. een gèzicht.… vertròkken vàn smart.. En ik.. naar gij zaagt.… geeft hèm.… eenìgen druppèllèn.… van mijn vocht … En éénen.… minuut.… staat hij hier.… hij drinkt vàn dit.… ijskoud heraldisch wàter.… en spoelt zich.… ònder … mijn toezicht.… En eensklaps … weg … is àllen … pijnen.… àllen koortsen.… Onthoudt nù.… geëerden menschen.… dàt hij èènen.… mìnuut.… voor hij.… hier kwaamt.… voòr mijnèn tafel.… nog hinkten.… nog jammerden en weènden.… van smàrten.…

En spreekt nù.… weer jonggèlingg!… En zeg.… niets.. dàn dèn.. waàrheid.… àlleen en uitsluitend den wààrheid!..

Moor-Jood keek doordringend den slungel aan, die maar knikte van ja, ja, verlegen, sip, met z’n kaasjes weer stevig onder de armen gekneld. Uit z’n twee logge jekkerzakken, onder z’n ellebogen, drongen hooger z’n geel-glanzende komkommerpunten. Komisch verbluft, draaide ie om de kruk rond, staarde ie òp naar den Jood, knikte en stamelde tegen de menschen, dat ie heelemaal niks meer voelde..

—Debies, dutte is d’r puur ’n meroakel, riep Dirk Hassel [114]extatisch, spijtig dat ie geen pijn had, om ook ereis te probeeren of ’t echt was.

—Nou.. die hep ’r ook ’n knikker, wees een, met ontzaggebaar naar ’t hoofd van den Jood.

—Aa’s ’t gain mesièk is!.…

—Mesiek! mesiek! onderbrak een giftig.… en je sien ’t puur veur je aige lampies.… die vent hep rekloàme neùdig!.. mô joù hebbe.

—Tu tu tu.… sou d’r rais kaike.… mi’ de aêre hee!..

Verblufte aanhangers had Jood al en woest werd ongeloovige twijfelaar naar achter geduwd, met voettrappen en elleboog-stooten. Er ging gestommel en geschreeuw; kerels en meiden bliezen van de hitte.. krijschten ruig en paf-moe: daa’s puur ’n stookie hier!.… wa’ hitte!.… Maar Jood lachte stil, deftig doorgebarend, hoed in de hand. Verbluft verstierven de stemmen uit den kring, rumoerloos in luister.—Al dichter kringde menschenprop om kwakzalver heen en verder af daverde ’t kargebonk, gehots en geratel, om z’n kruk.—

—En nu gij.. mijn vriend.. wat dèèrt u?..

’n Woeste kerel, ruw uit verlegenheid strompelde vóór, met z’n pet in de hand, zweetharen over voorhoofd plat-verkruld, nattig glanzend. Wijd sperde ie z’n mond open, spoog ’n pruim voor de kruk, in klownig gebaar, dat ze schaterden in den kring. Z’n lippen, nog bruinend van pruimsap, smeerde ie woest af met handrug. Wild z’n hoofd achteruit, strammend den nek in, gaapte ie als ’n nijlpaard, zonder ’n woord te zeggen, z’n handen mèt pet, nù in z’n broekzakken saâm-gevuist.—

Jood keek, streng, donker, met één hand nog lager achterhoofd van kerel den nek indrukkend.

—Hoe heet gij.. vriend? wat dèèrt u?.. waar woònt gij?

—Da’ flop niks!.. waa’k hiet hee?.. aa’s jai main d’r moàr vèn furt holp, hee?.… barstte de vent woest-lachend uit, main heule bek is t’met rot.… de heule femielje sit dur in te kniese hee? en nou ke’k dur nie eens main flees an toàfel vèn baite.… hee?..

Schatergelach uit den kring barstte los om den brutalen [115]schooier, van wien ieder wist dat ie noòit vleesch zag.—Kerel, aangestooten door ’t lachen, lolde zenuwachtig-schel door, om zich van z’n eigen verlegenheid en benauwing af te helpen. Door de menschenprop joeg weer drift. Nauwer drongen kerels en meiden naar ’t tafeltje òp.—Brallend gekrijsch uit den troep gierde uit:

—La’ jai je nie naime Piet!.… aa’s t’r pain is mo je.… f’rdomd,.… mo’ je ’t uitskraife.… aa’s ’n kerel!

—Nou.… da’ kaa’n je op toetere!.… riep ie driftig, op en neer wippend z’n kaken, terwijl tandentrekker telkens een tangsnavel z’n mond induwde, scherp loerend den beweeglijken donkeren gaapmond in.

—Ja vriend.… indièn gij.… ù niet rustig houdèn kùnt, gedurèndèn een kortèn poosèn zal ìk u.… moetèn opgèvèn.

—Nou seg … hep gain loàrie … ik stoan t’met aa’s ’n poal! furt! furt nou.… debies!.…

Wijder sperde tuindersknecht z’n mond en strenger, in tanggerammel, keek kwakzalver er in. Sierlijker en geaffekteerder wellustte z’n schorre stem hoogdravend gepraat uit.—

—Ja vriènd.… in dit gèval, bij dèn staat ùws monds.. zal één kies.… verwijdèrd.… moetèn worden.—Wil èvèn.. uw geëerden nek achtèruit dringen,… Zòò.. juist zòò!.… Ik zal u.. trekkèn geheel zonder pijnèn.… zoòals.. Jaack Ròzel altijd trekt.… zondèr.… schokkèn.… zonder stòòten.… zonder smartèn.… zondèr soufrànsèn.…

Doodstil loerde de kijkkring op z’n handen. Achterstaanders rekten zich op teenen, om beter te kunnen zien. Kalm draaide de Jood van z’n verroest grimmig stelletje, beplast met water uit ’n glas, een grooter snaveltang los, rood van roest.—Even boog ie in, z’n lichaam, sperde met één hand den mond, drukte plots haastig, de tang in donker gaapgat vóór ’m, verplaatste andere hand in bliksemsnel beweeg, achter den nek van den kerel, die òpstaarde hemelwijdte in, met gespannen kop, woest-verwrongen, donker-harig.—In één draairuk trok Jood de kies er uit, terwijl de kerel nog z’n kop naar achter hield gekrampt, niet beseffend dat ie al geholpen was. Zonder den [116]patient tijd te gunnen tot spreken, zeide jood kort en suggereerend:

—En nu.… drink! dit ijskoud heràldisch watèr.… vèrmengd.… met vocht.… van Valura.… En wèg is.. àllen pijn.… èènsklàps! En nu.… spréékt ook gij vriend!.… Hèbt gij wat gèvoeld?.… bij hèt trekkèn? Sprèèk?.… zeg slechts.… den vollèn wààrheid!

Woest-harige kop, ook van dèzen patient stond gebluft naar den Jood op te staren. Niets, niets had ie gevoeld, geen sikkepit.

Toen ie dacht dat ’t nog beginnen moest, was ie al klaar.…

En nou stond de trekker daar voor ’m, met z’n eigen bebloede kies in de tang..

—Gô sa’ main kroàke!.… daa’s puur ’n meroakel.… viel ie uit, in kringetjes bloedspuwend rond z’n beenen.… f’rduufeld.… hai jai sàin doàr te pakke hee?… Heerekristis waa’n kanjer hee?.… dut is dur puur ’n meroakel!

—Spuug slèchts.. in dezèn bèkèr.… èn drink.. nog één slok … van Valura.… àlles gratiès.… Dit vocht.… dit ijskoud watèr.… het trekkèn!.… Houdt dit vocht.. éénen mìnuut in ùws mond.… op dén plek ùws pijns.… zonder.. te sprekèn.… zondèr.… ù te … bewègèn … laat koelen.… ùwes mond.… uws zenùwen.… uwen verhemèlten, uwèn spierèn, uwèn pezèn, uwén gebèèntèn.… en weg is uwèn smart.… weg uwèn lijdèn!.…

Twee minuten lang oreerde de kwakzalver weer door, al deftiger, hoogdravender, voelend z’n stijgender invloed op ’t bokkige, eerst scheldende publiek. De woeste kerel, stond onder ’m, met opgeblazen wangen, ’t vocht speelsch rond te spoelen in z’n mond, doodstil in één houding, bestaard, met ontzag, door heel den kijkkring.—

—Spuug nù uit, vriend, èn spreek!.… tot ùw maagden.. en makkèrs.… spreekt.. en zèg.. niets dàn den.. wààrheid.. Spréékt.. Drink nog éénen keer.. vàn dit.… ijskoùd wàter.. En zeg dàn.… of gij pijn hèbt … Zeg dèn … vollèn wààrheid aan uws gelijkèn.… aan uwèn meerdèren.… en mindèren.. spreekt.. hebt gij pijn?.… [117]

—Gain spier! f’rdomd.… of ’k mot ’t liege hee? Jeesekrim! meroakel.… daa’s òplucht!.…

—Hai jai gain spier pain Piet? schreeuwde een.—

—Gain spier!

—En hep ie je nie van mékoàr hoald?

—Saa’k f’rbrande.… aa’s ’k wâ voelt hep hee? snó’f’rjenne moat.… daa’s de weg noà de haimel hoor!.… Jemikremi!

Maar Jood bleef stil even van z’n hoogte loeren met z’n gitpupillen op Piet gestard, en toen juichend den kring rond, hoed in den hand, schorde en stootte z’n stem weer:

—Gij àllen.. ziet hèt.… hooggè.. eerd pùbliek.… Ik ben gèèn.… leugènaar.. ik ben gèèn.… bedrièger.… ik ben.… gèèn.… galeiboef.… gèèn Chamberlain.. gèèn Rhodes!.… Hier vòòr u.… staat dèn.. èchtèn den èenigèn.. afstammèling van Profèsseur.… Jaack Ròzel.… Seni-òr.. woònachtig te Montabilie.… in zijn leven.. en strevèn.… op het rotsgebergte van Zuid-Amerika, alwààr hij.… de Sioux’s de Panie-ews!.. de Irokeèzèn, gràties hielp.… gèlijk ik.… dat ù doe.… Hier staat hij dan, in dèn.. levendèn lijven.. Gij ziet hèt.. gij hoort.. hèt.. gij rùikt het.. gij vernèèmt het.. gij beproèft het.… Hij gèneest.… ùwen maagden.… uwen vrièndèn.… uwèn kindèrèn.… Hij is.. den èenigèn.. Jaack Ròzel òp den ganschen wèèreld.. die hier komt om u.. te bewijzèn.. een weldààd.. Hij is.. tèr naam en tèr faam.… bèkend en spèciaal bè-vriend met àllen doktorèn.. professeùren, met àllen genèès-, hèèl-, verloskundigèn des heelen ààrdkloot.… En hij rèist den wèreld door mèt hèt vocht.… van Valura.… en den.… profesòren àchter hèm áán! En hij trekt.… gansch zondèr pijnen.… Hebt gij niet.… gèzien.. dat ik.… hier stàànden.… voor drie màànden.… twee lammen, van wien ik den krukken.… over dèn.… knieën, stuk bràk.… ter aarden.… wièrp,.… hen bèstreek … met hèt vocht.… van Valura.… èn zij.. van mijn tafél, weer loopènden vertrokken,.… rècht op!.… slank en elègant.… gelijk chiraffen.… En hebt gij niet-gezien.… dàt ik.… ùw vriend.… hiernèvens … trok-zòndèr … dàt één … spier vàn [118]zijn.… gèlaat vèrtrok.… en dàt hij.. nu zelf.. bèweert en bèvestigt gèèn pijn te hebbèn.… gèvoeld? Zoo genees ik lammèn.… blinddèn.… doovèn.… rheumatieken.… met mijnèn wonderdruppels.. mijn vocht.. van Valura … Nu zal ik nog dezen.… vriend helpen.… en dan zal ik vertrekkèn.. uit hoofden en onherroepelijk.. zonder àànziens des persònen, na te hebben.… aangebodèn.. laatsten vòòrraad.…

Weer bedremmeld stond een derde kerel voor ’m, mond wijd open. Zacht beduidde hij den jongen, dat ie niet noodig had getrokken te worden. Ook hém liet ie spoelen met zijn Valura, en onderhands haalde ie flakons uit z’n tasch in vloeipapiertjes verpakt.—Weer aarzelde verbluffing rond, in den verhitten kijkprop van tuinderskerels en meiden, sjouwers en vrouwen, want weer stamelde de kerel, na twee minuten ’t vocht in z’n kies te hebben gezogen, dat ie geen pijn meer voelde.—Naar alle kanten werd ie getrokken en verbluft knikte, stamelde ie uit, nergens pijn meer te voelen.—

—Dat wondèr voor dén prijs.. van vijf èn twintig cènt!

Geen woord kon Moor-Jood meer uitbrengen van vermoeienis. Het zweet drupte als stijfselkorrels vettig op z’n donker hoofd. Van drie kanten uit den kring, drongen lijven òp, grijp-armen vooruit, hoog naar ’t tafeltje. Meer niet. Gezicht van den Moor-Jood betrok, zenuwachtig, spijtig, alsof ’r ’n huil draaide rond z’n mond. Maar toch beheerschte ie zich, sprak ie weer met afgetobder, heescher geluid.

Eindelijk, de geholpen kerels, waren weer den kring ingesjokkerd, schouerbonkend, getrokken en gesleurd, babbelden en schreeuwden ze met ondervragers mee. Wantrouwig landvolkje, beduusd en vergaapt, kwam in beweging. Weer had de Jood getoeterd, schel en hoornhoog den hemel in, spattend z’n klanken, schuimend tegen opsteigerend gewoel, en weer zwaaide ie z’n brandende toortsen tegen al donkerder luchtgoud. Er kwam beweging, woeling in den menschprop, uit elkaar brokkeling van broeierige kluiten. Telkens, slechts twee, drie tegelijk, drongen naar de kruk, met ’t kwartje klaar in de hoog gerekte hand. En drukker stalde ie z’n flakons uit, zalig-wachtend [119]op uitwerking van z’n wond’re woorden en proeven.—Sneller drongen de lijven en armen òp, dat ie nieuwe voorraad uit z’n tasch moest halen. Rapper z’n handen graaiden in den tasch-muil, z’n donkere kop lachte, tegen ’t licht in, burlesk, ironisch, onmerkbaar bijna.—Nu zòng z’n stem met klank van zalvende zekerheid:

—Een iedèr.. dièn lijdt.… ’t zij aan zinkèns.. ’t zij aan koortsèn.… ’t zij aan wondèn, blindheid.. doòfheid.. làmheid.… ik help hèm.… ook zondèr gèl-den.…

Trager trok kring om ’m los. Meer en méér handen grepen, naar z’n hooge tafel, dat ’n stapel kwartjes tusschen z’n tangen ophoopte.—

Z’n oogen git-glanzigden, lachten, vonkten.—Eindelijk stopte ie. Zwaar gedaver en laatst gewoel dromde langs z’n tafel achter z’n kruk. Nou wou ie ook een ’n glas bier gaan drinken. Z’n keel brandde van rauwen krijsch en pijn. Eerbiedig weken de kerels voor den lang-mageren Moor-Jood, met z’n angst donkeren kop, z’n streng borenden blik, z’n kalmte. Even z’n schouders, in krommige lijn opgehaald, ging z’n lang lichaam tusschen de sjofele sjouwers en tuinders, z’n zwart-bleeke kop, prachtig beglansd in lichtwaas. Geheimzinnig in donkeren staar, schoof ie voort tusschen de botte kerels, zich-zelf voelend als ’n Cagliostro in zuidelijke gratie en suggestie.—

In eindloozen koepel, blauw-bleek glanzend, rondgestold in ontzaglijken hemelkring boven havenbrok en polder, wuifden struisveerige wolken, zilverzij-licht, en ver, heel naar den horizon, tusschen violette neveling van spitsjes en daakjes, bouwde de lucht porceleinen torens van lichtwolken, slank, met fonkelende tinnen.

Menschenprop was weggebrokkeld, nu kwakzalver bier dronk in rookige walmkroeg.—Daverend roezemoes ratelhotste in ’t zonnezinken als ging er hellevaart rond in Wiereland; begloeid en beglansd stedeke, met z’n hel-rood en zilver leigedak in vervloeienden goud-roes van eindloos polderruim.—

Op en af de booten ging ’t weer in laatsten ploetersjouw en [120]afhitsende werkkoorts als hadden de kerels zich verzuimd met luistering naar den Jood.

Woester stormden de kroegen leeg en vol.—Verhitte zuipdrift stramde de koppen, en zwaarder, paffender in ’t zomerbrio, doorregenden geuren en stanken de haven; verklonk in rommelende donkerte ’t lawaai der zwoegers tegen al stillere rood-verre oneindigheid van polder-avondlucht; hemelkoepel, doorzeild van laatsten klankenjubel en verren vogelenkweel, leeuwerikkenvlucht, donker verstippend de luchtzee door.—

Sneller, àl lager sloeg de blink-glanzende gang van ’t licht over de haven, als kon de dag niet sterven dààr, vloedgolfde ’t over de kerels, roodgebrande tronies, nimbus van avondzon, gloedkoppen, verwaasd en verheiligd.—Dwars door den rauwrumoerenden gruwel van krijschende, furiënde sjacher en zwoeg, over pijpen, masten, zeilbrokken, pramen en sloepen, stroomde avondtooverige gloed, vreemd zilverrood, blond en telkens wisselend in gamma’s. Van de porceleinen wolk-torens, gloei-purperden de tinnen, vonkten hun gouden ommegangen.—Al lager de lichttoover doezelde over heete havenjoel, gedaver en gezwoeg; al wijêr glansde stralende purpering, verstillend de luchten, bedampend in wond’ren zonnemist, keien, sintels, en werkers. Paardkoppen droomden in stille, verglijdende glanzen en karren met aardbei en groen, doofden langzaam, bij stukken uit, in doffe zonloosheid.—

Zonnedroom, die uitdoezelde, wegnevelde, in violet gedamp en paarse vlekken, schaduw-fantomen wierp aan walkant, goudteer vergloorde, tusschen rag touwwerk en masten.

Over bootsrompen, en boegrondingen, waar kleurkopering van roeren en luikjes verbleekte; over heel het havengeraas, waar werkersopstand in drommen dooreen krioelde, starde al meer de vlam van den hitte-dag, de felle daverende blinkgang van licht, verdampend in wazige tonaliteit, in zilverige schemer-vegen en aarzelend blondrossig-goud.

Tusschen het al donkerder kastanje-geboomte, waar de schemer ’t eerst in duisternis verweefde, keken de kerels onder ’t lommer nog òp tegen den kleurzang van zonnedag, die lang, heel lang, [121]tooverig begloeid, in polderhemel bleef nazingen z’n wond’re tinten. Menschen, paarden, honden en karren in opgepropte kronkel en warrel, onder ’t duisterende lommer kleurden nà, in de ver-affe roezemoes van ’t stervende licht.—Allen dáár, wriemelden dooréén in schemer-avondgoud.—Petten kleurden vaal, in al gamma’s; kielen, jassen, schorten, donkere sjouwers en tuinders-venters, boeren en kijkers, in één warreldrom, loom langs elkaar verkleurend en verkronkelend, als drasten ze voet-zwaar aan vastzuigende havenkeien, moeras van rottend groentenafval.—

Dirk Hassel was met Klaas Grint, z’n zoon Jan, en Rink van den polder, tusschen ’n groep tuinders de kroeg ingeschoffeld.—Voor hun beenen buldogde ’n ton-buikige boer, met ’n korf kleine varkentjes onder z’n arm gekneld, waar hooilucht uitrotte, urineachtig-vuns. Krijschend en ronkend woelden de dieren, scheefhangend tegen de korfbiezen op, en telkens bonkte bullige boer, met z’n worstige handen, ’n driftstoot op de krijscherige diersnuiten.—Achter kroeggangers ratel-rolden, dwars door de woelende menschenmassa, groote gele tabaksvaten, door troepje kerels met trappen tusschen de karren en dieren voortgebonkerd naar ’t spoor.

Dirk was blij dat ie eindelijk zat. Al twee maal van de haven naar de akkers geweest, extra-oplading, en nou zou ie ’t d’r eens lekkertjes van nemen. Hij grinnekte tegen z’n brandewijntje met suiker, dat op z’n schor-korten roep, dadelijk gebracht was. Om ’m krioelde ’t van klomp-klossende kerels, in stampigen gang op knarsenden zandgrond. Lekker en poeteloerig-duizelig snoof Dirk de jenever en bierlucht, zoetig en scherp, en stil tegen den muur ingedrukt, ’n pijp den mond ingebeten, sloeg ie, brandewijntje na brandewijntje klein, mummelde wat woorden uit, tegen groenboeren die naast ’m neersmakten, aemechtig hijgend van zwoeg.—

Zwaar-laag dampte de kroegrook, nevelig, en rood misterig toen gasvlam bij ’t buffet en boven biljart àànplofte. Stil bleef Dirk zitten, roerloos in z’n hoekje, uitspuitend pruimsop en pijpnikotine in de spuwbakken, doodop, lekker duizelig, in de [122]wemeling van al meer aanstommelend landvolk en roezemoes van stemmen, achter hitterook uitkrauwelend, tot ie doorzopen, landerig en woedend, tegen tien uur naar huis waggelde.

[Inhoud]

III.

Om drie uur den volgenden ochtend, kwam er kort-driftig gestommel in de duister-beluikte woonkamer van ouën Gerrit. Zurige zweetlucht vervunsde uit de krottige slaapholletjes. Dirk uit ’t donker bedsteetje, was opgesprongen, òver Piet heen, nog slaperig en gaperig, rauw van pijn, geradbraakt van vermoeienis en katterigheid. Branderige matheid voelde ie door z’n lijf loomen. Driftig schouerbonkend stootte ie Piet op, die nijdig even gromde, maar dadelijk weer insnurkte. Dat maakte Dirk kregel en snauwender porde ie ouë Gerrit en Guurt, dat ruw z’n korte stem, kamerochtend-stilte doorscheurde. Wijê gapen loeide ie koeïg door ’t vertrekje, dàn vlak tegen beschot, dàn vóór bedsteedonker, telkens zich rekkend in achterwaartschen lijfkronkel, armen omhoog gerengeld en vingers verkrampt in slaapzoeten wellust, dien hij machteloos-heerlijk door z’n lijf voelde terugstroomen, tegen z’n luiigen lijfrek in. Langzaam slofferde ie op z’n kousen naar buiten waar ie de luiken van de ramen losmorrelde. Onder de pomp beplaste hij z’n gezicht, luchtigjes met water, vies van ’t nattige dat z’n hemdsmouwen en hemdboord beklefferde, en in branderige straaltjes tot op z’n naakte borst afdroop.—

Guurt was gauw opgestaan.—In ’r nachtpon, haarhang opgebonden in woesten kronkel, maakte ze vuur op ’t achterend, drentelde rond de stellen en zette boterhammenkoffie.—Ouë Gerrit en Piet in hun rooie onderbroeken waggelden nog slaapdronken en grommerig door de kamer, loom en lijzig hun bovenkleeren aansjokkerend. Even bleef Piet hang-zitten op z’n stoel, klepten z’n oogleden dicht, hield ie z’n stinkende pilow, half over z’n dijen getrokken, slap in de slaaprige, krachtlooze knuist. Ouë Gerrit, in schreeuw, schrikte ’m wakker. [123]

—Wà sloapmus, jai toch, gromde ie, soo’n jonkie!

Na ’n kwartiertje rondgeslenter en gedribbel, sluipzacht op ’r kousen, had Guurt de kerels bakken koffie en hompen brood voorgeschoven. Gretig schuifelden de mannen hun stoelen áán, neerblokkend met armen op tafel, hoofden gebogen over hun dampende koffiebakken, slurpend, gaperig, rekkend en korrelig-stil. Rond hen, walmde slaapstank van ’t kamertje, dat al zacht volgevloeid glansde van vreemd, gloed-stil ochtendgoud. Roodflonkerende zonnedans koperde bliksempjes op de staartklok-gewichten, op ’t pronkstelletje, tang-pook-schep, onder het schuingetimmerde, versierde hoekschoorsteentje.—

Langzaam, in bedaarde ouderwetschheid tiktakte de klok, zacht-vlammig aangegloeid rond de gewichten.—Guurt had ’t duifje losgedekt en daadlijk koerde z’n kopje als van verre, droef door de kamerstilte heen, waar alleen smakten en slurpten de wreede werkersmonden, en de klok dreinerig ti-jik.… tàkte.…—

Moeder Hassel lag, met opengesmakte deuren, de kamer in te staren, bleek beslaapmutst hekserig hoofd, op peluwgrauw, de uitgedoofde staaroogen naar de slurpende kerels.—Ze hoorde koffie slurpen; dàt geluid kende ze. Ze zag ’t, voelde, besnuffelde ’t, met wilde, gesperde neusgaten.—Dàt geluid haakte vast in ’r ooren, ’t hoofd, bleef in ’r herinnering leven.… Woest instinkt naar koffieslurp.—Telkens gretig, even keek ze naar Guurt, als wist ze nu klaar, dat ze ’t van die moest hebben. Maar de kerels hapten door, slurpten onverschillig. Guurt klepperde nog ’n roodaarden bord voor hen neer, waar ze weer hompen brood op afsneed, slurpte zelf mee, gejaagd zittend op stoelpunt, ongewasschen in blauwkorten onderrok nu. Stil slurpte d’r mond in doorzond ochtendgoud van kamer, ’r blond hoofd in stil aureool. Buiten, achter ’t raam, glansden de akkers in aanbrandenden gloei van zonnekomst.

—Nou Ouë, gromde Dirk plots, kauwend en slikkend dat ie niet verder spreken kon eerst—aa’s ’tr nou moàr puur om drie uur, de oarbei-boel dur stoan, an de markt hee? daa’k [124]hullie om vaif uur an de kant hep in de stad? kaa’k t’met nog ’n hooge markt moake.. hee?

—Sel d’r weuse.… mi sonder mekeere.… Hoho! ho!.… Piet loait op.… en Kees goan de hoàfe langest.…

—Hier-op-pan! aa’s Kees de hoafe opgoàn, ken ie t’met oploaje ook.…

—Hoho! dà lief ’k nie! dà lief ’k nie.… die suupt te veul.… die hep s’n skoenlappertjesmoandag.… enne.… dá’!.…

—Wa’! Kees?.. Kees suipt?.… krijschte Dirk uit, ’n stuk brood, dat ie half al in z’n mond gestopt had er weer uithalend, met ’n web van fijne spoegdraadjes,—f’rvloekt aa’s de fint één borrel lait! jai suinege Job!

—Hoho! vier en vaife en nie g’nog! bars jai nie uit!.. soo vroeg in ’t morgeuur hee?.…

—Wa’.… éénmoal.. andermoal.. ikke wil dá’ Kees oploait.. Piet hep s’n aige dood te plukke op haide.. En denk dur om.… niks aa’s oarbaie.… Op haide voart de boot twee keer!.… ikke goan doar.… om veur van … om twaalf uur is t’ie d’r wair.… sel main ’n dotje weuse op de kant!.. snof’rjenne, gain ploas om je klompe af te trappe, waa’n klus.… ’n drukte op de boot.… sullie dringe hoarlie aige t’met hardstikke dood.. hoagelvol!

Ouë Gerrit was opgestaan met ’n smak z’n koffiekop op tafel neerstootend, dat vrouw Hassel in ’r bed opschokte, iets brabbelend uitstamelde. Nog had Guurt ’r geen leutje gebracht. Onrustig, hongerden ’r oogen naar ’t zoete vocht, dat op stinkend petroleumvlammetje konkelde en leuterde. Ze besmakte ’r drooge lippen, zonder dat ze vragen durfde, vragen kòn. Besefloos Guurt te roepen, uit angst voor nijdigen snauw, in ban van trage dofheid, bleef ze staren, vroeg ze toch met ’r oogen, zonder dat iemand uit de aanlichtende kamer naar ’r omkeek. Gerrit, handen in zakken geknuist, keek met z’n neus op ’t raam gedrukt, naar buurman’s tuinderij, waar nu alles groen-goud in den ochtend-tintel gloeide, doorvonkt van dauwig druppelvuur.—Ochtendstilte, uit paadjes en wegjes, [125]ruischte rond de tuindershuisjes en de roode bedakingjes vlamden licht-hel.—

Vandaag zou ie wat te plukken hebben, mijmerde Gerrit, speelsch drukkend z’n neuspunt tegen ’t ruit, wiebelend op z’n hakken. Z’n rug zwoor en stak van pijn. Maar ’t most, most nou. Hij had al dagen achteréén onrustig zitten piekeren, dat ’r geen regen kwam, gejaagd, nou de boel zoo droog stond. Maar nou m